CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording Technische vragen 694 PvdA over Transitievisie warmte

Gemeenteraad Voorschoten 4 juli 2024, gemeente voorschotenBij agendapunt: Collectief warmtesysteem1.613 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Technische vragen over lopende agendapunten 694

Datum

5 juni 2024

Steller vragen

Arnold Posthuma

Over agendapunt

Collectief warmtesysteem en aansluiting op warmtelinQ Gemeenteraad 4 juli 2024

1 Blijkens een milieurapportage van Arcadis van 25 april 2023 heeft warmtelinQ Rijswijk – Leiden een transportcapaciteit van 100MW waarmee circa 50.000 WEQ’s van warmte kunnen worden voorzien blz 14). Van deze 100MW zal in elk geval 40MW worden afgezet aan de westzijde van Leiden. De overige 60MW kan worden afgezet in nieuwe lokale warmtenetten langs het tracé (blz 32). De Piek & Back-Up Unit Leiden West krijgt een vermogen van maximaal 120 MW. (Bron: Arcadis, 25 april 2023). In het rapport Witteveen (bijlage bij raadsvoorstel) wordt uitgegaan van een WOS met een basislast van 40MW in Voorschoten. Volgens dit rapport wordt het vermogen van de Piek & Back-Up voorziening in Voorschoten ‘gedimensioneerd op 100 MW’. Het ruimtebeslag van het WOS Voorschoten met gasketels als P&BU-voorziening heeft een grondoppervlak van 36 bij 43 meter, een hoogte van 9 meter en een schoorsteen met een hoogte vanaf grondoppervlak van 29 meter. Vraag 1. Klopt het dat de geplande capaciteit oftewel de basislast van een WOS en P&BU-voorziening in Voorschoten ongeveer vergelijkbaar is met die van Leiden-west ? Als dit niet het geval, wat is dan de geplande capaciteit van beide en hoe verhoudt dat zich tot de transportcapaciteit van warmtelinQ Rijswijk – Leiden van 100 MW? Het is niet mogelijk om te beoordelen of beide situaties vergelijkbaar zijn.

Het ontwerp van de piek- & backupinstallatie in Leiden-West is niet in het bezit van de gemeente Voorschoten, en in Voorschoten is er nog geen ontwerp. Het rapport van Witteveen+Bos (W+B) beschrijft de globale kaders van een mogelijke situatie in Voorschoten. De genoemde vermogens van 40 MW basislast en 100 MW piek & backup in Voorschoten zijn een maximum, om de maximaal benodigde afmetingen voor de te reserveren gronden te bepalen. Deze studie helpt om te bepalen of het inpassen van een WOS mogelijk is. Dit is nog geen ontwerp of geplande capaciteit. De benodigde capaciteit zal op een later moment worden bepaald door een nog aan te wijzen warmtebedrijf. De totale geplande capaciteit van WarmtelinQ in de Leidse regio is 100 MW basislast. Bij de bepaling van de kaders voor een warmteoverdrachtsstation (WOS) door W+B is uitgegaan van 40 MW basislast. In de praktijk kan deze capaciteit ook lager zijn. Als de WOS in Voorschoten er komt, zal deze naar verwachting tussen de 10% en 40% van de totale capaciteit van WarmtelinQ gebruiken. 1

Technische vragen over lopende agendapunten 694

Vraag 1.2 Hieronder zijn openomen allereerst een impressie van P&BU Leiden West (bron: Vattenfall) en daarna een illustratie van een WOS met P&BU voorziening zoals die in Voorschoten zou kunnen komen. (bron: bijlage bij raadsvoorstel, Witteveen+Bos). Wat is de reden dat de laatstgenoemde illustratie veel minder massief toont dan de eerste impressie terwijl de basislast vergelijkbaar is? Is het mogelijk om ook voor WOS plus P&BU Voorschoten een foto-impressie te verkrijgen?

De hoge kolom in de eerste afbeelding is een buffervat voor de opslag van warm water. Deze hebben een groot volume. In het rapport van W+B is geen buffervat voorzien. Daarom is op die tekeningen enkel een schoorsteen te zien. Er is geen foto-impressie beschikbaar. 2 Betaalbaarheid, waaronder laagste eindgebruikerskosten, vormt een belangrijk criterium in het afwegingskader. In de technisch-economische analyse transitievisie warmte 1.1 wordt geconcludeerd (blz 56) dat zowel de kostenramingen als de kwalitatieve overwegingen een voorkeur laten zien voor

2

Technische vragen over lopende agendapunten 694

een gemeentebreed collectief warmtesysteem. Het gaat hierbij om alle kosten die een bewoner betaalt voor de omschakeling naar aardgasvrij verwarmen. Het gaat dus niet om een vergelijking met de huidige kosten maar om de meerkosten t.o.v. het gebruik van een hr-ketel op aardgas. Vraag 2 Kan een indicatie worden gegeven van de eindgebruikerskosten van een collectief warmtenet in vergelijking met de huidige kosten? De in de technisch-economische analyse (TEA) genoemde eindgebruikerskosten betreffen de gemiddelde jaarlijkse meer- of minderkosten ten opzichte van een referentiesituatie waarin een HRketel op aardgas wordt gehandhaafd. Deze referentiesituatie beschrijft de huidige kosten van verwarming met een HR-ketel. Deze eindgebruikerskosten zijn bepaald met het Dashboard Eindgebruikerskosten van TNO. De gevraagde indicatie van de eindgebruikerskosten van verschillende warmtestrategieën ten opzichte van dit referentiescenario zijn te zien in tabel 14 van de TEA, voor de verschillende gebieden van Voorschoten. Strategieën S2, S3-LT en S3-MT zijn verschillende varianten van een collectief warmtesysteem. Het daadwerkelijke bedrag zal echter anders zijn en is afhankelijk van het uiteindelijke ontwerp. Daarom is in de TEA bewust gewerkt met een score en niet met een specifiek bedrag, omdat dit laatste de schijn kan geven dat er al meer zeker is dan er daadwerkelijk is.

De scores zijn vervolgens gewogen ten opzichte van verschillende maatschappelijke waarden. 3 De clusters ‘all-electric’ en ‘Noord-Hofland’ worden aangewezen als clusters om mee te starten. Op blz 70 van de technisch-economische analyse staat voor het cluster ‘all-electric’ als voorkeursalternatief de warmtepomp. Vraag 3 Geldt dit ook voor de aldaar aanwezige (sociale) huur- en koopappartementen (hoogbouw)? Ja, dat geldt ook voor de aldaar aanwezige hoogbouw. 4 In het raadsvoorstel staan diverse onzekerheden genoemd. Zo wordt op vragen van de VVD geantwoord dat wanneer de door het huidige kabinet ingediende wetsvoorstellen (in het bijzonder de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en de Wet collectieve warmte) toch worden afgewezen ‘dit grote invloed kan hebben op de haalbaarheid van de warmtetransitie. De gevolgen zijn niet goed te overzien’. Daarom schrijft het college terecht op bladzijde 24 van het raadsvoorstel: ‘Het beslispunt in dit raadsvoorstel gaat alleen over het reserveren van gronden en schept daarmee de basis dat het reserveren van een WOS mogelijk blijft’. Met andere woorden, het beslispunt houdt dus niet in dat thans al wordt besloten tot het realiseren van een WOS/P&BU-voorziening, maar waarborgt

3

Technische vragen over lopende agendapunten 694

uitsluitend dat de boogde kavels niet voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt. Het al dan niet realiseren van een WOS/Piek&BU-unit behoeft een apart besluit. Echter, het voorgestelde beslispunt 3 is een dubbelbesluit. Het gaat om 1) het besluit medewerking te verlenen aan de realisatie van een warmteoverdrachtsstation (WOS), en 2) het reserveren van genoemde percelen hiervoor. Vraag 4 Waarom gaat de tekst van het beslispunt verder dan de uitspraak van het college op blz 24 van het raadsvoorstel dat het alleen gaat om het reserveren van gronden? Over dit onderwerp heeft wethouder Schokker een aparte memo gestuurd richting de gemeenteraad. Er moet aan drie voorwaarden worden voldaan. Met de gekozen formulering wordt voldaan aan de drie voorwaarden. Het uitspreken van steun voor een WOS is van belang, maar dit betekent niet dat de steun onvoorwaardelijk is. Het beslispunt is bedoeld als een intentie om warmte uit WarmtelinQ niet alleen als voorkeursbron aan te wijzen, maar ook echt te realiseren d.m.v. een T-stuk en een WOS. 5 Op 21 augustus 2023 heeft de gemeente Leiden een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de commanditaire vennootschap LdM c.v. De overeenkomst heeft betrekking op het project WarmtelinQ Rijswijk – Leiden. De Gasunie heeft ter uitvoering hiervan LdM opgericht, zijnde een 100% dochter van Gasunie.

Vraag 5 Heeft de gemeente Voorschoten ook een dergelijke samenwerkingsovereenkomst met deze vennootschap gesloten? Ja. Deze overeenkomst gaat over de aanleg van de warmteleidingen van WarmtelinQ tussen Rijswijk en Leiden. 6 Op 12 juni 2024 zal Provinciale Staten het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) WarmtelinQ Rijswijk – Leiden en aanlandlocatie vaststellen. Een PIP vervangt onderliggende bestemmingsplannen, waarbij de provincie de ruimtelijke procedure(s) heeft overgenomen van de betrokken negen gemeentes. Vraag 6.1. Wat is de bevoegdheidsverdeling tussen provincie en gemeente voor wat betreft het tracé van het warmtenet? De provincie is het bevoegd gezag met betrekking tot het vaststellen van het provinciaal inpassingsplan (PIP). Met het PIP worden aanvullingen gedaan op bestaande bestemmingsplannen in

4

Technische vragen over lopende agendapunten 694

Voorschoten. Met het PIP wordt het juridisch-planologisch kader gecreëerd voor de aanleg en bescherming van de warmtetransportleiding. Het verlenen van de vergunningen voor de realisatie van de warmtetransportleiding wordt weliswaar gecoördineerd door de provincie, maar blijft een bevoegdheid van de afzonderlijke gemeenten. Ook de mogelijke realisatie van een WOS, en alle daarmee gepaard gaande vergunningen en eventueel de wijziging van het Omgevingsplan, blijft de bevoegdheid van de gemeente. Vraag 6.2 Wie is bevoegd tot het eventueel plaatsen van een WOS/P&BU in Voorschoten? De gemeente, de provincie of een op te richten warmtebedrijf? Het wijzigen van het omgevingsplan en het verlenen van omgevingsvergunningen voor het realiseren van een WOS/ P&BU in Voorschoten is de bevoegdheid van de Gemeente. Een WOS past niet binnen het huidige omgevingsplan. Er zijn twee manieren waarmee een WOS (juridisch-planologisch) mogelijk gemaakt kan worden: (1) via een wijziging van het Omgevingsplan of (2) via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA). Via beide routes heeft de gemeenteraad invloed op de kaders voor een WOS/P&BU. In het eerste geval is er sprake van een raadsbevoegdheid. Voor de wijziging van het omgevingsplan om een WOS mogelijk te maken is de raad bevoegd.

Het college is vervolgens bevoegd om op basis van dat omgevingsplan omgevingsvergunningen te verlenen. Het kan ook dat de WOS niet via het omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, maar via een omgevingsvergunning voor een BOPA (een activiteit die niet valt binnen het omgevingsplan). In dat geval is het college bevoegd voor de vergunning, maar zal zij advies moeten vragen aan de raad. Een toekomstig warmtebedrijf zal initiatiefnemer zijn bij de planontwikkeling en is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke plaatsing.

5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=22679677-46d3-4242-bb19-889122785354