Beantwoording Technische vragen 688 VVD over WarmtelinQ
Tekst van het document
Technische/informatieve vragen over lopende agendapunten 688 Datum 26-05-2024 Steller vragen Jaap Haubrich Over agendapunt WRG Collectief Warmtesysteem en aansluiting op WarmtelinQ Het college wordt verzocht de volgende vragen schriftelijk te beantwoorden: Op pagina 1 van het raadsvoorstel staat dat “tot 80% van Voorschoten aardgasvrij kan worden gemaakt” dmv warmte uit WarmtelinQ. 1) Is dit percentage van 80% aardgasvrij gebaseerd op het aantal huishoudens in de 5 wijken van Voorschoten die het voorkeursalternatief “collectief MT-warmteysteem” hebben gekregen? Ja. 2) Zo ja, hoe verhoudt zich dit percentage tot het gegeven dat in de Wet WgIW staat dat individuele huishoudens te allen tijde de vrijheid behouden om niet mee te doen, zelfs als hun buurt is aangewezen voor een collectief warmtesysteem? Uit de technisch-economische analyse blijkt dat een collectieve oplossing in de huidige situatie voor 80% van de woningen het voorkeursalternatief is. In de praktijk kan dit percentage echter lager of hoger uitvallen. Een reden waardoor dit percentage lager kan worden is dat huishoudens gebruik maken van de vrijheid (onder de Wgiw) om niet aan te sluiten op het collectieve warmtesysteem. Huishoudens behouden dus de vrijheid om niet mee te doen.
Een reden dat het percentage hoger kan worden is dat uit nader onderzoek kan blijken dat collectieve warmte ook voor de warmteclusters Oud Starrenburg en Dobbewijk de voorkeur heeft. In de paragraaf financiën van het raadsvoorstel staat: “de kosten voor de realisatie van het warmteoverdrachtsstation (WOS) en de leidingen daar naartoe komen voor rekening van Gasunie en het toekomstige warmtebedrijf. De gemeente Voorschoten hoeft hiervoor geen kosten te maken”. Tegelijkertijd staat in het Raadsvoorstel dat “een aansluiting alleen mogelijk is bij voldoende warmtevraag”. Later in het Raadsvoorstel wordt deze warmtevraag concreet gemaakt als 10MW basislast. 3) Betekent dit dat we ons als Gemeente Voorschoten op enige wijze committeren aan een toekomstige minimale warmte-afname, ongeacht hoe succesvol Voorschoten later is in het daadwerkelijk aansluiten van (voldoende) huishoudens? Nee. Gasunie neemt een investeringsbeslissing over de aanleg van een aansluitpunt (T-stuk) op WarmtelinQ in Voorschoten, op basis van het raadsbesluit. In een latere fase nemen Gasunie en een toekomstig warmtebedrijf de investeringsbeslissing over de realisatie van het warmteoverdrachtsstation. In beide gevallen is dit geen directe investering van de gemeente Voorschoten. Gasunie moet aan de Autoriteit Consument & Markt (ACM) kunnen aantonen dat de investering doelmatig en efficiënt is.
Bij de investeringsbeslissing voor het aansluitpunt (T-stuk) hanteert Gasunie daarom een verwachte minimale warmtevraag van 10 MW basislast. Met de besluitvorming in het raadsvoorstel spreekt de gemeente Voorschoten een intentie uit. Op basis van deze intentie zal de warmtevraag in Voorschoten en Leiden-Zuidwest samen naar alle waarschijnlijkheid ruim boven deze 10 MW uitkomen. Op basis van deze verwachting en een besluit van de gemeenteraad om aan te willen sluiten op WarmtelinQ neemt Gasunie het investeringsbesluit. Gasunie heeft aangegeven dat de voorliggende besluitvorming voldoende is. De wederzijdse intenties, om een T-stuk aan te leggen (Gasunie) en voldoende warmtevraag te
Technische/informatieve vragen over lopende agendapunten 688 ontwikkelen (Gemeente Voorschoten), worden voor de zorgvuldigheid nog wel in een door het college af te sluiten overeenkomst vastgelegd. In essentie is dit dus een intentieovereenkomst. Hierin zal dus geen harde commitment voor een minimale warmte-afname door de gemeente Voorschoten worden opgenomen. Het toekomstige warmtebedrijf is de geëigende partij om dergelijke commitments te geven. 4) Als de Gemeente Voorschoten later in het proces om wat voor reden dan ook besluit niet daadwerkelijk aan te sluiten en daarmee niet kan voldoen aan die minimale warmte-afname moet Gasunie dan gecompenseerd worden voor gemaakte kosten van het aansluitstuk ? Zo ja hoeveel? Nee. Gasunie loopt het risico dat de investering voor niets is geweest, als de gemeente Voorschoten in een latere fase besluit de koers te wijzigen. In kanttekening 3.1 en 3.5 wordt aangegeven dat “in 2030 alleen icm Leiden Zuidwest er aan deze minimale basislast voldaan kan worden en dat het besluit over een aansluiting op WarmtelinQ en het reserveren van geschikte gronden voor de WOS dus ook de warmtetransitie van de gemeente Leiden raakt.
Het besluit van de Voorschotense gemeenteraad heeft dus niet alleen invloed op de warmtetransitie in de eigen gemeente, maar ook op die van Leiden” 5) Is er vanwege deze wederzijdse afhankelijkheid in de afgelopen periode bestuurlijke afstemming geweest met de Gemeente Leiden? Zo ja, waar heeft die bestuurlijke afstemming tot geleid dat relevant is voor de beoordeling van dit Raadsvoorstel? Ja. Er is bestuurlijke en ambtelijke afstemming geweest met de Gemeente Leiden. Er wordt nu gewerkt aan een intentieovereenkomst tussen beide gemeenten om de aansluiting op WarmtelinQ, het warmteoverdrachtsstation en in de toekomst eventueel ook andere bovenlokale warmtebronnen gezamenlijk mogelijk te maken. Deze intentie is nog wel afhankelijk van het raadsbesluit. Als de gemeenteraad instemt met het raadsvoorstel, dan zullen de afspraken daarna nader worden uitgewerkt in een samenwerkingsovereenkomst. Op pag 3 en 4 van het raadsvoorstel staan de passages: “Gasunie wil voor de zomer weten of Voorschoten zich positief uitspreekt over een warmtesysteem in de toekomst om een aansluitstuk in te kopen” en “als de Gemeenteraad geen duidelijk besluit neemt zal aansluiten op een ander moment duurder of misschien zelfs onmogelijk worden” 6) Wat betekent “positief uitspreken” concreet? Is dat het voorliggend raadsvoorstel aannemen? Ja.
7) Wat betekent “geen duidelijk besluit nemen” concreet? Is dat het voorliggend raadsvoorstel niet aannemen? Ja. 8) Kan de concrete planning van de beoogde graafwerkzaamheden op/onder Voorschotens grondgebied gedeeld worden met de raad? Gasunie is verantwoordelijk voor de gedetailleerde planning. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning is een bouwperiode gecommuniceerd van voorjaar 2025 tot eind 2026. Afhankelijk van mogelijke beroepsprocedures kan dit uitlopen tot 1 oktober 2027. Als de einddatum naar achteren verschuift, dan verschuift de begindatum naar verwachting mee.
Technische/informatieve vragen over lopende agendapunten 688 In de tabel op pag 8 wordt voor de wijken Oud Starrenburg en Dobbewijk geen voorkeursalternatief uitgesproken maar de tekst “nader onderzoek”? 9) Wat betekent dit concreet (voor het handelingsperspectief van de inwoners van deze wijken)? In de technisch-economische analyse worden deze gebieden als ‘MT-warmtenet, tenzij…’ beoordeeld. Dit betekent dat er voor deze gebieden nog nader onderzoek gedaan zal worden. Zolang dit onderzoek niet is afgerond, wordt er vanuit gegaan dat ook in deze gebieden een MTwarmtenet de voorkeur heeft. Dit alternatief scoort namelijk de meeste punten in de technischeconomische analyse. Als uit het nadere onderzoek blijkt dat een andere oplossing beter geschikt is, zal dit worden aangepast. Op meerdere plekken in het raadsvoorstel wordt de datum van 1 januari 2026 genoemd voor de geschetste planning en besluitvorming omdat op die datum de wetgeving voor verplichte hybride warmtepompen in gaat. 10) Wat betekent het feit dat de nieuwe coalitie in Den Haag heeft aangegeven deze verplichting te schrappen voor de planning en besluitvorming samenhangende met dit raadsvoorstel? Dit betekent vooral dat risico 3 kleiner wordt: “Het gebruik van individuele (hybride) warmtepompen kunnen de haalbaarheid van een collectief warmtesysteem verkleinen”.
Als de hybride warmtepomp niet meer verplicht is, dan zal waarschijnlijk een kleiner deel van de inwoners deze stap daadwerkelijk zetten. Een gevolg kan zijn dat een collectief warmtesysteem voor langere tijd het voorkeursalternatief voor de verschillende gebieden in Voorschoten blijft. Mbt het reserveren van de percelen voor het WOS: 11) Welke gemeentelijke activiteiten vinden er momenteel plaats op de te reserveren kadastrale percelen met kenmerk VSTOO-A-5918 en VSTOO-A-5915? Momenteel vindt er vooral (tijdelijke) opslag plaats van afval, bouwmaterialen en materieel. 12) Waar worden deze gemeentelijke activiteiten naartoe verplaatst als deze percelen daadwerkelijk voor een WOS gebruikt gaan worden? Dit is onderwerp van nader onderzoek. Op dit moment wordt de huisvesting van de buitendienst integraal onderzocht. De activiteiten op de genoemde percelen worden daarbij meegenomen. Het zal waarschijnlijk nog enkele jaren duren voordat het warmteoverdrachtsstation daadwerkelijk gebouwd zal worden. Dit geeft de gemeente dus nog tijd om een andere locatie voor deze activiteiten te vinden. In Bijlage 4 Ruimtelijke verkenning WOS wordt aangegeven dat een toekomstig WOS voorzien moet zijn van een piek- en backup installatie van 100MW en dat die installatie zowel in een gasgestookte als elektrische variant gerealiseerd kan worden.
13) Klopt het dat de elektrische variant vele malen eenvoudiger planologisch en vergunningstechnisch is in te passen op de voorkeurslokatie maar dat het (door de netcongestie) zeer onwaarschijnlijk is dat de benodigde 100MW daarvoor door Liander gerealiseerd kan worden? Ja. Voor de precieze invulling van de piek- en backupinstallatie is vervolgonderzoek nodig. * Aangeven wat van toepassing is. Toelichting (indien nodig):