Beantwoording technische vragen 449 VVD over rechtspositie raad- en commissieleden (incl. bijl.).pdf
Tekst van het document
Technische/informatieve vragen over lopende agendapunten 449
Datum 8 december 2021 Steller vragen VVD-fractie – Katrien van Meenen Over agendapunt Cie B&B 9 december 2021; agendapunt 11 verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2021 Het college wordt verzocht de volgende vragen schriftelijke te beantwoorden voor de commissie B en B van 9 december 2021 Omdat deze verordening ambtelijk door de griffie is voorbereid en via het presidium aan de raad is voorgelegd, worden de vragen niet onder verantwoordelijkheid van het college beantwoord, maar door de griffie. -
Bij lokale keuzes voor de Verordening 2021 wordt onder punt 1 een toelichting gegeven over de mogelijkheid om 20% van de vergoeding om te zetten in presentiegeld. In de toelichting wordt een voorbeeld van de gemeente Den Haag vermeld. Daarbij wordt verwezen naar een voetnoot. Deze voetnoot vind ik niet terug in het document. Graag zou ik een nadere uitwerking van het genoemde voorbeeld zien. Antwoord: Het gaat om voetnoot 1 op bladzijde 3 van het raadsvoorstel. De voetnoot verwijst naar de online raadpleegbare wijziging van de verordening rechtspositie zoals die in Den Haag is vastgesteld. Voor het gemak is een PDF van dat voorstel bij deze beantwoording gevoegd.
-
Betekent een beoordeling achteraf dat voor een raadslid dat meer dan 25% van de vergaderingen afwezig is geweest dat de vergoeding voor de maanden waarin het raadslid niet aanwezig was opnieuw wordt berekend? Antwoord: Nee, het terug te vorderen bedrag wordt niet berekend op basis van het aantal maanden, maar op basis van het percentage niet bijgewoonde vergaderingen. Zie hiervoor ook het rekenvoorbeeld in de toelichting op de verordening, bladzijde 13 van het raadsvoorstel.
-
Wordt er een geldbedrag teruggevorderd of ingehouden op de nog uit te betalen vergoeding? Antwoord: Beide is mogelijk. Hierover zullen in overleg met het betreffende raadslid afspraken gemaakt worden.
-
Op welk moment in het jaar wordt deze beoordeling gedaan?
Technische/informatieve vragen over lopende agendapunten 449
Antwoord: Na de laatste raadsvergadering in december zal op basis van de vastgestelde notulen beoordeeld worden welke raadsleden 25% of meer van de raadsvergaderingen afwezig zijn geweest. -
Wat is concreet het terug te vorderen bedrag per maand gebaseerd op de huidige vergoeding. Antwoord: Het terug te vorderen bedrag wordt niet berekend op basis van het aantal maanden, maar op basis van het percentage niet bijgewoonde vergaderingen. Twintig procent van de maandelijkse raadsvergoeding is €209,55 (maandelijkse vergoeding is €1047,82) en is afhankelijk van de presentie. Stel dat er in enig jaar 15 raadsvergaderingen waren, waarvan er 11 zijn bijgewoond, dan is een raadslid 26,67% afwezig geweest. Volgens het rekenmodel wordt 4/15 x 20% x 12 x 1047,82 = 670,60 teruggevorderd.
-
Betekent terugvordering dat mogelijke toeslagen die een raadslid ontvangt hier ook door worden beïnvloed? Antwoord: Als bedoeld wordt de maandelijkse onkostenvergoeding voor raadsleden en toeslagen voor fractievoorzitterschap of lidmaatschap van de vertrouwenscommissie is het antwoord hierop: nee. Het gaat om de vergoeding zoals die staat in artikel 3.1.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
-
Zijn er in Voorschoten de afgelopen 8 jaar “spookraadsleden” geweest die anders dan door Corona door hun afwezigheid door voorgestelde maatregel zouden worden getroffen als die op dat moment van toepassing was Antwoord: De voorgestelde regeling maakt geen onderscheid in reden van afwezigheid en spreekt alleen van de situatie dat een raadslid in een kalenderjaar 25% of meer van de gehouden raadsvergaderingen niet heeft bijgewoond. In genoemde periode waren er raadsleden die in een kalenderjaar meer dan 25% van de raadsvergaderingen afwezig waren. Gekeken naar de afgelopen 4 jaar gaat het om: 2018: 1 raadslid 2019: 1 raadslid 2020: 2 raadsleden 2021 (t/m 18-11): 2 raadsleden
Toelichting (indien nodig):
Datum 26 november 2020
RIS307054
Voorstel van het presidium tot wijziging van de Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Den Haag 2019 Inleiding De Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Den Haag 2019 is een lokale uitwerking van de landelijke regelingen voor de rechtspositie van raads- en commissieleden. Op 20 februari 2020 heeft de raad motie RIS304665 aangenomen, waarin het presidium wordt verzocht ‘een nieuwe lokale verordening aan de raad voor te leggen waarin het wettelijk bepaalde deel van de vergoeding (20%) voor de werkzaamheden van raadsleden wordt aangemerkt als presentiegeld, om zo de vergoeding voor mogelijke spookraadsleden te beperken’. Met dit raadsvoorstel wordt deze motie ten uitvoer gebracht. Wettelijke grondslag voor korting op vergoeding wegens ‘spookraadslidmaatschap’ Op grond van artikel 95 Gemeentewet en artikel 3.1.1. van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers ontvangen de leden van de raad (inclusief leden met tijdelijk ontslag wegens zwangerschap of ziekte en exclusief raadsleden die tevens wethouder zijn) een vergoeding voor de werkzaamheden per maand. In het vijfde lid van artikel 3.1.1 is opgenomen dat de gemeenteraad bij verordening kan bepalen dat ten hoogste 20% van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitgekeerd, berekend naar het aantal gehouden vergaderingen.
In dat geval geschiedt de uitkering aan het raadslid op basis van het aantal bijgewoonde vergaderingen. Voor de duidelijkheid: met vergaderingen worden hier raadsvergaderingen bedoeld en niet commissievergaderingen of werkbesprekingen. Toepassing van de bepaling geldt voor alle raadsleden De bepaling in artikel 3.1.1 is uitdrukkelijk in het leven geroepen voor de situatie dat raadsleden geregeld niet bij de raadsvergadering aanwezig zijn. Als de raad er voor kiest om de bepaling in de Verordening rechtspositie op te nemen, dan wordt een deel van de vergoeding voor de werkzaamheden uitbetaald als presentiegeld. Het gaat om maximaal 20% van de vergoeding. In een dergelijke verordening mag evenwel geen onderscheid worden gemaakt tussen de raadsleden: een presentievergoeding geldt dan voor alle raadsleden. De maandelijkse vergoeding voor raadsleden bedraagt in 2020 € 2.495,45, 20% daarvan is een bedrag van € 499,09 per maand. Van de toepassing van deze regeling zijn uitgezonderd raadsleden die op grond van de regeling als bedoeld in artikel X10 Kieswet tijdelijk afwezig zijn (voor de duur van zestien weken) vanwege zwangerschap of ziekte. Indien afwezigheid corona-gerelateerd is valt dat ook buiten de regeling.
Uitwerking in de Verordening De overige G4 gemeenten hebben geen toepassing gegeven aan de mogelijkheid de vergoeding deels als presentiegeld uit te betalen; bij de 100.000+ gemeenten hebben alleen Enschede en Maastricht een bepaling in de verordening rechtspositie opgenomen. Voorgesteld wordt in de verordening op te nemen de tekst uit de modelverordening van de VNG, met daaraan toegevoegd een uitwerking van de gevolgen van het meerdere keren niet bijwonen van raadsvergaderingen. In het voorstel is 20% van de vergoeding aan te merken als dat deel van de vergoeding dat wordt aangemerkt als presentiegeld. Dit betreft per 2020 dan een bedrag van € 499,09 euro bruto per maand. In plaats van 80% van de vergoeding uit te betalen en achteraf op basis van de aanwezigheid de overige 20% uit te betalen is ervoor gekozen om in een kalenderjaar 100% uit te betalen. In het voorstel vindt een eventuele vermindering van de vergoeding plaats na afloop van het kalenderjaar. De verrekening vindt plaats met dan nog uit te betalen vergoeding in de maand februari en/of maart gelegen na het kalenderjaar. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling van dit voorstel een raadslid dat in een incidenteel geval een raadsvergadering niet kan bijwonen aan te merken als een spookraadslid.
Daarom is het voorstel gebaseerd op een korting achteraf als aan het eind van het jaar blijkt dat een raadslid 25% of meer van de gehouden raadsvergaderingen niet heeft bijgewoond.
Gelet op het bovenstaande stelt het presidium u voor het volgende besluit te nemen: De raad van de gemeente Den Haag. Gezien het voorstel van het presidium van d.d. 24 november 2020. Gelet op artikel 95 Gemeentewet en artikel 3.1.1 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Besluit: Vast te stellen de Verordening tot wijziging van de Verordening Rechtspositie raads- en commissieleden 2019 Artikel I Na artikel 1 wordt ingevoegd een artikel 1a luidende: Lid 1 Indien een raadslid in een kalenderjaar 25% of meer van de gehouden raadsvergaderingen niet heeft bijgewoond, wordt van de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, 20% uitgekeerd op basis van het aantal bijgewoonde raadsvergaderingen afgezet tegen het aantal gehouden vergaderingen. Indien na afloop van een kalenderjaar blijkt dat een raadslid in het daarvoor liggende jaar 25% of meer vergaderingen niet heeft bijgewoond dan vindt op basis van nacalculatie een verrekening of terugvordering plaats. Lid 2 Het recht op 20% van de vergoeding uitgekeerd op basis van het aantal bijgewoonde raadsvergaderingen afgezet tegen het aantal gehouden vergaderingen, wordt berekend volgens de formule (a/b)20% x 12 x c, waarbij: a. ‘a’ staat voor het totaal in het kalenderjaar bijgewoonde vergaderingen; b.
‘b’ staat voor het totaal in het kalenderjaar gehouden vergaderingen; c. ‘c’ staat voor het bedrag bedoeld in artikel 3.1.1., eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Artikel II Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021.
Artikelsgewijze toelichting Artikel I Indien een raadslid in een kalenderjaar 25% of meer van de gehouden vergaderingen, blijkend uit de notulen van de raadsvergadering, niet aanwezig is geweest vindt er een verrekening plaats volgens de formule (a/b)20% x 12 x c, waarbij: a.‘a’ staat voor het totaal in het kalenderjaar bijgewoonde vergaderingen; b.‘b’ staat voor het totaal in het kalenderjaar gehouden vergaderingen; c.‘c’ staat voor het bedrag bedoeld in artikel 3.1.1., eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Indien een raadslid in het betreffende jaar afwezig was op grond van artikel X10 van de Kieswet, wegens ziekte of zwangerschap, voor een periode van 16 weken, dan worden de raadsvergaderingen die gehouden zijn in die periode van 16 weken aangemerkt als vergaderingen waarbij het raadslid aanwezig was. Rekenvoorbeeld 1: a. Het aantal bijgewoonde vergaderingen is 11. b. Het aantal gehouden vergaderingen is 15. Niet bijgewoond 4. c. De maandvergoeding bedraagt 2.500,00 euro bruto per maand. Het percentage van het aantal niet bijgewoonde vergaderingen bedraagt (4/15)100 = 26,67%. Er vindt een terugvordering of verrekening met nog uit te keren vergoedingen plaats. Er is in het kalenderjaar het volledige bedrag uitbetaald, nl. 20%x12x2.500,00 euro bruto per maand. De terugvordering bedraagt (4/15)20%x12x2.500,00 = 1.600,00 euro bruto.
Dit wordt dan in termijnen in mindering gebracht op de maandelijkse vergoeding door middel van verrekening.
Rekenvoorbeeld 2 a. Het aantal bijgewoonde vergaderingen is 12. b. Het aantal gehouden vergaderingen is 15. Niet bijgewoond 3. c. De maandvergoeding bedraagt 2.500,00 euro bruto per maand. Het percentage van het aantal niet bijgewoonde vergaderingen bedraagt (3/15)100 = 20%. De afwezigheid bedraagt minder dan 25%. Er vindt geen terugvordering plaats. Een raadslid van wie is vastgesteld dat hij 25% of meer raadsvergaderingen in een kalenderjaar niet heeft bijgewoond, zal voorafgaand aan de terugvordering of verrekening schriftelijk hiervan op de hoogte worden gebracht. Hij heeft dan ook de gelegenheid hierop te reageren. Het besluit tot terugvordering kan door het raadslid ter openbare beoordeling worden voorgelegd aan de raad.
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 16 december 2020. De griffier, De voorzitter,