Beantwoording technische vragen 348 VLS over ambtelijk horen bij behandeling bezwaarschriften.doc
Tekst van het document
Technische/informatieve vragen over lopende agendapunten 348
Datum
22 januari 2021
Steller vragen
Marleen Persoon
Over agendapunt
Raadsvergadering 28 januari 2021; ag.punt 6.1 Ambtelijk horen bij de behandeling van bezwaarschriften
Het college wordt verzocht de volgende vraag/vragen* schriftelijk/mondeling te beantwoorden:
1. Begrijpt VLS goed dat het ambtelijk horen wordt gedaan door de secretarissen van de bezwaarschriftencommissies?
Antwoord 1. Ja, dit klopt. De secretaris is niet bij de voorbereiding van het primaire besluit betrokken. De onbevooroordeelde positie van de secretaris is hiermee in het proces van
ambtelijk horen goed geborgd. Verder is het zo dat de secretaris die het informeel overleg met partijen doorloopt, de zaak ‘doorgeeft’ aan een andere secretaris die vervolgens
ambtelijk hoort (indien partijen hiervoor openstaan). De secretarissen hebben ervaring op
het gebied van mediationvaardigheden en gesprekstechnieken bij het horen van partijen in een informeel overleg. Deze mediationvaardigheden (bijvoorbeeld het (her)kennen van
weerstand bij jezelf en de ander, goed voeren van een slecht nieuws gesprek, werken met
verschillende gedragsstijlen en werken met de escalatieladder e.d.) komen overeenkomstig aan bod bij ambtelijk horen.
2. VLS leest dat artikel 6, lid 3 vervalt (daar staat: “De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de commissie blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien.” Kan het dan gebeuren dat de commissie geen voorzitter of leden heeft?
Antwoord 2. Nee. Dit artikel is op verzoek van de commissie uit de nieuwe verordening
geschrapt. Het ‘in functie blijven totdat in de opvolging is voorzien’ is immers lastig te rijmen met de (maximale) periode waarvoor de benoeming geldt. In de praktijk kan dit namelijk betekenen dat een voorzitter of lid ook na het verstrijken van de maximale
benoemingsperiode nog in functie is, als er niet tijdig in opvolging is voorzien. Gelet echter
op het huidige aantal leden (6) en voorzitters (3), zal het niet snel gebeuren dat de commissie geen voorzitter of nieuwe leden heeft. Het is een taak voor het college om tijdig te voorzien in opvolging.
3. In artikel 23 voegt u lid b toe. (Daar staat: “De voorzitter en leden van de commissie die bij de inwerkingtreding van deze verordening zeven jaar of meer zitting hebben in de
commissie, worden voor nog maximaal twee jaar benoemd.”). U geeft daarbij in de toelichting aan dat dit te maken heeft met de reorganisatie.
Is het wel verstandig om in een verordening uit te gaan van een situatie van reorganisatie?
Technische/informatieve vragen over lopende agendapunten 348
Is deze toevoeging wel zinnig ingeval u artikel 6 lid 3 (waar VLS het net over had) niet zou laten vervallen.
Antwoord 3. Ja, dit is verstandig. Indien deze overgangsperiode niet was opgenomen, liep
voor het overgrote gedeelte van de commissie de (maximale) benoemingsperiode af op 29 mei 2021. Door een mogelijkheid van herbenoeming voor twee jaar op te nemen, blijft de continuïteit van de commissie behouden en kunnen we na de splitsing in alle rust nieuwe
leden en voorzitters werven. Het verschil met de mogelijkheid van herbenoeming is dat leden en voorzitters niet in functie zijn na het verstrijken van de maximale benoemingsperiode. Dit achten wij wenselijk. Verder geldt de overgangsbepaling thans enkel voor deze situatie en is het aldus niet onverstandig om in de verordening uit te gaan van een situatie van reorganisatie.
4. U laat artikel 16 vervallen. Dat gaat over het verstrekken van een bandopname opname, als daar om gevraagd wordt. U geeft daarbij aan dat dit is omdat er bezwaren zijn tegen het
verstrekken van opnames. Maar in de oorspronkelijke tekst stond al dat bij bezwaar geen
opnames verstrekt zouden worden. Bij bezwaren zou alleen een uitgetypt verslag verstrekt worden.
Waarom wilt u dan de mogelijkheid van het verstrekken van een bandopname intrekken? Dat was toch al geregeld?
Antwoord 4. Artikel 16 is niet vervallen. Wel passen wij het tweede lid van dit artikel aan, zulks in overeenstemming met de praktijk.
Uitgangspunt in de praktijk is dat de commissie, als onderdeel van haar advies, kort en
zakelijk weergeeft wat er tijdens de hoorzitting is besproken. Deze verplichting volgt uit
artikel 7:13, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De geluidsopname is een middel om aan de plicht tot verslaglegging te voldoen (administratieve doeleinden) alsmede wordt incidenteel door een rechterlijke instantie opgevraagd in verband met de behandeling van
een beroepszaak of voorlopige voorziening. Er bestaat voor procespartijen echter geen apart recht op het verkrijgen van de geluidsopname en aldus is deze zinsnede geschrapt. In de praktijk krijgen wij het verzoek om toezending van de geluidsopname sporadisch. * Aangeven wat van toepassing is. Toelichting (indien nodig):