CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische (en schr.) vragen 796 D66 VL over Oprichting warmtebedrijf

Gemeenteraad Voorschoten 11 december 2025, gemeente voorschotenBij agendapunt: Wensen- en bedenkingenprocedure voorgenomen oprichting van een Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio (RPIW WLR)4.865 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Schriftelijke vragen ex Artikel 39 Reglement van Orde gemeenteraad Voorschoten

Datum Nummer vraag Ons zaaknummer

11 november 2025 796 Z/22/066075/470535

Datum verzending Behandelaar Portefeuillehouder Bijlage

11 november 2025 Tom Wagemans Wethouder Schokker Nee

Onderwerp

Beantwoording schriftelijke vragen 796 D66 en Voorschoten Lokaal oprichting van Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf

Geachte Raad, Door D66 en Voorschoten Lokaal zijn op 22 oktober 2025 technische vragen gesteld met betrekking tot de wensen- en bedenkingenprocedure over de voorgenomen oprichting van een Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio (RPIW WLR). Het college wordt verzocht de volgende vragen die, na lezing van verschillende rekenkameronderzoeken*, met betrekking tot van het gas af/warmtebedrijven zijn gerezen, schriftelijk te beantwoorden: * geraadpleegde rekenkameronderzoeken 1. Amsterdam (conclusies en aanbevelingen in menu links) 2. Zaanstad (conclusies en aanbevelingen in menu links) 3. Deventer (bijlage 2) 4. Rotterdam (warmte zonder leiding) pag 11 t/m 23, 5. Utrecht (pag 10 t/m 15) Voorschoten heeft diverse argumenten voor de aanleg van een warmtenet, met behulp van een warmtebedrijf, om de rijksopdracht ‘van het gas af’ in 2050 te realiseren. Gedurende de afgelopen jaren zijn die argumenten aangevuld en/of is hun weging veranderd in het maatschappelijke en in het politieke debat. In willekeurige volgorde de 5 ons bekende veelgehoorde argumenten om een warmtenet, met behulp van een warmtebedrijf, te realiseren: I.

II. III.

De Uniper-centrale sluit in Leiden. (Voorschoten zou Leiden kunnen helpen met hun warmtenet door mee te doen met warmtelinQ, aldus het verhaal dat rond ging). Klimaatverandering tegengaan door middel van CO2 reductie; het duurzaamheidsargument. Voorkomen van aardbevingsschade in Groningen; het solidariteitsargument.

IV. V.

Nederland zo min mogelijk afhankelijk laten zijn van energie uit het buitenland; het nationale veiligheid argument. De netcongestie verminderen of uitstellen; het congestieargument.

Voordat wij tot beantwoording van de vragen overgaan willen wij graag markeren waar wij nu staan in het besluitvormingsproces tot oprichting van een publiek warmtebedrijf. Op 4 april 2024 is de Visie Warmtetransitie 1.1. door de Raad vastgesteld. In deze transitievisie staat per gebied aangegeven dat een collectieve warmteoplossing voor grote delen van Voorschoten de voorkeur heeft vanuit maatschappelijk oogpunt. Op 15 mei 2025 heeft uw Raad vervolgens besloten het Uitgangspuntenkader vast te stellen. Hierin zijn de kaders vastgesteld waarbinnen de warmtetransitie kan plaatsvinden. Door deelname aan een regionaal publiek integraal warmtebedrijf wordt hieraan invulling gegeven. De Wensen en Bedenkingenprocedure die nu voorligt, gaat over de juridische constructie van dit warmtebedrijf en over de samenwerkingsafspraken. Tegen deze achtergrond hebben we uw vragen zo goed mogelijk beantwoord. 1. Ad I Uniper a) Is het bovenstaande rijtje argumenten juist en compleet? Zo nee, graag een aanvulling/wijziging. Antwoord 1a. Het college heeft kennisgenomen van deze argumenten waarvan de weging voor de oprichting van een warmtebedrijf per gemeente in Nederland zal verschillen. Hieronder treft u aanvullende argumenten aan die de keuze voor de oprichting van een warmtebedrijf ondersteunen. VI.

Opties openhouden

De Raad heeft bij het vaststellen van de transitievisie warmte 1.1 aangegeven dat een collectief warmtenet de voorkeursoplossing is voor veel woningen in de gemeente Voorschoten. Zonder een warmtebedrijf is de realisatie van collectieve warmtenetten niet mogelijk. Zonder dat warmtebedrijf zijn individuele oplossingen, zoals elektrische warmtepompen, dan het enige alternatief voor aardgas. Individuele oplossingen zijn niet voor iedere buurt of huishouden het beste alternatief. Als er een warmtebedrijf wordt opgericht, blijft ook de door Voorschoten gewenste collectieve optie mogelijk. De verkenning van het programma Warmte Leidse Regio (WLR) laat zien dat de oprichting van een eigen publiek warmtebedrijf in deze regio een verstandige mogelijkheid is. In de kwartiermakersfase blijft een exit mogelijk door de financiële handrem te gebruiken. VII.

Publieke waarden borgen

Nieuwe landelijke wetgeving zoals de Wet Collectieve warmte (Wcw) zorgt al voor een borging van publiek belang. Via deelname in een publiek warmtebedrijf kunnen gemeenten nog beter sturen op betaalbaarheid, duurzaamheid, leveringszekerheid, transparantie en andere publieke waarden. VIII.

Wetgeving en rijksbeleid

Nieuwe wetgeving (Wet collectieve warmte en Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie) vereist dat gemeenten de warmtetransitie vormgeven op basis van de laagste

nationale kosten. Nationale kosten zijn de totale kosten voor de samenleving als geheel, ongeacht wie deze kosten draagt. Voor sommige buurten zorgt een collectief warmtesysteem voor de laagste nationale kosten. Daarnaast stelt de wetgeving dat warmtebedrijven in meerderheid in publieke handen moeten zijn. Met de oprichting van dit warmtebedrijf wordt aan deze wettelijke vereisten voldaan. IX.

Ruimtelijke ordening en regie

De aanleg van warmtenetten moet worden afgestemd met andere ruimtelijke opgaven, zoals riolering, woningbouw en klimaatadaptatie. Als aandeelhouder in een warmtebedrijf kan een gemeente beter sturen op samenwerking en koppelkansen. Dit speelt in Voorschoten bijvoorbeeld bij de vervanging en herziening van het riool in Noord Hofland. X.

Voorkomen van verspilling

Warmtenetten maken het mogelijk om de restwarmte van industrie, datacenters of afvalverbranding nuttig te gebruiken die anders verloren gaat. Ook als deze sectoren verduurzamen blijft er restwarmte. XI.

Snelheid van de energietransitie

De aanleg van warmtenetten maakt het mogelijk om hele buurten tegelijkertijd van het aardgas te halen. Bij individuele oplossingen is de snelheid van de energietransitie afhankelijk van de afzonderlijke keuzes die inwoners maken om hun huis te verduurzamen. XII.

Beperkingen van individuele oplossingen

Collectieve warmtenetten zorgen bij aanleg voor overlast in de straat, maar vaak ook voor beperktere overlast in en rondom het huis dan individuele oplossingen. Een deel van de huishoudens kan niet direct overstappen op een individuele oplossing, omdat er eerst (ingrijpende) isolatie nodig is. Dit vergt grote financiële investeringen die niet iedereen kan doen. Voor andere huishoudens is een individuele oplossing technisch niet mogelijk. Er zijn ook aanvullende redenen waarom de oprichting van een warmtebedrijf ook specifiek voor Voorschoten interessant is. XIII.

Voordelen van samenwerking

Collectieve systemen zijn vaak kostenefficiënter op een grotere schaal. Daarom is het voordelig om regionaal samen te werken. Daarnaast is de collectieve warmtetransitie een grote opgave qua kennis en capaciteit die lastig volledig zelfstandig is op te pakken door een kleinere gemeente als Voorschoten. XIV.

Aansluiting op WarmtelinQ

In september 2025 heeft het Rijk €195 miljoen vrijgemaakt voor de aanleg van WarmtelinQ tracé richting Leiden. Op 28 oktober 2025 heeft Gasunie aannemers gecontracteerd voor de aanleg van het tracé. De transportleiding van restwarmte door WarmtelinQ gaat door de gemeente Voorschoten lopen. Hoewel de gemeenteraad geen invloed heeft (gehad) op de komst van die leiding, biedt het wel de kans om er gebruik van te maken en erop aan te sluiten. Aansluiting op WarmtelinQ leidt in de meeste gevallen tot lagere nationale kosten dan

individuele oplossingen of andere warmtebronnen. Tegen deze achtergrond heeft de gemeenteraad in 2024 het besluit genomen in beginsel te willen aansluiten op WarmtelinQ. XV.

Beschikbare warmtebronnen

Voorschoten bevindt zich in de relatief gunstige situatie dat er meerdere warmtebronnen beschikbaar zijn. Naast WarmtelinQ is er in Voorschoten ook potentie voor warmte uit een rivierwaterleiding, geothermie, afvalwaterzuivering en oppervlaktewater. Andere gemeenten hebben vaak minder potentie met de beschikbaarheid van warmtebronnen. b) Het 1e argument lijkt ons niet relevant. De Voorschotense gemeenteraad heeft nooit een uitspraak gedaan naar aanleiding van de mogelijke sluiting van de Uniper centrale. De Leidse Uniper centrale sluit bovendien niet. Klopt bovenstaande verwoording? Zo niet dan graag aanvulling/wijziging. Antwoord 1b. Dit klopt niet. Voor de gemeente Voorschoten speelt de sluiting van de Unipercentrale geen directe rol bij de afweging voor de deelname aan een warmtebedrijf of de realisatie van collectieve warmte in de gemeente. Voor de gemeenten Leiden, Oegstgeest en Leiderdorp, waarmee de gemeente Voorschoten gezamenlijk het warmtebedrijf opricht ligt dit anders. De mogelijke sluiting zorgt ervoor dat er een alternatieve warmtebron nodig is voor dat warmtenet. Dit is daarom wel een belangrijke reden geweest om WarmtelinQ richting Leiden te brengen. Omdat de besluiten over WarmtelinQ een eigen traject binnen de gemeente volgen is het raadzaam om dit los te zien van deze besluitvorming. 2.

Ad II duurzaamheidsargument ‘Gemiddelde’ houdt automatisch in dat er spreiding is van de cijfers, dus lijkt het ons cruciaal om dieper te kijken naar de Voorschotense situatie, liefst per wijk. a) Natuurlijk delen wij de opvatting dat iedereen haar steentje moet bijdragen aan de wereldwijde klimaatopgave. Is voor Voorschoten te kwantificeren (bijvoorbeeld in CO2) hoeveel het op te richten warmtebedrijf bijdraagt aan de daadwerkelijke vermindering van klimaatverandering? Dit inclusief de aanleg tot en met einde levensduur van verwarming en koeling middels een warmtenet, inclusief alle verbouwingen die als gevolg van de aanleg van de apparaten en infrastructuur ‘achter de voordeur’ plaats vinden. Met andere woorden welk maatschappelijk belang dient het warmtebedrijf aantoonbaar op het gebied van de klimaatopgave binnen de Voorschotense mogelijkheden?

Antwoord 2a. Dit is de CO2-uitstoot voor de gemeente Voorschoten (via: https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/co2-uitstoot).

Als onderdeel van de warmtetransitie is door de gemeente Voorschoten vastgelegd dat zij de uitstoot voor de gebouwde omgeving voor 2050 naar 0 terugbrengt. Dit is conform de opgave vanuit de landelijke wetgeving en doelstellingen. Dit kan zowel met individuele als collectieve oplossingen. In 2024 heeft de gemeenteraad de transitievisie warmte 1.1 vastgesteld, waarin een inschatting is gegeven van de potentie voor individueel of collectief. Hoeveel uitstoot het warmtebedrijf gaat reduceren hangt af van het aantal wijken dat wordt aangesloten op een collectief warmtesysteem. Samen zullen collectief en individueel ervoor moeten zorgen dat er sprake is van een reductie van de resterende 34,1 kton CO2-uitstoot per jaar. De exacte CO₂-reductie voor Voorschoten als gevolg van deelname aan het warmtebedrijf is op dit moment nog niet volledig gekwantificeerd. Wel is duidelijk dat aansluiting op een collectief warmtenet met duurzame bronnen zoals restwarmte en geothermie leidt tot een significante vermindering van CO₂-uitstoot ten opzichte van aardgasgestookte verwarming. b) Is of wordt onderzocht of de CO2 reductie per wijk verschilt bij deelname aan het warmtenet dat door het warmtebedrijf gaat worden gefaciliteerd? Graag een toelichting op het antwoord. Antwoord 2b. Nee, het college is dat niet van plan.

Om de CO2-reductie (van de huidige situatie tot aardgasvrij) te kunnen berekenen zou eerst de actuele CO2-uitstoot per wijk gemeten moeten worden. Het is relevanter om te kijken naar het aantal gasaansluitingen dat nog over moet stappen of het aantal woningen dat al aardgasvrij is als indicatoren voor de CO2reductiedoelen. Dit wordt in het warmteprogramma uitgewerkt. Dit wordt in 2026 door het college opgesteld. c)

Hoe wordt het duurzaamheidsdoel precies gedefinieerd en in welk document wordt dit duurzaamheidsdoel opgenomen zodat de Raad haar controlerende rol kan uitvoeren?

Antwoord 2c. Het duurzaamheidsdoel van het warmtebedrijf wordt primair gedefinieerd als het realiseren van CO₂-reductie door het vervangen van aardgasgestookte verwarming door duurzame warmtebronnen zoals restwarmte en geothermie. Dit doel sluit aan bij de nationale klimaatdoelstellingen en de Regionale Energiestrategie (RES) Holland Rijnland. De buurten waar wordt voorgesorteerd op collectieve warmte, en welke dus moeten worden aangesloten door het warmtebedrijf, worden uitgewerkt eerst in het warmteprogramma en later in uitvoeringsplannen. Deze documenten vormen de basis voor monitoring en verantwoording. De gemeenteraad krijgt via periodieke rapportages de mogelijkheid om haar controlerende taak uit te voeren en eventueel bij te sturen. d) Vanaf welk moment, bijvoorbeeld in welk jaar na oprichting van het warmtebedrijf, behaalt het warmtebedrijf naar verwachting haar duurzaamheidsdoel? Antwoord 2d. Het exacte moment waarop het warmtebedrijf haar duurzaamheidsdoel behaalt, is afhankelijk van de uitrol van het warmtenet, de beschikbaarheid van duurzame warmtebronnen en het tempo van aansluiting van gebouwen. Op basis van de huidige planning wordt verwacht dat de eerste aansluitingen plaatsvinden vanaf 2029 en dat de CO₂-reductie geleidelijk toeneemt naarmate meer wijken worden aangesloten. Een volledige realisatie van het duurzaamheidsdoel wordt pas richting 2050 verwacht.

Met de oprichting van een regionaal warmtebedrijf en het inzetten op collectieve warmte kan er beter op het behalen van duurzaamheidsdoelen worden gestuurd dan bij individuele oplossingen. Bij de individuele oplossingen is de warmtetransitie meer afhankelijk van afzonderlijke keuzes van huishoudens en het tempo van de netverzwaring door Liander. e) Indien dat moment nu nog niet precies bekend is, wanneer is dat dan wel het geval? Antwoord 2e. In het warmteprogramma, dat eind 2026 af is, zal een nieuwe fasering van collectieve buurten worden voorgesteld. f)

Hoe, in welke vorm en wanneer kan de Raad dit duurzaamheidsdoel (blijven) controleren? Dus hoe wordt die raadsrol geborgd?

Antwoord 2f. Het exacte moment waarop het warmtebedrijf haar duurzaamheidsdoel dient te bereiken, wordt vastgesteld in de kwartiermakersfase. In deze fase worden het warmteprogramma en de definitieve businesscase uitgewerkt, inclusief een tijdpad voor de uitrol van het warmtenet (en bijbehorende CO₂-reductie). Dit tijdspad wordt gebaseerd op de warmteprogramma’s die in 2026 beschikbaar komen. De gemeenteraad kan vervolgens toetsen of het warmtebedrijf het beoogde aantal aansluitingen op het juiste moment, tegen het juiste budget en met de juiste kwaliteit behaalt. In het figuur hieronder is weergegeven welke planprocessen en planproducten een collegebevoegdheid zijn en welke een Raadsbesluit zijn.

Figuur 1; Planproces en -producten binnen nieuw wettelijk kader van Wcw en Wgiw

3. Ad III solidariteitsargument In de opdracht aan het warmtebedrijf kan wellicht worden vastgelegd dat er geen Gronings gas zal worden gebruikt. Hoe kijkt het college hier tegen aan. Wat zijn de voor- en nadelen en wat is doorslaggevend om het niet gebruiken van Gronings gas wel of niet op te nemen als voorwaarde aan het op te richten warmtebedrijf? Antwoord 3. Het warmtebedrijf zal in 2050 uitsluitend gebruikmaken van duurzame warmtebronnen zoals restwarmte, geothermie en mogelijk aquathermie. Aardgas, inclusief Gronings gas, is geen onderdeel van de uiteindelijke bronnenstrategie. In de uiteindelijke opzet van het warmtebedrijf is het gebruik van Gronings gas dan ook niet voorzien. Aardgas kan wel een rol spelen in de transitiefase, bijvoorbeeld in piek- en backupinstallaties. Het aardgas in het Nederlandse netwerk kent een mix van herkomsten (Gronings, Russisch, Amerikaans, Saudisch, etc.). Het is ondoenlijk om aardgas met een specifieke herkomst uit te sluiten. Dit vereist dat het warmtebedrijf een eigen aardgashandel moet opzetten en dat is ondoenlijk. 4. Ad IV nationale veiligheid argument a) Omdat gemeenten geen invloed hebben op keuzes met betrekking tot het landsbelang en geopolitieke zaken, zijn gemeenten volledig afhankelijk van de besluiten van onze Rijksoverheid.

Deelt het college de mening dat de risico’s die de gemeente/ het warmtebedrijf loopt met betrekking tot het landsbelang redelijkerwijs niet voor rekening mogen komen van een gemeente? Zoja, wat doet zij met deze mening richting het Rijk?

Antwoord 4a. Nee, dat doet het college niet. Gemeenten hebben een directe rol in het verminderen van de nationale afhankelijkheid van buitenlandse energie, onder andere door het stimuleren van alternatieven voor aardgas. Door lokaal in te zetten op duurzame warmtebronnen draagt de gemeente Voorschoten bij aan het verkleinen van de geopolitieke kwetsbaarheid van de Nederlandse energievoorziening. Bij het vaststellen van het uitgangspuntenkader voor de energietransitie door de Raad is ook motie 352 aangenomen. In deze motie wordt het college verzocht om de genoemde onzekerheden onder de aandacht te brengen bij het Rijk en het Rijk te verzoeken hierop actie te ondernemen. In de kwartiermakersfase komt er meer duidelijkheid over het warmtebedrijf, en daarmee ook over de risico’s voor het warmtebedrijf en de deelnemende gemeenten. Met deze duidelijkheid kan de vraag richting het Rijk worden gecommuniceerd om meer financiële instrumenten en wetgeving beschikbaar te stellen om de risico’s te beheersen. Het staat de Raad vrij om tijdens deze Wensen- en Bedenkingenprocedure aanvullende wensen over dit onderwerp in te brengen. b) Kan en wil het college aantonen dat de warmtebron(nen) daadwerkelijk geheel onafhankelijk zijn of worden van niet-Europese (fossiele) bronnen? Indien dat enige tijd nodig heeft, wanneer kan die volledige onafhankelijkheid mogelijk zijn? Antwoord 4b.

Nee dat kan het college niet. Zie ook het antwoord bij vraag 3. Het warmtebedrijf streeft ernaar om uitsluitend gebruik te maken van duurzame warmtebronnen. Warmtebronnen hebben altijd een lokaal of regionaal karakter en warmte komt per definitie nooit direct uit het buitenland. 5. Ad V congestie argument a) Tijdens de technische presentatie op 8 oktober door Liander is gezegd dat halverwege de jaren ’30 de netcongestie in Voorschoten is opgelost. Is dat juist? Graag een toelichting. Antwoord 5a. Netcongestie vindt plaats op verschillende niveaus in het elektriciteitsnet. Dat betekent dat er netcongestie is op regionaal en lokaal niveau, waarvoor Liander verantwoordelijk is, maar ook op het hoogspanningsniveau, waarvoor Tennet verantwoordelijk is. De netcongestie op middenspanning (regionaal/lokaal) kan niet opgelost worden zonder dat netcongestie op hoogspanning is opgelost. Voor het hoogspanningsnet is de inschatting dat het rond 2032-2035 is opgelost. Deze planning is door Liander gemaakt op basis van prognoses van verschillende ontwikkelingen op het elektriciteitsnet. In het geval dat de elektriciteitsvraag harder groeit dan verwacht, door bij voorbeeld de groei in het aantal warmtepompen, kan de netcongestie langer duren dan voorspeld.

b) Er is ook gezegd dat in het geval Voorschoten kiest voor de all electric aanpak hiervoor circa 80 extra transformatorhuisjes nodig zijn. Is dit juist? En zoja, welk gevolg heeft dit voor de openbare ruimte? Antwoord 5b. Liander heeft een inschatting gemaakt op basis van voorspellingen over de groei van het elektriciteitsgebruik. Daarbij is rekening gehouden met verschillende ontwikkelingen, zoals elektrificatie, de toename van zonnepanelen, de groei van het aantal elektrische

voertuigen en geplande woningbouw. Op basis van deze prognoses is momenteel ingeschat dat er ongeveer 46 tot 71 nieuwe middenspanningsruimtes (MSR’s) nodig zullen zijn. Het exacte aantal benodigde MSR’s hangt mede af van de ontwikkeling van het collectieve warmtenet. Een MSR vergt circa 25 m² aan fysieke ruimte. Binnen de Buurtaanpak wordt in samenwerking met de gemeente per wijk bekeken hoeveel MSR’s daadwerkelijk geplaatst moeten worden. Liander werkt hierbij nauw samen met de gemeente om per wijk geschikte locaties te vinden in de openbare ruimte, binnen een zoekgebied dat door Liander wordt aangegeven. c)

Klopt de conclusie uit a) + b) dat, desgewenst, alle Voorschotense panden vanaf circa 2035 all electric zouden kunnen worden gekoeld en verwarmd?

Antwoord 5c. Ondanks de uitbreiding van het elektriciteitsnet geeft Liander aan dat het noodzakelijk is om in wijken een collectief warmtenet te ontwikkelen. Zonder een collectief warmtenet krijgen we in de toekomst waarschijnlijk eerder opnieuw te maken met netcongestie dan wanneer er wél een collectief warmtenet aanwezig is in onze gemeente. Daarnaast is niet iedere woning geschikt voor een all-electric oplossing; keuzevrijheid is daarom essentieel. Dat mensen vanaf 2035 mogelijk een keuze kunnen maken, betekent bovendien niet automatisch dat zij deze keuze ook daadwerkelijk gaan maken. Uiteindelijk moet er worden gewerkt aan een toekomstbestendig systeem waarin diverse duurzame bronnen worden ingezet om de panden in de gemeente Voorschoten te verwarmen en te koelen. d) Welke consequenties heeft die all electric keuze? Oa voor anderen (solidariteit) en voor het duurzaamheidsargument? Antwoord 5d. Het college verwacht dat een warmtetransitie die volledig steunt op individuele (all-electric) oplossingen significant langzamer gaat verlopen dan een strategie die daarnaast ook inzet op collectieve warmte. Dit betekent dat we langer afhankelijk blijven van Gronings of ander aardgas.

Bovendien leidt een all-electric aanpak er eerder toe dat er in de gemeente Voorschoten opnieuw sprake is van netcongestie, waardoor toekomstige woningbouw en uitbreiding van bedrijven bemoeilijkt worden. Het op deze manier verduurzamen van bestaande bouw — die ook op alternatieve wijze verduurzaamd kan worden — kan dan ten koste gaan van nieuwe woningen, bedrijven of uitbreidingen/renovaties van bestaande bouw. Door bestaande bouw via een warmtenet te verduurzamen, blijft duurzame woningbouw mogelijk. e) Is onderzocht wat het oplossen van de netcongestie doet met het draagvlak voor een warmtenet? Zo ja waarom niet? Zo nee wanneer wordt dat onderzoek gedaan en gedeeld met de Raad? Antwoord 5e. Er is door de markt of door het college geen onderzoek uitgevoerd naar het effect van het oplossen van netcongestie op het draagvlak bij woningeigenaren voor een warmtenet. Een dergelijk onderzoek wordt niet zinvol geacht, omdat netcongestie slechts één van de vele factoren is die van invloed is op het draagvlak. Het is de verwachting dat aspecten zoals betaalbaarheid, comfort en duurzaamheid een veel grotere rol spelen in de keuze van bewoners voor individuele of collectieve warmte oplossing. Bovendien is het oplossen van netcongestie geen garantie dat een all-electric aanpak maatschappelijk of ruimtelijk wenselijker is voor de wijk of buurt dan een warmtenet.

6. Hoe weegt het college argument II (duurzaamheid), IV (nationale veiligheid) en V (netcongestie) ten op zichtte van elkaar? Hoe en wanneer betrekt zij de Raad bij die afweging? Hoe laat zij die weging terug komen in de opdracht aan het warmtebedrijf? Antwoord 6. Er is geen sprake van een tegenstelling tussen de genoemde argumenten, gezamenlijk onderbouwen zij nut en noodzaak van het warmtebedrijf. Eerder dit jaar heeft de gemeenteraad het uitgangspuntenkader voor collectieve warmte vastgesteld. Dit uitgangspuntenkader is leidend voor het college. Ook voor toekomstige colleges zal dit document waarschijnlijk relevant zijn bij te maken afwegingen. 7. Wordt in het openbare deel van de businesscase 1 of meerdere helder geformuleerde maatschappelijke doel(en) van het warmtebedrijf opgenomen zodat de afweging(en) tussen baten en lasten voor iedereen toetsbaar is? (kosteneffectiviteit) Antwoord 7. Nee, in de definitieve businesscase worden uitsluitend financiële aspecten opgenomen. We streven in dit proces naar maximale transparantie. Tegelijkertijd moet nog worden vastgesteld welke onderdelen van de businesscase daadwerkelijk openbaar gemaakt kunnen worden, mede vanwege mogelijk vertrouwelijke of concurrentiegevoelige informatie. Zodra hierover duidelijkheid bestaat, communiceren we dit.

De maatschappelijke doelen zijn opgenomen in het globaal ontwerp, dat in de kwartiermakersfase verder wordt uitgewerkt tot het definitief ontwerp van het RPIW. 8. De wereld beweegt dus in de toekomst zullen doelen voor het warmtebedrijf en wegingen van (nieuwe) argumenten voor keuzes wellicht wijzigen. Op welke momenten en op welke wijze wordt de Raad hierbij betrokken? Antwoord 8. In een algemene aandeelhoudersvergadering (AVA) stemmen de aandeelhouders over de goedkeuring van het businessplan en/of het financieringsplan die door het bestuur van het warmtebedrijf aan hen worden voorgelegd. In deze documenten worden de plannen van het warmtebedrijf voor de korte en lange termijn toegelicht in strategische en financiële doelen. De gemeente besluit via het college op aangelegenheden van de algemene vergadering en andere aandeelhouders besluiten (op grond van haar bevoegdheid tot het dagelijks handelen, art. 160 lid onder a van de Gemeentewet) en het doen van privaatrechtelijke rechtshandelingen (art. 160 lid 1 onder d van de Gemeentewet). De burgemeester is de vertegenwoordiger van de gemeente of mandateert dat aan bijvoorbeeld een wethouder (op grond van artikel 171 lid 1 jo. lid 2 van de Gemeentewet). Daarnaast regelt Wet collectieve warmte de publieke regierol in de warmtetransitie.

Tegelijkertijd wordt in de wet voorkomen dat politieke organen zoals gemeenteraden direct operationeel bestuur voeren over warmtebedrijven. Dit is vergelijkbaar met de governance van andere publieke nutsbedrijven (zoals drinkwaterbedrijven of netbeheerders). De gemeenteraad houdt toezicht op de wijze waarop het college de rol als aandeelhouder vervult en heeft tijdens de operationele fase een meer controlerende rol. 9. a) Is in de voorgaande fase onderzocht hoe de belangen van eindgebruikers door eindgebruikers bij het warmtebedrijf kunnen worden geborgd? Graag een toelichting.

Antwoord 9a. Gemeenten vertegenwoordigen als aandeelhouders nadrukkelijk de belangen van hun inwoners, die tevens eindgebruikers van warmte zijn. Dit betekent dat zij niet alleen een bestuurlijke rol vervullen, maar ook actief toezien op een eerlijke, betrouwbare en betaalbare warmtevoorziening. b) Deelt het college de mening dat vroegtijdige participatie belangrijk is voor het draagvlak van een warmtenet? Graag een toelichting. Antwoord 9b. Ja, participatie is voor het college een van de belangrijkste voorwaarden voor het slagen van de warmtetransitie. Vroegtijdig starten met participatie is volgens het college essentieel om draagvlak te creëren, belangen goed te begrijpen en samen tot duurzame keuzes te komen. c)

Hoe wordt participatie en inbreng van eindgebruikers georganiseerd in het warmtebedrijf?

Antwoord 9c. In in Bijlage 4 hoofdstuk 5.5 wordt de klantenservice genoemd. Daarnaast is er een Raad van Advies voorzien, zoals omschreven in Bijlage 2 van de Aandeelhoudersovereenkomst (artikel 5) en in Bijlage 4 op pagina 31. In deze Raad van Advies kunnen lokale initiatieven en warmtegemeenschappen het bestuur van advies voorzien. Alle partijen hechten veel waarde aan een goede borging van de lokale betrokkenheid. Daarom is in de kwartiermakersfase aanvullend onderzoek en verkenning ingepland om beter inzicht te krijgen in hoe deze borging vorm kan krijgen bij de oprichting van het warmtebedrijf. Dit is ook beschreven in punt 4.2 van Bijlage 6 en in hoofdstukken 2 en 3 van Bijlage 7. d) Hoe en wanneer worden de verantwoordelijkheden en verplichtingen van de participatie in het warmtebedrijf, bijvoorbeeld middels een adviesraad, voorgelegd aan de gemeenteraad? Antwoord 9d. In artikel 5 van Bijlage 2 van de Aandeelhoudersovereenkomst staat hierover het volgende vermeld: het bestuur van het warmtebedrijf kan, na overleg met de aandeelhouders, overgaan tot het instellen van een Raad van Advies. De gemeente heeft via haar aandeelhouderschap inspraak in het instellen van deze raad. De Wet collectieve warmte regelt de publieke regierol in de warmtetransitie.

Tegelijkertijd wordt voorkomen dat politieke organen zoals gemeenteraden direct operationeel bestuur voeren over warmtebedrijven. Dit is vergelijkbaar met de governance van andere publieke nutsbedrijven (zoals drinkwaterbedrijven of netbeheerders). De gemeenteraad van Voorschoten heeft daarom hierin geen directe zeggenschap. Uiteraard kan het college de raad wel op de hoogte houden van de ontwikkelingen rond dit thema. 10. Citaat globaal ontwerp pag 11 “uit onderzoeken blijkt dat de inzet van collectieve warmteoplossingen voor veel buurten en wijken het alternatief is met de laagste maatschappelijke kosten. Zie bijvoorbeeld rapport Achtergrond meta-analyse maatschappelijke meerwaarde warmtenetten opgesteld door Ecorys in opdracht van Netbeheer Nederland, https://www.netbeheernederland.nl/publicatie/achtergrond-meta-analysemaatschappelijke-meerwaarde-warmtenetten”

Citaat op pag 1 van deze meta analyse: “Een grondige kwaliteitsbeoordeling van de rapporten, zoals gebruikelijk in een wetenschappelijke meta-analyse, valt buiten de scope van dit onderzoek.” a) Omdat er in dit rapport verbanden zijn met belanghebbenden zoals warmtelinQ en EBN, is een onafhankelijke toets uiterst belangrijk om de uitkomst van het genoemde rapport op waarde te kunnen schatten door de Raad. Heeft het college het voornemen om een grondige kwaliteitsbeoordeling van de rapporten te laten uitvoeren? Antwoord 10a. In de Transitievisie Warmte 1.1, zoals vastgesteld door de raad op 4 juli 2024, is onderzoek gedaan naar de maatschappelijke kosten per warmteoplossing per wijk. Uit dat onderzoek blijkt dat in veel wijken in Voorschoten een collectief warmtenet leidt tot de laagste maatschappelijke kosten. Andere gemeenten binnen WLR samenwerkingstraject kwamen tot dezelfde conclusie. De constatering die in het globaal ontwerp staat vermeld, dat collectieve warmte in veel buurten tot de laagste maatschappelijke kosten leidt, is daarmee niet alleen gebaseerd op het bovengenoemde rapport. Op basis van de transitievisies warmte van de gemeenten is de opgave van het bedrijf geformuleerd, zie Bijlage 4 hoofdstuk 4. Omdat de opgave van het warmtebedrijf dus wordt bepaald door de gemeenten is er geen noodzaak om het rapport van Ecorys grondig te laten toetsen.

Het rapport heeft geen invloed op in welke wijken en buurten collectieve warmte wordt aangeboden. b) Welke andere, liefst onafhankelijke en wetenschappelijk onderbouwde, onderzoeken tonen aan dat collectieve warmteoplossingen het alternatief is met de laagste maatschappelijke kosten? Antwoord 10b. Een van de voorbeelden is Bijlage 2 van de transitievisie warmte 1.1 zoals vastgesteld door de Raad op 4 juli 2024. In deze bijlage is een technisch-economische analyse uitgevoerd om te bepalen welke warmteoplossing in welke gebieden tot de laagst maatschappelijke kosten leidt. Uit deze analyse blijkt dat een collectief warmtenet voor veel gebieden in de gemeente Voorschoten leidt tot de laagste maatschappelijke kosten. c)

Hoe is of hoe wordt aangetoond dat de uitkomst van het rapport specifiek voor de Voorschotense situatie geldt?

Antwoord 10c. In 2026 wordt het warmteprogramma voor de gemeente Voorschoten door het college behandeld. In dit programma maakt het college zelf keuzes over welke gebieden in de gemeente Voorschoten het meest gebaat zijn bij een collectief warmtenet, op basis van de laagste maatschappelijke kosten. Door de opgave van het warmtebedrijf te koppelen aan de warmteprogramma’s, bepaalt het college zelf of de analyse van de laagste maatschappelijke kosten toepasbaar is voor de gemeente Voorschoten en of deze voldoet aan de kwaliteitseisen. Het rapport van Ecorys is daarbij niet van doorslaggevend belang. 11. a) Heeft het college kennis genomen van, met name de conclusies en aanbevelingen van, de 5 rekenkamerrapporten (zie hierboven). b) Zoja, welke aanbevelingen heeft het college overgenomen in het proces van de oprichting van RIPW WLR en de uitrol van warmtenet(ten)?

c) Welke aanbevelingen wil het college overnemen, waarom en wanneer? d) Welke aanbevelingen wil het college niet overnemen en waarom? Antwoord 11 a t/m d. Het college waardeert de inzet van de fracties van D66 en Voorschoten Lokaal om zich verder te verdiepen in het warmtedossier en de voornoemde rekenkamerrapporten aan te reiken, die overigens zijn geschreven vanuit de specifieke context van de gemeenten waarop de onderzoeken betrekking hebben. In de voorgaande antwoorden zijn wij ingegaan op de vragen die zijn voort gekomen uit de onderzoeken en aangegeven in welke mate deze op de Voorschotense situatie van toepassing zijn. Het staat de raad vrij om de aanbevelingen uit de rapporten in te brengen tijdens deze Wensen- en Bedenkingenprocedure.

Tot slot willen we graag benadrukken dat het raadsvoorstel betrekking heeft op de wensen en bedenkingen bij de concrete oprichtingsstukken voor het regionale warmtebedrijf. Mocht u bij het opstellen van eventuele aanvullende wensen en bedenkingen nog concrete vragen hebben, dan zijn wij uiteraard graag bereid om ondersteuning te bieden. Met vriendelijke groet, het college van burgemeester en wethouders,

E.A. van Wattingen, gemeentesecretaris

mw. drs. N. Stemerdink, burgemeester

Deze brief is digitaal vastgesteld. Hierdoor staat er geen fysieke handtekening in de brief.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=9fbac2ce-fe87-48f5-a902-39f47252a79d