Aangepast amendement 381 CDA VVD over Warmtebedrijf Betaalbaarheid en Informatievoorziening
Tekst van het document
Amendement 381
Onderwerp: vaststellen Wensen- en bedenkingenprocedure voorgenomen oprichting van een Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio (RPIW WLR) De raad van de gemeente Voorschoten in zijn vergadering bijeen d.d. 13 november 2025 gezien het raadsvoorstel vaststellen Wensen- en bedenkingenprocedure voorgenomen oprichting van een Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio (RPIW WLR) Constaterende dat: Ten algemene Nederland zich collectief politiek verbonden heeft om in 2050 aardgasvrij te zijn en dit gezien de geopolitieke veranderende situatie en de klimaatverandering een goede zaak is. Er voor dit doel noodzakelijke wijzigingen nodig zijn die aanzienlijke maatschappelijke gevolgen zullen hebben. De oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf een complexe aangelegenheid is. Er nog een groot aantal onzekerheden zijn omtrent de uitgangspunten: betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid. De Wet Collectieve Warmte (Wcw) nog niet door de Eerste Kamer is aangenomen De rol van EBN en FIRAN nog niet is vastgesteld Enkel inzetten op all-electric warmtepompen in de Leidse Regio betekent dat in 2035 al de maximale netcapaciteit opgebruikt is, waardoor er regionaal geen nieuwe aansluitingen voor woningen, ondernemers of nutsvoorzieningen mogelijk lijken1.
De nationale meerkosten voor all electric warmtepompen kunnen tot 40% hoger liggen dan voor warmtenetten. Dit komt onder andere door de kosten voor netverzwaring. Deze kosten zijn, in een aantal buurten, twee keer zo hoog voor all electric warmtepompen in vergelijking met warmtenetten2. Betaalbaarheid EY Parthenon in haar second opinion betaalbaarheid als aandachtspunt noemt wat zou moeten worden toegevoegd aan de wensen en bedenkingen. Consumenten met een aansluiting op een warmtenet in 2023 22% (309 euro) en in 2024 43% (535 euro) meer kwijt waren voor hun energierekening vergeleken met een gemiddelde gasaansluiting3. Een aansluiting voor een warmtenet op dit moment €5.337,39 waarbij er een subsidiemogelijkheid bestaat van €3.325 en de netto aansluitingskosten daarmee €2.012,39 bedragen en dit hoger is dan een nieuwe gasaansluiting is die momenteel €1304,06 zijn (tarief vaste gasaansluiting, Liander, 2025). De kosten van de verduurzaming van de woning die nodig is om deze geschikt te maken voor een aansluiting op dit moment niet meegenomen worden in de berekeningen. Vollooppercentage/participatiepercentage De Globale Businesscase (GBA) uit gaat van 80% participatiegraad.
In bijlage 3 van de Second Opinion van Beerenschot het percentage van 80% wordt omschreven als een “hoge inschatting van volloop van 80% terwijl er nog onzekerheid is over de de aanwijsbevoegheid en in hoeverre de tarifering op het maximum volgens de ACM wordt gezet”. Realisatiesnelheid: Er geen historisch precedent is van een participatiegraad in de korte tijd zoals beschreven in de GBA. 1 https://warmteleidseregio.nl/media/pages/blog/al-gedaan/scenario-analyse-leidse-
warmteopgave/cdb52ce8da-1738751359/03.-202311-liander-scenario-analyse-leidse-warmteopgave.pdf 2 https://www.ebn.nl/feiten-en-cijfers/kennisbank/onderzoek-warmtenetten-aanzienlijk-goedkoper-danwarmtepompen/ 3 https://www.gaslicht.com/nieuws/verschillen-stadswarmte-gasaansluitingen-en-vaste-energiecontracten
Amendement 381
-
Er voor de warmtetransitie zeer veel werkzaamheden nodig zullen zijn.
Overwegende dat: Ten algemene: In diverse rapporten er gepleit wordt voor meer realistische aannames om zo tot een meer realistischere businesscase. In de wensen en bedenkingen van het college hier aandacht voor is, maar deze algemeen uitgewerkt zijn en deze scherper uitgewerkt kunnen worden. Tegenvallende resultatie a.g.v. optimistische schattingen zullen leiden tot financiële tegenvallers die door de aandeelhouders (en dus het college) zullen moeten worden gecorrigeerd. Het college met een scherper mandaat zo een duidelijk signaal kan geven over de RPIW WLR om zo te voorkomen dat er aanvullende financiële claims worden ingediend. Betaalbaarheid, pariticipatiegraad en realisatiesnelheid drie cruciale succesfactoren zijn die een realistische businesscase bepalen en derhalve zo realistisch mogelijk en dus niet zo optimistisch mogelijk mogen worden geformuleerd. Er tijdens de looptijd van de SOK een groot aantal zaken moet worden uitgewerkt. De gemeenteraden van de zes deelnemende gemeenten na dit raadsbesluit nog maar een moment hebben om over de oprichting van het warmtebedrijf te kunnen debatteren en besluiten. Betaalbaarheid Hoe betaalbaarder een aansluiting wordt voor inwoners, hoe meer inwoners geneigd zullen zijn om een aansluiting op een warmtenet te overwegen.
Betaalbaarheid van aansluiting en aanpassing van de woning een cruciale succesfactor is voor voldoende deelname en daarmee een succesvolle rendabele businesscase. De betaalbaarheid van warmtenetten wordt verslechterd doordat de gebruiker voor het warmtenet ook de kosten van de infrastructuur betaalt, terwijl dit voor elektriciteit en gas collectief bekostigd is. De prijzen voor gas en elektra zullen stijgen (als gevolg van ETS2), terwijl de prijzen van warmte naar verwachting (tenminste relatief) zullen dalen als enige energiebron. Voor de betaalbaarheid het van belang is dat er voldoende bijdragen van het Rijk beschikbaar wordt gesteld. De benodigde kosten voor de verduurzaming van de woning om deze geschikt te maken voor een aansluiting van belang zijn voor de uiteindelijke deelname aan een warmtenet en een schatting hiervan (op basis van energielabel en woningtype) meegenomen zou kunnen worden in de businesscase. Vollooppercentage/participatiegraad De participatiegraad (volgens het rapport van EY Parhenon) (zeer) hoog ingeschat wordt en het volloopercentage in de eerste jaren doorgaans bij vergelijkbare projecten veel lager ligt (bijvoorbeeld 30-50%). Een lager percentage in de eerste jaren aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de businesscase en daarmee ook de betaalbaarheid voor bewoners van het systeem wat weer gevolgen zal hebben voor de volloopsnelheid van het systeem.
Er voor de gemeente Voorschoten geen helder beeld is over het aantal woningen dat reeds gebruik maakt van een warmtepomp (hybride oplossing) om de woning te verwarmen. Realisatiesnelheid Er geen precedent ligt van een dergelijke operatie in een dichtbevolkt stedelijk gebied waarbij de hoofdinfrastructuur moet worden aangepast. Realistische snelheid leidt tot een minder positieve maar realistischere businesscase.
Amendement 381
Besluit: Het beslispunt te wijzigen in: De wensen en bedenkingen van de gemeente Voorschoten bij het ontwerpbesluit tot de oprichting van de vennootschap Regionaal Publiek Warmtebedrijf Leidse Regio B.V. zoals deze zijn uitgewerkt in bijlage 6 ter kennis van het college van burgemeester en wethouders te brengen met de volgende wijzigingen: Aan bijlage 6, pagina 10 nieuw hoofdstuk toe te voegen: Nieuwe rode kop:” Wensen en bedenkingen” Dikgedrukte tekst: “2.1 Algemene inzet van gemeente Voorschoten ten behoeve van de oprichting en uitwerking van de vennootschap RPWLR B.V.” Gewone tekst: “De uitwerking van de RPWLR is een complexe opgave dat een iteratief proces kent. Ten algemene geldt dat de second opinion oprichting regionaal warmtebedrijf (Onderzoek EY Parthenon) kaderstellend is voor de Voorschotense inzet tijdens het gehele proces tot en met oplevering toe. Bij de uitwerking dient voor Voorschoten zoveel mogelijk rekening gehouden te worden met de aandachtspunten en conclusies die in het EY Parthenononderzoek zijn opgenomen.” Aan bijlage 6, pagina 10 een nieuwe bedenking toe te voegen: Dikgedrukte tekst: ”2.2 Redelijke hoogte boete bij opzegging” De exit-clausules in artikel 10.2 en 10.3 dient in ieder geval aan te geven dat bij een eventuele vast te stellen boete, het aandelenpercentage van de stoppende partij richtinggevend is voor een vast te stellen boete.
In de huidige samenwerkingsovereenkomst is een boeteregeling opgenomen in artikel 10.2 en 10.3. Hierin is echter niet de hoogte opgenomen. De partij die opzegt is niet betrokken bij de besluitvorming over de hoogte van de boete. Dit kan er mogelijk toe leiden dat een boete onevenredig hoog kan zijn voor kleinere partijen waardoor er de facto sprake kan lijken van een constructie waar niet aan te ontkomen valt. Het is daarom van belang dat de boete in verhouding staat tot verhouding van de aandelen die de partij heeft ingebracht, wanneer de betreffende partij besluit tot niet deelname. Aan bijlage 6, pagina 21 bij bedenking 6.2 in te voegen: Werk de businesscase verder uit tijdens de Kwartiermakersfase, waarbij de nadruk moet liggen op het valideren en verbeteren realistischer inschatten van de aannames en invoer, niet op het aanpassen van de businesscase om een gewenste uitkomst te verkrijgen. Bij het uitwerken dient nadrukkelijk aandacht te zijn voor de betaalbaarheid van de aansluiting voor de consument, waarbij de relatie tussen betaalbaarheid, aanlegsnelheid en participatiegraad een cruciale succesfactor voor een financieel haalbare businesscase is. Mogelijke oplossingsrichtingen zijn: a. Oorspronkelijke tekst. b. Oorspronkelijke tekst. c. Oorspronkelijke tekst. d.
Het verlagen van de realisatiesnelheid naar een praktisch onderbouwde snelheid die de gemiddelde landelijke historische realisatiesnelheid als uitgangspunt neemt. e. Een duidelijke onderbouwing van de betaalbaarheid voor de gebruiker waarbij de gebruiker goedkoper uit zou moeten zijn bij een warmtenet. De kosten die nodig zijn om de woning geschikt te maken voor een warmtenet dienen
Amendement 381
f.
meegenomen te worden. Hierbij zou rekening gehouden moeten worden met energielabel van de woning en het woningtype. Een realistischere inschatting van een participatiegraad binnen 8 jaar na start van werkzaamheden waarbij in plaats van 80% uitgegaan dient te worden van 65-70% participatie (te bereiken 8 jaar na start project).
In bijlage 6 pagina 22 sub 6.3 de volgende tekst toe te voegen: Gezien de complexiteit en onzekerheden die tijdens de kwartiermakers-fase moeten worden uitgewerkt worden de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten iedere 3 maanden vanaf het moment van ondertekening van de SOK ingelicht over de voortgang van de Kwartiermakers-fase en in het bijzonder de ontwikkeling van de Business-case met oog op de betaalbaarheid van de eindgebruiker van de in de toekomst te leveren collectieve warmte en de mogelijke risico’s die de deelnemende gemeenten lopen. Hierbij dient er niet louter sprake te zijn van informatievoorziening, maar zoveel mogelijk afstemming is van het mandaat voor het college en er sprake is van onderlinge kennisuitwisseling. Ondertekening en naam: Bart van Horck – CDA Jaap Haubrich – VVD Aantekening griffier: