3e kwartaalrapportage 2023 Samenwerking warmte Leidse Regio (def.)
Tekst van het document
Regionaal programma Warmte Leidse Regio (Concept) Kwartaalrapportage Q3 - 2023
1 oktober 2023
1
Inhoud Regionaal programma Warmte Leidse Regio ......................................................................................................................... 1 1
Inleiding ............................................................................................................................................................................ 3
2
Terugblik ........................................................................................................................................................................... 3
3
Programma Warmte Leidse Regio – Q2 2023 ................................................................................................................ 3 3.1
Voortzetting samenwerking. ........................................................................................................................ 3
3.2
Warmte Leidse Regio. ................................................................................................................................... 4
3.3
Relatie RES Holland Rijnland en WLR ........................................................................................................... 5
3.4
Bronnenstrategie .......................................................................................................................................... 5
4
Conclusie........................................................................................................................................................................... 6
5
Financieel overzicht ......................................................................................................................................................... 6
2
1
Inleiding
Deze rapportage betreft de uitvoering van het regionaal programma voor de warmtetransitie in de Leidse regio in het derde kwartaal van 2023. In de eerste helft van 2023 is de besluitvorming over de volgende fase in de samenwerking in gang gezet. Een voorstel daarvoor is in het derde kwartaal aan de diverse colleges en gemeenteraden voorgelegd. Naar verwachting zullen de diverse raden zich daar nog voor het einde van het jaar over uitspreken. In deze periode is de nadruk gelegd op het onderzoeken van enkele onderwerpen die bijdragen aan de rolbepaling van gemeenten op de regionale warmtetransitie. Daarmee wordt het naar verwachting gemakkelijker voor de betrokken gemeenten om een versnelling te geven aan de warmtetransitie in hun gebied. Een deel van deze analyses moet het eind van 2023 gereed zijn.
2
Terugblik
Regulering collectieve warmte. Met het demissionair worden van het Kabinet Rutte IV is enige onzekerheid ontstaan over de regulering van collectieve warmte. Met over name de afhandeling van de Wet Collectieve Warmte waarin het publieke aandeel is opgenomen was enige onduidelijkheid. Inmiddels is duidelijk geworden dat de Kamer op het energiedomein geen vertraging wil en lopende beleidsontwikkeling wil voortzetten. Dat geldt dus ook voor de regelgeving op collectieve warmte. Dat betekent dat de wet die het gemeentelijke instrumentarium (de WGIW) voor de warmtetransitie regelt en de Wet Collectieve Warmte normaal worden voorbereid en te zijner tijd aangeboden voor behandeling aan de Kamer. Tegelijk worden de onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur voorbereid. De verwachting is dat behandeling van de wetsvoorstellen plaatsvindt na de aanstaande algemene verkiezingen in November. Afhankelijk van de snelheid van coalitievorming is dat dan met of zonder regeerakkoord waar regeringspartijen zich aan hebben verbonden. Hoe dat uitpakt is dus nog onzeker. Inmiddels worden de diverse financiële instrumenten wel beschikbaar zoals de ondersteuningsgelden voor de uitvoering van de klimaatambities en ook de financiering van warmte distributienetten (WIS) is inmiddels beschikbaar.
Wat nog ontbreekt is de duidelijkheid over de positie van de regionale transportleidingen (leidingen met meerdere bronnen en meerdere warmtebedrijven als afnemers, zonder directe verbinding met kleinverbruikers) en de invulling van het bekende publieke aandeel in warmtebedrijven. Dit zal bij de behandeling van de WCW duidelijk moeten zijn.
3
Programma Warmte Leidse Regio – Q3 2023
3.1
Voortzetting samenwerking.
In het derde kwartaal van 2023 heeft de focus van het programma Warmte Leidse Regio gelegen op het inhoudelijk en organisatorisch vormgeven van de verdere samenwerking en het voorbereiden van de besluitvorming daarover. Op grond van de resultaten en inzichten die binnen WLR zijn opgedaan over de ontwikkeling en inzet van regionale bronnen is de conclusie getrokken dat verdere samenwerking voor alle betrokkenen voordelen oplevert in het realiseren van de regionale warmtetransitie en het ontwikkelen van de beschikbare regionale warmtebronnen daarvoor.
3
Dit alles vormt de basis voor een besluitvormingsproces in de Colleges en Raden over de verdere samenwerking in het najaar 2023. Naar verwachting zullen de diverse Raden zich daar voor het einde van 2023 over uitspreken. Bij positieve uitspreken is de weg vrij voor de vervolgfase in deze samenwerking in de Leidse regio. Op basis van dit vooruitzicht is de stap gezet naar uitbreiding van het programmateam. Per november zal Mw. Karolina Pill deel uitmaken van het programmateam. Zij zal zich met haar achtergrond op regulatorische aspecten van de warmtetransitie vooral richten op het begeleiden van besluitvorming over de publieke rolneming in de warmtetransitie.
3.2
Warmte Leidse Regio.
Zoals ook al in de ORES studie is geduid, zijn er feitelijk gebieden waar verdere uitwerking nodig is om tot besluitvorming over de regionale infrastructuur te komen. Dat betreft 1) Voorschoten – Leiden, 2) LeiderdorpZoeterwoude en 3) inzet Geothermie (in eerste instantie in overleg met Aardwarmte Rijnland). Daarvoor zijn enkele randvoorwaarden belangrijk zoals een doelmatige inzet van de beschikbare warmte en de verevening van de kosten ervan voor de verschillende afzetgebieden, en de invulling van de rol van de gemeenten bij de realisatie van de ORES. Dat leidt tot de volgende projecten die in het derde kwartaal zijn opgepakt en voortgezet. 1.
Voorschoten – Leiden.
Beide gemeenten werken samen aan de ontwikkeling van een aanbod collectieve warmte voor de gebieden NoordHofland en Leiden zuidwest. Aandachtspunt hier is de realisatie van een warmte overdrachtsstation in Voorschoten waarmee beide gebieden kunnen beschikken over transportcapaciteit van WLQ+. De uitkomst hangt af van de inzet van beide gemeenten. Feitelijk wordt pas duidelijk hoe deze warmtekavels worden ontwikkeld als er een warmtebedrijf is geselecteerd dat de aanleg en operatie van een warmtenet voor zijn rekening gaat nemen. Naar verwachting zal de beslissing daarover in 2024 vallen. 2.
Leiderdorp – Zoeterwoude.
Uit de ORES studie is gebleken dat beide gemeenten voor alle scenario’s ‘aan het uiteinde’ van het systeem zitten. Voor Zoeterwoude en Leiderdorp zijn er meerdere mogelijkheden om aanvoer van warmte te krijgen: via WLQ, door bestaande Vattenfall net in Leiderdorp uit te breiden of door een nieuw te ontwikkelen ORES systeem. De voor en tegens van de verschillende varianten worden momenteel in kaart gebracht in samenwerking met Arcadis/OverMorgen. De rapportage daarvan wordt najaar 2023 verwacht. Daarin wordt ook het effect van een mogelijke warmtevraag vanuit de gemeente Alphen meegenomen. 3.
Geothermie.
Uit de ORES studie is gebleken dat de transportcapaciteit van Warmtelinq veruit onvoldoende is om de hele Leidse regio van warmte te voorzien. Dat is op basis van de huidige warmtevraag in de wijken die door de gemeenten als ‘collectief te verwarmen’ zijn geïdentificeerd. Er is dus sprake van verdeling van schaarste aan beschikbare broncapaciteit (zie 3.4, Bronnenstrategie). Dat betekent dat het ontsluiten van (een deel van) het potentieel aan geothermische warmte in de regio strategisch van belang is voor de verduurzaming van de warmtevraag in de regio. Samen met de RES Holland Rijnland is WLR betrokken bij een ontwikkelplan geothermie voor de RES regio dat door het consortium Aardwarmte Rijnland wordt ontwikkeld. Dat omvat dus zowel de inzet van geothermische warmte voor de Duin & Bollenstreek als de beschikbaarheid van geothermische warmte voor de Leidse regio. Naast dit consortium hebben drie andere partijen (Yaeager, Eavor en Wayland) in principe de mogelijkheid om de aanwezigheid van geothermische warmte te onderzoeken. Vooralsnog liggen hun inspanningen stil door een geschil over drinkwaterveiligheid. Hierop worden op de korte termijn geen uitspraken verwacht waardoor dit potentieel vooralsnog niet beschikbaar komt.
4
4.
Organisatie publieke rol
Gemeenten hebben in het klimaatakkoord een grotere rol gekregen in de lokale verduurzamingsopgave. De inzet van de Minister in het wetsvoorstel Collectieve Warmte heeft dat nog versterkt door publieke sturing op infrastructuur voor te stellen. Met die inzet is het nodig om te bezien hoe de rolinvulling van gemeenten op de regionale warmtetransitie er uit kan zien. Daarvoor ontwikkelen we samen met de mede RES-gemeenten toekomstbeelden en onderzoeken we de voor- en nadelen om daarmee bij te dragen aan de afwegingen hierop die uiteindelijk in de gemeenten worden gemaakt. Naar verwachting zal een advies hierover in het najaar van 2023 gereed zijn. 5.
Bronnenconcurrentie en kostenverevening
In WLR zetten we voor de regionale warmtetransitie in op een combinatie van restwarmte en geothermie als potentieel grote, transporteerbare bronnen. Daarvoor is subsidie beschikbaar. Voor restwarmte (WLQ+) is voor het transport daarin al voorzien, voor geothermie beschikt het consortium Aardwarmte Rijnland over een SDE++ toezegging voor een bron van 40 MWth in de gemeente Noordwijk. Desondanks bestaat het beeld dat de kosten van de inzet van beide bronnen verschillen. In samenwerking met de Rebel Group onderzoeken we hoe groot die verschillen zijn en hoe die uitpakken bij afname ervan voor een wijk of kavel, en wat de mogelijkheden zijn om die kostenverschillen verder te verminderen zodat de prijsconcurrentie tussen die bronnen afneemt. Dat is ook relevant voor de realisatie van een bronnenstrategie waarin een wenselijke verdeling van beschikbare bronnen zo min mogelijk gehinderd moet worden door verschillen in kosten van hun inzet. Ook de uitkomst van deze analyse wordt eind 2023 verwacht.
3.3
Relatie RES Holland Rijnland en WLR
Op nationaal niveau zijn de RES samenwerkingsverbanden aanspreekpunt voor de regionale inzet op de decentrale productie van duurzame elektriciteit en de inzet van duurzame warmte. Dat laatste in de Regionale Strategie Warmte (RSW). Met de RES HR zijn afspraken gemaakt over de verdeling van de onderwerpen. Belangrijk daarin is de ontwikkeling van een bronnenstrategie voor de RES regio die de basis legt voor een maatschappelijk wenselijke inzet van regionale warmtebronnen. Daarnaast ontwikkelt de RES Holland Rijnland met ondersteuning van het Rijk een ‘taskforce’ die gemeenten kunnen inzetten voor het realiseren van de RES opgaven (decentrale elektriciteitsproductie en warmte). RES HR ORES projecten
Bronnenstrategie Duurzame Gassen
X
X X
Kostenconcurrentie bronnen
X
Organisatie regionale infrastructuur Inzet warmte opslag
X
Opzet Taskforce
X
3.4
WLR
X
X
Toelichting Dit betreft Voorschoten / LeidenZW, Leiderdorp/Zoeterwoude en geothermie transportleiding vanuit Noordwijk naar de gemeenten in de Leidse regio. Analyse van wenselijke inzet van beschikbare broncapaciteit Inzicht in de mogelijkheden voor inzet groen gas en waterstof (ook piekvraag) Verkenning van de mogelijkheden om kosten bron/transport in regio te nivelleren Inzicht in alternatieven voor de invulling van de publieke rol op de regionale warmte infrastructuur Verkenning van het potentieel voor Hoge Temperatuur Opslag (seizoensopslag) Inzet van expertise op basis van RES financiering (SPUK)
Bronnenstrategie
Een serie ateliers met de gemeenten in de RES regio Holland Rijnland inventariseert de regionaal beschikbare broncapaciteit en de match met de verwachte warmtevraag. Niet elke bron kan technisch en economische verantwoord naar elke vraag worden getransporteerd. Daarom worden één of meer maatschappelijk wenselijke verdelingen ontwikkeld. Verwachting is dat hierover begin 2024 meer duidelijk wordt.
5
Essentieel is daarin echter wel dat de vraag naar basislast warmte voor toepassing in een collectief warmtenet zo snel mogelijk duidelijk wordt. De ontwikkeling van die warmtevraag in de wijkaanpak ligt primair bij de betrokken gemeenten. De bronnenverdeling is geen unieke verantwoordelijkheid van gemeenten of regio. Ook de eigenaren / ontwikkelaars van collectieve warmte zitten niet stil. Zo zal Vattenfall in het najaar een ‘bronnenstrategie’ presenteren en is het consortium Aardwarmte Rijnland ook haar strategie aan het aanscherpen waarin zij ook concrete gesprekken voert met potentiële grote particuliere afnemers. Wil hierop publieke regie worden gevoerd is het van belang deze bronnenstrategie zo snel mogelijk scherp te hebben om daarmee ook deze private initiatieven te kunnen duiden.
4
Conclusie
De samenwerking in WLR staat aan de vooravond een nieuwe fase. De huidige analyse laat zien dat het inzetten op regionale warmtebronnen niet alleen wenselijk maar ook voordelig is voor de betrokken gemeenten. De concrete invulling ervan stuit nog wel op onzekerheden en onduidelijkheden. In het derde kwartaal is in WLR is voor een aantal daarvan ingezet op verduidelijking ervan.
5
Financieel overzicht
In Q3 lag de nadruk op het voorbereiden, contracteren en begeleiden van een aantal analyses ter ondersteuning van de realisatie van de warmteplannen bij gemeenten. Dat betrof onder meer een analyse belevering Leiderdorp – Zoeterwoude in relatie tot extra inzet WLQ+, de opties voor de verevening van de kostenverschillen van regionale warmtebronnen in ORES en de organisatie opties voor de rolinvulling van gemeenten bij warmtetransport op regionale schaal. Daarnaast is ingezet op meer duidelijkheid over de concrete beschikbaarheid van geothermische warmte in de regio, als aanvulling op de beschikbare transportcapaciteit restwarmte van WLQ+. De inzet van WLR betrof daarom met name personele inzet van het WLR team, wat tot uitdrukking komt in de inzet op werkstroom 4. Voor bovengenoemde projecten zijn wel verplichtingen aangegaan, die pas in de realisatie worden verwerkt zodra ze zijn gefactureerd en vergoed. Totaal begroot
Realisatie 2021
Realisatie 2022
Realisatie 2023 - Q1
Realisatie 2023 - Q2
Realisatie 2023 - Q3
Restant per Q3 2023
Werkstroom 1. Programmatische inspanningen zoals onderzoek, ontwerp & doorrekening open regionaal energiesysteem
600.000
54.758
384.206
31.774
77.389
13.415
38.459
Werkstroom 2. Versterken van initiatieven, bevorderen ontwikkelingen en voorbereiden op uitvoering (excl. cofinanciering)
450.000
21.903
9.364
-
-
-
418.733
Werkstroom 3. Omgevingsmanagement, innovatie en markt
350.000
21.903
8.836
-
-
-
319.261
Werkstroom 4. Organisatie en samenwerking
600.000
10.952
230.014
57.240
62.925
109.597
129.272
2.000.000
109.515
632.420
89.014
140.314
123.012
905.725
Totaal
Vooruitblik. De inzet van WLR is om bovenstaande analyses eind dit jaar af te ronden. Op basis daarvan zal WLR adviseren over de te nemen vervolgstappen. Daarmee is een basis gelegd voor het versnellen van de wijkaanpak in de gemeenten. Die versnelling is essentieel om de ambities van de regio op de verduurzaming te kunnen realiseren, inclusief de inzet van regionale warmtebronnen.
6