CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Circulaire rechtspositiebesluit introductie.rtf

Gemeenteraad Voorschoten 16 december 2021, gemeente voorschotenBij agendapunt: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 202124.821 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In die situatie zijn ook andere bepalingen die gelden voor de burgemeester van overeenkomstige toepassing op het desbetreffende raadslid (met name de bepalingen inzake de reis- en verblijfkosten, een ter beschikking gestelde auto en terugroeping uit het buitenland). Ook wordt de vergoeding voor de werkzaamheden van het desbetreffende raadslid dan aangevuld tot het bedrag van de bezoldiging van de burgemeester en ontvangt hij een vakantie- en een eindejaarsuitkering, alsmede (in plaats van de onkostenvergoeding als raadslid) de vaste ambtstoelage van de burgemeester. Een en ander uiteraard naar rato van de duur van de waarneming. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat artikel 3.2.2 van toepassing is, ingeval het ambt van burgemeester niet door een raadslid, maar door een wethouder wordt waargenomen (artikel 77, eerste lid, van de Gemeentewet). Indien de commissaris van de Koning op grond van artikel 78 van de Gemeentewet in de waarneming van de burgemeester heeft voorzien, geldt artikel 3.2.14. Artikel 3.1.13 Vergoeding tijdelijk ontslagen raadslid voor werkzaamheden en onkostenvergoeding Raadsleden hebben op grond van artikel X 10 van de Kieswet de mogelijkheid om bij zwangerschap en bevalling en bij langdurige ziekte een verzoek tot tijdelijk ontslag in te dienen. In dat geval kan een tijdelijke opvolger worden benoemd10 ). Tijdelijk ontslag is geen aftreden.

Het tijdelijk ontslagen raadslid houdt op grond van het eerste lid van artikel 3.1.3 de vergoeding voor de werkzaamheden en op grond van het tweede lid de halve onkostenvergoeding. Ook blijft het tijdelijk ontslagen raadslid de 10) Iedere vervangingsperiode duurt zestien weken. Al dan niet aansluitende verlenging met nog een periode van zestien weken is mogelijk. Per zittingsperiode zijn maximaal drie vervangingsperioden toegestaan.

geldelijke aanspraak houden om voorzieningen te treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden (artikel 3.1.9), evenals de aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering (artikel 3.1.10). Tevens blijft artikel 3.1.11 van toepassing (eventuele lagere vergoeding voor de werkzaamheden op verzoek). Daarnaast blijven gedurende het tijdelijke ontslag de bepalingen van afdeling 3.3 van toepassing. Dat betekent dat het tijdelijk ontslagen raadslid aanspraken houdt ter zake van het stelsel bewaken en beveiligen, ICT-middelen, de vergoeding van de contributie van een beroepsvereniging, bedrijfsgeneeskundige zorg, vergoedingen in verband met een dienstongeval en WIA-voorzieningen. Artikel 3.2.1 Bezoldiging en uitkeringen In dit artikel is de bezoldiging van zowel de burgemeester als van de wethouders geregeld. Deze bezoldiging is gekoppeld aan wijzigingen van het personeel in de sector Rijk. Verwezen wordt in dit verband naar §4, onder ‘Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2018–2020)’. Speciale aandacht vraagt nog de situatie dat een burgemeester is benoemd in meer dan een gemeente. De systematiek is dan als volgt. De inwonersaantallen van de desbetreffende gemeenten worden bij elkaar opgeteld. Voor de bezoldiging van de burgemeester wordt dan eerst bepaald welke inwonersklasse bij dit opgetelde aantal inwoners hoort.

Vervolgens wordt de bezoldiging vastgesteld op het bedrag dat volgens de tabel in artikel 3.2.1, eerste lid, hoort bij de inwonersklasse daarboven. Dit is geregeld in artikel 3.2.1, tweede lid. Voor wat betreft de gevolgen van opclassificatie van een gemeente dan wel de afloop van het tijdvak van opclassificatie wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.4. Artikel 3.2.2 Waarneming door wethouder Indien een wethouder het ambt van burgemeester langer dan een maand waarneemt, wordt zijn bezoldiging aangevuld tot het bedrag van de bezoldiging van een burgemeester (artikel 3.2.2). Er is gekozen voor een aanvulling op de bezoldiging van de wethouder. In de systematiek van de voormalige rechtspositiebesluiten was er sprake van een vergoeding voor de waarneming, waarmee de desbetreffende wethouder tijdelijk een beperkte ABP-pensioenaanspraak opbouwde, terwijl hij als wethouder pensioenaanspraken op grond van de Appa heeft. Voor het aansprakenniveau maakt de nieuwe constructie geen verschil, maar zo’n beperkte ABP-pensioenaanspraak is uitvoeringstechnisch onnodig complex. Artikel 3.2.3 Neveninkomsten Dit artikel over de wijze van aanleveren van de inkomensgegevens is noodzakelijk in verband met de artikelen 44 en 66 van de Gemeentewet.

Daarin wordt de betrokken politieke ambtsdrager die niet in deeltijd zijn ambt vervult, verplicht gesteld neveninkomsten met de bezoldiging te verrekenen overeenkomstig artikel 3 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer. Onder neveninkomsten worden verstaan alle inkomsten die betrokkene tijdens het ambt geniet uit activiteiten ten behoeve van niet-ambtsgebonden nevenfuncties, als belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. De wijze waarop de gegevens over deze inkomsten worden verstrekt door de ambtsdrager en de gevolgen van het niet verstrekken van deze gegevens dienen te worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur. De tekst van artikel 3.2.3 is ontleend aan de artikelen 3 en 4 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer. De procedure is als volgt. Na afloop van een kalenderjaar verstrekt de burgemeester of de wethouder aan de Minister van BZK, dan wel aan een aangewezen instantie, een opgave welke inkomsten daadwerkelijk over dat kalenderjaar zijn genoten. Daarna stelt de Minister van BZK, of de aangewezen instantie, het te verrekenen bedrag vast en deelt dit mee aan het betreffende college van burgemeester en wethouders en de betreffende ambtsdrager mee. Indien geen opgave van neveninkomsten door de ambtsdrager wordt ontvangen, dient de bezoldiging in beginsel te worden vastgesteld op 65%.

In plaats van een opgave kan worden volstaan met een verklaring dat niet meer dan 14% van de jaarlijkse bezoldiging aan neveninkomsten is genoten, indien de neveninkomsten onder het betreffende bedrag blijven. De burgemeester onderscheidenlijk de wethouder kan overigens zelf een verzoek doen om zijn neveninkomsten lopend het jaar alvast te laten korten op zijn bezoldiging. Een reden voor een dergelijk verzoek kan bij voorbeeld zijn om een groot bedrag aan terugvordering te voorkomen. Het gaat hierbij om een klein aantal personen. Daarmee is de administratieve belasting navenant gering.

Deze mogelijkheid is opgenomen in het derde lid. Vooral ingeval van winst uit onderneming is het vaak niet mogelijk voor de politieke ambtsdrager om binnen de gestelde termijn de gegevens te genereren. Daarom is het ingevolge het zesde mogelijk dat betrokkene dit kan melden en aangeeft wanneer hij daartoe wel in staat denkt te zijn. De termijn waarop gegevens beschikbaar komen, blijkt in de praktijk namelijk erg divers. De politieke ambtsdrager heeft het beste inzicht in wat een redelijke termijn is voor de aanlevering. In het achtste lid is uitdrukkelijk geregeld dat terugbetaling in termijnen mogelijk is. De verrekenplicht geldt niet ten aanzien van een bestuurder die zijn ambt in deeltijd uitoefent. De onderhavige regeling hierover is daarom niet van toepassing op deze bestuurders. Dit is niet uitdrukkelijk bepaald, omdat deze uitzondering al geregeld is in de organieke wetten, zoals in artikel 44, zevende lid, Gemeentewet voor de wethouders. Artikel 3.2.4 Uitkering bij overlijden De nabestaanden van een burgemeester of wethouder die tijdens zijn ambtsperiode overlijdt, ontvangen een uitkering ter grootte van drie maanden bezoldiging inclusief vakantie-uitkering.

Artikel 3.2.5 Mobiliteitstoelage burgemeester Voor de inwerkingtreding van dit besluit ontving een burgemeester die wordt benoemd in een gemeente in een gelijke inwonersklasse, op grond van artikel 14a van het voormalige Rechtspositiebesluit burgemeesters een langjarige aanvulling op de bezoldiging. Gezocht is naar manieren waarop het doel van die toelage, mobiliteit bevorderen tijdens het ambt, op een andere wijze kan worden behaald. De prikkel om later alsnog voor een gemeente in een hogere inwonersklasse te opteren, werd met die langjarige toelage namelijk ook weggenomen. Daar staat tegenover dat het een belang is van alle partijen dat de burgemeester niet een ambt ambieert dat hij niet (meer) aankan. Het blijven in dezelfde inwonersklasse maar wel in een nieuwe gemeente, kan een gemeenschappelijk belang zijn. Er is daarom gekozen voor een eenmalige mobiliteitstoelage die is gericht op burgemeesters die twee ambtstermijnen hebben vervuld. Een overstap na één ambtstermijn mag geacht worden in de individuele carrièreplanning te liggen. Op het moment dat twee ambtstermijnen zijn verstreken, is ondersteuning via een mobiliteitstoelage bij uitstek een gemeenschappelijk belang. Wat betreft de hoogte van de eenmalige, belaste, toelage is gekozen voor een gekapitaliseerd bedrag van € 10.000.

Dit is circa anderhalf jaar van de langjarige toelage op grond van het oude rechtspositiebesluit. Net zoals die langjarige toelage komt de eenmalige toelage ten laste van de gemeente waar de burgemeester is benoemd. Het bedrag van € 10.000 wordt geïndexeerd. Waarnemend burgemeesters hebben geen recht op deze mobiliteitstoelage (artikel 3.2.14). Waarnemend burgemeesters zijn uit de aard van hun ambt tijdelijk. Voor hen is deze mobiliteitsstimulans niet aan de orde. Voor commissarissen en voorzitters van een waterschap is een mobiliteitstoelage niet relevant omdat zij in hun beroepsgroep geen differentiatie kennen in bezoldiging. Voor gedeputeerden en dagelijks bestuurders van een waterschap geldt hetzelfde, ook al kunnen zij een tijdsbestedingsnorm of deeltijdfactor hebben. Voor volksvertegenwoordigers kan dit niet spelen, aangezien hun lidmaatschap een nevenfunctie geacht wordt te zijn en zij bovendien zijn gebonden aan het grondgebied van hun gemeente. Voor wethouders zou een mobiliteitstoelage relevant kunnen zijn, maar hun benoeming is een politieke, waarbij een mobiliteit naar een wethouderschap in een andere gemeente minder vanzelfsprekend is.

Als mobiliteitsinstrument is ondersteuning via de vergoeding van de kosten van loopbaanoriëntatie en mobiliteit bevorderende activiteiten voor hen, zoals ook voor alle andere beroepsgroepen, nuttiger (zie de artikelen 2.2.11, 3.1.8, 3.2.11 en 4.2.11). Op grond van artikel 5.1 van het besluit er in de volgende situaties overgangsrecht. Het achtste en tiende lid zien op de burgemeester die is benoemd in een gemeente in dezelfde inwonersklasse. De burgemeester die voor 1 januari 2019 benoemd werd tot burgemeester van een gemeente in dezelfde inwonersklasse, ontving namelijk op grond van artikel 14a van het Rechtspositiebesluit burgemeesters een langjarige toelage op zijn bezoldiging. Deze toelage is in nu vervangen door de eenmalige mobiliteitstoelage van artikel 3.2.5. Burgemeesters die reeds een toelage op grond van genoemd artikel 14a ontvangen, behouden die. Zij ontvangen uiteraard geen mobiliteitstoelage op grond van artikel 3.2.5. Hetzelfde is bepaald voor burgemeesters die met ingang van 1 januari 2019 in een andere gemeente in dezelfde inwonersklasse worden benoemd, indien die overstap verband houdt met een van de gemeentelijke herindelingen die per 1 januari 2019 plaatsvinden.

Het negende lid ziet op de burgemeester die is benoemd in een gemeente in een lagere inwonersklasse. De burgemeester die voor 1 januari 2019 benoemd werd tot burgemeester van een gemeente in een lagere inwonersklasse, ontving op grond van artikel 14b van het Rechtspositiebesluit burgemeesters een aanvulling ter compensatie van de aan het burgemeesterschap van een kleinere gemeente verbonden lagere bezoldiging. Deze bepaling komt niet terug in dit besluit, omdat betrokkene op grond van de Appa wordt gecompenseerd. Burgemeesters aan wie voor 1 januari 2019 een aanvulling op grond van artikel 14b is toegekend, behouden die aanvulling. Artikel 3.2.6 Ambtskosten Dit artikel regelt de vaste vergoedingen voor ambtskosten voor de burgemeester en de wethouders. Ambtskosten zijn kosten voor voorzieningen die die niet zuiver functioneel zijn, noch zuiver privé. De ambtsdrager kan deze kosten betalen uit de vergoeding op grond van artikel 3.2.6. Net als de onkostenvergoeding voor raadsleden (artikel 3.1.6) betreft de vergoeding een vast bedrag per maand. Wanneer de uitgaven uitstijgen boven de vaste vergoeding kunnen deze niet alsnog worden gedeclareerd. De vaste vergoeding is bedoeld voor in ieder geval de volgende kosten: •. •. •. •. •.

representatie; vakliteratuur; excursies; bureaukosten; contributies voor lidmaatschappen van bijvoorbeeld regionale beroepsverbanden (anders dan beroepsverenigingen voor het ambt; daarvoor geldt in artikel 3.3.4 een specifieke vergoeding); •. ontvangsten thuis; •. zakelijke giften. De ambtsdrager die de functie in deeltijd uitoefent, ontvangt de vergoeding naar rato van de tijdsbestedingsnorm. De ambtstoelagen zijn in artikel 3.2.8 als eindheffingsbestanddeel aangewezen, zodat zij netto moeten worden uitbetaald. De bedragen van de vaste vergoedingen worden herzien aan de hand van de consumentenprijsindex (CPI). Voor een toelichting op de CPI wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.1.6. Voor de indexering wordt uitgegaan van de CPI die geldt voor de maand september van het tweede voorgaande kalenderjaar. Dit is reeds toegelicht in §4, onder‘Indexcijfers’. Artikel 3.2.7 Kosten in verband met verhuizing a. Verhuiskostenvergoeding De burgemeester en de wethouder zijn wettelijk verplicht zich in hun gemeente te vestigen. Dit is het zogenaamde woonplaatsvereiste. Wanneer betrokkene hierdoor moet verhuizen, heeft hij op grond van het eerste lid van artikel 3.2.7 recht op een verhuiskostenvergoeding. Deze vergoeding bestaat uit een vergoeding voor het overbrengen van de inboedel en een vast bedrag voor de overige uit de verhuizing voortvloeiende kosten.

Dit bedrag wordt slechts eenmaal verstrekt, ook wanneer betrokkene extra kosten maakt in verband met eerst een verhuizing naar een tijdelijke woning. Het bedrag is vastgesteld ter hoogte van het fiscaal onbelaste maximum (thans € 7.750). Het recht op verhuiskostenvergoeding vervalt als betrokkene niet binnen drie jaar na zijn benoeming is verhuisd. Als de verhuizing verplicht is, zoals bij burgemeester en wethouders, dan is die noodzaak aangetoond en is het een zakelijke verhuizing. Er geldt wat betreft de verhuiskostenvergoeding overgangsrecht. Op grond van artikel 31, derde lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters had de burgemeester die na benoeming eerst een tijdelijke woning betrokken in de nieuwe gemeente en later verhuisde naar een definitieve woning, tweemaal aanspraak op een (deels belaste) verhuiskostenvergoeding11 ). Op grond van artikelen 3.2.7 bestaat nu dus, zoals gezegd, eenmalig aanspraak op een (belastingvrije) verhuiskostenvergoeding, ongeacht het aantal verhuizingen. Voor burgmeesters die al vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn benoemd, blijft echter de bepaling op grond van het voormalige rechtspositiebesluit van toepassing.

11) Voor wethouders gold een dergelijke bepaling niet.

b. Vergoeding tijdelijke huisvesting Zolang de burgemeester of de wethouder nog niet is verhuisd of zich nog niet heeft ingeschreven in de basisadministratie personen, heeft hij op grond van de Gemeentewet ontheffing van zijn woonplicht nodig. Die ontheffing vereist een expliciet besluit. Betrokkene kan als overbrugging een vorm van tijdelijke huisvesting betrekken in de nieuwe gemeente. Dit kan bijvoorbeeld een hotel zijn, een tijdelijk appartement, een vakantiehuis of een Bed & Breakfast. Ook is het denkbaar dat de gemeente tijdelijk een woning huurt en aan de betrokken ambtsdrager ter beschikking stelt; in dat geval betaalt de ambtsdrager niet zelf de huur, maar is hij op grond van artikel 3.8 van de regeling wel een eigen bijdrage per maand verschuldigd. Een reden voor de gemeente om een woning (tijdelijk) ter beschikking te stellen aan de ambtsdrager kan zijn dat de woonkosten voor de ambtsdrager worden gemaximeerd (de gemeente neemt immers eventuele fiscale meerkosten voor haar rekening). Omdat de gemeente moet besluiten of zij al dan niet een woning ter beschikking wil stellen, is er voor haar een specifiek afwegingsmoment ten aanzien van de voor de gemeente te nemen woonkosten.

Deze optie kan soelaas bieden bij gemeenten met een relatief klein aantal inwoners (waardoor de op dat inwonersaantal gebaseerde bezoldiging van de burgemeester relatief laag is), maar met veel dure (huur)huizen. Deze mogelijkheid van maatwerk zal naar verwachting een snellere vestiging kunnen bevorderen. Zolang de ambtsdrager zich nog niet heeft ingeschreven in de basisadministratie personen, heeft hij aanspraak op vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting en vergoeding van de reiskosten van en naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde (artikel 3.2.7, tweede lid van het besluit). In artikel 3.6 van de regeling is de hoogte van die vergoeding gemaximeerd op 18% van de (bruto) bezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor de ambtsdrager; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de gemeente aan de burgemeester vergoed. Ook is bepaald om welke kosten het gaat, namelijk de werkelijke kosten, met inbegrip van de kosten voor energie en water. Andere kosten, zoals die van levensonderhoud, wassen en strijken, parkeerplaats of lokale heffingen, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Zolang er sprake is van incidentele overnachtingen in een hotel of iets dergelijks kunnen de kosten in principe onbelast worden vergoed of verstrekt. Zij zijn dan aan te merken als ‘kosten van tijdelijk verblijf in het kader van de dienstbetrekking’.

Wanneer de omstandigheden van het geval erop duiden dat het tijdelijk verblijf minder incidenteel wordt, kan dat anders uitpakken voor de gemeente. Op grond van artikel 31, vierde lid, onderdeel b, sub 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 kan de vergoeding/verstrekking ter zake van of in de vorm van een woning namelijk niet als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen, behalve voor zover het gaat om huisvesting buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking. In dit soort situaties van niet-incidentele bewoning in afwachting van inschrijving in de basisregistratie personen van de nieuwe gemeente zal, desgewenst in samenspraak met de belastinginspecteur, moeten worden aangenomen dat het hoofdverblijf van de ambtsdrager zich nog in de oude gemeente bevindt. In dat geval kan de kostenvergoeding voor de tijdelijke woning in de nieuwe gemeente wel in de eindheffing worden betrokken. Om zeker te stellen dat de vergoeding van deze kosten een netto vergoeding is, is bepaald dat eventueel door de ambtsdrager verschuldigde loon- en inkomstenbelasting over deze vergoeding door de gemeente aan de ambtsdrager worden vergoed. De reiskostenvergoeding geschiedt op dezelfde basis als de vergoeding voor reiskosten voor woon-werkverkeer of dienstreizen (artikel 3.2). Deze aanspraak is gekoppeld aan de duur van de ontheffing door de raad of de commissaris. c.

Tegemoetkoming dubbele woonlasten Wanneer de burgemeester of de wethouder is verhuisd naar de nieuwe gemeente en zich ook heeft ingeschreven in zijn nieuwe woonplaats, maar zijn oude woning nog niet heeft verkocht, heeft hij aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor dubbele woonlasten (artikel 3:2.7, derde lid, van het besluit en artikel 3.7 van de regeling). De hoogte van de tegemoetkoming is het bedrag van de kosten van de huisvestingsvoorziening in de nieuwe gemeente. Voor de hoogte van de tegemoetkoming geldt echter een maximum van 18% van de bruto bezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor de ambtsdrager; eventuele loon- en inkomstenbelasting hierover komen ten laste van de gemeente. Dat betrokkene kosten heeft aan het koophuis in de oude gemeente is uitsluitend van belang voor het oordeel of er in dit geval al dan niet sprake is van dubbele woonlasten. Met woonlasten zijn bedoeld de kosten die de ambtsdrager maakt in de nieuwe gemeente in verband

met hypotheekrente of huur of vermindering van de bezoldiging in verband met de ambtswoning. In dit verband is een door de gemeente ter beschikking gestelde woonvoorziening gelijkgesteld met een ambtswoning. Daarnaast horen de kosten van gas, water en elektriciteit ook tot de woonlasten die voor de hoogte van de tegemoetkoming in aanmerking komen. Onder de Werkkostenregeling is er geen specifieke vrijstelling voor huisvestingsvoorzieningen. Op grond van artikel 31, vierde lid, onderdeel b, sub 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 kan niet als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen de vergoeding/verstrekking ter zake van of in de vorm van een woning, behalve voor zover het gaat om huisvesting buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking. Gelet op de inschrijving in de basisregistratie personen moet de woning in de nieuwe gemeente aangemerkt worden als het hoofdverblijf van de ambtsdrager. De tegemoetkoming kan daarom niet in de eindheffing worden betrokken en zal tot het individuele loon van de ambtsdrager moeten worden gerekend. Daarom ook zal die tegemoetkoming gebruteerd moeten worden verstrekt. Daarmee komt de verschuldigde belastingheffing per saldo voor rekening van de gemeente. De duur van deze vergoeding is op grond van het besluit gemaximeerd op drie jaar na de benoemingsdatum.

De toekenning van de vergoeding is verder afhankelijk van het voor eenieder kenbaar te koop zetten van de oude woning (via internet, aangemeld bij een makelaar e.d.). Ook geldt als voorwaarde dat de betrokken ambtsdrager de lasten van de hypotheekrente draagt en dat er, verrekend met eventuele huurinkomsten ter zake van dat huis in de oude gemeente, daadwerkelijk sprake is van dubbele woonlasten. d. Vergoeding reiskosten naar het huis in de oude gemeente De ambtsdrager die een vergoeding tijdelijke huisvesting of een tegemoetkoming dubbele woonlasten ontvangt, heeft daarnaast voor één keer per week aanspraak op een vergoeding van de reiskosten voor een bezoek aan zijn woning in de oude gemeente. De reden kan zijn dat het gezin van betrokkene daar nog verblijft; het kan zijn om zaken te regelen met betrekking tot de verkoop van dat huis. De vergoeding van deze reiskosten is conform de andere reiskostenvergoedingen: de kosten van openbaar vervoer of, bij gebruik van een eigen personenauto, het maximale bedrag dat een werkgever per kilometer fiscaal onbelast mag vergoeden aan een werknemer. Dat is op dit moment € 0,19 per kilometer. De duur van de aanspraak is gekoppeld aan de verkoop van het huis in de oude gemeente met een maximumduur van drie jaar na de benoeming, indien er sprake is van inschrijving in de basisregistratie personen in de nieuwe gemeente.

Zolang er nog geen sprake is van een dergelijke inschrijving is de aanspraak gemaximeerd op de duur van de ontheffing. De fiscus acht deze vergoedingsregeling te algemeen om onder de gerichte vrijstelling voor reiskosten te vallen. Het zijn daarmee belaste vergoedingen. Deze vergoeding kan overigens door de gemeente als eindheffingsbestanddeel aangewezen worden. Dat betekent dat de gemeente op deze wijze de vergoeding in de eindheffing kan betrekken. Daarmee wordt de belastingheffing over dit loonbestanddeel verlegd naar de gemeente. e. Waarnemend burgemeester Voor de waarnemend burgemeester geldt geen woonplicht. Betrokkene kan dus ook geen ontheffing daarvan worden verleend. Dit gegeven heeft een aantal implicaties waardoor de huisvestingsvoorzieningen op bepaalde vlakken verschillen van die voor de door de Kroon benoemde burgemeester. Deze implicaties worden hieronder beschreven. Geëxpliciteerd is dat de waarnemend burgemeester géén aanspraak kan maken op de tegemoetkoming dubbele woonlasten. Aangezien er geen sprake is van een woonplicht die moet worden ondersteund, moet een eventuele vestiging in de nieuwe gemeente als gevolg van deze benoeming, worden aangemerkt als een persoonlijke keuze waarvan de kosten niet ten laste van de gemeente hoeven te komen.

De waarnemend burgemeester is vergelijkbaar met de door de Kroon benoemde burgemeester met een (tijdelijke) ontheffing van de woonplicht. Daarom is het logisch dat de waarnemend burgemeester dezelfde aanspraak heeft op de vergoeding voor tijdelijke huisvesting, de daaraan gekoppelde reis-kostenvergoeding naar het huis in de oude gemeente, de verhuiskostenvergoeding, en de vergoeding woon-werkverkeer. Het specifieke karakter van de waarneming komt tot uitdrukking in het feit dat tijdens de gehele duur van de waarneming aanspraak kan worden gemaakt op deze voorzieningen. Het overgangsrecht uit 2016 is gehandhaafd. De waarnemend burgemeester die als zodanig is

benoemd vóór 1 februari 2016, behoudt op basis van artikel 5.1, tweede lid, van de regeling voor de duur van die waarneming de aanspraak op de vergoeding ingeval van het gebruik van een eigen personenauto voor woon-werkverkeer ter hoogte van € 0,28 per afgelegde kilometer. f. Voorbeeldsituaties Situatie A: Burgemeester koopt al snel een huis Burgemeester K wordt benoemd per 1 maart 2019. De raad besluit een ontheffing te verlenen. Betrokkene zet zijn huis in de oude gemeente meteen te koop. Hij reist vanuit dit huis heen en weer naar het gemeentehuis tot 15 december 2019. Per die datum koopt hij een huis in de nieuwe gemeente en schrijft hij zich in als ingezetene van de nieuwe gemeente. Hij vraagt op 21 februari 2020 zijn tegemoetkoming dubbele woonlasten aan. Op 17 juli 2021 verkoopt betrokkene zijn huis in de oude gemeente. Burgemeester K heeft in de periode 1 maart 2019 tot 15 december 2019 recht op een reiskostenvergoeding. Indien hij in deze periode in een hotel verblijft, kan hij aanspraak maken op de vergoeding tijdelijke huisvesting. Deze vergoeding bedraagt het bedrag van de hotelkosten per maand, met een maximum van 18% van de bruto burgemeestersbezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor burgemeester K; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de gemeente aan hem vergoed.

Zijn aanspraak op de tegemoetkoming dubbele woonlasten wordt toegekend met ingang van 1 december 2019. Burgemeester K heeft hier per die datum recht op omdat hij zich in die maand heeft ingeschreven in de basisadministratie en er vanaf dat moment dubbele woonlasten zijn. Dat burgemeester K de aanvraag pas in februari 2020 indient, maakt voor het recht per 1 december 2019 niet uit. De toekenning gebeurt dan met terugwerkende kracht. De maximale duur van deze tegemoetkoming zou tot 1 maart 2022 lopen (drie jaar na zijn benoeming), maar eindigt in dit geval met de eerste dag van de maand van de verkoop van het huis in de oude gemeente, dus per 1 juli 2021. In de periode 1 december 2019 tot 1 juli 2021 vergoedt de gemeente de hypotheekrente van het huis in die nieuwe gemeente, samen met de kosten van elektriciteit, gas en water, tot een maximum van 18% van de bruto burgemeestersbezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor burgemeester K; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de gemeente aan hem vergoed. Daarnaast kan burgemeester K in de periode van 15 december 2019 tot 17 juli 2021 eenmaal per week een reis naar het huis in de oude gemeente declareren. Voor de verhuizing naar het gekochte huis in de nieuwe gemeente heeft burgemeester K recht op een verhuiskostenvergoeding. Die verhuizing moet dan wel plaatsvinden vóór 1 maart 2022 (drie jaar na zijn benoeming).

Situatie B: Burgemeester schrijft zich laat in en heeft huurders Burgemeester L wordt benoemd per 1 mei 2019. De raad besluit een ontheffing te verlenen. Betrokkene zet haar huis in de oude gemeente meteen te koop. Zij huurt per 1 juni 2019 een appartement in de nieuwe gemeente. Burgemeester L schrijft zich pas in als ingezetene in de nieuwe gemeente op 23 februari 2021. Haar wordt ontheffing verleend door de raad voor de periode 1 mei 2019 tot 1 mei 2020. Deze ontheffing wordt door de commissaris, gehoord de raad, vanwege de bijzondere omstandigheden in dit geval verlengd met één jaar, dus tot 1 mei 2021. Per 1 oktober 2017 sluit burgemeester L voor een jaar een huurcontract waarmee haar hypotheeklasten voor het huis in de oude gemeente geheel worden gecompenseerd. Dit huurcontract wordt niet verlengd. Op 17 november 2022 wordt het huis in de oude gemeente verkocht. Burgemeester L heeft in de periode 1 mei 2019 tot 23 februari 2021 (moment van inschrijving als ingezetene) recht op de reiskostenvergoeding. Indien zij in de periode 1 mei 2019 tot 1 juni 2019 in een hotel verblijft, kan zij aanspraak maken op de pensionkostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt het bedrag van de hotelkosten per maand, met een maximum van 18% van de bruto burgemeestersbezoldiging.

Dit bedrag is onbelast voor burgemeester L; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de gemeente aan haar vergoed. Aangezien burgemeester L zich tot 23 februari 2021 niet inschrijft als ingezetene in de nieuwe gemeente, heeft zij gedurende de periode 1 juni 2019 tot 23 februari 2021 geen recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten. Zij heeft gedurende deze periode wel recht op de vergoeding tijdelijke huisvesting. Haar is gedurende deze periode namelijk ontheffing verleend van het ingezetenschap en zij maakt kosten in de nieuwe gemeente voor huisvesting in afwachting van haar

inschrijving. De maximale duur van deze vergoeding tijdelijke huisvesting is gekoppeld aan de verleende ontheffing, dus in deze situatie tot 1 mei 2021. Aangezien burgemeester L zich inschrijft per 23 februari 2021, eindigt de aanspraak op deze vergoeding per 23 februari 2021. Deze vergoeding tijdelijke huisvesting betreft het bedrag van de maandelijkse huur van het appartement in de nieuwe gemeente, inclusief de kosten van energie en water, met een maximum van 18% van de bruto burgemeestersbezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor haar; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de gemeente aan haar vergoed. Dat burgemeester L een huurcontract heeft voor het huis in de oude gemeente maakt voor de vergoeding tijdelijke huisvesting niet uit; noch voor het recht, noch voor de hoogte van die vergoeding. Vanaf 1 februari 2021 heeft burgemeester L recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten. Voor de hoogte van de het door de gemeente te vergoeden bedrag maakt de overlap in de maand februari 2021 van pensionkostenvergoeding en tegemoetkoming niet uit. Beide regelingen gaan uit van maandelijkse bedragen, hebben dezelfde omschrijving van het te compenseren bedrag, en bovendien gaat het hier om de huurkosten van hetzelfde appartement.

Gedurende de periode 1 oktober 2020 tot 1 oktober 2021 heeft betrokkene een huurcontract waardoor er in deze periode per saldo voor haar geen woonlasten meer zijn ten aanzien van het huis in de oude gemeente. Vanaf 1 februari 2021 is er dus geen sprake van dubbele woonlasten en daarom bestaat er over de periode 1 februari 2021 tot 1 oktober 2021 geen recht op een tegemoetkoming. Vanaf 1 oktober 2021 is het huurcontract beëindigd en heeft burgemeester L weer wel dubbele woonlasten. Aangezien het huis in de oude gemeente op 1 mei 2022 (drie jaar na de benoeming) nog niet is verkocht, eindigt per deze datum haar recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten. De tegemoetkoming gedurende de genoemde perioden waarin burgemeester L recht had op tegemoetkoming, behelsde het bedrag van de huurkosten per maand van het appartement in de nieuwe gemeente, inclusief de kosten van energie en water, met een maximum van 18% van de bruto burgemeestersbezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor burgemeester L; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de gemeente aan haar vergoed. Van 1 juni 2019 tot 23 februari 2021 en van 1 oktober 2021 tot 1 mei 2022 kan burgemeester L eenmaal per week een reis naar het huis in de oude gemeente declareren. Zij ontvangt in deze periode namelijk ofwel een vergoeding tijdelijke huisvesting ofwel een tegemoetkoming dubbele woonlasten.

Voor de verhuizing naar het appartement in de nieuwe gemeente in juni 2019 heeft burgemeester L recht op een verhuiskostenvergoeding. Gedurende de periode 1 mei 2022 tot 17 november 2022 wordt burgemeester L niet meer door de gemeente ondersteund met enige huisvestingsvoorziening. Alle zijn gemaximeerd op drie jaar na de benoeming. Situatie C: Burgemeester schrijft zich snel in en huurt in afwachting van een koophuis in aanbouw Burgemeester M wordt benoemd per 1 april 2019. Hij zet zijn hypotheekvrije huis in de oude gemeente meteen te koop en schrijft zich direct in als ingezetene van de nieuwe gemeente. Hij huurt een woning in afwachting van het per 1 november 2019 beschikbaar komen van de woning die hij gekocht heeft. Het huis in de oude gemeente wordt op 9 augustus 2021 verkocht. Burgemeester M heeft zich ingeschreven in de nieuwe gemeente, maar heeft geen dubbele woonlastenproblematiek omdat er geen hypotheek meer rust op het huis in de oude gemeente. Hij kan dus geen aanspraak maken op een tegemoetkoming dubbele woonlasten. Betrokkene heeft ook geen recht op een vergoeding tijdelijke huisvesting voor de tijdelijke woning, want hij heeft zich ingeschreven (en dus geen ontheffing van zijn ingezetenschap).

Omdat betrokkene noch aanspraak kan maken op de vergoeding tijdelijke huisvesting noch op de tegemoetkoming dubbele woonlasten, kan betrokkene ook geen aanspraak maken de vergoeding van de reiskosten eenmaal per week tussen nieuwe gemeente en huis in oude gemeente. Burgemeester M heeft wel recht op de verhuiskostenvergoeding. Dit is eenmalig recht. Enerzijds het ongemaximeerde bedrag van de kosten van de verplaatsing van de boedel en anderzijds een bedrag van het maximaal bedrag dat de gemeente onbelast kan verstrekken voor direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten ad € 7.750. Zou burgemeester M zich pas op 1 november 2019 hebben ingeschreven in de nieuwe gemeente dan zou hij tot die datum wel recht hebben gehad op een vergoeding tijdelijke huisvesting, mits hem een ontheffing zou zijn verleend.

Situatie D: Waarnemend burgemeester in ter beschikking gesteld huis Voormalig burgemeester N woont nog in de ambtswoning van een gemeente uit een van de lagere inwonersklassen, als een waarnemend burgemeester P wordt benoemd. Het is bestuurlijk gewenst dat deze waarnemer een groot deel van de week in de gemeente is. De huren in de gemeente zijn echter erg hoog. Daarom stelt de gemeenteraad een woning ter beschikking aan waarnemend burgemeester P. Voormalig burgemeester N kan tot uiterlijk een jaar na zijn ontslag blijven wonen in de ambtswoning. Artikel 3.2.8 van het besluit blijft zolang hij daar woont, op hem van overeenkomstige toepassing. Dat wil zeggen dat het bedrag van de woonkosten hetzelfde blijft als vóór zijn ontslag en dat eventuele loon- en inkomstenbelasting voor het gebruik van die ambtswoning, voor rekening blijven komen van de gemeente. Voor een door de gemeente ter beschikking gestelde woonvoorziening gelden dezelfde voorwaarden als voor een ambtswoning. Voor waarnemend burgemeester P betekent dit dat zijn woonkosten gelijk zijn aan de economische huurwaarde van deze woonvoorziening, tot een maximum van 18% van de bruto bezoldiging. Eventuele loon- en inkomstenbelasting voor het gebruik van deze woonvoorziening, komen voor rekening van de gemeente. Waarnemend burgemeester P heeft gedurende zijn waarneming geen recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten.

Dit is voor waarnemers expliciet uitgezonderd. Hij heeft echter wel gedurende zijn waarneming aanspraak op een vergoeding tijdelijke huisvesting. Aldus wordt het bedrag vergoed van de maandelijkse huur van de ter beschikking gestelde woonvoorziening in de nieuwe gemeente, inclusief de kosten van energie en water, met een maximum van 18% van de bruto burgemeestersbezoldiging. Hiermee worden de woonkosten (die zijn gemaximeerd op die 18%) in hun geheel gecompenseerd. Deze aanspraak bestaat voor de duur van de waarneming. Gelet op deze vergoeding tijdelijke huisvesting kan waarnemend burgemeester P gedurende zijn waarneming eenmaal per week een reis naar zijn huis in de gemeente waar hij woont, declareren. Voor de verhuizing naar de ter beschikking gestelde woonvoorziening heeft waarnemend burgemeester P recht op een verhuiskostenvergoeding. Situatie E: Wethouder in ter beschikking gesteld huis Wethouder Q wordt benoemd per 1 maart 2019 en zet meteen haar huis in de oude gemeente te koop. De raad besluit een ontheffing te verlenen. Wethouder Q wordt per 1 maart 2019 een woonvoorziening ter beschikking gesteld door de gemeente. De economische huurwaarde van de woning bedraagt 23% van haar bruto bezoldiging. Wethouder Q schrijft zich op 14 juni 2019 in als ingezetene. Op 7 juli 2022 wordt haar huis in de oude gemeente verkocht.

Ondanks dat zij meteen haar huis in de oude gemeente te koop heeft gezet, heeft wethouder Q op 1 maart 2019 geen recht op de tegemoetkoming dubbele woonlasten. Zij schrijft zich immers pas op 14 juni 2019 in als ingezetene. Van 1 maart 2019 tot 14 juni 2019 heeft betrokkene wel recht op een vergoeding tijdelijke huisvesting. De kosten van die ter beschikking gestelde woonvoorziening (inclusief de kosten van energie en water) zijn aan te merken als kosten die de wethouder maakt voor tijdelijke huisvesting in de gemeente waarin zij is benoemd. De pensionkostenvergoeding bedraagt het bedrag van de woonkosten per maand, met een maximum van 18% van de bruto bezoldiging. De vergoeding is onbelast voor wethouder Q; eventuele loon- en inkomstenbelasting daarover worden door de gemeente aan haar vergoed. Gelet op het maximum van de vergoeding betaalt wethouder Q per saldo 5% van haar bezoldiging. Vanaf de inschrijving in de nieuwe gemeente per 14 juni 2019 behoeft wethouder Q geen ontheffing meer. Zij voldoet nu wel aan de voorwaarden van de tegemoetkomingsregeling dubbele woonlasten en heeft daarom per 1 juni 2019 recht op de tegemoetkoming.

De kosten van een door de gemeente ter beschikking gestelde woonvoorziening (inclusief de kosten van energie en water) vallen onder de gemaakte kosten van huisvesting die tot ten hoogste 18% van de bruto bezoldiging voor vergoeding in aanmerking komen. Het bedrag van de economische huurwaarde van de woonvoorziening is voor de wethouder gemaximeerd, namelijk op 18% van de bruto bezoldiging. De tegemoetkoming is onbelast voor wethouder Q; de loon- en inkomstenbelasting over het verschil van 5% van de economische huurwaarde van de woonvoorziening worden door de gemeente aan haar vergoed. Voor de hoogte van de het door de gemeente te vergoeden bedrag maakt de overlap in de maand juni 2019 van vergoeding tijdelijke huisvesting en tegemoetkoming niet uit. Beide regelingen gaan uit van maandelijkse bedragen, hebben dezelfde omschrijving van het te compenseren bedrag, en bovendien

gaat het hier om de woonkosten van dezelfde woonvoorziening. De tegemoetkoming dubbele woonlasten eindigt per 1 maart 2022 (drie jaar na de benoeming). Na deze datum wordt wethouder Q niet meer door de gemeente ondersteund met enige huisvestingsvoorziening. Alle zijn gemaximeerd op drie jaar na de benoeming. Aangezien wethouder Q tot 1 maart 2022 ofwel een vergoeding tijdelijke huisvesting geniet ofwel een tegemoetkoming dubbele woonlasten ontvangt, kan wethouder Q gedurende deze drie jaar eenmaal per week een reis naar haar huis in de oude gemeente, declareren. Voor de verhuizing naar de ter beschikking gestelde woonvoorziening heeft wethouder Q recht op de eenmalige verhuiskostenvergoeding. Situatie F: Burgemeester schrijft zich later in en huurt in afwachting van koophuis in aanbouw Burgemeester R wordt benoemd per 1 juni 2019. De raad besluit een ontheffing te verlenen. Betrokkene zet zijn huis in de oude gemeente meteen te koop. Per 12 juli 2019 huurt hij een appartement in de nieuwe gemeente. Op 29 augustus 2019 koopt hij een huis in de nieuwe gemeente, maar die wordt pas opgeleverd op 1 oktober 2020. Burgemeester R schrijft zich op 30 augustus 2019 alvast in als ingezetene. Het huis in de oude gemeente wordt op 3 februari 2020 verkocht.

Op dezelfde gronden als beschreven in Situatie B heeft burgemeester R recht op een reiskostenvergoeding in de periode 1 juni 2019 tot 30 augustus 2019 en ontvangt hij voor de huur van het appartement een vergoeding tijdelijke huisvesting van 12 juli 2019 tot 30 augustus 2019. Van 1 augustus 2019 tot 1 februari 2020 (maand verkoop huis in de oude gemeente) heeft burgemeester R recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten. Voor de periode 1 februari 2020 tot 1 oktober 2020 heeft burgemeester R geen recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten. Door de verkoop van het huis in de oude gemeente heeft hij namelijk geen dubbele woonlasten meer. Hij heeft in deze periode evenmin recht op een vergoeding tijdelijke huisvesting omdat hij sinds 30 augustus 2016 ingezetene is van de nieuwe gemeente. Had burgemeester R zich pas ingeschreven na oplevering van het nieuwe huis, zeg 3 oktober 2020, dan had hij recht gehad op een vergoeding tijdelijke huisvesting van 12 juli 2019 tot 3 oktober 2020, mits de commissaris de ontheffing van de raad per 1 juni 2020, gehoord de raad, zou hebben verlengd. Acht de commissaris in dit geval geen dermate bijzondere omstandigheden aanwezig voor een dergelijke verlenging dan zou burgemeester R zich vóór 1 juni 2020 in de gemeente ingeschreven hebben moeten zijn en zou het recht op de pensionkostenvergoeding uiterlijk op 1 juni 2020 zijn geëindigd.

De maximale duur van de vergoeding tijdelijke huisvesting is namelijk gekoppeld aan de maximale duur van de ontheffing. Ondanks dat burgemeester R zich heeft ingeschreven in de nieuwe gemeente en kosten maakt voor zowel het appartement als het per 1 oktober 2020 op te leveren huis, is hier geen sprake van dubbele woonlasten in rechtspositionele zin. Het huis in de oude gemeente is immers op 3 februari 2020 verkocht. Artikel 3.2.8 Ter beschikking gestelde woning Aan de burgemeester of de wethouder kan in verband met de uitoefening van het ambt een woning ter beschikking worden gesteld. Dit kan een ambtswoning zijn, maar ook een andere woning. Hiervoor moet de betrokken ambtsdrager op grond van het eerste lid van artikel 3.2.8 een eigen bijdrage per maand betalen. Deze bijdrage is gemaximeerd. Daarmee is voor zowel de ambtsdrager als de gemeente kenbaar wat de kosten zijn van de bewoning van de ambtswoning. Op de kosten van de bewoning van een ter beschikking gestelde woning is naast het rechtspositionele ook het fiscale regime van toepassing. Voor de fiscus is de terbeschikkingstelling van een woning aan een ambtsdragers namelijk loon in natura. Fiscaal moet over het totaal van het inkomen in geld en loon in natura belasting worden betaald.

Daarom moet ook worden vastgesteld of er, rekening houdend met een eventuele eigen bijdrage, nog een te belasten voordeel verbonden is aan die terbeschikkingstelling van de woning. Dat voordeel wordt fiscaal in principe gesteld op de economische huurwaarde van de woning. Wordt deze woning om niet ter beschikking gesteld, dan wordt het bedrag van de totale huurwaarde bij de bezoldiging geteld als loon in natura en vervolgens de som van bezoldiging en huurwaarde belast. Betaalt betrokkene een eigen bijdrage voor het woongenot uit zijn nettosalaris dan wordt dit bedrag in mindering gebracht op de huurwaarde, en het eventuele restant betrokken in de belastingheffing van de som van bezoldiging en loon in natura. In de regel geldt de waarde van de woning voor de belastingheffing als zodanig als loon in natura, en wordt dus gerekend met de totale waarde van die woning voor de vaststelling van de belasting bij de

ambtsdrager. Dit is anders als de fiscus een ambtswoning aanmerkt als een fiscaal zuivere dienstwoning. Dat gebeurt overigens maar zelden. Een fiscale dienstwoning is namelijk gedefinieerd als een woning waarbij betrokkene zijn functie niet kan uitoefenen als hij niet de beschikking heeft over deze woning. Dit wordt door de fiscus niet snel aangenomen. Uitsluitend voor zo’n dienstwoning kan de fiscus specifieke afspraken maken over welk deel zakelijk wordt gebruikt. Over dit zakelijke gedeelte wordt de ambtsdrager dan niet belast. De bijtelling die de ambtsdrager dan moet betalen, geldt ook enkel het woongedeelte, en is gemaximeerd op 18% van het jaarloon. Deze maximering was en is vormgegeven via een bepaling dat de verschuldigde loon- en inkomstenbelasting als gevolg van een hogere economische huurwaarde door de gemeente aan betrokkene wordt vergoed. Dat in de oude rechtspositieregelingen de vergoeding voor het gebruik van de ambtswoning via een korting was vormgegeven, bleek, vanwege de samenloop van de rechtspositionele en fiscale regimes, bij een juiste toepassing te leiden tot een niet bedoeld en ongewenst groot effect op het netto besteedbaar inkomen van de ambtsdrager. Bovendien bleek van een uiteenlopende uitvoeringspraktijk en bestond als gevolg van een onjuiste uitvoering het risico op fiscale naheffingen bij de ambtsdrager.

Daarom is in de regeling nu een nieuw, duidelijker, systeem opgenomen. In het nieuwe systeem betaalt de ambtsdrager voor het gebruik van de ter beschikking gestelde woning in plaats van een korting van 18% op zijn bruto bezoldiging, voortaan een eigen bijdrage uit het nettosalaris ter hoogte van 18% van de bruto bezoldiging. Het is een subtiel verschil in formulering maar een korting kan, in tegenstelling tot de eigen bijdrage uit het nettosalaris, niet in mindering worden gebracht op de economische huurwaarde. Fiscaal betekent een korting namelijk niets meer dan een lager vastgesteld bedrag aan loon in geld. De voormalige formulering leidde ertoe dat de gemeente uitsluitend het bedrag kon compenseren waarmee de loon- en inkomstenbelasting vanwege die hogere huurwaarde, hoger was dan 18% van de bruto bezoldiging. De korting kon namelijk, zoals gezegd, niet in mindering worden gebracht op de economische huurwaarde. Op deze manier betaalde een ambtsdrager bij een juiste toepassing niet alleen de korting van 18% van de bruto bezoldiging (de verlaging van het loon in geld) maar ook het bedrag aan belasting ter hoogte van (nog eens) 18% van de bruto bezoldiging. Door de nieuwe formulering heeft de ambtsdrager nu een hoger netto besteedbaar inkomen dan onder een juiste toepassing van het huidige systeem.

Nu betaalt betrokkene voor de bewoning maximaal 18% van zijn bruto bezoldiging en zijn de eventuele meerkosten voor de gemeente. Is de huurwaarde lager dan genoemde 18%, dan moet de eigen bijdrage lager worden vastgesteld. De fiscale gevolgen voor ambtsdrager en de gemeente zijn in dit geval nihil; er is immers geen verschil tussen de eigen bijdrage en de economische huurwaarde. Er is gekozen voor een eigen bijdrage uit het nettosalaris ter grootte van 18% van de bruto bezoldiging omdat dit percentage het meest recht doet aan alle belangen van de betrokken partijen. Doordat er geen korting meer plaatsvindt op de bezoldiging van de burgemeester en de vergoeding van de eventuele verschuldigde belasting door de gemeente nu direct vanaf dat maximum van de eigen bijdrage wordt berekend, ontvangt de ambtsdrager een hoger netto besteedbaar inkomen dan onder een juiste toepassing van het vroegere systeem. De kostenverdeling tussen burgemeester en gemeente is bij een eigen bijdrage van 18% meer in balans dan bij andere bekeken opties. Ook is de toepassing van 18% voor woonplaatsvoorzieningen al sinds 2014 gemeengoed. Met dit percentage is aangesloten bij het percentage dat de Belastingdienst sinds jaar en dag hanteert bij het waarderen van fiscaal zuivere dienstwoningen.

In dit verband speelt ook mee dat de ambtsdrager niet altijd veel invloed heeft op de woning die hem ter beschikking wordt gesteld. Omdat de gemeente moet besluiten of zij al dan niet een woning ter beschikking wil stellen, is er voor haar in het individuele geval een specifiek afwegingsmoment met betrekking tot de voor haar rekening te nemen woonkosten. Indien er sprake is van een hogere huurwaarde dan de betaalde bijdrage, is er sprake van loon in natura en de daaruit voortvloeiende bijtelling wordt altijd bij de ambtsdrager gelegd. De gemeente compenseert de burgemeester of wethouder door deze bijtelling te vergoeden (zie artikel 3:2.8, tweede lid, van het besluit). Om ervoor te zorgen dat deze vergoeding netto en niet gebruteerd wordt verstrekt, is deze vergoeding in artikel 3:3.8, onderdeel g, van het besluit aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Net als naar voormalig recht is de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel gedaan ter vermindering van de kosten voor de gemeente. In §4 is hierop uitgebreid ingegaan. Onderstaand is een voorbeeld gegeven van de berekening in de situatie van een burgemeester van een gemeente uit inwonersklasse 6 (60.001–100.000 inwoners) waarbij de economische huurwaarde € 3.000 per maand bedraagt.

A: Bezoldiging (2018)

€ 9.390,80

B: Huurwaarde ambtswoning

€ 3.000,00

C: Loon geld

€ 9.390,80

D: Loon in natura (B–H)

€ 1.309,66

E: Belast loon (incl. natura) (A+D)

€ 10.700,46

F: Loonheffing (45% van E)

€ 4.815,21

G: Nettoloon in geld (C–F)

€ 4.575,59

H: Eigen bijdrage 18% bruto bezoldiging zonder loon uit natura: G, maar maximaal B

€ 1.690,34

I: Netto loon geld G–H)

€ 2.885,25

J: Vergoeding van belasting (45%) over D (D*45%) tenzij D= 0

€ 589,35

K: Totaal netto voor burgemeester (G+J)

€ 3.474,60

L: Eindheffing 80% over J, ten laste gemeente

€ 471,48

M: Totaal tlv gemeente (J+L)

€ 1.060,82

Artikel 3.2.9 Woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten Dit artikel bevat de delegatiegrondslag voor de regeling door de Minister van BZK van een (uniforme) reiskostenvergoeding. Kortheidshalve wordt hier verwezen naar §4, onder ‘Vereenvoudiging reiskostenvergoeding’. Deze grondslag is uitgewerkt in artikel 3.6 van de regeling. Net als op grond van de oude regeling, heeft de burgemeester voor het gebruik van de eigen auto voor dienstreizen binnen de gemeente, de mogelijkheid om in plaats van een kilometervergoeding op grond van artikel 3.6 van de regeling, te kiezen voor een vaste (belaste) vergoeding, afhankelijk van de oppervlakte van de gemeente. Dit is een speciale regeling in verband met burgemeester specifieke taken en heeft als achtergrond de vermindering van lastendruk voor de overheidsorganen. Deze is opgenomen in artikel 3.7 van de regeling. Op basis van artikel 5.1 van de regeling geldt in twee situaties overgangsrecht. Burgemeesters en wethouders die vóór 1 januari 2019 in functie zijn, mogen eenmalig kiezen voor ofwel het nieuwe regime (kort gezegd, € 0,19 per kilometer plus vergoeding parkeer-, veer en tolgelden) of continuering van het oude regime (kort gezegd, € 0,09, € 0,15, € 0,28 of € 0,37 per kilometer zonder vergoeding parkeer-, veer en tolgelden) tot de dag waarop betrokkene aftreedt of wordt herbenoemd.

Daarnaast is in het tweede lid de overgangsbepaling gehandhaafd die was opgenomen in artikel 5, vierde lid, van de voormalig Regeling rechtspositie burgemeesters. Deze bepaling is uitsluitend van toepassing op waarnemend burgemeesters die voor 1 februari 2016 zijn benoemd en sindsdien die functie in die gemeente vervullen. Artikel 3.2.10 Ter beschikking gestelde auto In artikel 3.2.10 is bepaald dat aan de burgemeester en de wethouders een auto ter beschikking kan

worden gesteld. Dit kan een dienstauto zijn, maar ook een leaseauto. Zowel in geval van een dienstauto als bij een leaseauto is sprake van een ter beschikking gestelde auto. Het financieringsarrangement kan verschillend zijn; het fiscaal regime geldt voor beide soorten auto’s onverkort. Op grond van dit artikel kan ook een gemeenschappelijke auto ter beschikking worden gesteld. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de situatie dat een heel college gebruikmaakt van de auto, of dat de leden van een college gebruikmaken van gecontracteerd vervoer op afroep. In het artikel is onderscheid gemaakt tussen het gebruik van een ter beschikking gestelde auto voor zakelijke doeleinden en het gebruik voor bestuurlijke doeleinden (derde en vierde lid). Onder zakelijk gebruik wordt verstaan het fiscaal-zakelijk gebruik. Hieronder vallen ritten voor woon-werkverkeer, dienstreizen en ritten voor ambtsgebonden (‘qq-’) functies. Als bijvoorbeeld een wethouder zijn gemeente vertegenwoordigt en daarvoor een ter beschikking gestelde auto gebruikt, is er vanuit zijn functie als wethouder bezien sprake van zakelijk gebruik van die auto. Ook bij de onbezoldigde commissies en functies van de VNG neemt de Belastingdienst het standpunt in dat sprake is van zakelijke ritten voor burgemeesters en wethouders.

Zij vervullen de functie omdat hun gemeente lid is van de vereniging; de bestuursfunctie wordt door de functionaris van de gemeente uitgevoerd. Ook de kring van personen waaruit bestuurders van de VNG blijkens de statuten moeten voortkomen, geeft een aanknopingspunt voor dat standpunt. Bij bestuurlijke commissies of adviescolleges zal zich echter vaker de situatie voordoen dat iemand deelneemt op grond van deskundigheid en reputatie, en niet uitsluitend als bijvoorbeeld burgemeester van een bepaalde gemeente. In dat geval zal de Belastingdienst eerder aannemen dat de bezoldigde nevenfunctie, waarvan de bezoldiging niet in de gemeentekas wordt gestort, niet wordt vervuld in de hoedanigheid van het ambt, en dat er dus sprake is van een niet-zakelijke rit. Fiscaal gezien wordt al het andere gebruik dan zakelijk gebruik voor het ambt aangemerkt als gebruik voor privé-doeleinden, waarop de Regeling privégebruik auto van de werkgever (de zogenoemde bijtellingsregeling) van toepassing is.12 ) Bij gebruik voor bestuurlijke doeleinden gaat het voor de toepassing van het onderhavige artikel om ritten die door de fiscus weliswaar als privé worden aangemerkt, maar die de betrokken ambtsdrager maakt in het kader van bepaalde nevenfuncties die hij juist vanwege zijn hoedanigheid als politiek ambtsdrager vervult.

Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een functie van de burgemeester als bestuurslid van een lokaal ziekenhuis. Wanneer door het college van burgemeester en wethouders (uitdrukkelijk) wordt geoordeeld dat een nevenfunctie in het belang is van de gemeente worden de ritten die in het kader van die nevenfunctie worden gemaakt, aangemerkt als bestuurlijk. Het belang van de gemeente bij de vervulling van een nevenfunctie kan ruim zijn. Het college maakt hierover steeds zelf de afweging (vijfde lid). Bij deze afweging kan ook worden betrokken of de ter beschikking gestelde auto er één zal zijn met chauffeur of niet. De kosten van eventuele chauffeurs, zoals de personele lasten en overheadkosten, worden niet betrokken bij de fiscale bijtelling. In voorkomend geval zijn deze kosten personeelskosten ten laste van de gemeente. Op grond van artikel 3.2.10, tweede lid, mag een ter beschikking gestelde auto voor zowel zakelijke als bestuurlijke doeleinden worden gebruikt, tenzij het een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep van een gecontracteerde vervoerder betreft. Dit heeft meestal tot gevolg dat voor het gebruik van de auto de bijtellingsregeling van toepassing zal zijn: gebruik voor bestuurlijke doeleinden wordt immers in het kader van de fiscale bijtellingsregeling als privégebruik aangemerkt zodra hiertoe meer dan 500 niet-zakelijke kilometer per jaar zijn gereden.

Omdat het niet redelijk is dat de ambtsdrager wordt geconfronteerd met extra belasting in verband met autoritten die hij in het kader van de uitoefening van zijn functie maakt, wordt hem deze belasting op grond van het zesde lid vergoed. Daar staat tegenover dat vergoedingen die de betrokken ambtsdrager voor het gebruik van de auto uit anderen hoofde ontvangt, ten goede komen aan de gemeente (zevende lid). In het vijfde lid is geregeld dat het college van burgemeester en wethouders kan besluiten dat een ter beschikking gestelde auto ook privé (althans voor andere doeleinden dan zakelijke of bestuurlijke) mag worden gebruikt. Dit geldt echter niet voor gemeenschappelijke auto’s en gecontracteerd vervoer. Voor het privégebruik van een ter beschikking gestelde auto moet de ambtsdrager een maandelijkse bijdrage aan de gemeente betalen (achtste lid). Bovendien wordt hem de belasting via de bijtellingsregeling niet vergoed. Wel mogen de kosten van de maandelijkse bijdrage voor het 12) De fiscale ‘regeling privégebruik auto van de werkgever’ houdt in dat de werkgever een bedrag bij het loon van de betrokken werknemer moet tellen. Het bedrag dat bij het loon moet worden bijgeteld, is de zogenoemde bijtelling en bedraagt meestal 22% van de cataloguswaarde van de auto.

Alleen wanneer het privégebruik omgerekend naar een heel kalenderjaar aantoonbaar niet meer dan 500 kilometers betreft, hoeft er geen bijtelling plaats te vinden. Als de werknemer een vergoeding aan de werkgever moet betalen voor het privégebruik, dan wordt de bijtelling verminderd met die vergoeding.

privégebruik van de auto in mindering worden gebracht op de fiscale bijtelling. Bovendien mag hij eventuele vergoedingen van derden voor het gebruik van de auto in dat geval zelf houden. Gemeenschappelijke auto’s en gecontracteerd vervoer mogen ingevolge het tweede lid van het onderhavige artikel alleen ter beschikking worden gesteld voor zakelijke doeleinden. Deze beperking houdt verband met onwenselijke fiscale complicaties.13 ) In het negende lid is voorts geregeld dat een politiek ambtsdrager geen aanspraak kan maken op reiskostenvergoedingen (inclusief vergoeding voor woon-werkverkeer), wanneer hem (persoonlijk) een auto ter beschikking is gesteld. Als hem niet persoonlijk een auto ter beschikking is gesteld, maar hij maakt wel gebruik van een gemeenschappelijke auto of gecontracteerde auto, ontvangt hij alleen voor de desbetreffende ritten geen vergoeding (tiende lid). Samenvattend heeft een college dus verschillende mogelijkheden als het een auto ter beschikking wil stellen aan één of meer leden van dat college. De volgende situaties worden nu onderscheiden die elk een ander rechtspositioneel gevolg hebben. Ingeval van een auto voor één ambtsdrager zijn er drie mogelijkheden voor het gebruik: •. •. •.

uitsluitend zakelijk: geen bijtelling; zakelijk en bestuurlijk: bijtelling wordt vergoed; zakelijk en bestuurlijk en ‘echt’ privé: bijtelling wordt niet vergoed en betrokkene betaalt een eigen bijdrage per maand voor de ‘echte’ privékilometers.

Bij gebruik van een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep is er vanwege de beschreven ongewenste fiscale consequenties voor alle betrokken gebruikers, maar één optie: uitsluitend zakelijk gebruik en daardoor dus geen bijtelling. Artikel 3.8 van de regeling bevat nadere regels met betrekking tot de voorwaarden voor het ter beschikking stellen van een auto en het gebruik daarvan, alsmede de bepaling van de hoogte van de eigen bijdrage per maand ingeval van privégebruik van een ter beschikking gestelde auto. De eigen bijdrage per maand voor een ter beschikking gestelde auto wordt als volgt berekend. Het totaal aantal in het kalenderjaar door betrokkene zuiver privé, dat wil zeggen anders dan zakelijk of bestuurlijk, in de ter beschikking gestelde auto verreden kilometers wordt gedeeld door het totaal in het kalenderjaar in de ter beschikking gestelde auto gereden kilometers. Het resultaat hiervan wordt vermenigvuldigd met het totaalbedrag van de kosten van de auto dat in het kalenderjaar ten laste van het overheidsorgaan komt, daaronder in ieder geval de kosten van afschrijving, onderhoud, brandstof en verzekering. De som daarvan wordt ten slotte gedeeld door twaalf. Deze berekening vindt zo nodig plaats op basis van nacalculatie.

Op deze wijze is de uitkomst gerelateerd aan het precieze aantal kilometers dat door betrokkene zuiver privé in de ter beschikking gestelde auto is verreden. De bijdrage is via de koppeling aan de kosten van de auto die ten laste komen van het overheidsorgaan, verbonden aan de waarde van de specifieke auto of het specifieke financiële arrangement. Omdat de uitkomst dus niet alleen afhankelijk is van het aantal verreden kilometers, maar ook van de individuele omstandigheid van auto of arrangement, kunnen bijvoorbeeld 10.000 zuivere privékilometers voor de één leiden tot een andere bijdrage dan voor een ander. Betrokkene kan hiermee rekening houden bij zijn of haar keuze voor auto of arrangement. Het is niet mogelijk dat de ambtsdrager een deel van de aanschafwaarde van de auto, van de accessoires of van het financiële arrangement voor eigen rekening neemt. De reden hiervoor is dat de ambtsdrager namelijk geen partij is in de aanschaf. Bovendien kan de ambtsdrager in een dergelijk geval in een onderhandelingssituatie komen en dat is ongewenst. Zoals het nu is geregeld, wordt in samenspraak tussen de gemeente en de ambtsdrager bepaald wat de kosten zijn van de ter beschikking gestelde auto. Voor de vergoeding van parkeergelden wordt onderscheiden tussen ritten in het kader van dienstreizen enerzijds en privéritten en woon-werkverkeer anderzijds.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=4a406d2e-8dc9-408d-9376-074222e0e7c9