2637 Brief dd 31-10-2024 Werkgroep financieel kader gemeenschappelijke regelingen 2026 (incl. bijl.)
Tekst van het document
Bestuurlijke werkgroep financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen Hollands Midden
Aan de colleges van B&W in de regio Hollands Midden
31 oktober 2024 Ons kenmerk Z/24/3752082 Onderwerp Financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen Hollands-Midden voor begrotingen 2026. Datum
Hans Smit Doorkiesnummer 06-52443174 Contactpersoon
Geacht college, Met deze brief informeer ik u over het advies van de bestuurlijke werkgroep financiële kaderstelling over het financieel kader voor de begrotingen van 2026 van de gemeenschappelijke regelingen in de regio Hollands Midden. Op 12 september heb ik u al tussentijds geïnformeerd over de voorbereidingen van dit kader. In dit kader zijn wijzigingen doorgevoerd aan de hand van een advies van Berenschot over de methodiek en de neergang van het Gemeentefonds van 2025 naar 2026. De rapportage waar de wijzigingen op gebaseerd zijn is bijgevoegd. De doorgevoerde wijzigingen zijn een concretisering en invulling van de oproep die bij het kader 2025 gedaan is aan gemeenschappelijke regelingen om te inventariseren hoe bijgedragen kan worden aan het opvangen van de aankomende neergang van de middelen uit het gemeentefonds in 2026. Berenschot heeft tevens een onderzoek gedaan naar de beïnvloedbaarheid van de lasten van de gemeenschappelijke regelingen. Hoewel de beïnvloedbaarheid verschilt is de algehele conclusie dat een taakstelling zoals opgenomen in het kader van 2026 valt binnen de omvang van de keuzeruimte bij gemeenschappelijke regelingen.
Hoe werkt het financieel kader gemeenschappelijke regelingen (FKGR)? Met de “Financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen” beschikken de gemeenten in de regio Hollands-Midden sinds 2010 over een gedragen instrument om, voor alle gemeenschappelijke regelingen waarin zij deelnemen, uniforme afspraken te maken over de jaarlijkse indexering en een eventuele algemene taakstelling voor de op te stellen begrotingen. Om dit proces in goede banen te leiden is afgesproken dat een bestuurlijke werkgroep met portefeuillehouders financiën jaarlijks in overleg met de gemeenschappelijke regelingen het financieel kader adviseren. De werkgroep bestaat uit acht leden. De afgelopen jaren heeft het kader zich beperkt tot het advies voor de jaarlijkse indexering van de gemeenschappelijke regelingen binnen Hollands Midden en Holland Rijnland. In onze adviezen voor de begrotingen 2024 en 2025 hebben we wel reeds aandacht gevraagd bij de gemeenschappelijke regelingen voor de effecten van het ravijnjaar voor de gemeentelijke
Datum
31 oktober 2024
Kenmerk
Z/24/3752082
Pagina
2/3
begrotingen en hebben hen gevraagd actief mee te denken over een door hen te leveren bijdrage. Gebruikelijk is dat de voorzitter van de bestuurlijke werkgroep financiële kaderstelling de gemeenschappelijke regelingen voor 1 november informeert over de indexering voor de eerstvolgende begroting. Het advies voor het financieel kader 2026 treft u in bijgaande brief aan de gemeenschappelijke regelingen aan. Kortheidshalve verwijs ik naar deze brief. Wat zijn de belangrijkste adviezen voor het financieel kader voor 2026? • Een uniforme taakstelling van 6% voor alle gemeenschappelijke regelingen • Een indexering gebaseerd op de indices van CPB voor 2026 van 2,1% voor beloning werknemers en 2,7% voor netto materieel. (In deze percentages is een correctie verwerkt voor 2024 en 2025) • De stijging van de lasten door volumegroei afzonderlijk in beeld te brengen in de kadernota en begroting en afzonderlijk voor besluitvorming voor te leggen Ik verzoek u dit advies te agenderen in uw college en dit kaderstellend te betrekken in de besprekingen met de gemeenschappelijke regelingen over de begroting 2026. Waarom is het belangrijk dat u dit financieel kader binnen uw college bespreekt en kaderstellend hanteert naar GR’en? We ontvangen als gemeenten vanaf 2026 minder geld uit het gemeentefonds. Ook wel aangeduid als het “ravijnjaar”.
Daarnaast stijgen de kosten van bijvoorbeeld de WMO en de Jeugdzorg. Veel gemeenten moeten bezuinigen en verwachten daarbij ook een besparing te realiseren op de bijdragen aan de gemeenschappelijke regelingen. Om besparingen bij onze gemeenschappelijke regelingen te realiseren moeten we als gemeenten onderling afspraken maken. Dit om te bereiken dat een geraamde taakstelling in uw begroting op een gemeenschappelijke regeling ook daadwerkelijk meetelt in de bepaling van een structureel sluitende begroting voor 2026 e.v.. Gemeenschappelijke regelingen zijn gebaat bij een heldere en eenduidige opdracht van gemeenten. Daarom is het belang dat wij als colleges éénsluidend kaderstellend optreden. Met dit nieuwe kader van de FKGR heeft u hiertoe ook het instrument in handen om dit met elkaar te bereiken. Voor een nadere toelichting over het belang van het samenspel in de regio en de uitdaging om te komen tot besluitvorming over de invulling van de taakstellingen wijs u graag op hoofdstuk 4 van het rapport Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen 2026 van Berenschot.
Hoe kan een GR de taakstelling van 6% voor 2026 invullen? Wij hebben hiervoor aan Berenschot gevraagd om samen met een aantal gemeenschappelijke regelingen de wettelijke en niet wettelijke taken en beïnvloedbare lasten van hun organisatie in beeld te brengen. Overzichten uit het hiervoor ontwikkelde dashboard met het adviesrapport van Berenschot treft u bijgaand aan. Wij vragen in dit kader aan gemeenschappelijke regelingen een concretisering te maken van de keuzeopties zoals door Berenschot in beeld zijn gebracht. Uit deze concretisering kan dan door de Dagelijks- en Algemeen Besturen gekozen worden met welke maatregelen invulling gegeven gaat worden aan de geadviseerde taakstelling.
Datum
31 oktober 2024
Kenmerk
Z/24/3752082
Pagina
3/3
Op deze wijze kunt u met de gemeenschappelijke regelingen de bezuinigingsopties bespreken en de taakstelling invullen. Webinar over het financieel kader voor 2026. In samenwerking met Peter Verheij van Berenschot verzorgen wij een webinar over het financieel kader en het dashboard van beïnvloedbare taken en lasten. Dit webinar vindt plaats op 19 november van 14.00 tot 15.00. Een uitnodiging hiervoor heeft u eerder al ontvangen. Tot slot. We ervaren dat de neergang van het gemeentefonds bij velen van ons pijn doet. Daarom doen we als gemeenten ook een beroep op de gemeenschappelijke regelingen om hier, evenals onze eigen gemeentelijke organisatie, een bijdrage te leveren. Indien we niet komen tot een bijdrage van gemeenschappelijke regelingen in de neergang van het gemeentefonds, betekent dit dat we naast de in de gemeenten al door te voeren (pijnlijke) bezuinigingen, om de overige daling in het gemeentefonds op te vangen, extra moeten bezuinigen op de overige lokale taken. Wij vinden het niet meer dan redelijk de pijn te spreiden over àlle taken van gemeenten en daarbij ook de taken die door gemeenschappelijke regelingen voor ons worden uitgevoerd daarin te laten delen.
Uit de daling van het gemeentefonds van ruim € 100 miljoen voor de achttien gemeenten van Hollands Midden, zoals blijkt uit het rapport van Berenschot, slaat bij een taakstelling van 6% € 12 miljoen neer bij gemeenschappelijke regelingen. De overige € 88 miljoen is reeds onderdeel van de lokale ombuigingsoperaties die in nagenoeg alle gemeenten plaatsvinden.
Met vriendelijke groet, Namens de bestuurlijke werkgroep financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen
Kees van der Zwet Voorzitter bestuurlijke werkgroep FKGR Wethouder Lisse
Bijlagen: 1. Brief aan de besturen van de gemeenschappelijke regeling over het financieel kader voor 2026 2. Rapport van Berenschot “Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen 2026”
Bestuurlijke werkgroep financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen Hollands Midden
Dagelijks en Algemeen Besturen van de Gemeenschappelijke Regelingen in de Regio Hollands-Midden Ter attentie van de secretaris
31 oktober 2024 Ons kenmerk Z/24/3752082 Onderwerp Financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen Hollands-Midden voor begrotingen 2026 Datum
Hans Smit Doorkiesnummer 06-52443174 Contactpersoon
Geacht Bestuur Met de “Financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen” beschikken de gemeenten in de regio Hollands-Midden sinds 2010 over een gedragen instrument om, met alle gemeenschappelijke regelingen waarin zij deelnemen, uniforme afspraken te maken over indexering en algemene taakstelling voor de op te stellen begrotingen. Op 10 juli 2024 heb ik u een vooraankondiging voor het financieel kader voor de begroting 2026 gestuurd. De kaderstelling voor de begroting 2026 is op 22 oktober 2024 in de bestuurlijke werkgroep Financiële Kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen (FKGR) van de gemeenten in Hollands Midden besproken. Wat zijn de belangrijkste wijzigingen in het financieel kader voor 2026? 1. Uniforme taakstelling van 6% voor alle gemeenschappelijke regelingen vanaf 2026. Door krimp van het gemeentefonds vanaf 2026 verslechtert de financiële positie van gemeenten aanzienlijk. Er is sprake van een reële neergang van het gemeentefonds van 6% van 2025 naar 2026. Zie hiervoor de berekening in het onderzoeks- en advies rapport van Berenschot. (Bij een negental gemeenschappelijke regeling is een onderzoek verricht naar de mate waarin er sprake is van op korte termijn beïnvloedbare lasten.
Dit ten behoeve van de mogelijkheid dat gemeenschappelijke regelingen een bijdrage te leveren aan de bezuinigingsopgaven waar veel gemeente zich voor gesteld zien.) Daarbij komt dat een groot aantal gemeenten in Hollands Midden ook nog eens minder geld ontvangt uit het gemeentefonds door de nieuwe verdeling van het gemeentefonds. De overgangsregeling, om “nadeelgemeenten” geleidelijk aan te laten wennen aan het nadeel, loopt in 2026 af. Wij kunnen een verdere afbouw van de suppletie-uitkering niet uitsluiten
Datum
30 oktober 2024
Kenmerk
Z/24/3752082
Pagina
2 / 11
gelet op de nog lopende aanvullende onderzoeken naar de herijking van het gemeentefonds. Het effect verschilt per gemeente. Voor alle gemeenten in Hollands Midden gezamenlijk zou dit, bij ongewijzigde doorvoering, leiden tot een aanvullende daling van 0,58%. Wij vragen dan ook aan u om een bijdrage te leveren in deze neergang. Uit de daling van het gemeentefonds van ruim € 100 miljoen voor de achttien gemeenten van Hollands Midden, zoals blijkt uit het rapport van Berenschot, slaat bij een taakstelling van 6% € 12 miljoen neer bij gemeenschappelijke regelingen. De overige € 88 miljoen is reeds onderdeel van de lokale ombuigingsoperaties die in nagenoeg alle gemeenten plaatsvinden. Invulling van uw bijdrage aan deze neergang kan door bezuinigingsopties aan te bieden aan de gemeenten in de concept-begroting om deze taakstelling met gemeenten e.a. te kunnen invullen. Wij adviseren u om inzichtelijk te maken waar de beïnvloedbaarheid in de begroting zit (welke keuzes kunnen worden gemaakt), om van daaruit het pakket maatregelen dat optelt tot 6% te maken. Om u hierbij te ondersteunen heeft uw directie samen met adviseurs van Berenschot de beïnvloedbare lasten van uw organisatie in beeld gebracht. Overzichten uit het hiervoor ontwikkelde dashboard treft u in bijgaand rapport van Berenschot aan. Ombuigingen kunnen gepaard gaan met frictiekosten.
Veel gemeenschappelijke regelingen kennen een beperkte reservepositie. Wij adviseren om eventuele frictiekosten incidenteel bij gemeenten in rekening te brengen. Om tot bezuinigingen te komen zullen we op diverse niveaus met elkaar discussiëren en de voorstellen afwegen. Dat is een complex samenspel. Voor een nadere toelichting over het belang van het samenspel in de regio en de uitdaging om te komen tot besluitvorming over de invulling van de taakstellingen wijs u graag op hoofdstuk 4 van het rapport Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen 2026 van Berenschot. 2. Nieuwe methodiek voor bepaling van de groei van het gemeentefonds vanaf 2024. De groei het gemeentefonds is voortaan gekoppeld aan de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp). De indexatie is gesplitst in een volumedeel en een prijsdeel. Na het “ravijnjaar” 2026 groeit het gemeentefonds vanaf aanzienlijk minder doordat de “samen de trap op en -af” afspraak definitief is vervangen door een koppeling van het gemeentefonds aan de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp). De volumeontwikkeling van de fondsen is gebaseerd op een 8-jaars (t-9 t/m t-2) historisch gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp. De indexatie voor inflatie volgt de prijs bbp van het lopende jaar. 2.1. Loon- en prijscompensatie vanaf 2026.
De nieuwe wijze van indexeren voor inflatie prijs bbp is soberder dan indexeren op basis van de indices van het CPB voor loon- en prijsontwikkeling sector overheid. Het verschil voor 2026 bedraagt 0,4%. (zie ook bijlage 1). Omdat gemeenschappelijke regelingen een relatief hoge salariscomponent in de lasten hebben geven wij het advies om de indexering te blijven baseren op de zgn. loon- en prijsontwikkeling (lpo) methodiek en vooralsnog niet
Datum
30 oktober 2024
Kenmerk
Z/24/3752082
Pagina
3 / 11
te indexeren volgens het bbp voor prijzen. Wel zullen wij een koppeling op afstand maken en op het moment dat er een verschil van cumulatief meer dan 2% ontstaat dan zullen wij adviseren dit verschil te corrigeren en een generieke correctie voor gemeenschappelijke regelingen toe te passen. Daarbij speelt ook de vraag in welke mate bij gemeenten de nieuwe bbp systematiek voor prijzen leidt tot financiële nadelen door ondercompensatie vanuit het Rijk. 2.2. De geadviseerde indexatie voor 2026 bedraagt 2,1% voor beloning werknemers en 2,7% voor netto materieel. Op 22 oktober 2024 is de bestuurlijke werkgroep FKGR bijeen geweest. Daarbij is de indexering voor 2026 zoals deze in 2020 is opgezet en is vastgesteld door de bestuurlijke werkgroep FKGR bepaald. De systematiek betreft een waardevaste indexering. Hierbij wordt de indexering voor 2026 gecorrigeerd voor ontwikkelingen in het jaar 2024 t/m 2025, zoals deze worden aangegeven in de laatst bekende septembercirculaire; de septembercirculaire 2024. In bijlage I is te zien, dat deze systematiek leidt tot correcties op zowel de indexering van personele lasten als de indexering van materiële lasten. • De indexering van personele lasten wordt gecorrigeerd met -1,4%% (tot 2,1%). • De indexering van materiële lasten wordt gecorrigeerd met +0,5%% (tot 2,7%).
Wij wijzen erop dat de indexeringsmethode volgens FKGR betekent dat de lasten met de in deze paragraaf aangegeven percentages mogen worden geïndexeerd en niet de gemeentelijke bijdragen per inwoner. Stijging van het aantal inwoners is niet altijd evenredig verbonden aan hogere lasten. Daarom is het van belang een eventuele volumestijging van de lasten afzonderlijk in beeld te brengen. 2.3. Compensatie volumeontwikkeling. De overgang van de compensatie voor volumeontwikkeling van het gemeentefonds naar het 8-jaars historisch gemiddelde (t-9 t/m t-2) betekent dat het gemeentefonds de komende jaren aanzienlijk minder hard groeit ten opzichte van de oude “Samen de trap op en -af afspraak”. De nieuwe afspraak is wel stabieler. Dat neemt niet weg dat de groei van het gemeentefonds niet toereikend is om de stijging van de kosten van gemeenten voor bevolkingsgroei en nieuwe uitdagingen voor de toekomst te compenseren. Daarom stellen wij voor dat u de stijging van de lasten door volumegroei afzonderlijk in beeld brengt in de kadernota en begroting en afzonderlijk voor besluitvorming voorlegt.
Datum
30 oktober 2024
Kenmerk
Z/24/3752082
Pagina
4 / 11
3. Informatiebijeenkomsten voor betrokken vakinhoudelijke- en financiële ambtenaren. Ik verzoek u om in de aanloop van de opstelling van financiële kadernota’s en begrotingen tijdig informatiebijeenkomsten met de betrokken vakinhoudelijke- en financiële ambtenaren te organiseren. Dit kan het uiteindelijke besluitvormingsproces aanzienlijk bevorderen doordat veel vragen al in een vroeg stadium zijn beantwoord.
Met vriendelijke groet, Namens de bestuurlijke werkgroep financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen
Kees van der Zwet Voorzitter Wethouder gemeente Lisse Bijlagen: 1. Berekening indexering 2026 2. Financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen Hollands-Midden voor begrotingen 2026 (wijzigingen t.o.v. kader 2025 3. Rapport van Berenschot “Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen 2026”
Datum
30 oktober 2024
Kenmerk
Z/24/3752082
Pagina
5 / 11
Bijlage 1.
Datum
30 oktober 2024
Kenmerk
Z/24/3752082
Pagina
6 / 11
Datum
30 oktober 2024
Kenmerk
Z/24/3752082
Pagina
7 / 11
Bijlage 2 Financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen Hollands-Midden voor begrotingen 2026 Beschrijving financiële kaderstelling NR KADERSTELLING 2025 A INDEXERING 1. De indexering voor 2025 wordt gecorrigeerd voor ontwikkelingen in het jaar 2023 t/m 2024. Deze correctie wordt dan toegepast op het indexpercentage voor 2025. Door de sterke inflatie in 2022 wordt als uitzondering in de kaderstelling van 2025 ook 2022 meegenomen in de indexering van 2025. Voor arbeid: • de Prijsoverheidsconsumptie werknemers beloning werknemers (2025: 11,1%, hierin zit een correctie verwerkt voor 2022 t/m 2024 van 5,7% )
WIJZIGING KADERSTELLING 2026 De indexering voor 2026 wordt gecorrigeerd voor ontwikkelingen in het jaar 2024 t/m 2025. Deze correctie wordt dan toegepast op het indexpercentage voor 2026.
economische categorie: 1.1 Salarissen en sociale lasten
Voor arbeid: • de Prijsoverheidsconsumptie werknemers beloning werknemers (2025: 2,1%, hierin zit een correctie verwerkt voor 2024 t/m 2025 van -1,3% ) • economische categorie: 1.1 Salarissen en sociale lasten
Voor materieel (inclusief investeringen) • de Prijs overheidsconsumptie, netto materieel (imoc) (2025: 3,7% hierin is een correctie verwerkt voor 2022 t/m 2024 van 2,1%)
Voor materieel (inclusief investeringen) • de Prijs overheidsconsumptie, netto materieel (imoc) (2026: 2,7% hierin is een correctie verwerkt voor 2024 t/m 2025 van +0,5%)
economische categorieën: 3.2 (duurzame goederen) 3.5.1 (ingeleend personeel) 3.8 (overige goederen en diensten) 4.3.x (inkomensoverdrachten)
economische categorieën: 3.2 (duurzame goederen) 3.5.1 (ingeleend personeel) 3.8 (overige goederen en diensten) 4.3.x (inkomensoverdrachten)
2.
De indexering moet worden toegepast over de bijdrage van de gemeenten (per inwoner) of een andere van toepassing zijnde verrekengrondslag naar de verhouding tussen de loonkosten (cat. 1.1), de materiële kosten (cat. 3.2, 3.5.1, 3.8 en 4.3.x) en de kosten die niet worden geïndexeerd (overige categorieën).
3.
De meerjarenraming bij voorkeur op te stellen op basis van constante prijzen. Indien de gemeenschappelijke regeling zijn meerjarenraming in lopende prijzen opstelt, de gemeenschappelijke regeling te verzoeken ter
De indexering moet worden toegepast over het totaal van de begrote lasten van de begroting 2025. Hogere lasten voor volumegroei moeten afzonderlijk in de begroting worden aangemeld en van dekking worden voorzien Op deze wijze wordt duidelijk wat de groei van de gemeenten voor een effect heeft op de dienstverlening van de gemeenschappelijke regelingen Ongewijzigd
4.
Ongewijzigd
Datum
30 oktober 2024
Kenmerk
Z/24/3752082
Pagina
8 / 11
NR
KADERSTELLING 2025 informatie ook een overzicht van de meerjarenraming te leveren op basis van constante prijzen. B TAAKSTELLING 5. De gemeenschappelijke regelingen een uniforme taakstelling mee te geven ten opzichte van de meerjarenraming 2020-2023.
WIJZIGING KADERSTELLING 2026
De gemeenschappelijke regelingen een uniforme taakstelling mee te geven ten opzichte van de meerjarenraming 2025-2028.
De taakstelling wordt alleen geëffectueerd bij een verwachte – in de betreffende 4 – jaarsperiode – gemiddelde krimp van het Gemeentefonds van circa 2% per jaar of meer.
De groei van het gemeentefonds is vanaf 2027 gebaseerd op het historisch Bbp van T-2 t/m T-9. Daarmee is de groei stabieler dan de oude normeringssystematiek.
Bij een gemiddelde jaarlijkse krimp van het Gemeentefonds van circa 2% per jaar of meer wordt een nieuwe algemene taakstelling voor de begroting (t) opgelegd ter grootte van het reële krimppercentage van de Algemene uitkering in jaar (t)
Toch kan er een krimp van het gemeentefonds zich voordoen door bezuinigingen van het Rijk, herverdeling van het gemeentefonds of een ontoereikende loon- en prijscompensatie.
Nieuw m.i.v. 2017 is dus de introductie van een drempelpercentage. De toevoeging van “circa” beoogt aan te geven dat deze drempel van 2% per jaar geen absoluut gegeven is.
Bij een meerjarige krimp van het gemeentefonds van cumulatief 2% structureel zal de werkgroep adviseren een correctie toe te passen van dit opgelopen verschil.
Deze 2% is een richtgetal1, dat de bestuurlijke klankbordgroep jaarlijks hanteert bij haar beoordeling van of de gemeenten te maken hebben van een materiële achteruitgang van het Gemeentefonds, waarvoor een bijdrage van de gemeenschappelijke regelingen aan deze achteruitgang – indachtig de uitgangspunten van dit instrument – op zijn plaats is. 6.
7.
De taakstelling bedraagt voor de begroting 2025 0,00% ten opzichte van 2024
De taakstelling bedraagt voor de begroting 2026 6,00% ten opzichte van 2025
Het mechanisme binnen de financiële kaderstelling waarbij de omvang van de financiële bijdragen van gemeenten aan gemeenschappelijke regelingen zijn gekoppeld aan de algemene, reële ontwikkeling van het Gemeentefonds blijft gehandhaafd.
Indien de implementatie van de taakstelling tot incidentele frictiekosten leidt wordt verzocht deze afzonderlijk in beeld te brengen en deze via een afzonderlijk besluit voor te leggen aan het Algemeen Bestuur waarbij incidentele dekking aan gemeenten gevraagd kan worden. Het mechanisme binnen de financiële kaderstelling waarbij de omvang van de financiële bijdragen van gemeenten aan gemeenschappelijke regelingen zijn gekoppeld aan de algemene, reële ontwikkeling van het Gemeentefonds blijft gehandhaafd.
Met de introductie van een drempelpercentage voor de inwerkingtreding van een nieuwe taakstelling wordt de werking van het instrument met het oog op de wisselvallige ontwikkeling van het Gemeentefonds gedempt om daarmee
Met de koppeling aan het meerjarig gemiddelde BBP wordt een stabiele ontwikkeling van het Gemeentefonds verwacht. In geval van onverwacht ingrepen op de methodiek van
Datum
30 oktober 2024
Kenmerk
Z/24/3752082
Pagina
9 / 11
NR
KADERSTELLING 2025 financiële rust richting de gemeenschappelijke regelingen te kunnen bieden. Pas bij materiële (wezenlijke achteruitgang van het Gemeentefonds van gemiddeld circa 2% per jaar of meer over de voorliggende vierjaarsperiode wordt weer een bijdrage van de gemeenschappelijke regelingen gevraagd. Opwaartse aanpassingen (“trap-op?”) van gemeentelijke bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen anders dan uit hoofde van de vaststelling van de toegestane prijscompensatie vallen buiten de scope van dit instrument
8. 9.
Opwaartse aanpassingen van de gemeentelijke bijdragen kunnen alleen voortkomen uit specifieke besluitvorming hierover in de afzonderlijke Algemeen Besturen van de GR-en. De taakstelling is van toepassing op de bijdrage per inwoner of ene andere verrekengrondslag zoals kostprijs product of uurtarief. Het gaat om een reële verlaging van de bijdrage, dus onder verrekening van de prijsontwikkeling op basis van de index BBP en taakwijziging
C IMPLEMENTATIE & RAPPORTAGE 10 Aan de gemeenschappelijke regeling te verzoeken zelf aan te tonen hoe de taakstelling gerealiseerd kan worden
WIJZIGING KADERSTELLING 2026 aanmerkelijke aard zal de FKGR zich beraden over het formuleren van een taakstelling om ook GR’en hierin bij te laten dragen aan het opvangen van een neergang. Opwaartse aanpassingen van de begroting van gemeentelijke bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen anders dan uit hoofde van de vaststelling van de toegestane prijscompensatie vallen buiten de scope van dit instrument Opwaartse aanpassingen van de gemeentelijke bijdragen kunnen alleen voortkomen uit specifieke besluitvorming hierover in de afzonderlijke Algemeen Besturen van de GR-en.
De taakstelling is van toepassing op het totaal van de begrote lasten (t-1) m.u.v. die lasten die gedekt worden door specifieke uitkeringen of bijdragen, Het gaat om een reële verlaging van de lasten in de begroting, dus onder verrekening van de prijsontwikkeling op basis van de indexering en taakwijziging Aan de gemeenschappelijke regeling te verzoeken zelf aan te tonen hoe de taakstelling gerealiseerd kan worden Voor 2026 wordt gevraagd aan de hand van de beïnvloedbare ruimte zoals geïnventariseerd door Berenschot de keuzeopties te inventariseren en te rapporteren aan het Algemeen Bestuur.
11
De bezuinigingslijn is standaard. Indien een gemeenschappelijke regeling een zwaarwegende reden heeft om deze taakstelling niet haalbaar of reëel te achten, doet zij hiervan een actieve melding in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling. De uitzondering vraagt dus om bewijsvoering
Aan de hand van dit (bredere) palet aan keuzeopties wordt gevraagd uit deze inventarisatie een voorstel te doen en te verwerken in de conceptbegroting ter omvang van de taakstelling. Ongewijzigd
De gemeenschappelijke regeling meldt uiterlijk 31 januari van (t-1) aan de deelnemers of zij de taakstelling voor begroting jaar (t) gaat realiseren in de komende begroting.
12.
In het geval dat de gemeenschappelijke regeling de taakstelling geheel of gedeeltelijk niet kan realiseren, geeft zij dat gemotiveerd aan. Deze financiële kaderstelling gemeenschappelijke regelingen is zonder uitzondering op tenminste
Ongewijzigd
Datum
30 oktober 2024
Kenmerk
Z/24/3752082
Pagina
10 / 11
NR
13
14
15
KADERSTELLING 2025 onderstaande gemeenschappelijke regelingen in de regio Hollands-Midden van toepassing: Veiligheidsregio Hollands MIdden Samenwerkingsorgaan Holland-Rijnland GR Regio Midden-Holland Omgevingsdienst West-Holland Omgevingsdienst Midden-Holland Hecht, Regionale dienst Openbare gezondheidszorg/GGD Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (BSGR) ISD Bollenstreek Een positief rekeningresultaat vloeit in beginsel terug naar de deelnemers De toevoeging van de “in beginsel” beoogt alleen aan te geven dat dit instrument weliswaar een kader stelt aan de omvang van de Algemene reserves en bestemming van mogelijk positieve rekening resultaten . maar dat de definitieve besluitvorming over reservevorming en bestemming blijft voorbehouden aan de afzonderlijke Algemeen Besturen van de gemeenschappelijke regelingen. De gemeenschappelijke regelingen nemen in hun begrotingen en jaarrekeningen een paragraaf op over de toepassing van het kader en de ontwikkeling van het eigen vermogen
De gemeenschappelijke regelingen nemen in hun begrotingen en jaarrekeningen een paragraaf op over de toepassing van de in het kader vastgestelde indexering verdeeld naar economische categorieën.
WIJZIGING KADERSTELLING 2026
Ongewijzigd
Ongewijzigd.
Ongewijzigd
De wegingsfactor van de economische categorieën wordt telkens op basis van de meest recent beschikbaar gekomen jaarrekening voor een periode van 4 jaar vastgesteld (2020 t/m 2023; 2024 t/m 2027; etc.). Index
16
wegingsfactor xx%
indexatie
Beloning 10x,x werknemers Netto materieel xx% 10x,x Overige xx% 10x,x (niet geïndexeerd) Gewogen 100% 10x,x gemiddelde indexatie De gemeenschappelijke regelingen nemen in hun begrotingen en jaarrekeningen een risicoparagraaf op. In deze paragraaf lichten zij de risico’s toe in relatie tot de omvang van het weerstandsvermogen.
Ongewijzigd
Datum
30 oktober 2024
Kenmerk
Z/24/3752082
Pagina
11 / 11
NR
KADERSTELLING 2025 Risic Kan Risico Weerstands o s - - vermogen bedra g aaa xx% € € xx.xxx xx.xxx aaa xx% € € xx.xxx xx.xxx aaa xx% € € xx.xxx xx.xxx
WIJZIGING KADERSTELLING 2026 Toelich -ting aaa aaa aaa
Indien sprake is van een te hoge algemene reserve ten opzichte van het benodigd weerstandsvermogen (risico’s) wordt in begrotingen en jaarrekeningen gemotiveerd of dit overschot in de algemene reserve vrij besteedbaar is.n.v.t.
1/17
RAPPORT
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen 2026 Onderzoek naar de kaderstelling voor 2026 voor gemeenschappelijke regelingen in Hollands Midden 73342 - 28 oktober 2024 Peter Verheij, Paul Beemsterboer, Laura de Gans, Floris Hoozemans
GRONDLEGGER VAN VOORUITGANG
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
2/17
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 ...................................................................................................................... 3 Managementsamenvatting ............................................................................................... 3 Hoofdstuk 2 ...................................................................................................................... 5 Vraagstelling en werkwijze .............................................................................................. 5 Hoofdstuk 3 ...................................................................................................................... 7 Advies aan de werkgroep FKGR ........................................................................................ 7 Hoofdstuk 4 .................................................................................................................... 11 Belang van samenspel in de regio .................................................................................. 11 Hoofdstuk 5 .................................................................................................................... 13 Totaaloverzicht alle onderzochte Gemeenschappelijke Regelingen ................................ 13 Hoofdstuk 6 ....................................................................................................................
15 Leeswijzer ...................................................................................................................... 15 Bijlagen .......................................................................................................................... 16
2
3/17
HOOFDSTUK 1
Managementsamenvatting De bestuurlijke werkgroep Financiële Kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen (FKGR) heeft advies gevraagd aan Berenschot met betrekking tot een mogelijke bijstelling van de financiële kaderstelling voor 2026. Om tot een advies te komen aan de werkgroep FKGR is onderzoek gedaan naar de gemeentefonds ontwikkeling van de achttien gemeenten in de regio Hollands Midden. Verder is bij negen gemeenschappelijke regelingen onderzoek gedaan naar de beïnvloedbaarheid van de begroting. Hierbij is gekozen voor het peiljaar 2026. De objectieve omvang van de daling van het gemeentefonds voor de achttien gemeenten is in 2026 6%. Dit komt neer op een daling van € 105 miljoen aan inkomsten voor de achttien gemeenten gezamenlijk. Naast de neerwaartse bijstelling van het gemeentefonds in 2026 is bij een aantal gemeenten sprake van een risico op een aanvullend herverdeeleffect van het Gemeentefonds. Dit bedraagt in totaal 0,58% van de inkomsten van het gemeentefonds en staat gelijk aan een bedrag van € 10 miljoen. Wij adviseren de taakstelling te baseren op de feitelijke neergang en het herverdeeleffect als risico te benoemen. Gemeenschappelijke regelingen dragen daarmee in 2026 voor € 12,5 miljoen bij aan deze neergang.
Onderzoek naar de kostenstructuur en de beïnvloedbaarheid bij de gemeenschappelijke regelingen heeft opgeleverd dat de beïnvloedbaarheid van de begroting over alle gemeenschappelijke regelingen samen in 2026 17% bedraagt. Dit verschilt per organisatie. We constateren dat er bij nagenoeg iedere gemeenschappelijke regeling beleidsontwikkelingen zijn die druk zetten op de realisatie van een eventuele taakstelling. Ook de taken die gemeenten zelf uitvoeren staan onder druk en ook daar komen ombuigingen in de meeste gevallen niet overeen met de gewenste en soms ook wettelijk verplichte beleidsrichting. Wij adviseren daarom de taakstelling van 6% generiek te bepalen en niet te differentiëren tussen de verschillende gemeenschappelijke regelingen. Ombuigingen kunnen gepaard gaan met frictiekosten. Het door Berenschot gehanteerde model is zo opgezet dat contracten worden gerespecteerd en dat hiervan nagenoeg geen sprake hoeft te zijn. De door ons onderzochte gemeenschappelijke regelingen kennen veelal een beperkte reservepositie. Daarom adviseren we eventuele frictiekosten incidenteel bij gemeenten in rekening te laten brengen. Zes van de negen gemeenschappelijke regelingen doen momenteel onderzoek naar besparingen, keuzemogelijkheden of ombuigingen ter invulling van een mogelijke taakstelling.
Om goed gemotiveerde en onderbouwde keuzes te kunnen maken is het van belang dat de keuzemogelijkheden concreet en specifiek uitgewerkt zijn en ook de mogelijke impact goed in beeld gebracht is. Daarnaast is het van belang dat de besturen van de regelingen keuzes kunnen maken. Het doel achter indexering voor loon- en prijsontwikkelingen is het creëren van een waardevaste begroting. Daarom ligt het voor de hand de indexen toe te passen op de kosten en niet op de inwonersbijdragen. Wij adviseren deze indexeringsmethodiek uit te breiden naar ook een afzonderlijke index voor investeringen.
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
4/17
Met de wijziging van de normeringsmethodiek van trap-op-trap-af naar een koppeling aan het BBP is ook de loon- en prijsindexering van het gemeentefonds gewijzigd. Deze index is niet per definitie gelijk aan een reële loon- en prijsontwikkeling zoals door het CPB in beeld gebracht. Om enerzijds een waardevaste begroting zoveel mogelijk te handhaven en anderzijds de kostenontwikkeling niet teveel uit de pas te laten lopen met de indexen uit het BBP adviseren wij dit te koppelen door het verschil te blijven volgen en bij een cumulatie van 2% of meer alsnog een correctie toe te passen richting Gemeenschappelijke regelingen. Gemeenschappelijke regelingen kennen allen in meer of mindere mate een reservepositie. Deze is niet over de hele regio identiek en ook niet door de gemeenten genormeerd. Wij adviseren hier wel gezamenlijk met de gemeenschappelijke regelingen aan te gaan werken. Gelet op de verwachte stabielere ontwikkeling van het Gemeentefonds stellen we voor de norm voor een taakstelling bij een daling van het gemeentefonds van meer dan 2% per jaar over een periode van 4 jaar te vervangen door een algemene passage over de handelswijze bij grotere dalingen in de ontwikkeling van het gemeentefonds.
4
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
5/17
HOOFDSTUK 2
Vraagstelling en werkwijze 2.1 Vraagstelling De bestuurlijke werkgroep Financiële Kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen (FKGR) heeft advies gevraagd aan Berenschot met betrekking tot een mogelijke bijstelling van de financiële kaderstelling voor 2026. De achtergrond van de vraag is tweeledig. Enerzijds betreft het de daling van het Gemeentefonds in 2026 en de vraag om een objectieve grondslag voor een taakstelling waarin gemeenschappelijke regelingen meedelen voor hun aandeel in de begrotingen van gemeenten. Hierbij is tevens de vraag in welke mate de begrotingen van de gemeenschappelijke regelingen beïnvloedbaar zijn. Anderzijds is de normeringssystematiek van het Gemeentefonds gewijzigd van trap-op-trap-af systematiek naar een koppeling aan het Bruto Binnenlands Product (BBP). Ook de prijscompensatie in het gemeentefonds is hierbij gewijzigd. De vraag is wat de betekenis hiervan is voor de kaderstelling voor gemeenschappelijke regelingen.
2.2 Werkwijze Om tot een advies te komen aan de werkgroep FKGR is onderzoek gedaan naar de gemeentefonds ontwikkeling van de achttien gemeenten in de regio Hollands Midden. Hierbij is de meicirculaire 2024 van het gemeentefonds de basis. De septembercirculaire wijkt hier nagenoeg niet vanaf. Het schrappen van de bezuiniging op Jeugd van € 511 miljoen (landelijk) is hier buiten gehouden gelet op de specifieke verwerkingswijze die gemeenten al konden aanhouden als ware deze bezuiniging reeds geschrapt. Verder is bij negen gemeenschappelijke regelingen onderzoek gedaan naar de beïnvloedbaarheid van de begroting. Hierbij is gekozen voor het peiljaar 2026. Dit betreft: •
Veiligheidsregio Hollands Midden
•
Samenwerkingsorgaan Holland Rijnland
•
Gemeenschappelijke Regeling Midden Holland
•
Intergemeentelijke sociale dienst Bollenstreek
•
Omgevingsdienst West-Holland
•
Omgevingsdienst Midden-Holland
•
Regionale Dienst Openbare Gezondheid – HECHT
•
Belastingsamenwerking Gouwe Rijnland (BSGR)
•
Serviceorganisatie Zorg (SOZ)
Aan dit onderzoek ligt een model ten grondslag wat gebaseerd is op een studie1 van de Raad voor het Openbaar Bestuur waarbij de beleidsvrijheid van gemeenten centraal staat. In de in bijlage 1 opgenomen presentatie is een toelichting op deze methode opgenomen. Een aantal taken zijn door gemeenten (al dan niet verplicht) onder gebracht bij gemeenschappelijke regelingen. Daarom is dit model ook bruikbaar en van toepassing op de taakuitvoering bij Gemeenschappelijke regelingen. Met iedere gemeenschappelijke regeling is afstemming geweest over de verwerking van de
1
Raad voor het Openbaar Bestuur (2019): Beleidsvrijheid geduid
5
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
6/17
begroting in het dashboard van Berenschot. Daarnaast is een duidingsgesprek gevoerd met de directie van iedere gemeenschappelijke regeling ter validatie van de uitkomsten. De uit dit duidingsgesprek verkregen informatie is verwerkt in een duidingsnotitie. Deze is opnieuw voorgelegd ter validatie aan de directies. De daaruit ontvangen reacties zijn verwerkt in definitieve factsheets en een daarbij behorende duidingstekst. De definitieve rapportage is de verantwoordelijkheid van Berenschot. De rapportage vormt met de bijlagen één geheel. Gedurende het onderzoek is op diverse momenten overleg gevoerd met de werkgroep FKGR, de wethouders Financiën, een vertegenwoordiging van Dagelijks
Figuur 1 Analysemodel beleidsvrijheid
Bestuursleden van Gemeenschappelijke
regelingen en met de financiële adviseurs van gemeenten. De in deze overleggen ontvangen reflecties op de tussenresultaten zijn verwerkt in de advisering en de definitieve rapportage.
6
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
7/17
HOOFDSTUK 3
Advies aan de werkgroep FKGR Ons advies over een objectieve norm voor een taakstelling en de indexeringsmethodiek kent drie onderdelen: (1) Taakstelling (2) Indexering en (3) overige adviezen. Daarnaast hebben wij een reflectie opgenomen over het werken in een complexe samenwerking met achttien gemeenten, negen gemeenschappelijke regelingen en gaan we in op de rollen en het samenspel binnen het regionale en gemeentelijke speelveld.
3.1 Advies taakstelling Het gemeentefonds zal in 2026 voor de achttien gemeenten in de regio Hollands Midden dalen met € 105 miljoen euro. Dit is een daling van het volume afgezien van loon- en prijsontwikkeling. Dit betekent een volumedaling van ca. € 6%. Het gaat hier om een structurele daling. De koppeling aan het BBP maakt dat de jaren na 2026 er van een geringe volumestijging sprake is.
Figuur 2 Ontwikkeling gemeentefonds 18 gemeenten
Toegepast op de omvang van de uitgaven van gemeenschappelijke regelingen komt dat neer op een bijdrage van € 12,5 miljoen van gemeenschappelijke regelingen aan de bezuinigingen die nagenoeg alle gemeenten moeten doorvoeren om de dalende Rijksbijdrage op te vangen. Een deel hiervan komt overigens ten gunste van de provincie omdat zij partij zijn in de omgevingsdiensten. Advies 1: De objectieve omvang van de daling van het gemeentefonds voor de achttien gemeenten is in 2026 6%. Wij adviseren de taakstelling te baseren op deze neergang. Onderzoek naar de kostenstructuur en de beïnvloedbaarheid bij de gemeenschappelijke regelingen heeft opgeleverd dat de beïnvloedbaarheid van de begroting over alle gemeenschappelijke regelingen samen in 2026 17% bedraagt. Gelet op aflopende contracten en natuurlijk verloop in de organisaties neemt de beïnvloedbaarheid toe in de jaren daarna. Hoewel de beïnvloedbaarheid varieert per gemeenschappelijke regeling constateren we dat de keuzeruimte in de begrotingen overall en individueel ruimschoots groter is dan een eventuele taakstelling van 6%. Dit maakt het 7
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
8/17
mogelijk om een breder keuzepallet voor te leggen aan de besturen ter invulling van de taakstelling en hierbinnen kwalitatieve afwegingen te maken. We constateren dat er bij nagenoeg iedere gemeenschappelijke regeling beleidsontwikkelingen zijn die druk zetten op de realisatie van een eventuele taakstelling. Deze ontwikkelingen zijn daarom toegelicht in de opgenomen factsheet per onderzochte organisatie. Deze druk is weliswaar specifiek per organisatie maar voor het totale gemeentelijke speelveld niet uniek. Ook de taken die gemeenten zelf uitvoeren staan onder druk en ook daar komen ombuigingen in de meeste gevallen niet overeen met de gewenste en soms ook wettelijk verplichte beleidsrichting. Iedere organisatie én de gemeenten ervaren in een bepaalde mate dezelfde druk. Indien de discussie toch gevoerd wordt betreft dit een politiek-bestuurlijke weging die tot verschillen van inzicht op regionaal niveau zullen kunnen leiden waarvoor niet één scheidsrechter voorhanden is. In een dergelijk beslismodel zou tegenover iedere organisatie die een lagere taakstelling krijgt ook een organisatie moeten staan die een hogere taakstelling krijgt (van gelijke omvang) om recht te doen aan de totale daling van het gemeentefonds.
Figuur 3 Beïnvloedbare ruimte per GR
Advies 2: Formuleer de taakstelling van 6% generiek en differentieer niet tussen de verschillende gemeenschappelijke regelingen. Ombuigingen kunnen gepaard gaan met frictiekosten. Het door Berenschot gehanteerde model is zo opgezet dat contracten worden gerespecteerd en dat hiervan nagenoeg geen sprake hoeft te zijn. De door ons onderzochte gemeenschappelijke regelingen kennen veelal een beperkte reservepositie. Bij de opbouw daarvan is geen rekening gehouden met kosten als gevolg van door te voeren ombuigingen. Advies 3: Sta toe eventuele frictiekosten incidenteel bij gemeenten in rekening te brengen. Naast de neerwaartse bijstelling van het gemeentefonds in 2026 is bij een aantal gemeenten sprake van een risico op een aanvullend herverdeeleffect van het Gemeentefonds. Tot en met 2025 zijn herverdeeleffecten van de nieuwe verdeling van het Gemeentefonds doorgevoerd tot € 37,50 per inwoner positief of negatief. Een aantal gemeenten in de regio Hollands Midden heeft een (fors) groter effect. Dit effect is ongelijk verspreid. Op het totaal van de gemeentelijke bijdragen gaat het om 0,58%. Individueel is het soms fors groter. In de toekomst kan het gemeentefonds voor de gemeenten in Hollands Midden dus nog verder dalen dan de genoemde 6%.
8
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
9/17
Figuur 4 potentieel aanvullend herverdeeleffect per gemeente
Advies 4: Benoem in de richting van gemeenschappelijke regelingen het risico van een verdere daling van het gemeentefonds als gevolg van een herverdeeleffect. Zes van de negen gemeenschappelijke regelingen doen momenteel onderzoek naar besparingen, keuzemogelijkheden of ombuigingen ter invulling van een mogelijke taakstelling. De gemeenschappelijke regeling Midden Holland, de Omgevingsdienst West-Holland en de Service Organisatie Zorg hebben geen afzonderlijk traject. De informatie uit het dashboard beïnvloedbare begroting geeft aan dat ook bij deze organisaties keuzes mogelijk zijn. Om goed gemotiveerde en onderbouwde keuzes te kunnen maken is het van belang dat de keuzemogelijkheden concreet en specifiek uitgewerkt zijn en ook de mogelijke impact goed in beeld gebracht is. Daarnaast is het van belang dat de besturen van de regelingen keuzes kunnen maken. Advies 5: Vraag de directies van gemeenschappelijke regelingen de beïnvloedbare ruimte zoals blijkt uit het onderzoek van Berenschot nader te concretiseren en te voorzien van een uitwerking van de impact. Advies 6: Vraag Dagelijks Besturen op basis van de inventarisaties door de directies een voorstel voor te leggen aan de Algemeen Besturen ter invulling van de taakstelling.
3.2 Advies Indexering Het doel achter indexering voor loon- en prijsontwikkelingen is het creëren van een waardevaste begroting. Dat betekent dat de kosten voor lonen en andere uitgaven de basis zijn voor de indexering. Het wijzigen van het inwoneraantal van het verzorgingsgebied gaat niet (altijd) evenredig gepaard met een taakuitbreiding. Dit staat los van loon- en prijsontwikkelingen. Om dit los van elkaar te houden en een eventuele taakuitbreiding apart tot besluitvorming te laten komen moeten dus niet de gemeentelijke bijdragen geïndexeerd worden maar de kosten in de begroting. Advies 7: Formuleer indexen voor de kosten van gemeenschappelijke regelingen en niet voor de gemeentelijke bijdragen. Met de wijziging van de normeringsmethodiek van trap-op-trap-af naar een koppeling aan het BBP is ook de loon- en prijsindexering van het gemeentefonds gewijzigd. Deze index is niet per definitie gelijk aan een reële loon- en prijsontwikkeling zoals door het CPB in beeld gebracht. Bij ongewijzigde methodiek zoals de FKGR deze tot nu toe toepast bestaat het risico dat de verschillen ten laste komen van de gemeenten en niet door worden gelegd naar de gemeenschappelijke 9
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
10/17
regelingen. Gemeenschappelijke regelingen hebben anderzijds geen andere inkomstenbronnen om dit effect op te vangen. Om enerzijds een waardevaste begroting zoveel mogelijk te handhaven en anderzijds de kostenontwikkeling niet teveel uit de pas te laten lopen met de indexen uit het BBP adviseren wij dit te koppelen door het verschil te blijven volgen en bij een cumulatie van 2% of meer alsnog een correctie toe te passen richting Gemeenschappelijke regelingen. Advies 8: Baseer de FKGR indexcijfers op waardevaste indexcijfers van het CPB met een koppeling aan de prijs BBP waarbij in geval van een cumulatief verschil van > 2% over de jaren een correctie zal worden toegepast. De kostenstructuur per gemeenschappelijke regeling varieert. In hoofdlijn zijn er programmabudgetten, loonkosten en kapitaallasten. De indexeringsmethodiek van de FKGR kent op dit moment twee categorieën: loonkosten en materiële budgetten. In de landelijke onafhankelijke indexcijfers van het CPB zijn indexen voorhanden voor de drie genoemde kostensoorten. Wij adviseren deze specifiek te maken en de indexmethode uit te breiden naar ook een afzonderlijke index voor investeringen. Advies 9 : Formuleer naast de indexcijfers voor loonkosten en materiële kosten een afzonderlijk indexcijfer voor investeringen.
3.3 Overige adviezen Gemeenschappelijke regelingen kennen allen in meer of mindere mate een reservepositie. Deze is niet over de hele regio identiek en ook niet door de gemeenten genormeerd. Het is voorstelbaar dat reserves aangehouden worden voor risico’s die optreden in de taakuitvoering. Echter zullen deze niet allemaal tegelijk optreden en ook niet over alle taakgebieden die bij gemeenschappelijke regelingen onder gebracht zijn. Om een interne verevening van risico’s mogelijk te maken is het van belang hiervoor met elkaar een methodiek vast te stellen die daar recht aan doet. Gemeenten zijn wettelijk ten alle tijden aansprakelijk voor de financiële gevolgen van de taakuitvoering van de gemeenschappelijke regelingen waar zij deel aan nemen. Om die reden is het een keuze of bij gemeenschappelijke regelingen dan wel bij gemeenten voor die risico’s een reserve aan te houden. Om die reden adviseren wij hierover nadere spelregels op te stellen en deze met elkaar overeen te komen. Advies 10 : Stel normen op over aan te houden reserves en bespreek die met gemeenschappelijke regelingen. Bepaal daarbij de minimaal en maximaal aan te houden omvang van de reserves. Met de koppeling van het Gemeentefonds aan het 8 jaargemiddelde BBP komt naar verwachting een stabielere ontwikkeling van het Gemeentefonds tot stand.
In het kader van de FKGR is op dit moment opgenomen dat bij een daling van het Gemeentefonds van gemiddeld meer dan 2% per jaar over een periode van 4 jaar de FKGR een taakstelling voor mogelijk houdt. Deze afspraak in het kader kan komen te vervallen nu er naar verwachting sprake zal zijn van een stabielere ontwikkeling. Bij incidenteel of structureel grotere dalingen kan alsnog het recht voorbehouden worden een taakstelling te formuleren. Advies 11 en 12 : Schrap de norm over een taakstelling bij een daling van het gemeentefonds van meer dan 2% per jaar over een periode van 4 jaar en vervang deze door een algemene passage over de handelswijze bij grotere dalingen in de ontwikkeling van het gemeentefonds.
10
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
11/17
HOOFDSTUK 4
Belang van samenspel in de regio Wie samenwerkt moet invloed delen. Dit wordt ook wel omschreven als een two level game2. Deze two level game is lastig, maar inherent aan samenwerking. De onderhandelingen en besluitvorming worden gedaan door hoofdrolspelers die van twee bestuurlijke niveaus deel uitmaken. •
Level one is het regionale samenwerkingsverband waar de wethouders onderhandelen en een voorlopig besluit nemen. Maar ieder van hen moet ook steun krijgen en verantwoording afleggen bij hun achterban.
•
Level two zijn de gemeenten waar onverwachte dingen gebeuren: afzonderlijke discussies binnen elke achterban over de vraag of het principeakkoord geratificeerd wordt.
Dit samenspel is in de praktijk nog veel ingewikkelder omdat er sprake is van een veelvoud van samenwerkingsverbanden waar verschillende bestuurders uit colleges tot soms verschillende besluiten komen. Deze verdienen allemaal legitimatie in het eigen college en/of de gemeenteraad. Dit valt te typeren als complexiteit2 (complexiteit in het kwadraat).
Figuur 5 Two level game samenwerking
Bij het vaststellen van een tekst van een gemeenschappelijke regeling moeten wettelijk éénduidige besluiten genomen worden door gemeenteraden of colleges anders is er geen juridisch geldig besluit. Eventuele gewenste aanpassingen moeten in een eerder stadium ingebracht worden en daar moet met alle deelnemers overeenstemming over bereikt worden. Nu is er in het geval van een taakstelling geen wettelijke bepaling die een eenduidig besluit afdwingt. Wel is er al sinds jaar en dag een bestuurlijk gedragen en door colleges ingestelde
2
Zie onder andere Van den Berg (2021), Het gezag van de raad, Nederlandse vereniging van Raadsleden
11
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
12/17
werkgroep FKGR aanwezig die eenduidige adviezen afgeeft aan gemeenschappelijke regelingen om uniformiteit te bevorderen. Het is aan de besturen van de gemeenschappelijke regelingen om die adviezen ten uitvoer te brengen in de conceptbegrotingen. Binnen de regionale samenwerking hebben secretarissen ( van de gemeente en van gemeenschappelijke regelingen), en bestuurders (wethouders en burgemeesters) in de rol van lid van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur een grote verantwoordelijkheid om regionale samenwerking goed te laten verlopen en te zorgen dat er met elkaar tot eenduidige besluiten gekomen wordt die de democratische legitimatie van de gemeenteraden kan wegdragen. Dit samenspel kent een gezonde spanning en vraagt van alle spelers professionaliteit en gezamenlijk eigenaarschap. In alle gevallen moet voorkomen worden dat een ‘wij – zij’ verhouding ontstaat tussen organisaties en gemeenten. Van regionale organisaties mag verwacht worden zich te realiseren dat ze materieel een onderdeel zijn van de gemeenten. Van gemeenten mag verwacht worden dat zij zich realiseren dat de regionale organisaties ‘van hen’ zijn en zij ook belangrijke taken uitvoeren.
Gemeenschappelijke regelingen voeren een deel van de taken van gemeenten uit en daarom is het heel gewoon dat in geval van een neerwaartse ontwikkeling van de inkomsten bij gemeenten ook in die taken wordt gekeken naar een ombuiging. Minder bezuinigen op de regionale taken betekent meer bezuinigingen in de eigen gemeentelijke taken. Het is een politiek bestuurlijke afweging van de gezamenlijke besturen hoe de balans tussen ombuigen op de taken van de regionale organisaties en bezuinigingen op de taken in de gemeentelijke organisaties uitpakt. Slaat de balans door naar de ene kant, dan is het verlies aan de andere kant en vica versa. Dit is het zogenaamde prisoners-dilemma. Het prisoner's dilemma is een gedachte-experiment uit de speltheorie dat laat zien waarom volledig rationele individuen die niet met elkaar kunnen communiceren misschien niet samenwerken, ook al lijkt het in hun belang te zijn om dat wel te doen. Zowel in de gemeenten als in de gemeenschappelijke regelingen is het verwerken van een taakstelling ‘een verhaal waar niemand op zit te wachten’ zoals treffend werd uitgedrukt door een van de gesprekspartners in het uitgevoerde onderzoek. Aan alle kanten staan taken onder druk en wijzen de beleidsrichtingen een andere kant op dan een neerwaartse bijstelling van de begroting. Dat wijst dit onderzoek ook uit.
Figuur 6 Prisoners-dilemma
Wij hebben in dit onderzoek slechts een objectieve basis gelegd voor deze besluitvorming en tevens de keuzeruimte geïnventariseerd waarmee deze objectieve basis in te vullen is. Wij adviseren de bestuurders in de gemeenschappelijk regelingen die op beide ‘levels’ opereren in een professioneel en rationeel samenspel tot bestuurlijke keuzes rondom de invulling van de door de FKGR gevraagde taakstelling te komen en zuinig te zijn op de gezonde verhoudingen en een uniforme werkwijze rondom indexeringen en gezamenlijke ombuigingen. 12
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
13/17
HOOFDSTUK 5
Totaaloverzicht alle onderzochte Gemeenschappelijke Regelingen
Figuur 7 Totaaloverzicht beïnvloedbare ruimte
13
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
14/17
Figuur 8 Beïnvloedbare ruimte per GR
GR VRHM Holland Rijnland Regio Midden-Holland ISD Bollenstreek ODWH ODMH Hecht BSGR SOZ
€ € € € € € € € €
Begroting 2026 Niet beïnvloedbaar 78.193.600 € 67.970.350 € 10.377.819 € 7.183.343 € 2.193.186 € 1.754.549 € 77.040.000 € 56.269.021 € 25.015.000 € 21.409.747 € 26.263.392 € 22.146.640 € 129.057.392 € 112.166.786 € 16.041.835 € 13.157.419 € 4.099.486 € 3.262.622 €
Figuur 9 Financiële omvang beïnvloedbare ruimte per GR
14
Beïnvloedbaar 10.223.250 3.194.476 438.627 20.770.979 3.605.253 4.116.753 16.890.605 2.884.416 836.864
% 13% 31% 20% 27% 14% 16% 13% 18% 20%
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
15/17
HOOFDSTUK 6
Leeswijzer Onze adviezen zijn gebaseerd op het door ons uitgevoerde onderzoek zoals toegelicht in de hiervoor opgenomen hoofdstukken. In bijlage 1 is een toelichting en nadere onderbouwing opgenomen van ons onderzoek en de uitkomsten daarvan. Hierin zijn achtereenvolgens de ontwikkeling van het Gemeentefonds, de ontwikkeling van de indexering van volgens de FKGR adviezen, de ontwikkeling van de bijdragen aan Gemeenschappelijke regelingen in de achterliggende jaren en de keuzeruimte bij Gemeenschappelijke Regelingen opgenomen. In bijlage 2 is de ontwikkeling van de bijdrage aan en de keuzeruimte in de begroting per gemeenschappelijke regeling opgenomen en voorzien van een kwalitatieve toelichting. Deze maakt integraal onderdeel uit van deze rapportage.
15
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
BIJLAGEN
Bijlage 1 : Toelichting onderzoek financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Bijlage 2: Factsheets per gemeenschappelijke regeling
16
16/17
Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Hollands Midden
17/17
WIJ ZIJN BERENSCHOT, GRONDLEGGER VAN VOORUITGANG Nederland is continu in ontwikkeling. Maatschappelijk, economisch en organisatorisch verandert er veel. Al ruim 85 jaar volgen wij als adviesbureau deze ontwikkelingen op de voet en werken we aan een vooruitstrevende samenleving. De behoefte om iets fundamenteels te betekenen voor mens en maatschappij zit in onze genen. Met onze adviezen en oplossingen hebben we dan ook actief meegebouwd aan het Nederland van vandaag. Altijd op zoek naar duurzame vooruitgang. Alles wat we doen, is onderzocht, onderbouwd en vanuit meerdere invalshoeken bekeken. Zo komen we tot gefundeerde adviezen en slimme oplossingen. Die zijn op het eerste gezicht misschien niet altijd de meest voor de hand liggende. Juist deze eigenzinnigheid maakt ons uniek. Daarbij zijn we niet van symptoombestrijding. En gaan pas naar huis als het is opgelost.
Berenschot B.V. Van Deventerlaan 31-51, 3528 AG UTRECHT Postbus 8039, 3503 RA UTRECHT 030 2 916 916 www.berenschot.nl
17
Bijlage 1: Toelichting onderzoek Financiële kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen Peter Verheij
DEFINITIEF 28-10-2024
Hoe ziet de aanpak eruit? • Volumeontwikkeling: Hoe is dit uitgepakt, hoe ziet de toekomst eruit en
hoe verhoudt het zich t.o.v. gemeenten (mede i.r.t. 2% buffer in FKGR) • Indexeringsregeling: hoe is het uitgepakt, hoe ziet de toekomst eruit en welke keuzes en varianten zijn er mogelijk
• Keuzeruimte: Beïnvloedbaarheid op basis van ‘model ROB’ per GR bepalen en daarmee eventuele differentiatie per GR o.b.v. taak • Collectieve besluitvorming: proces waarin colleges en DB’s
gecommitteerd worden aan FKGR voorstel op LPO én volume Uitdaging: tijdpad richting 1 november 2024 2
GR’en onder kader FKGR Veiligheidsregio Hollands Midden
Samenwerkingsorgaan Holland Rijnland GR Regio Midden Holland ISD Bollenstreek
Omgevingsdienst West-Holland Omgevingsdienst Midden-Holland Regionale dienst Openbare Gezondheid/GGD (HECHT)
Belastingsamenwerking Gouwe Rijnland (BSGR) Serviceorganisatie Zorg (SOZ) 3
Ontwikkeling Gemeentefonds
Intern vertrouwelijk
4
Ontwikkeling Gemeentefonds (1) HM-18
- € 105 miljoen (HM)
*cijfers op sheets 4-7 zijn gebaseerd op de meicirculaire 2024. De septembercirculaire heeft materieel (nagenoeg) geen effect gelet op het volgen van adviezen van de VNG en de toezichthouder m.b.t. de nu vervallen bezuiniging Jeugd
5
Ontwikkeling Gemeentefonds (3) HM-18 vs NL
- € 105 miljoen (HM)
6
Ontwikkeling Gemeentefonds (4) Herverdeeleffecten in HM-18 € -10 miljoen
7
Ontwikkeling Gemeentefonds (5) Herverdeeleffecten in HM-18 € -10 miljoen
8
Ontwikkeling Indexering
9
Indexeringen (1) FKGR versus Gemeentefonds (totaal)
*Gemeentefonds = incl. extra middelen als gevolg van taakuitbreidingen
10
Indexeringen (2) FKGR versus Gemeentefonds (totaal)
11
Nieuwe indexeringsmethode (BBP) Compensatie voor reële loonstijging verhuist van LPO-accres naar volumedeel BBP Daarmee is prijs BBP als index alleen voor de waardevastheid (inflatie).
Voor FKGR betekent dit een vraag wat te doen met verschil inflatie vs. reële loonstijging en hoe GR’en hiervoor te compenseren. Volledig volume bbp meenemen is te ruim omdat dit ook inhoudelijke volumestijgingen bevat. Alléén prijs BBP negeert de reële loonstijging en is een impliciete bezuiniging. 12
Indexeringsmethoden Mogelijke varianten 1. Indexering op basis van huidige methodiek (MEV) loon en prijs a. Waardevastheid vasthouden b. Nu eerst taakstelling, en indexering later bekijken en evt aanpassen 2. Indexeer op basis van BBP cijfers a. Gemeenten krijgen hier op gecompenseerd dus GR’en dan ook b. Uit elkaar trekken waardevastheid en korting wegens tekort op BBP 3. Indexeren op basis van waardevastheid (MEV) maar koppeling inbouwen met BBP. De koppeling behelst een buffer: alleen bij cumulatief >2,0% verschil met BBP expliciete taakstelling naar GR’en
13
Ontwikkeling GR’en
14
Gemeentelijke Bijdragen 8 GR’en Absolute bedragen
15
Gemeentelijke bijdragen 8 GR’en Absolute bedragen Gemeentelijke bijdragen
Serviceorganisatie Zorg (SOZ)
2020 49.300.722 8.230.808 407.883 14.161.587 16.084.615 52.016.000 11.848.000 -
2021 51.217.394 8.324.499 413.193 14.212.444 17.285.022 58.938.000 13.141.000 -
2022 51.883.220 8.911.306 387.203 15.076.558 18.246.519 60.148.000 13.524.000 -
2023 53.584.990 6.148.550 439.062 15.303.297 19.081.904 68.007.000 14.753.000 3.175.417
2024 60.028.216 6.635.835 474.898 17.639.000 18.448.915 68.605.000 16.582.000 3.638.027