CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Windproject Noordzeeboulevard Totaal zienswijzendocument geanonimiseerd

Commissie Ruimte 10 september 2025, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Windproject Noordzeeboulevard (voorgesteld wordt dit punt van de agenda af te voeren)21.105 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

5.3 Effectbepaling en -beoordeling vogels 5.4 Effectbepaling en -beoordeling vleermuizen

NHD geeft hieronder haar zienswijze op de gebruikelijke manier waarop in Nederland het mogelijke aantal aanvaringsslachtoffers wordt berekend. Om dat verhaal consistent te houden moet hier tijdelijk worden afgeweken van de structuur van de Natuurtoets. Onderstaande tekst heeft betrekking op 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3, 5.3.4, 5.4, 5.4.1, 5.42 Zienswijze NHD betr. ontwerpbesluiten van Cluster 1 voor Windproject Noordzeeboulevard te Voorne aan Zee

31

Hoofdbezwaar tegen de berekening van de aantallen aanvaringsslachtoffers, de 1% mortaliteitsnorm en de berekening van de cumulatieve effecten Cumulatie en 1% mortaliteitsnorm Om het cumulatieve effect te berekenen van de nieuw te bouwen windmolens op de Noordzeeboulevard op de vogels die the East Atlantic Flyway volgen, kan niet alleen gekeken worden naar de cumulatieve effecten van de dichtstbij gelegen windparken maar moeten alle molens langs de gehele Nederlandse (en waar relevant eigenlijk ook van de Europese en zelfs Noord Amerikaanse en Afrikaanse) kust worden meegewogen, omdat al die honderden miljoenen trekvogels alle of een groot deel van deze molens moeten passeren en er bij elk obstakel in de vorm van windmolens slachtoffers vallen. Het aantal te passeren molens is soortafhankelijk en wordt voor een groot deel bepaald door de plek waar een soort instapt op the East Atlantic Flyway en waar die soort deze flyway weer verlaat omdat de overwinteringsplaats is bereikt (en in het voorjaar andersom). Voor vleermuizen geldt feitelijk hetzelfde. NHD en SEVON heeft grote bezwaren tegen de wijze waarop de 1% mortaliteitsnorm is berekend en tegen de wijze waarop de cumulatieve effecten in de concept Natuurtoets zijn berekend.

De 1%-mortaliteitsnorm wordt in Nederland standaard gebruikt als toetsingskader bij ecologische beoordelingen van de effecten van te bouwen windmolenparken in Nederland. Het is een normatief criterium om te beoordelen of een bepaalde activiteit een significant effect heeft op vogelpopulaties. De 1%-mortaliteitsnorm houdt in dat een activiteit niet meer dan 1% van de jaarlijkse sterfte (natuurlijke mortaliteit) van een populatie mag veroorzaken. Als dit overschreden wordt, wordt aangenomen dat sprake is van een significant negatief effect op de populatie. Om het bezwaar van NHD en SEVON tegen de wijze waarop de populatie-omvang waarmee in deze (en alle in Nederland lopende windmolen-) procedure(s) is gerekend toe te lichten, is het noodzakelijk te onderzoeken op welke wijze dat standaard gebeurt en daarbij de bezwaren van NHD en SEVON te vermelden. Berekening van de norm: Eerst wordt de omvang van de relevante populatie bepaald. Dit is afhankelijk van de soort én de context: Voor broedvogels wordt vaak de Nederlandse broedpopulatie als uitgangspunt genomen, maar soms ook de regionale broedpopulatie. Dat is op zich al aanleiding tot verwarring als daar niet helder over wordt gecommuniceerd. Voor trekvogels of wintergasten wordt de doortrekkende of overwinterende populatie als uitgangspunt gehanteerd.

Hier is dat vermoedelijk gebaseerd op (een deel van?) de east atlantic flyway-populatie. Voor NHD is niet goed na te gaan welke populatieomvang is gebruikt en waarom. Dat is echter alles bepalend! NHD vraagt daarom na te gaan op welke wijze de toegepaste populatie-omvang is vastgesteld en of dat op een passende manier (passend in relatie tot de toegepaste cumulatie) en consequent is gebeurd. NHD en SEVON hebben daar grote twijfels bij. Na het vaststellen van de juiste populatie-omvang wordt vervolgens de jaarlijkse sterfte van die populatie bepaald voor vogels en vleermuizen. NHD en SEVON zijn van mening dat de hier gehanteerde methode onacceptabel is. Er is gekozen om de Zienswijze NHD betr. ontwerpbesluiten van Cluster 1 voor Windproject Noordzeeboulevard te Voorne aan Zee

32

jaarlijkse sterfte voor (vrijwel?) alle soorten te bepalen op een geschatte 20% van de relevante(?) populatie-omvang. Er wordt wel beschreven dat dit per vogelsoort en vleermuissoort varieert, maar die verschillen worden vervolgens niet of maar zeer ten dele) toegepast. Voor elke soort wordt de natuurlijke sterfte op 20% gesteld. De volgende stap is het vaststellen van 1% van die jaarlijkse sterfte. Dit wordt dan als norm genomen voor het maximaal toelaatbare aantal slachtoffers per jaar. NHD en SEVON hebben forse kritiek op de wijze waarop in de Natuurtoets (en alle daar aan bijdragende stukken) de 1%-mortaliteitsnorm is vastgesteld en gebruikt. NHD en SEVON beschouwen het 1% mortaliteitscriterium als arbitrair omdat de 1%norm niet is gebaseerd op soortspecifieke ecologie of populatiedynamiek, maar is gebaseerd op een generiek vastgestelde grenswaarde die geen recht doet aan de grote soortspecifieke verschillen en daarom geen enkele garantie biedt dat onder deze drempel geen negatieve effecten op de populatie-omvang verwacht mogen worden. Sommige soorten kunnen slecht tegen zelfs kleine extra sterfte (bijvoorbeeld soorten met een lage voortplantingssnelheid zoals de zeearend), terwijl andere soorten veel veerkrachtiger zijn.

In sommige onderbouwende rapporten wordt hier wel op gewezen, maar bij de uiteindelijke beoordeling is van soortspecifieke differentiatie geen (of zeer gedeeltelijk) sprake. Daarnaast stellen NHD en SEVON dat de 1% norm geen of onvoldoende rekening houdt met de verschillen in demografie van soorten. Moderne populatiemodellen (zoals PVA’s – Population Viability Analyses) kunnen veel preciezer inschatten of een bepaalde extra sterfte invloed heeft op de overlevingskans van een populatie dan de in de Natuurtoets gebruikte 1% mortaliteitsnorm. Dat komt vooral omdat bij de 1%-norm geen of maar zeer ten dele rekening gehouden wordt met trends, natuurlijke overleving, dispersie, reproductie, natuurlijke schommelingen en calamiteiten (vogelpest, usutuvirus, trichomonas, jacht, klimaat en weer enz.) van een soort. NHD en SEVON bepleiten ook het toepassen van zgn. Cumulatieve Effectanalyses in plaats van project-per-project. Om optimaal gebruik te kunnen maken van cumulatieve effectanalyses is het noodzakelijk dat een landelijke natuurtoets een algemeen geldende uitspraak doet over alle in Nederland geplande (in combinatie met de effecten van reeds bestaande windmolenparken) windmolenparken en daarbij aangeeft waar deze projecten wel of juist niet uitgevoerd kunnen worden en dus in aanmerking komen voor eventueel noodzakelijke ontheffingen en/of beschikkingen.

Cumulatieve effectanalyse kan onder bepaalde voorwaarden ook binnen een project gebruikt worden, maar dan moeten de gebruikte schaalgroottes tussen de populatieomvang en de meegetelde cumulatieve effecten zeer nauwkeurig op elkaar zijn afgesteld. Dat is in deze procedure niet of onvoldoende gedaan. Het allergrootste bezwaar van NHD en SEVON bij de wijze waarop in de natuurtoets en aanpalende documenten wordt omgesprongen met de 1% mortaliteitsnorm is gebaseerd op het misbruik maken van de schaalverschillen tussen de gehanteerde begrippen en berekeningen. Voor het bepalen van de populatie-omvang van trekvogels wordt gebruik gemaakt van een zeer groot deel van de flyway populatie, waardoor dat om een zeer hoog getal gaat en daarmee dan ook de 1% norm zeer hoog uitpakt. Vervolgens wordt de impact van windmolens zo lokaal mogelijk beschreven en worden de cumulatieve effecten zo klein mogelijk gehouden. Hierdoor worden de lokale sterfte-effecten “wegverdund” tegen de arbitrair gekozen grote van de populatie-omvang. Zienswijze NHD betr. ontwerpbesluiten van Cluster 1 voor Windproject Noordzeeboulevard te Voorne aan Zee

33

Dit is de belangrijkste oorzaak waardoor in de beoordeling van natuurtoetsen bij de aanleg van windparken de uitkomst ALTIJD zodanig is dat geconcludeerd wordt dat er geen wettelijke belemmeringen zijn om een beschikking en/of een ontheffing af te geven. NHD en SEVON kennen geen enkel voorbeeld waarin geen beschikking of ontheffing is afgegeven. NHD en SEVON zijn van mening dat dit nadelige schaalverschil alleen opgeheven kan worden door de cumulatieve effecten van alle windmolens binnen een gebied met dezelfde schaalgrootte als waarvan gebruikt is gemaakt bij het vaststellen van de populatie-omvang en de daaruit afgeleide 1% mortaliteitsnorm is gebeurd. NHD vraagt de volgende Peer-reviewed studies met kritiek op de 1%mortaliteitsnorm ook te betrekken bij de afwegingen voor het al dan niet verlenen van een ontheffing of vergunning: 1. Schippers et al. (2020) Deze studie toont aan dat zelfs een extra sterfte van 1% kan leiden tot een afname van 2%–24% in de populatiegrootte over 10 jaar, afhankelijk van de soort. Bij een extra sterfte van 5% kan de afname oplopen tot 9%– 77%. De auteurs concluderen dat de 1%-norm de impact van windturbines op vogelpopulaties onderschat. 2. Wageningen Environmental Research (2017) Deze rapportage evalueert de toepasbaarheid van de 1%-norm en de Potential Biological Removal (PBR)-methode.

De studie concludeert dat beide methoden de impact van extra sterfte onderschatten, vooral bij kwetsbare of afnemende populaties. De auteurs introduceren de “Population Persistence Index” (PPI) als een alternatief beoordelingsinstrument. 3. Cambridge University Press (2023) Deze publicatie bespreekt methodologische benaderingen voor het beoordelen van populatieniveau-impact van vogelbotsingen met windturbines. De auteurs pleiten voor het gebruik van populatievoorspellingsanalyses (PPA) boven de PBR-methode, omdat PPA beter geschikt is voor het evalueren van specifieke verstoringsbronnen. 4.Tussenrapport monitoring lokale broedvogels Windpark MV2 – 2023 Slachtoffers vergeleken met de destijds voorspelde verwachte aantallen slachtoffers bij Windpark MV2 Is gebleken dat die aantallen voor een aantal vogelsoorten flink hoger zijn dan verwacht. Hieronder vindt u de tabel uit het tussenrapport H4.5 met daarin de verschillen tussen de aantallen verwachte slachtoffers ende werkelijk aangetroffen slachtoffer 5. Lintott et. al. Dit rapport beschrijft de ecologische impact van windmolens op vleermuizen en toont aan dat andere onderzoeken de aantallen slachtoffers en de ecologische impact daarvan ruimschoots onderschat worden. https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0960982216311885 6. Barrios and Rodriguez Dit rapport beschrijft onderschatting van slachtoffers windparken.

https://cdn.birdlife.se/wp-content/uploads/2019/01/Mortality-and-behaviour-ofsoaring-birds_Tarifa_Spain.pdf 7. S. Akerboom et. al. Offshore wind farms' impact on vulnerable species, such as birds and bats through mortality, habitat loss, and barrier effects, is receiving growing attention worldwide. Focus on the effects of wind energy on species is important since the European Union, as well as the international community, strive to halt biodiversity loss through the Nature Conversation Directives and the Sustainable Development Goals. We argue that it is necessary and possible to protect vulnerable species better by quantifying the impact of wind energy on populations, avoiding

Zienswijze NHD betr. ontwerpbesluiten van Cluster 1 voor Windproject Noordzeeboulevard te Voorne aan Zee

34

sensitive areas for species as wind energy development areas, and developing guidelines and measures to mitigate the impact of wind energy. The recognition of existing uncertainties requires more investments in (at least) nationally coordinated monitoring, reporting and adaptive management. This article uncovers barriers in the existing legal framework based on state-of-the-art ecological research. It provides zeverlap policy recommendations for improvement, such as a policy guideline, adaptive permitting, and prioritizing (cumulative effects in) environmental impact assessments in wind energy decispion-making procedures. https://dspace.library.uu.nl/handle/1874/420527 8. NIEWOHL-protocol vogels Het Rijk, Provincies, NWEA, TenneT en groene partijen (Vogelbescherming Nederland, Zoogdiervereniging en de Natuur en Milieu Federaties) werken samen aan het traject Natuurinclusieve Energietransitie voor wind en hoogspanning op land (NIEWOHL). Het doel van dit traject is om te komen tot afspraken waarmee zowel wordt gezorgd voor de doorgang van de ontwikkeling van windparken en hoogspanningsverbindingen op land, als voor een vermindering van de negatieve effecten ervan op de staat van instandhouding van kwetsbare vogel- en vleermuissoorten. De betrokken partijen werken samen aan een gedragen akkoord voor een Natuurinclusieve Energietransitie voor wind en hoogspanning op land.

Om deze doelen te bereiken, zijn afspraken gemaakt over mitigerende maatregelen, monitoring, Onderzoek en populatieversterkende maatregelen in een bouwstenennotitie. De bouwstenennotitie is in november 2020 bestuurlijk akkoord bevonden. Afgesproken is dat eventuele maatregelen, zoals stilstand, ecologisch en economisch doelmatig moeten zijn. Daarom streven partijen ernaar om het aantal uren stilstand voor windmolens zo laag mogelijk te houden. Om dit mogelijk te maken is, zowel bij het wel als het niet toepassen van stilstand, monitoring aan de orde. Ook voor monitoring zelf geldt dat dit doelmatig moet zijn. In parken waar geen mitigerende maatregelen nodig zijn en/of geen tot weinig slachtoffers worden verwacht en geen zeldzame soorten vogels of vleermuizen worden verwacht, kan de monitoringsopgave worden beperkt. Er zijn momenteel nog enkele belangrijke hiaten in de kennis ten aanzien van de effecten van windparken en hoogspanningslijnen op vogels en vleermuizen. Deze zijn: • een onvolledig overzicht van cumulatieve effecten, • het niet (openbaar) beschikbaar zijn van gegevens van slachtoffermetingen en de relatieve ontoegankelijkheid van de data, • verschillen in meetmethodiek en monitoring waardoor gegevens onderling slecht vergelijkbaar zijn, en • de interpretatie van de resultaten.

Om deze hiaten in kennis te vullen is het van belang om de monitoring zoveel mogelijk te standaardiseren middels een protocol. Voordeel daarvan is ook dat de windsector en Tennet vooraf duidelijkheid krijgen over de manier van monitoren. Dit protocol is in de eerste plaats opgesteld voor windparken maar kan als basis dienen voor monitoring van hoogspanningslijnen. In de Ecologische Beoordeling van een gepland windpark is een inschatting gemaakt van het aantal vleermuis- en vogelslachtoffers en voor welke soorten dat mogelijk ernstig is. Op basis hiervan wordt een vergunning en/of ontheffing afgegeven van de Wet Natuurbescherming. Daarin staan de vergunningsvoorwaarden. Doorgaans wordt in deze vergunningsvoorwaarden opgenomen dat monitoring van bepaalde

Zienswijze NHD betr. ontwerpbesluiten van Cluster 1 voor Windproject Noordzeeboulevard te Voorne aan Zee

35

soortgroepen nodig is en dat hiertoe een monitoringsplan moet worden opgesteld. Deze monitoringsplannen dienen te voldoen aan onderhavig protocol. Dit monitoringsprotocol is een richtlijn, de bedoeling is om monitoring zoveel mogelijk op standaardwijze uit te voeren. Indien noodzakelijk kunnen partijen gezamenlijk besluiten om gemotiveerd af te wijken van dit protocol (dit moet dan wel goed onderbouwd worden). Periodiek wordt het protocol geëvalueerd (najaar 2021 volgt bijvoorbeeld al een update mbt het monitoren van vleermuizen). In de bijlagen worden de doelen (bijlage 1), toelichting en aandachtspunten mbt de monitoring (bijlage 2) en opzet database (bijlage 3) nader uitgewerkt en besproken. https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/202107/Monitoringsprotocol%20Wind%20op%20Land%202021%20%5BNPRES%200107 2021%5D.pdf

5.5 Effectbepaling NNN NHD heeft boven haar zienswijze op NNN inclusief de zaken m.b.t. effectbepaling reeds gegeven.

NHD is een Natuurvereniging en is daarom niet ontvankelijk voor niet specifiek natuurgebonden zaken. Aan de wel natuurgebonden aspecten heeft NHD haar zienswijzen hierboven uitgebreid beschreven. NHD zal daarom geen zienswijze indienen bij de vergunning VTH202401-0531 van WSHD, de vergunning krachtens de Waterwet RWSZ2024-000000635. Tot slot NHD is van mening dat de volgende Delen 2 en 3 van de Natuurtoets betrekking hebben op Cluster 2. NHD zal in haar zienswijze op Cluster 2 waarin de (ontwerp) vergunning Gebiedsbescherming Wnb en de (ontwerp) ontheffing Soortenbescherming Wnb aan de orde zullen zijn haar visie op deze vergunningaanvraag en ontheffingsaanvraag verder toelichten en actualiseren. NHD wil hier nogmaals opmerken dat zij van mening is dat onvoldoende duidelijk is gemaakt welke delen van de Natuurtoets betrekking hebben op de in Cluster 1 ter visie gelegde aanvragen en welke delen betrekking hebben op de in Cluster 2 ter visie te leggen aanvragen betrekking hebben. Hoogachtend, P. van Nes-de Man

P. Vermaas

Voorzitter NHD

secretaris NHD

Zienswijze NHD betr. ontwerpbesluiten van Cluster 1 voor Windproject Noordzeeboulevard te Voorne aan Zee

36

Kemps, Daan Van: Verzonden: Aan: Onderwerp:

Mariette van der Elburg <mvdelburg@gmail.com> dinsdag 24 juni 2025 15:52 VAZ-Box-Gemeente ‘Windproject Noordzeeboulevard’ zienswijze

Geachte gemeente, De volgende zienswijze heeft betrekking op: De ontwerp ontheffing voor aantasting NatuurNetwerk Nederland (NNN) van Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland. Zienswijze: De plek voor de beoogde windmolens is een natuurgebied à la de Waddenzee. Ga er maar eens kijken. Een prachtig vogelspotgebied. Allereerst moet er na 17 jaar! nog compensatie komen voor de aanleg van de Tweede Maasvlakte. En dan zou je voor 2 giga windmolens weer een natuurgebied gaan opofferen met de loze belofte over een omgevingsfonds en natuurcompensatie. Dat kan echt niet. Ik ben voor windenergie, maar gooi ze in godsnaam niet naast een natuurgebied met prachtige fauna. De impact is groot voor vogels lees ik hier in een onderzoek van RVO. Ik citeer: “verstoring: vogels gaan windturbines en hun omgeving uit de weg. Die gebieden zijn dan ongeschikt als voedsel-, rustof broedgebied.” Terwijl dit voor vogels een voedsel- en rustgebied bij uitstek is, vooral tijdens de vogeltrek. Ga maar eens kijken in het voor- en najaar. De kitesurfers verplaatsen omdat die het vogelgebied anders verstoren maar wel twee giga windmolens plaatsen. Dat gaat er bij mij niet in. Gemeente Voorne aan Zee is groot genoeg om een andere locatie te bedenken. Noordoever Oostvoornse Meer? Vriendelijke groeten, Mariette van der Elburg Oostvoorne

1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15893528/1