Windproject Brielse Brug Bijlage 5A - ruimtelijke onderbouwing v5
Tekst van het document
Vanwege de voorzienbare sterfte gedurende de looptijd van het windproject (hoe klein dan ook ≤1 per vleermuissoort) is voor deze
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 80
soorten een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de ontheffing niet verleend kan worden. Overige beschermde soorten Voor amfibieën geldt dat er geen effect zal zijn door de realisatie van de boogde windturbines. Daarnaast komen er in het plangebied alleen algemene soorten amfibieën voor en geldt er een vrijstelling in de provincie Zuid-Holland bij ruimtelijke ingrepen voor deze soorten. Algemene soorten grondgebonden zoogdieren die in en nabij het plangebied voorkomen zijn vrijgesteld Zuid-Holland bij een ruimtelijke ingreep en is geen Wnb-ontheffing nodig. Er komen wel kleine marterachtigen voor (wezel en bunzing) die niet vrijgesteld zijn in de provincie Zuid-Holland. Het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.10 lid 1 onder b van de Wnb voor de wezel en bunzing kan worden voorkomen door het niet kappen van bomen of verwijderen van bosschages binnen de voortplantingsperiode (april t/m augustus) van de wezel en bunzing. Het betreft hier de bomen en bosschages aan de Veckhoekse Sluisweg. Indien de voornoemde werkzaamheden toch wenselijk worden geacht, zal nader veldonderzoek naar de aanwezigheid van wezel en bunzing worden uitgevoerd om uit te wijzen of deze soorten door de ingreep geraakt worden en hoe overtreding van verbodsbepalingen kan worden voorkomen.
5.6.3 Conclusie Samenvattend is voor geen enkele kwalificerende soort sprake van een significant negatief effect op de IDH’s van Natura 2000. Ook is er voor geen enkele soort sprake van een aantasting van de GSI mits er voor vleermuizen een stilstandsvoorziening wordt toegepast. Er wordt in het kader van de soortenbescherming een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd, maar er is geen conflict met de Wnb. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 81
5.7 Cultuurhistorie en archeologie Het behoud van cultuurhistorische en archeologische waarden is belangrijk. Voor bewoners en toeristen, voor nu en in de toekomst. Monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen maken immers deel uit van ons cultureel erfgoed. Archeologie gaat over sporen en resten van menselijke aanwezigheid vanaf 300.000 jaar geleden in de bodem en onder water. Deze zichtbare en onzichtbare resten vertellen veel over hoe mensen vroeger leefden en werkten. Onze bodem is daarom een archief dat we willen bewaren.
5.7.1 Toetsingskader Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. De Erfgoedwet42, die de Monumentenwet 1988 heeft vervangen, vormt in Nederland het wettelijk kader voor de bescherming van al het cultureel erfgoed, waaronder ook de afspraken uit het Verdrag van Malta. Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Archeologie houdt zich bezig met de niet zichtbare delen van onze cultuurgeschiedenis. Zij zijn verborgen in de bodem.
5.7.2 Onderzoek Archeologie Gemeente Brielle heeft voor haar gehele grondgebied een archeologische verwachtingskaart vastgesteld43. Voor de gronden ter plaatse van het plangebied geldt op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart een lage verwachting. Gemeente Brielle heeft naast haar archeologische verwachtingskaart een archeologische beleidskaart. De beleidskaart brengt overzichtelijk in beeld voor welke gebieden op de (omgevings)plankaart er een dubbelbestemming archeologie geldt en koppelt een archeologisch onderzoeksplicht aan oppervlakte- en dieptegrenzen. Activiteiten die de grenzen overschrijden dienen met een archeologisch onderzoek aan te tonen dat er geen significant effect is op de mogelijke archeologische waarden in de grond. Het gehele plangebied van Windproject Brielse Brug valt op de archeologische beleidskaart binnen de categorie van lage verwachting waarbij geen onderzoeksplicht geldt. Ook op het Omgevingsplankaart van gemeente Brielle zijn er binnen het plangebied van Windproject Brielse Brug geen gronden aangeduid als archeologische waarden.
Overige cultuurhistorie Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland 42
Wet van 9 december 2015, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet) 43 https://www.brielle.nl/_flysystem/media/structuurvisie-archeologische-waarden-en-verwachtingskaart-a3.pdf Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 82
De cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Het is een overzicht op hoofdlijnen, bijvoorbeeld van waardevolle verkavelingspatronen, gebieden met een archeologische verwachtingswaarde (zie ook paragraaf hierboven) of monumentale boerderijlinten. Dit is het schaalniveau waarop de provincie beleid voert. De cultuurhistorische kaart wordt ook aangeduid als Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS). De kaart bevat een selectie van waarden die specifiek van provinciaal belang zijn. Het gaat enerzijds om bijzondere gebieden anderzijds om thema’s van provinciaal belang. Daarmee is de CHS-kaart de onderlegger voor het provinciaal erfgoed van ruimtelijk belang. Vaak sluit dit provinciaal belang aan op rijks- en gemeentelijk belang. Zo bevinden zich binnen de provinciale erfgoedgebieden veel door rijk of gemeente beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten. Hiermee beoogt de provincie de bredere context en de ruimtelijke kwaliteit van dit erfgoed te behouden en te versterken. Het beleid voor cultureel erfgoed van provinciaal belang is vastgelegd in de (beleidskeuzes voor erfgoed en archeologie) en uitgewerkt in de provinciale Omgevingsverordening. Er gelden regels of richtlijnen voor de volgende gebieden en thema’s van provinciaal belang: •
Kroonjuwelen; cultuurhistorische kroonjuwelen zijn unieke, zeer karakteristieke en gave erfgoedensembles van het Zuid-Hollands landschap. Voor kroonjuwelen geldt de algemene sturingsrichtlijn ‘behoud en versterking van cultuurhistorisch waardevolle structuren en ensembles via bescherming én passende ruimtelijke ontwikkeling’. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen kroonjuwelen.
•
Werelderfgoed; cultureel en natuurlijk erfgoed dat van unieke en universele waarde is, kan door de Unesco aangewezen worden. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen werelderfgoederen.
•
Molenbiotopen; de provincie Zuid-Holland helpt om molens in stand te houden en stimuleert ook gebruik en bezoek van de molens. Ook vindt de provincie het belangrijk dat molens als beeldbepalende elementen gezien kunnen worden en kunnen blijven draaien. Daarom kent ZuidHolland een beschermend beleid voor de omgeving van windmolens. Binnen een straal van 100 tot 400 m van een molenbiotoop gelden hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting. De twee windturbines van Windproject Brielse Brug vallen niet binnen deze afstandscontour.
•
Landgoederen; historische landgoederen in Zuid-Holland zijn van grote betekenis voor de omgeving. Ze vormen met hun groene en statige karakter rustruimten in het stedelijk gebied. Om er voor te zorgen dat dit unieke culturele erfgoed niet verloren gaat, heeft de provincie een zogeheten ‘landgoedbiotoop‘ ingesteld. Deze landgoedbiotoop bestaat uit de kern van het landgoed (huis met tuin en/of park) met hier omheen en bufferzone, het zogenaamde blikveld. Ook waardevolle elementen (zoals zichtlijnen, panorama's, weg of waterloop waaraan het landgoed ligt) kunnen deel uitmaken van de landgoedbiotoop. De twee windturbines van Windproject Brielse Brug staan niet in een landgoedbiotoop.
•
Kasteelterreinen; de nog zichtbare kasteelterreinen in de provincie zijn van grote betekenis voor de cultuurhistorie van Zuid-Holland. Ook vormen ze veelal - met hun groene karakter - rustruimten in het stedelijk gebied. Om er voor te zorgen dat dit unieke culturele erfgoed niet verloren gaat, heeft de provincie een zogeheten ‘kasteelbiotoop‘ ingesteld. De kasteelbiotoop bestaat uit het kasteel/kasteelterrein zelf (ruïne, muurrestanten, een of meer bijgebouwen, omgracht terrein en dergelijke), het zogenoemde het blikveld (de benodigde ruimte om het kasteel/kasteelterrein te kunnen ervaren) en de hoofdlijnen van de oorspronkelijke landschappelijke context. De twee windturbines van Windproject Brielse Brug staan niet in een kasteelbiotoop.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 83
Rijksmonumenten & beschermde stads- en dorpsgezichten In het plangebied zelf zijn geen rijksmonumenten, beschermde stads of dorpsgezichten aanwezig. Het meest nabijgelegen rijksmonument, boerderij Catharinahoeve, ligt op meer dan 900 meter afstand van het plangebied (zie Figuur 5.13). Rijksmonumenten kennen geen externe werking waardoor er geen invloed is van Windproject Brielse Brug. Het meest nabijgelegen beschermde stads- en dorps is het omwalde deel van de stad Brielle (de vesting) en de directe gebieden rondom. Dit beschermde stadsgezicht ligt op meer dan 1,2 kilometer afstand van het plangebied (zie Figuur 5.13). De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) adviseert in zijn algemeenheid (dus niet specifiek voor de hier aanwezige beschermde stads- en dorpsgezichten) een afstand van 1.800 à 2.000 meter aan te houden tussen turbines en de grenzen van een beschermd gezicht. De gezichtsbescherming richt zich op de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waardering van het gebied en wil het toekomstig functioneren daarvan veiligstellen.
Het gaat hierbij met name om de vesting Brielle dat is aangemerkt als “een samenhangende groep onroerende zaken, hieronder begrepen bomen, wegen, straten, pleinen, bruggen, vaarten, grachten, sloten en andere wateren, welke met één of meer tot de groep behorende monumenten een beeld vormen dat van algemeen belang is wegens de schoonheid of het karakter van het geheel”. De aanwijzing van het beschermd stadsgezicht te Brielle omvat de gehele omwalde en omgrachte stad. Tevens is in de aanwijzing een gedeelte van het grondgebied van de kern Brielle en Vierpolders aansluitend aan de omwalling begrepen. Het gebied in de Vierpolders dat aansluit aan de omwalling is in het Omgevingsplan aangeduid als ‘Beschermd stadsgezicht’ waarbij ter plaatse een aantal regels gelden voor de bescherming van het stadsaanzicht. Het gehele plangebied en de windturbines van Windproject Brielse Brug vallen buiten deze beschermingsgebieden waardoor er geen afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het beschermd stads- en dorpsgezicht. Bovendien zijn de twee windturbines door de dichte bebouwing ook beperkt zichtbaar voor personen vanuit de vesting van Brielle. In Figuur 5.14 is een fotografische weergave van het zicht op de windturbines net buiten de vesting van Brielle. De foto is genomen vanaf de Kaaisingel en de exacte fotopositie is te vinden in Bijlage 1 (FP04).
Overige beschermde stads- en dorpsgezichten liggen op zulke grote afstanden (>3,5 km) waardoor er geen invloed is van Windproject Brielse Brug.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 84
Figuur 5.13: Rijksmonumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten in de wijdere omgeving
Figuur 5.14: Fotografische weergave van het zicht op de windturbines net buiten de vesting van Brielle (foto genomen vanaf de Kaaisingel
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 85
Geuzenlinie De Noordrand van Voorne-Putten vormt een uniek overgangsgebied. In de Noordrand zijn de vier gemeenten op het eiland Voorne Putten (Brielle, Hellevoetsluis, Westvoorne en Spijkenisse) gezamenlijk aan de slag met de ontwikkeling van de noordrand van hun eiland. Het is een bijzondere zone tussen het industriële Rotterdamse Havengebied en de natuurlijke groene Zuidwestelijke Delta, nu bekend als de Geuzenlinie. In Figuur 5.15 is met een rode stippellijn de Noordrand weergegeven. Het ligt parallel aan de wereldhaven Rotterdam en de groenblauwe openheid van de zuidwestelijke delta. Het Hartelkanaal aan de noordzijde en de Groene Kruisweg aan de zuidkant vormen de natuurlijke grenzen van dit gebied. De Noordrand is ook opgenomen in het Omgevingsplan van gemeente Brielle. Hierin wordt beschreven dat bij alle ontwikkelingen het tegengaan van verdere verrommeling en versnippering van het gebied een vereiste is door een goede landschappelijke inpassing. In paragraaf 4.7 en in de landschappelijke beoordeling (Bijlage 4) wordt hier verder op in gegaan. Figuur 5.15: De Noordrand Voorne-Putten (Geuzenlinie)
* Bron: Gebiedsperspectief Noordrand Geuzenlinie Voorne-Putten
5.7.3 Conclusie Windproject Brielse Brug doet geen afbreuk aan archeologie en overige cultuurhistorische waarden in het plangebied en de omgeving ervan. Voor het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 86
5.8 Water 5.8.1 Toetsingskader Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de ordende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, et cetera te voorkomen. De verplichte watertoets is geregeld in de artikelen 3.1.1. en 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Vanaf het begin van de planvorming dient overleg gevoerd te worden tussen bevoegd gezag, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebied specifieke ruimtelijke uitgangspunten. Hierbij geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en dat de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen en afvoeren' moet worden gehanteerd.
Keur waterschap Hollandse Delta Het plangebied ligt in het werkgebied van het waterschap Hollandse Delta. De Keur van het Waterschap Hollandse Delta 2014 is van kracht op de waterhuishouding in het plangebied. Bijbehorende leggers bepalen het toepassingsgebied van de keur. Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Het kan zijn dat er een watervergunning op basis van de Keur en bijbehorende algemene regels nodig is, dat kan zijn voor wateronttrekking, aanpassingen in het watersysteem en het werken in of nabij een waterkering. De watervergunning wordt aangevraagd in latere instantie, na verdere uitwerking van de benodigde maatregelen, en zijn niet noodzakelijk in het kader van deze ruimtelijke procedure.
5.8.2 Onderzoek Veiligheid Het waterschap kent primaire keringen (deze liggen voornamelijk langs de grote rivieren) en regionale waterkeringen. Het waterkerend vermogen van de dijken mag niet worden aangetast door ruimtelijke ingrepen. De huidige sterkte van de waterkering blijft nodig. In en in de directe omgeving van de windturbines liggen geen primaire waterkeringen. Wel ligt er een compartimenteringskering, een waterkering dat de functie vervult bij een doorbraak van een primaire waterkering doordat ze een dijkring (tijdelijk) compartimenteren (zie Figuur 5.16).
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 87
Compartimenteringskeringen zijn regionale waterkeringen en worden ook wel secundaire waterkeringen genoemd44. Volgens het Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk (de compartimenteringskering) of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen te vervoeren of te laten liggen. De beoogde windturbines zullen niet gebruik maken van de waterstaatswerken en bijbehorende beschermingszone. In paragraaf 0 zijn de effecten van de windturbines van Windproject Brielse Brug op de nabijgelegen waterkeringen beschreven. Figuur 5.16: Ligging primaire en regionale waterkeringen in de directe omgeving
Hemelwaterafvoer en waterberging Door het plaatsen van de windturbines wordt verhard oppervlak (de windturbines plus een opstelplaats en een toegangsweg) gecreëerd. Hemelwater dat op dit verharde oppervlak valt, mag niet versneld worden afgevoerd richting oppervlaktewater. Door extra versnelde afvoer van neerslag of verhard oppervlak vermindert de afvoer- en bergingscapaciteit van het watersysteem dat in beheer is bij het waterschap. Deze capaciteit moet in veel gevallen echter behouden blijven om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat. Het waterschap hanteert voor het omgaan met hemelwater de trits 'vasthouden bergen - afvoeren'. Vasthouden van water (neerslag) in het gebied zelf verdient de voorkeur boven het 44
Volgens de IPO Richtlijn Visie op Regionale Waterkeringen wordt tegenwoordig gesproken over compartimenteringskeringen i.p.v. secundaire Waterkeringen. Dit is ook het geval binnen het beleid van Waterschap Hollandse Delta. Totdat de Provincie Zuid-Holland gereglementeerde en genormeerde compartimenteringskeringen en daar bijhorende compartimenten heeft aangewezen, kan men ook nog steeds van secundaire waterkeringen spreken. Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 88
bergen en uiteindelijk afvoeren van water. Door meer verhard oppervlak komt water eerder tot afvoer naar het watersysteem van waterschappen, waardoor waterschappen weer genoodzaakt kunnen worden elders de afvoer- en bergingscapaciteit te vergroten. Met het vergroten van de afvoer- en bergingscapaciteit wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. Volgens de Keur is het dan ook verboden om zonder watervergunning neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen. Dit verbod wordt vrijgesteld, op basis van de algemene regels van waterschap Hollandse Delta, wanneer het totaal oppervlak aan nieuw verhard oppervlak in landelijk gebied niet meer bedraagt dan 1.500 m2. Voor de omvang van de kraanopstelplaatsen wordt uitgegaan van een omvang van 40 bij 60 meter (2.400 m2) per windturbine. Daarnaast wordt een fundering aangelegd, uitgegaan wordt van een diameter van maximaal 30 meter (maximaal 710 m 2) per windturbine, en moeten er onderhoudswegen worden aangelegd met een breedte van circa 5 meter (maximaal circa 5.000 m2 nieuwe (weg)verharding (zie paragraaf 4.5) en één inkoopstation (40 m2). Het verhard oppervlak neemt met de beoogde ontwikkeling toe met maximaal ongeveer 11.260 m 2.
Dit totale hoeveelheid verhard oppervlak is echter zeer afhankelijk van de mogelijkheden en routes van de bouwwegen, kraanopstelplaatsen, inkoopstations en overige werken. Deze werken en bouwwerken zullen in een vervolgfase worden bekeken en maakt geen onderdeel van de huidige ruimtelijke procedure. Omdat het verhard oppervlak met meer dan 1.500 m2 toeneemt in landelijk gebied, moet er een berging worden gecreëerd. Relevant voor de aanleg van het windproject is de wijze waarop met afstromend wegwater en water van opstelplaatsen wordt omgegaan. Maatregelen kunnen bestaan uit het niet aanleggen van riolering, maar het direct afvoeren van water via het maaiveld. Ook kan er worden gekozen voor het aanleggen van (meer)half open verharding, zodat het water wel kan infiltreren. Tevens kunnen naast wegen, fundaties en opstelplaatsen extra sloten gecreëerd worden, waardoor het waterbergend vermogen toeneemt. De noodzaak, maatregelen en hoeveelheid van de benodigde berging wordt in overleg met het waterschap bepaald. Wanneer het windproject op zich wordt bekeken is ter plaatse voldoende planologische ruimte om hemelwater vertraagd af te voeren door de ligging in agrarisch gebied. Er is een watervergunning nodig op basis van de Keur. Deze watervergunning is niet noodzakelijk in het kader van de ruimtelijke procedure.
Invulling van een eventuele compensatie wordt dan nader afgestemd met het waterschap.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 89
Oppervlaktewater Op grond van de Keur van Waterschap Hollandse Delta geldt een watervergunningplicht voor het verrichten van handelingen in het profiel van vrije ruimte (beschermingszones) van oppervlaktewateren. De beschermingszone van de watergangen in het beheer van Waterschap Hollandse Delta liggen tussen de 2 tot 5 meter gerekend vanaf de insteek van de watergang. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in het toevoegen van verharding en bebouwing in het profiel van vrije ruimte. De twee windturbines blijven met hun fundatie buiten het profiel van vrije ruime. Wel is er sprake van overdraai. Voor overdraai over watergangen geldt dat geen ontheffing of vergunning op basis van de Keur nodig is.
Grondwatersysteem Wanneer de funderingen niet op het maaiveld geplaatst worden is er voor de aanleg van de fundering van de windturbine mogelijk (tijdelijk) grondwateronttrekking nodig. Ook voor het aanleggen van eventuele duikers is wellicht kortdurend grondwateronttrekking nodig. Vermoedelijk kan de benodigde grondwateronttrekking volstaan met een melding. Dit op basis van de gestelde eisen voor een vrijstelling op basis van de algemene regels van waterschap Hollandse Delta (Algemene regel GW 1, artikel 1, lid 2, onder a t/m d). In de uitgangssituatie heeft de realisatie van de windturbine geen invloed op de grondwaterstanden en veroorzaakt daarnaast geen grondwateroverlast.
Watertoets De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van water huishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de water huishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om water huishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Over deze wijze van omgaan met de waterhuishouding vindt afstemming plaats met het waterschap in de kader van de watertoets en overleg met instanties. De resultaten van deze afstemming worden betrokken bij besluitvorming. De eventueel benodigde watervergunning en eventuele afstemming daarover volgt haar eigen procedure.
5.8.3 Conclusie De windturbines hebben geen negatief effect op de waterhuishouding. Een watervergunning is mogelijk nodig voor waterberging en eventueel voor grondwaterbemaling. De vergunningen zijn niet noodzakelijk in het kader van de ruimtelijke procedure. Rekening houdend met de (eventueel) benodigde vergunning is er voor het aspect water sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 90
5.9 Bodem 5.9.1 Toetsingskader Op grond van de Wet bodembescherming (Wbb) moet, in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project, rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak (ernstige verontreinigingen). In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren).
5.9.2 Onderzoek Vanuit de functie van windturbines worden geen eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem, omdat er geen personen verblijven. Voor moderne windturbines geldt dat er geen sprake is van potentieel bodembedreigende activiteiten. Bij aan- of afvoer van grond wordt uiteraard aan het Besluit bodemkwaliteit voldaan. In de bodemkwaliteitskaart van gemeente Brielle is de bodemkwaliteit van het plangebied van Windproject Brielse Brug geclassificeerd als AW2000 en heeft de functie ‘Landbouw/Natuur’. Voor de kwaliteitsklasse AW2000-grond kan feitelijk gesproken worden van schone grond of van altijd vrij toepasbare grond.
5.9.3 Conclusie Het realiseren van de windturbines heeft geen invloed op de bodemkwaliteit; de kwaliteit van de grond verslechtert niet. Bij het realiseren van de turbines wordt een bodemonderzoek uitgevoerd. Indien de grond verontreinigd is, worden passende maatregelen genomen. Ook tijdens de gebruiksfase zorgen de turbines niet voor verslechtering van de bodemkwaliteit.
5.10 Vliegverkeer en radar 5.10.1 Toetsingskader De bouw van windturbines kan van invloed zijn op het vliegverkeer in Nederland, met name de hoogte van windturbines is daarbij relevant. Voor het vliegverkeer is het van belang dat de vliegveiligheid en de werking van radar- en communicatieapparatuur45 (CNS-systemen) te allen tijde kan worden gegarandeerd. Voor het veilig gebruik van luchthavens voor de militaire en civiele luchtvaart zijn obstakelbeheersvlakken46 (OLS) ingesteld waarbinnen hoogtebeperkingen gelden. Nederland kent daarnaast één planologisch beschermde laagvliegroute (laagvliegroute 10) voor militaire jacht- en transportvliegtuigen waarbij een bouwhoogtebeperking geldt. Plaatsing van windturbines kan ook mogelijk leiden tot verstoring van de radar. Dat geldt voor zowel radar ten behoeve van de militaire als de civiele luchtvaart. Afhankelijk van de locatie, afmetingen, types en aantal windturbines kan een windproject een verstorende werking hebben op de CNS-systemen van de luchtverkeersleiding voor burgerluchtvaart of de radarposten van Defensie.
45
Dit wordt ook wel aangeduid als CNS-systemen dat staat voor het Engelse communication, navigation, and surveillance systems. 46 Deze worden ook vaak aangeduid met het Engelse begrip obstacle limitation surfaces (OLS) Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 91
Voor de militaire radarposten in Nederland moet binnen een straal van 75 kilometer van een radarpost worden gekeken of windturbines de radar niet teveel verstoren en moet een plan ter goedkeuring aan Defensie worden voorgelegd. Het beleid over verstoringsgebieden rond militaire radars van het Ministerie van Defensie is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en zijn nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Er dient een minimale dekkingsgraad van 90% op 1.000 voet in stand te blijven om een goede werking van de radar te garanderen.
5.10.2 Onderzoek Vliegverkeer De windturbines bevinden zich buiten de obstakelvlakken van Rotterdam The Hague Airport, de dichtstbijzijnde burgerluchthaven (zie Figuur 5.17). Dit omvat de obstakelvlakken ter bescherming van de opstijg- en aanvliegroutes. Dit zijn de twee uiteinden van de obstakelvlakken, de uiteinden van de “vlinderstrik” vorm in Figuur 5.17. Buiten de obstakelvlakken vliegen vliegtuigen nog op dermate hoogte dat er geen belemmering voor windturbines bestaat. De windturbines liggen op ruime afstand van overige burgerluchthavens, zweefvliegluchthavens, helikopterluchthavens of militaire luchthavens, dat er geen belemmering voor windturbines bestaat. Figuur 5.17: Rotterdam The Hague Airport en bijbehorende obstakelvlakken & overige vliegvelden (helikopter, recreatie vluchten, etc.)
Bron: RVO – viewer hoogtebeperkingen luchtvaart
Laagvlieggebied
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 92
De windturbines van windproject liggen niet in de beschermde laagvliegroute 10. Ze liggen wel in het laagvlieggebied Voorne-Putten / Hoeksewaard (GLV10), zie Figuur 5.18. Dit laagvlieggebied is een oefengebied voor Helikopers van Defensie. Dit laagvlieggebied is niet planologisch beschermt. Wanneer er gestart wordt met de bouw van Windproject Brielse Brug zal dit gecommuniceerd worden naar het Ministerie van Defensie zodat de piloten er rekening mee kunnenhouden tijdens de vluchten in het gebied. Het plan is voorgelegd aan de Inspectie voor Infrastructuur en Transport (ILenT) ter toetsing. ILenT heeft per e-mail d.d. 4-1-2022 laten weten dat er geen bezwaar is tegen de realisatie van Windproject Brielse Brug omdat er zich geen beperkingsvlakken (in het beheer van ILenT) boven de locatie liggen. Vanuit ILenT is verder onderzoek hier dan ook niet nodig. CNS-apparatuur Windproject Brielse Brug bevindt zich in de werkingssfeer (toetsingszone) van het CNS-systeem VDF Maasland (zie Figuur 5.18). Om inzicht te krijgen in de haalbaarheid van Windproject Brielse Brug zonder dat de vliegveiligheid in het geding komt heeft LVNL de effecten van Windproject Brielse Brug op de correcte werking van het CNS-systeem VDF Maasland getoetst.
Toetsing heeft uitgewezen dat de uitvoering van windproject Brielse Brug, bestaande uit twee windturbines, geen negatieve invloed zal hebben op de correcte werking van VDF Maasland (zie Bijlage 6). Figuur 5.18: Laagvlieggebied GVL10 en CNS-systeem VDF Maasland
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 93
Defensieradar Het Rarro schrijft verstoringsgebieden voor waarbinnen de radarverstoring moet worden getoetst. Voor deze gebieden wordt een normprofiel aangehouden die voor windturbines loopt tot 75 kilometer van de radarposten. Er wordt binnen de regeling op dit moment rekening gehouden met de zes Military Approach en Surveillance System (MASS) verkeersleidingsradars (te Leeuwarden, Twenthe, Soesterberg, Volkel, Woensdrecht en De Kooy in den Helder) en de civiele TAR West radar bij Schiphol. Naast de verkeersleidingsradars zijn er ook twee militaire gevechtsleidingsradars te Wier (Noord Friesland) en Nieuw Milligen (op de Veluwe), opgenomen in de regeling. Deze laatste zal op termijn worden vervangen door een nieuwe SMART-L radar op de locatie Herwijnen. Windproject Brielse Brug valt binnen de toetsingsvlakken van drie radars (zie Figuur 5.19) namelijk; •
TAR Schiphol West
•
Herwijnen
•
Woensdrecht
Figuur 5.19: Toetsingsvlakken (75 km) radarposten overlappend met windproject Brielse Brug
Door TNO is een radarverstoringsonderzoek uitgevoerd op basis van de maximale afmetingen van de geplande windturbines in de 7-8 MW-klasse (zie Bijlage 7). In haar onderzoek heeft TNO rekening gehouden met de nieuwe steunradar (infill radar) nabij de radarpost Wemeldinge. Aangezien er nog geen volledige zekerheid is over de plaatsing van de gevechtsleidingsradar op de beoogde locatie Herwijnen, heeft TNO in haar onderzoek ook de alternatieve locaties meegenomen in haar berekeningen. Voor het onderzoek omtrent windproject Brielle zijn dat de drie alternatieve locaties Goudriaan, Meerkerk en Nieuwpoort.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 94
Voor de afmetingen van de nieuwe windturbines is voor de berekeningen uitgegaan van een worst-case windturbine uit de 7-8 MW klasse. TNO heeft deze windturbine met worst-case afmetingen gedefinieerd uit de reeks turbines die TNO thans in haar bestand heeft op basis van het opgewekt vermogen tussen de 6.5 en 8.4 MW, een maximale ashoogte van 167 meter ten opzichte van de fundatie en 169 meter t.o.v. het maaiveld en een maximale rotordiameter van 164 meter. Bij toepassing van een specifieke windturbine met realistische afmetingen uit een zelfde of lagere vermogensklasse en waarbij de maximaal getoetste ashoogte en rotordiameter niet wordt overgeschreden, zullen de berekende effecten op de radars geringer zijn. TNO heeft de verstoring op de primaire verkeersleidingsradarnetwerk en gevechtsleidingsradars als gevolg van radarreflectie en schaduweffect berekend met behulp van het radarhinder simulatiemodel PERSEUS. Voor beide radars geldt dat op de locatie van Windproject Brielse Brug een minimale detectiekans van 90% op een toetsingshoogte van 1000 voet. Voor Windproject Brielse Brug geldt dat voor zowel de primaire verkeersleidingsradarnetwerk als de gevechtsleidingsradars voldoen aan de gehanteerde 2022 norm.
Het radarverstoringsonderzoek voor de twee windturbines van Windproject Brielse Brug is beoordeeld door het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK) van het Ministerie van Defensie en vervolgens heeft het ministerie een verklaring van geen bezwaar (VVGB) vanuit radarverstoring afgegeven. Deze verklaring van geen bezwaar is afgegeven d.d.28 juni 2022 (zie Bijlage 8). Het radarverstoringsonderzoek, in combinatie met de verklaring van geen bezwaar, toont aan dat er vanuit radarverstoring sprake is van een ruimtelijk uitvoerbaar plan voor het aspect defensieradar.
5.10.3 Conclusie Vanuit de aspecten vliegverkeer en radar is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Ruimtelijke onderbouwing 720135 | Windproject Brielse Brug | V5.0 | 31-8-2023 Pagina 95