Volledige tekst Verordening Fysieke Leefomgeving eerste wijziging tbv raad 25 september 2025
Tekst van het document
Verordening Fysieke Leefomgeving Voorne aan Zee, eerste wijziging Intitulé Verordening Fysieke Leefomgeving Voorne aan Zee, eerste wijziging De raad van de gemeente Voorne aan Zee besluit: Gelet op het bijbehorende raadsvoorstel; Gelet op de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024; Besluit:
1. De Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) Voorne aan Zee vast te stellen en in werking te laten treden op 1 januari 2024;
2. De volgende restverordeningen vast te stellen en in werking te laten treden op 1 januari 2024: • Restverordening Afvalstoffenverordening Voorne aan Zee 2019 (grondgebied voormalige -gemeente Brielle); • Restverordening Afvalstoffenverordening Voorne aan Zee 2016 (grondgebied voormalige gemeente Westvoorne); • Restverordening Erfgoedverordening Voorne aan Zee 2017 (grondgebied voormalige gemeente Brielle); • Restverordening Erfgoedverordening Voorne aan Zee 2008 (grondgebied voormalige gemeente Westvoorne); • Restverordening Monumentenverordening Voorne aan Zee 2007 (grondgebied voormalige gemeente Hellevoetsluis).
3. De Restverordening Afvalstoffenverordening Voorne aan Zee 2025 (grondgebied voormalige gemeente Hellevoetsluis) die op 1 oktober 2025 in werking treedt als Bijlage toe te voegen.
VERORDENING FYSIEKE LEEFOMGEVING, EERSTE WIJZIGING 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Begripsomschrijving
1.Badstrand: het zeestrand met daarbij de droog liggende banken tussen de strandpalen 12.000 en 13.300;
2.College: het college van burgemeester en wethouders;
3.Duingebied: het gebied bestaande uit duinen, bossen, graslanden en daarin gelegen wateren;
4.Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoed register;
5.Gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: groep van onroerende zaken die van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, zijn onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel zijn wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groep zich één of meer monumenten bevinden;
6.Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
7.Haven: alle openbare wateren in de: o
a. gemeentehavens van Brielle en Zwartewaal, met inbegrip van de aan de Brielse Maas en het Brielse Meer grenzende mondingen en de daarbij behorende glooiingen, wallen, dammen en kaden;
o
b. Heliushaven, de Haaven, het Groote Dok, de Koopvaardijhaven, de Tramhaven en het Kanaal door Voorne (tot aan de brug van het winkelcentrum) en de daarbij behorende glooiingen, wallen, dammen en kaden.
8.Havenmeester: de door burgemeester en wethouders als zodanig benoemde persoon, alsmede diens plaatsvervanger(s).
9.Inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, bijvoorbeeld een huisvuilniszak, minicontainer, afvalemmer, kca-box of big bag, ten behoeve van één huishouden;
10.Inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd (e) bewaarmiddel of -plaats, bijvoorbeeld een verzamelcontainer, wijkcontainer of brengdepot, ten behoeve van meerdere huishoudens;
11.Kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst; onder kerkelijk wordt ook verstaan levensbeschouwelijk in ruime betekenis van het woord;
12.Ligplaats: een gedeelte van de gemeentelijke haven, ingericht, geschikt gemaakt, uit eigen aard of door omstandigheden van buitenaf te gebruiken voor het meren van een vaartuig;
13.Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
14.Openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;
15.Parkeren: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het reglement verkeersregels en verkeersteken 1990;
16.Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
17.Schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting.
18.Schipper: degene die op een vaartuig met de leiding is belast of feitelijk de leiding in handen heeft, of bij afwezigheid van deze, de eigenaar of gebruiker van het vaartuig;
19.Strand: het zeestrand met daarbij de droog liggende banken met uitzondering van de stranden in het beheer bij het Recreatieschap;
20.Vaartuig: elk drijvend voorwerp, gebruikt of in staat om te worden gebezigd als middel van vervoer te water, met inbegrip van houtvlotten en pontons, onverschillig of deze al dan niet dienen tot het dragen van daarop geplaatste werktuigen of inrichtingen;
21.Vaste ligplaats: een ligplaats, welke krachtens een daartoe aangegane vergunning of overeenkomst gedurende de daarin bepaalde periode mag worden ingenomen.
22.Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen;
23.Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
24.Woonschip: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot, dag- of nachtverblijf van een of meer personen;
Artikel 1:2 Beslistermijn
Tenzij anders bepaald gelden voor de artikelen in hoofdstuk 2 tot en met 11 de volgende beslistermijnen:
1. Het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.
Artikel 1:3 Indiening aanvraag Tenzij anders bepaald gelden voor de artikelen in hoofdstuk 2 tot en met 11 de volgende voorschriften voor de indiening van de aanvraag:
1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.
2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Tenzij anders bepaald gelden voor de artikelen hoofdstuk 2 tot en met 11 de volgende voorschriften en beperkingen:
1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Voor de artikelen in hoofdstuk 2 tot en met 11 geldt dat de vergunning of ontheffing persoonsgebonden is, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing Tenzij anders bepaald gelden voor de vergunningen en ontheffingen in hoofdstuk 2 tot en met 11 de volgende regels:
1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, geschorst of gewijzigd als: o
a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
o
b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
o
c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
o
d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
o
e. de houder dit verzoekt.
Artikel 1:7 Termijnen
1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden Tenzij anders is bepaald gelden voor de artikelen in hoofdstuk 2 tot en met 11 dat de vergunning of ontheffing door het bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan kan worden geweigerd in het belang van:
a. de volksgezondheid;
b. de bescherming van het milieu.
2. BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN Artikel 2:1 Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
3.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 2:2 Maken, veranderen van een uitweg
1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: o
a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
o
b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
o
c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
o
d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen."
3.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Artikel 2:3 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd
2.Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
3. MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN OVERLAST, GEVAAR OF SCHADE Artikel 3:1 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien:
a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;
b. daardoor die ingang versperd wordt; of
c. daardoor de doorgang belemmerd wordt.
Artikel 3:2 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
1.Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: o
a. aanwezig te hebben;
o
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels; of
o
c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven.
2.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3:3 Loslopend vee De rechthebbende op alle veesoorten die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 3:4 Duiven
1.De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni van ieder jaar.
2.Het college kan ontheffing verlenen van het gebod.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 3:5 Bijen
1.Het is verboden bijen te houden: o
a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven;
o
b. binnen een afstand van 30 meter van de weg;
o
c. in de Natura 2000 gebieden.
2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
3.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.
4.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
4. BODEM- WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING Artikel 4:1 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. 5. HOUTOPSTANDEN Artikel 5:1 Verbod zonder vergunning vellen houtopstanden
1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden, te vellen of te doen vellen, in de openbare ruimte en op percelen van de woning of het gebouw, met een stamdiameter groter dan 0,5 meter op 1,3 meter hoogte van het maaiveld.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op wilgen en populieren.
Artikel 5:2 Afwijking van artikel 1:8 voor het weigeren van vergunning De vergunning kan, in afwijking van artikel 1:8 in elk geval worden geweigerd op grond van:
a. de natuurwaarde van de houtopstand;
b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;
f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.
Artikel 5:3 Herplantingsplicht/verplantplicht
1.Het college kan nadere verplichtingen opleggen zoals een: o
a. herplantplicht;
o
b. verplantplicht.
2.Het college kan een her- en verplantplicht opleggen als er zonder vereiste vergunning is gekapt.
3.Het college kan aan de plichten uit het eerste en tweede lid extra voorwaarden verbinden.
Artikel 5:4 Bijzondere vergunningsvoorschriften Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van feitelijk niet-gebruik tot het moment van definitief worden van de vergunning, oftewel tot het moment dat:
a. de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is verstreken zonder dat bezwaar of beroep is ingediend;
b. beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening;
c. beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot voorlopige voorziening is gedaan.
6. MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel 6:1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: o
a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
o
b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
o
c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of
o
d.
mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen."
2.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.
3.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
4.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 6:2 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
2.Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.
7. KAMPEREN BUITEN KAMPEERTEREINEN Artikel 7:1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.
2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: o
a. natuur en landschap; of
o
b. een stadsgezicht.
Artikel 7:2 (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden. Artikel 7:3 Aanwijzing kampeerplaatsen
1.Artikel 7:1, eerste lid, en artikel 7:2 zijn niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 7:1, vierde lid.
8. STRAND EN DUIN/NATUURGEBIED Artikel 8:1 Rijden op het strand
1.Het is verboden met een voertuig op het strand te rijden, dan wel enig voertuig op het strand mee te voeren, te plaatsen of te laten staan.
2.Het is verboden met een zeilvoertuig te rijden of een dergelijk voertuig op het strand te hebben.
3.De in het eerste lid gestelde verboden zijn niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt door de gemeente, de politie, de Koninklijke Nederlandse Bond tot het Redden van Drenkelingen (KNBRD), de Koninklijk Nederlandse Redding Maatschappij, of anderszins voor openbare dienst bestemde voertuigen.
4.Het college kan voor het in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
Artikel 8:2 Dieren op het badstrand
1.Het is verboden gedurende het tijdvak van 1 april tot 1 oktober op het badstrand met een rij-of trekdier te rijden en/of te bevinden of zich met een hond te bevinden tussen 08.00 uur en 18.00 uur.
2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op (rij-of trek)dieren, die worden gebruikt door de politie of anderszins voor openbare dienst gebruikte (rij-of trek)dieren.
3.Het verbod in het eerste lid is tevens niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
4.Het college kan voor het in het eerste lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
Artikel 8:3 Recreatieve bedrijfsactiviteiten
1.Het is verboden om op het badstrand en in het gemeentelijk duingebied recreatieve bedrijfsactiviteiten uit te oefenen.
2.Het college kan voor dit verbod ontheffing verlenen.
3.Met het oog op het milieu kan het college nadere regels stellen met betrekking tot het gemeentelijk duingebied.
9. PARKEEREXCESSEN EN STOPVERBOD Artikel 9:1 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke
1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: o
a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
o
b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: o
a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
o
b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: o
a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;
o
b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
4.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
Artikel 9:2 Te koop aanbieden van voertuigen
1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
2.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
Artikel 9:3 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 9:4 Voertuigwrakken
1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.
2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving
Artikel 9:5 Kampeermiddelen en andere voertuigen
1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: o
a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben
o
b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente."
2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 9:6 Reclamevoertuigen
1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Artikel 9:7 Parkeren van grote voertuigen
1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
3.Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met zaterdag, dagelijks van 08.00 uur tot 18.00 uur.
4.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
5.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.
Artikel 9:8 Uitzicht belemmerende voertuigen
1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2.Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 9:9 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park, het duingebied of door het plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.
2.Dit verbod is niet van toepassing op: o
a. de weg;
o
b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; of
o
c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Artikel 9:10 Overlast van fiets of bromfiets
1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
2.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan 21 dagen onafgebroken te laten staan.
3.Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.
10. STANDPLAATSEN Artikel 10:1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van standplaatsen.
3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: o
a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of
o
b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang."
Artikel 10:2 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 10:3 Afbakeningsbepalingen
1.Artikel 10:1, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
2.De weigeringsgrond van artikel 10:1, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
11. OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN Artikel 11:1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
1.Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.
3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.
4.Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking.
5.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 11:2 Ligplaats vaartuigen
1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water, tenzij anders is bepaald in hoofdstuk 13.
2.Het is verboden met een woonschip een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een woonschip beschikbaar te stellen op het openbaar water tenzij anders is bepaald in hoofdstuk 13.
3.In afwijking van het tweede lid kan het college gedeelten van openbaar water aanwijzen waar het verbod van het tweede lid niet van toepassing is.
4.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: o
a. nadere regels stellen in het belang van de volksgezondheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;
o
b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door andere wet- en regelgeving.
Artikel 11:3 Aanwijzingen ligplaats Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de volksgezondheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. Artikel 11:4 Beschadigen van waterstaatswerken
1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.
2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 11:5 Verbod gebruik mechanisch voertuig Put van Heenvliet
1.Het is verboden met een mechanisch voortbewogen vaartuig te varen in de Put van Heenvliet.
2.Door het college kan ontheffing worden verleend van het in het eerste lid omschreven verbod voor zover het betreffen: o
a. vaartuigen van de politie, Rijkswaterstaat, de Domeinen en andere rijksdiensten;
o
b. vaartuigen toebehorende aan of uitsluitend gebezigd voor werken ten behoeve van de gemeente Brielle, het waterschap "Hollandse Delta" en het recreatieschap ""Groenvoorziening Zuid Holland"; en
o
c. bedrijfsvaartuigen van de gemeente Voorne aan Zee.
12. HAVEN Artikel 12:1 Ankeren
1.Het is verboden ankers of dreggen uit te zetten in de haven.
2.Het college kan een vergunning verlenen voor het verbod in lid 1, mits de ankers zijn voorzien van een boei, die aan een anker met een boeireep is verbonden.
Artikel 12:2 Gevaar opleverende vaartuigen / gevaarlijke lading Het college is bevoegd vaartuigen, die gevaar opleveren voor de bevaarbaarheid van de haven, de havenwerken en/of de zich in de haven bevindende vaartuigen, of wier ladingen gevaar opleveren voor de openbare gezondheid of het normale verkeer in de haven ernstig zullen belemmeren, de toegang tot de haven te ontzeggen en indien de vaartuigen zich reeds in de haven bevinden, daaruit te verwijderen. Artikel 12:3 Ligplaats havenmond
1.Het is verboden met een vaartuig ligplaats te kiezen binnen een afstand van 100 meter voor de havenmond of zich daar op andere wijze onnodig op te houden.
2.Het is verboden met een vaartuig aan te leggen of ligplaats te kiezen binnen een afstand van 100 meter van de havenmond.
3.Onder havenmond wordt in dit artikel verstaan het gebied tussen de havenlichten bij de ingang van de haven.
Artikel 12:4 Palen, getimmerte en dergelijke in het water Het is verboden zonder vergunning van het college:
a. palen of getimmerten in de haven te plaatsen of geplaatst te hebben;
b. in, onder of over de haven kabels, kettingen, touwen of draden, voor zover niet dienende tot het meren of slepen van vaartuigen, te leggen of te hebben;
c. de haven op enigerlei wijze te overdekken dan wel daarop of daarboven een werkplaats of bergplaats te hebben
Artikel 12:5 Ligplaatsen
1.Het is een schipper verboden om zonder vergunning of overeenkomst met een vaartuig in de haven een vaste ligplaats in te nemen.
2.Het is verboden een ligplaats in de haven in te nemen buiten de door het college of havenmeester aangewezen plaatsen.
3.Het college is bevoegd nadere regels te stellen omtrent het innemen van ligplaatsen.
4.Het is verboden met een vaartuig te meren: o
a. op een plaats waarvoor het college een meerverbod heeft vastgesteld; en
o
b. op een plaats waarvoor het college heeft bepaald dat deze is bestemd voor nader aangeduide categorieën van vaartuigen en waartoe het naar meergelegenheid zoekende vaartuig niet behoord.
Artikel 12:6 Vergunning ligplaats woonschip
1.Een vergunning voor het hebben van een ligplaats voor een woonschip wordt door het college verleend voor maximaal twee woonschepen die ligplaats hebben op de twee aangewezen plaatsen in het Kostverloren.
2.Een vergunning voor het hebben van een vaste of een tijdelijke ligplaats voor andere vaartuigen dan bedoeld in het eerste lid wordt verleend door het college.
3.Vergunning of toestemming voor het innemen van een ligplaats kan worden geweigerd: o
a. indien de beschikbare ruimte in de haven daartoe aanleiding geeft;
o
b. voor een vaartuig met een lengte van 19 meter of meer; of
o
c. indien het schip een zodanige uiterlijke verschijning heeft of in een zodanige toestand verkeert, dat het verblijf in de haven niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
4.Een vergunning kan worden ingetrokken in het geval dat: o
a. de vergunning is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de kant van de aanvrager;
o
b. zich na het verlenen van de vergunning zodanig feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan dat niet tot het verlenen ervan zou zijn overgegaan als op dit moment een vergunning zou zijn aangevraagd;
o
c. de gestelde voorschriften en/of beperkingen aan de vergunning niet of niet volledig worden nagekomen;
o
d. strijd ontstaat met belangen die ten grondslag liggen aan de betrokken bepalingen; of
o
e. geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning binnen een door het college wethouders nader aangegeven termijn.
Artikel 12:7 Wonen, overnachten en passanten
1.Het is verboden een schip of vaartuig te gebruiken als woon- en nachtverblijf.
2.In afwijking van het eerste lid mag een schip of vaartuig voor maximaal 3 dagen worden gebruikt als woon- en nachtverblijf voor recreatieve doeleinden buiten de passantenhaven.
3.In afwijking van het eerste lid mag een schip of vaartuig worden gebruikt als woonen nachtverblijf voor recreatieve doeleinden in de passantenhaven.
4.Tussen 1 april en 1 oktober is de passantensteiger, gelegen aan het Maarland Zuidzijde in Brielle ter hoogte van huisnummers 1 tot en met 23, uitsluitend bedoeld voor passanten.
Artikel 12:8 Verbod op veroorzaken van geluids- en lichthinder Het is verboden om op een in de haven liggend vaartuig zonder noodzaak geluids- of lichtsignalen te geven, dan wel anderszins voor de omgeving geluids- of lichthinder te veroorzaken. Artikel 12:9 Verbod op het gebruik van aggregaten
1.Het is verboden zonder vergunning van het college in de haven of op de kade aggregaten te gebruiken voor het opwekken van energie.
2.Een vergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend als er: o
a. niet voldoende walvoorzieningen aanwezig zijn voor het opwekken van energie; en
o
b. het gebruik van de aggregaat geen hinder zal opleveren voor de omgeving.
Artikel 12:10 Herstellen en slopen Het is verboden zonder vergunning van het college in de haven schepen te bouwen, te verbouwen, ingrijpende werkzaamheden uit te voeren of deze te slopen.
Artikel 12:11 Opleggen schepen Het is verboden zonder vergunning van het college een schip tijdelijk of blijvend op een kade te plaatsen. Artikel 12:12 Reinheid van de haven/ stoffen in het water Het is verboden van de wal of overboord in het water van de haven te werpen, te laten vallen, te pompen of te doen vloeien:
a. zinkende voorwerpen;
b. oliën, schadelijke vloeistoffen, kleurstoffen, vuilnis, afval, fecaliën en dergelijke voorwerpen en stoffen.
Artikel 12:13 Kade Het is verboden zonder vergunning van het college (haven)goederen of andere voorwerpen tijdelijk of blijvend op een kade te plaatsen. Artikel 12:14 Afwijkingsbevoegdheid
1.Het college is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van het in dit hoofdstuk bepaalde.
2.In de gevallen waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist het college.
13. AFVAL Artikel 13:1 Doelstelling/toepassingsbereik De toepassing van dit hoofdstuk is gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen. Artikel 13:2 Aanwijzing van inzamelplaats Het college zorgt voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel 13:3 Wijze van aanbieding Het college kan nadere regels stellen inzake de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen met inbegrip van grof huishoudelijk afval op de in artikel 13:2 bedoelde inzamelplaats dient te worden achtergelaten. Artikel 13:4 Algemene verboden
1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: o
a. ter inzameling aan te bieden of over te dragen aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar die daartoe gerechtigd is; of
o
b. achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 13:2.
2.Het is anderen dan gebruikers van percelen verboden om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden.
Artikel 13:5 Locatie huishoudelijke afvalinzameling Het college stelt regels over de locaties van de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen bij of nabij elk perceel. Artikel 13:6 Wijze en plaats van aanbieding
1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de aanwijzing en het gebruik van: o
a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;
o
b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling bij of nabij een perceel.
2.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de (tijdelijke) plaats van aanbieding.
Artikel 13:7 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen
1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de wijze en plaats van inzameling van bedrijfsafvalstoffen.
2.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen.
Artikel 13:8 Dumpingsverbod
1.Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te verbranden, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op: o
a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met dit hoofdstuk;
o
b.
het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; en o
c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 13:9 Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met dit hoofdstuk aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 13:10 Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken. 14. ERFGOED Artikel 14:1 Gebruik monument Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument. Artikel 14:2 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst
1.Het college registreert het gemeentelijk monument op de gemeentelijke monumentenlijst.
2.De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.
Artikel 14:3 Wijziging van de aanwijzing
1.Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen.
2.Artikel 14:7 en artikel 14:8 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.
3.Indien de wijziging naar het oordeel van het College van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van artikel 14:7 en artikel 14:8, achterwege.
4.De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.
Artikel 14:4 Intrekken van de aanwijzing
1.Indien het college de aanwijzing intrekt is artikel 14:7 en artikel 14:8 van overeenkomstige toepassing.
2.De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.1 van de Erfgoedwet of de provinciale omgevingsverordening.
3.De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.
Artikel 14:5 Aanwijzing gemeentelijk monument
1.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.
2.Dit artikel is niet van toepassing op: o
a. rijksmonumenten, en
o
b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.
Artikel 14:6 Voornemen tot aanwijzing
1.Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 14:5, eerste lid, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
2.Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.
Artikel 14:7 Voorbescherming
1.De bescherming van de artikelen 14:11, 14:12 en 14:13 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 14:6, eerste lid is bekendgemaakt.
2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 14:8 Advies gemeentelijke adviescommissie
1.Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 14:5, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de Verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Voorne aan Zee.
2.De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.
Artikel 14:9 Aanwijzing voorlopig gemeentelijk monument
1.In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 14:8 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.
2.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 14:5, eerste lid.
3.De artikelen 14:11, 14:12 en 14:13 zijn van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument.
Artikel 14:10 Wijziging gemeentelijk erfgoed register, vervallen aanwijzing monument
1.Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.
2.Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zijn de artikelen 14:5, 14:6, 14:7, 14:8, 14:9 en 14:10, eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 14:11 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 14:12 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument
1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: o
a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of
o
b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op: o
a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of
o
b.
inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.
3.Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 14:13 Weigeringsgronden omgevingsvergunning
1.De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.
2.Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.
Artikel 14:14 Aanwijzing als beschermd/bekend gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezichten
1.De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
2.Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 14:8. Artikel 14:8 is van overeenkomstige toepassing.
3.De gemeenteraad beslist binnen [26] weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid.
4.Een aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
5.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.
6.Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt.
7.Dit artikel is niet van toepassing op een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die bepaling gold voor inwerkingtreding van de omgevingswet.
Artikel 14:15 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
1.De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 14:14, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 14:14, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd
stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet.
3.Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 14:16 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning
1.Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen.
2.Artikel 14:13 is van overeenkomstige toepassing.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
15. STRAFBEPALINGEN, TOEZICHT EN FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 15:1 Strafbepalingen
1.Overtreding van het bij of krachtens hoofdstuk 2 tot en met 11 en 14 bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, met uitzondering van de artikelen 2:1 en 5:1 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2.Overtreding van het bij of krachtens hoofdstuk 12 bepaalde en de op grond van hoofdstuk 12 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met ten hoogste een geldboete van de tweede categorie.
3.Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 13:4 en 13:6 tot en met 13:10 bepaalde is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onderdeel 3, Wet op de economische delicten.
Artikel 15:2 Toezicht Met het toezicht op de naleving zijn van de bepalingen in de hoofdstukken 2 tot en met 11 zijn belast:
a. opsporingsambtenaren, zoals genoemd in artikel 141 en 142 Wetboek van Strafvordering; en
b. bij besluit van het college aangewezen personen.
Artikel 15:3 Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 12 zijn belast:
a. de door het college aangewezen havenmeester, en bij afwezigheid zijn plaatsvervanger;
b. de algemene en bevoegde bijzondere opsporingsambtenaren van de politie en de Koninklijke Marechaussee; en
c. de overige door het college hiertoe aangewezen personen.
Artikel 15:4 Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen uit hoofdstuk 13 zijn belast de krachtens artikel 5.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die bepaling gold voor inwerkingtreding van de omgevingswet, door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren. Artikel 15:5 Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 14 zijn belast de bij besluit van het bevoegd gezag aan te wijzen personen. Artikel 15:6 Financiële bepaling Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in relatie staat tot:
a. de weigering van het college een vergunning als bedoeld in artikel 14:12 te verlenen;
b. de voorschriften door het college verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 14:12;
c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 14:12, derde lid;
16. INTREKKING OUDE VERORDENINGEN Artikel 16:1 De Bouwverordening gemeente Hellevoetsluis 2005, 14e wijziging, Bouwverordening gemeente Westvoorne 2012, Bouwverordening gemeente Brielle 2018 en de Brandbeveiligingsverordening gemeente Hellevoetsluis 2012 worden ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt. 17. CITEERTITEL
Artikel 17:1 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Fysieke Leefomgeving Voorne aan Zee, eerste wijziging.
Ondertekening Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Voorne aan Zee van 21 december 2023 de griffier, drs. A. (Ariette) Goslings de voorzitter, dr. J.P. (Peter) Rehwinkel Bijlagen:
1. Restverordening Afvalstoffenverordening Voorne aan Zee 2019 (grondgebied voormalige gemeente Brielle)
2. Restverordening Afvalstoffenverordening Voorne aan Zee 2016 (grondgebied voormalige gemeente Westvoorne)
3. Restverordening Erfgoedverordening Voorne aan Zee 2017 (grondgebied voormalige gemeente Brielle)
4. Restverordening Erfgoedverordening Voorne aan Zee 2008 (grondgebied voormalige gemeente Westvoorne)
5. Restverordening Monumentenverordening Voorne aan Zee 2007 (grondgebied voormalige gemeente Hellevoetsluis)
6. Restverordening Afvalstoffenverordening Voorne aan Zee 2025 (grondgebied voormalige gemeente Hellevoetsluis)
ALGEMENE TOELICHTING
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Met de Omgevingswet worden weten regelgeving gebundeld die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. De gemeentelijke regelgeving die betrekking heeft op de fysieke leefomgeving wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet samengebracht in één gemeentebreed omgevingsplan. Het omgevingsplan bundelt de huidige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, milieuregels en regels uit overige lokale verordeningen die betrekking hebben op activiteiten in de fysieke leefomgeving. Een deel van de huidige regelgeving wordt van rechtswege gerekend tot het omgevingsplan. Het is wettelijk geregeld dat elke gemeente tot 2030 de tijd heeft een omgevingsplan te maken als bedoeld in de Omgevingswet. De regels uit de plaatselijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving staan nog verspreid over verschillende verordeningen uit de voormalige gemeenten Westvoorne, Hellevoetsluis en Brielle. Per 1 januari 2023 zijn deze gemeente gefuseerd tot de gemeente Voorne aan Zee.
Deze gemeente heeft besloten om als tussenstap naar het omgevingsplan één integrale verordening, de Verordening Fysieke Leefomgeving (hierna: verordening), te maken waarin de regels over de fysieke leefomgeving uit de huidige plaatselijke verordeningen worden gebundeld. 1.2 Doel Het samenstellen van de verordening heeft een tweeledig doel. Enerzijds is met de verordening sprake van een verbetering vanuit dienstverlenend oogpunt. Door het nemen van deze tussenstap kunnen zowel burgers als medewerkers van de gemeente alle regels voor de fysieke leefomgeving op één plek vinden, waardoor sneller kan worden opgezocht welke regels gelden. Anderzijds vormt de verordening een belangrijke bouwsteen voor het omgevingsplan. Met de verordening zijn de volgende stappen al genomen:
Inventariseren van plaatselijke verordeningen;
Analyseren welke regels in het omgevingsplan (kunnen) thuishoren;
Deze regels samenvoegen en ordenen.
De regels uit deze verordening worden na inwerkingtreding van de Omgevingswet verwerkt in het omgevingsplan. Omdat de regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving met deze verordening al zijn gebundeld, is het naar verwachting minder ingrijpend om de regels uit de losse verordeningen in het omgevingsplan te integreren. Alleen bepaalde regels uit hoofdstuk 1 en hoofdstuk 15 zullen niet meegenomen worden naar het omgevingsplan.
1.3 Uitgangspunten De verordening bestaat uit een samenvoeging van regels uit bestaande verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving. Dit is ook het criterium dat de Omgevingswet hanteert voor het opnemen van regels uit verordeningen in het omgevingsplan. Verordeningen en regels die een ander motief hebben, zoals openbare orde en veiligheid, komen daarom niet voor integratie in deze verordening in aanmerking. Het uitgangspunt van het opstellen van deze verordening is ook dat alle regels die in deze verordening voor komen, met uitzondering van algemene regels opgenomen in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 16, uiteindelijk opgenomen worden in het omgevingsplan. In de verordening zijn regels uit de volgende verordeningen opgenomen:
1. Havenverordening Brielle 2017
2. Havenverordening Hellevoetsluis 2013
3. Afvalstoffenverordening van de gemeente Hellevoetsluis 2009 1
4. Afvalstoffenverordening 2019 gemeente Brielle
5. Afvalstoffenverordening Westvoorne 2016
6. Erfgoedverordening 2017
7. Erfgoedverordening gemeente Westvoorne 2008
8. Monumentenverordening Hellevoetsluis 2007
9. Algemene Plaatselijke Verordening Brielle 2015
10. Algemene plaatselijke verordening Westvoorne 2021
11 Algemene plaatselijke verordening Hellevoetsluis 2020
De overgang van de regelingen van de voormalige verordeningen naar deze verordening fysieke leefomgeving ziet in principe niet op inhoudelijke wijzigingen. Omdat Voorne aan Zee een fusiegemeente is en per 1 januari 2024 nieuwe wetgeving van kracht wordt is voor enkele bepalingen een tekstuele aanpassing gedaan. Daarnaast golden sommige regels in een voormalige gemeente wel maar waren deze regels voor andere gemeenten niet opgenomen. In dit geval is het niet altijd wenselijk om beleidsneutraal een nieuwe regel vast te stellen. In deze gevallen is ervoor gekozen de regel op te nemen voor het gehele grondgebied, te laten vervallen of van toepassing te verklaren voor het grondgebied van de voormalige gemeente waar de regel voor gesteld was. Daarnaast zijn enkele bepalingen, ten behoeve van de leesbaarheid, slechts tekstueel gewijzigd en zijn de technische wijzigingen die nodig zijn vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet doorgevoerd. Dit betreft onder andere verwijzingen naar wetten die overgaan naar de Omgevingswet, regelingen die overgaan in de algemene maatregelen van bestuur en het vervallen van het begrip ‘inrichting’. 1.4 Leeswijzer De verordening is opgedeeld in 16 hoofdstukken. Elk hoofdstuk is onderverdeeld in een of meer artikelen. Het eerste hoofdstuk bevat algemene bepalingen. Het gaat om onder andere de begripsbepalingen, beslistermijnen en weigeringsgronden.