Verordening maatschappelijke ondersteuning conceptraadsbesluit
Tekst van het document
Lid 2 Artikel 2.1.3 lid 2b van de wet biedt aan het college de mogelijkheid om in de verordening met betrekking tot het persoonsgebonden budget tariefdifferentiatie aan te brengen (TK vergaderjaar 2013-2014, 33841, nr. 3, pagina 134) Het tarief voor een erkende instelling wordt maximaal vastgesteld op het bedrag van de goedkoopst gecontracteerde ondersteuning in voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Het tarief voor een gekwalificeerde zzp-er is gebaseerd op het tarief van een erkende instelling minus 20% overheadkosten. Bij het inzetten van een pgb voor informele hulp, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor niet-professionele hulp wordt 53
een informeel tarief gehanteerd. De markt voor niet-professionele hulp is een andere dan de markt voor professionele hulp. Niet-professionele hulp betrekt de inwoner in de regel uit het sociale netwerk. Vandaaruit redenerend, is er voor niet-professionele hulp een lager tarief dan voor dezelfde ondersteuning door een professional. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van het bedrag voor een pgb voor de inhuur van iemand uit het sociale netwerk moeten uitgaan van de volgende tarieven: Bij huishoudelijke hulp: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Bij begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Lid 3 In deze bepaling is in feite een minimum vastgelegd voor de hoogte van het pgb in individuele gevallen. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet).
Tegelijkertijd moet het pgb toereikend moet zijn om de zorg en ondersteuning in te kopen (artikel 2.3.6 lid 1 van de wet). Het college moet daarom in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde voorziening kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen voorziening bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Dit uitgangspunt sluit aan bij jurisprudentie over de hoogte van het pgb (CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 2002-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO). Lid 4 De hoogte van het pgb voor vervoer van en naar de dagbesteding is gelijk aan het bedrag wat het college zou moeten betalen voor de gelijkwaardige voorziening in natura bij de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen geschikte gecontracteerde aanbieder. Voor het berekenen van het aantal kilometers tussen de woning van de inwoner en de dagbestedingslocatie baseert het college zich op de kortste route volgens de ANWB routeplanner. Bij het vaststellen van het tarief houdt het college rekening met een eventuele noodzaak tot individueel vervoer of vervoer in een rolstoel.
Lid 5 De minister van VWS is van mening dat zorg en ondersteuning die vanuit sociale en morele overwegingen wordt verricht en vanuit een maatwerkvoorziening betaald wordt via een pgb, niet aangemerkt zou moeten worden als een arbeidsrelatie waarop de Wml van toepassing 54
is. Met de ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk heeft de gemeente per 1 mei 2019 de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor informele hulp uit een pgb, zo te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. Het college heeft ervoor gekozen om deze regeling toe te passen door aan budgethouders die geen arbeidsrelatie met hun informele hulpverlener wensen, per kalendermaand een vaste tegemoetkoming en/of tegemoetkoming voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten te verstrekken. Deze tegemoetkoming valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht. De budgethouder moet een verklaring indienen bij de SVB om de tegemoetkoming uit te laten betalen aan zijn hulpverlener. Een budgethouder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. Lid 6 Respijtzorg in de vorm van kortdurend intramuraal verblijf kan enkel geboden worden door een erkende instelling. Het tarief wordt vastgesteld conform de voorwaarden genoemd in het tweede lid. Kortdurend verblijf kan toegekend worden voor maximaal 72 uur per week en is enkel bedoeld voor inwoners die permanent toezicht nodig hebben. Bij de uitvoering van deze maatwerkvoorziening is er altijd een professionele zorgverlener in de directe nabijheid van de inwoner.
Het zal hierbij in de regel gaan om situaties waarin het niet mogelijk of wenselijk is om een indicatie voor de Wet langdurige zorg aan te vragen.
Lid 7 Respijtzorg in de thuissituatie van de inwoner kan geboden worden door een erkende instelling, een gekwalificeerde zzp’er die voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 12 tweede lid onder b, of door iemand uit het netwerk van de inwoner. In het geval van zorg door iemand uit het netwerk wordt de hoogte van het pgb vastgesteld volgens de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 zoals benoemd in het vijfde lid. Respijtzorg aan huis kan enkel toegekend worden aan inwoners die voortdurend toezicht nodig hebben of waar constant zorg, of zorg op onplanbare tijdstippen noodzakelijk is. Het zal hierbij in de regel gaan om situaties waarin het niet mogelijk of wenselijk is om een indicatie voor de Wet langdurige zorg aan te vragen. Artikel 15. Verrekening Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering is alleen mogelijk wanneer de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien (artikel 4:93 lid 1 Awb). Deze voorziening is getroffen in artikel 3.3, derde lid van het Uitvoeringsbesluit. Dat artikel geeft het college de bevoegdheid tot het verrekenen van een vordering op grond van de Wmo 2015 met vorderingen op grond van de Wmo (2007) of de Participatiewet. De verrekeningsbevoegdheid in het Uitvoeringsbesluit beperkt zich (waarschijnlijk) tot de bijdrage in de kosten en is in het bijzonder opgenomen om de bijdrage voor opvang te 55
kunnen verrekenen met een bijstandsuitkering. Om ook andere vorderingen op grond van de wet te kunnen verrekenen, bijvoorbeeld in het geval van een terug te vorderen pgb, is de bepaling in dit artikel opgenomen. Artikel 16. Opschorting betaling uit het pgb Op grond van dit artikel kan het college aan de SVB-verzoeken pgb betalingen op te schorten als daar een gegronde reden voor is. Hierbij wordt aangesloten bij de gronden zoals vermeld in de wet.
Hoofdstuk 6: Bijdrage in de kosten De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie. In dit hoofdstuk zijn de regels over deze bijdrage in de kosten opgenomen. Artikel 18. Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen of pgb Lid 1 Het college vraagt een bijdrage in de kosten van aan de cliënt, zolang hij gebruik maakt van een maatwerkvoorziening of een pgb. Lid 2, lid 3, lid 4, lid 5 en lid 6 De bijdrage in de kosten wordt vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit. In het derde lid wordt voor bepaalde categorieën personen de verschuldigde bijdrage op nihil vastgesteld. In het vierde lid is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. In het vijfde en zesde is uitgelegd hoe de kostprijs tot stand komt. Lid 7 Conform het uitvoeringsbesluit wordt geen eigen bijdrage geheven over de maatwerkvoorzieningen rolstoelen en collectief vervoer. Daarnaast kiest het college er op basis van het vierde lid voor om geen eigen bijdrage te heffen over de maatwerkvoorziening begeleiding waakvlam.
Deze voorziening wordt doorgaans geïndiceerd na afloop van een traject individuele begeleiding en biedt de mogelijkheid om bij korte vragen of tijdelijke terugval een beroep te doen op ondersteuning. De ondersteuning is niet structureel en soms wordt gedurende langere perioden geen begeleiding geboden. Het college kan daarmee niet garanderen dat voldaan wordt aan de voorwaarde dat hoogte van de bijdrage niet hoger mag zijn dan de kostprijs van de voorziening. Over de verhuiskostenvergoeding wordt enkel geen eigen bijdrage geheven wanneer deze door de inwoner daadwerkelijk gebruikt wordt om te verhuizen. Wanneer de verhuiskostenvergoeding in overeenstemming met het college gebruikt wordt om (een deel van) een bouwkundige woningaanpassing te financieren wordt wel een eigen bijdrage geheven. 56
Lid 8 Conform het uitvoeringsbesluit wordt geen eigen bijdrage geheven over de maatwerkvoorziening collectief vervoer. De inwoner betaalt wel een ritbijdrage aan de vervoerder Lid 9 De eigen bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb wordt voor de gemeente geïnd door het CAK. Voor de bijdrage in de kosten voor opvang geldt een uitzondering (artikel 2.1.4 lid 6 van de wet). Hiervoor moet de gemeenteraad in de verordening een instantie aanwijzen die de bijdrage int. Dit is opgenomen in lid 8.
Lid 10 In dit lid wordt bepaald over welke periode een eigen bijdrage in rekening wordt gebracht. Lid 11 Aan jeugdigen tot 18 jaar kan uitsluitend een bijdrage in de kosten worden opgelegd voor een woningaanpassing (artikel 3.8 lid 4 onderdeel e uitvoeringsbesluit en artikel 2.1.5 van de wet). Voorwaarde voor het kunnen vragen van deze bijdrage in de kosten, is dat dit door de gemeenteraad als zodanig in de verordening is bepaald. Er is voor gekozen om geen bijdrage in de kosten op te leggen. Lid 12 In dit lid is de mogelijkheid beschreven om zorgmijders te ontheffen van eigen bijdrage te wanneer het betalen van deze eigen bijdrage leidt of kan leiden tot het weigeren van zorg waarvan het om uiteenlopende redenen noodzakelijk of wenselijk is dat zij deze wel ontvangen.
Hoofdstuk 7: Bestrijding misbruik Artikel 2.1.3 van de wet verplicht de gemeente om bij verordening regels vast te stellen in verband met de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit hoofdstuk wordt hier uitvoering aan gegeven. Artikel 19.1-19.4 Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening Op grond van artikel 2.1.3, vierde lid van de wet, moet in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Essentieel is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet.
57
Om niet-gebruik, misbruik en oneigenlijk gebruik van een maatwerkvoorziening in natura of een pgb te voorkomen is het allereerst van belang dat de cliënt op de hoogte is van zijn rechten en plichten. Op basis van dit artikel wordt de cliënt hier over geïnformeerd. Het college heeft vervolgens de mogelijkheid om periodiek te onderzoeken of er aanleiding is om de beslissing om een maatwerkvoorziening in natura of een pgb te verstrekken te heroverwegen (artikel 2.3.9 van de wet). Als hier aanleiding toe is, kan het college op grond van artikel 2.3.10 van de wet de beslissing vervolgens herzien of intrekken. Als het college een beslissing intrekt omdat de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, dan kan het college overgaan tot het vorderen van geldswaarde van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening in natura of pgb (artikel 2.4.1, eerste lid van de wet). Tevens kan het college op basis van artikel 19.2 lid 1 een toezichthouder aanwijzen die toeziet op het voorkomen en bestrijden van onrechtmatigheden (= handhaving) . Hoofdstuk 8: Kwaliteit en veiligheid De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen ligt bij de gemeente en de aanbieders.
De gemeente moet in de verordening regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). Ook is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen die een goede verhouding waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening (artikel 2.6.6 van de wet). In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven. Artikel 20. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning De gemeente moet in de verordening bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). De regering heeft benadrukt dat de kwaliteitseisen die de wet zelf stelt aan aanbieders (in de artikelen 3.1 e.v. van de wet) daarbij uitgangspunt zijn (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 135). De eis dat een voorziening van goede kwaliteit moet zijn, biedt veel ruimte voor gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Lid 1 In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.
In artikel 2.3.5, vijfde lid Wmo 2015 is bepaald dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op enige andere wetten. De bepalingen in sub b hebben tot doel om algemene afspraken te maken over de afstemming met andere voorzieningen binnen het sociaal domein om een integrale dienstverlening aan de cliënt te bevorderen. Lid 2 Op grond van het tweede lid kan het college dit verder uitwerken door nadere regels te stellen. 58
Lid 3 Op grond van dit artikel kan het college eisen dat een beroepskracht over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Lid 5 Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1 van de wet. Lid 6 Het college kan op basis het zesde lid een toezichthouder aanwijzen die toeziet op het naleven van de kwaliteitseisen. Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Algemeen Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen (artikel 2.6.6, lid 1 van de wet). In artikel 5.4 van het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt wat hierin van de gemeente wordt verwacht. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college. De verplichting in het uitvoeringsbesluit om een reële prijs te hanteren, ziet alleen op diensten. Het kan daarbij zowel gaan om diensten in het kader van een algemene voorziening als diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. Het college moet bij de prijsstelling o.a. rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening.
Die specifieke eis geldt alleen voor diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. In het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vaste of reële prijs. Die kostprijselementen zijn ook vermeld in deze verordening (lid 2 en 3 van artikel 22). Voor de uitvoeringspraktijk zijn handreikingen1 over de normering van kostprijselementen beschikbaar die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs. Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing. Daarmee gelden die bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector.
Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te 59
hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het vaststellen van een reële prijs door het college heeft pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs moet gebruiken. De vastgestelde reële prijs moet daarvoor zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Het college moet de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving (op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet). Overigens kan het college in afwijking hiervan een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4 lid 3van de wet).
Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis, zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college moet ongeldige inschrijvingen ter zijde leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning.
Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 2 60
Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeente. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Lid 3 Het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. Lid 4 Hierin is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van andere voorzieningen dan diensten, bijvoorbeeld hulpmiddelen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit is hierop niet van toepassing. Artikel 22. Meldingsregeling calamiteiten en geweld De aanbieder moet bij de toezichthoudend ambtenaar onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening.
Onder 'calamiteit' wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid. Onder 'geweld bij de verstrekking van een voorziening' wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt en lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door een beroepskracht dan wel door een andere cliënt met wie de cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft. Het college zal een of meerdere toezichthouders aanwijzen die toezicht houden op de naleving van de wet (artikel 6.1 van de wet). In aanvulling hierop regelt dit artikel dat het college een regeling opstelt over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Hoofdstuk 9: Waardering mantelzorgers De gemeenteraad moet bepalen op welke manier het college zorgt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven. Artikel 23. Jaarlijkse waardering mantelzorgers In deze bepaling staat wat de jaarlijkse waardering is die de gemeente geeft aan mantelzorgers.
Het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente (zie artikel 2.1.6 van de wet). Die mantelzorgers hoeven zelf dus niet in de gemeente te wonen. Verder is het begrip ‘cliënten’ breder dan alleen personen gebruik maken van Wmoondersteuning. Het kan ook gaan om personen die zich ooit gemeld hebben, maar waar 61
geen Wmo-voorziening is uitgekomen. Wellicht mede dankzij de inzet van de mantelzorger. Ook die mantelzorgers kunnen in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering. Hoofdstuk 10: Klachten en medezeggenschap Dit hoofdstuk bevat een verplichting voor de aanbieders om te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten en voor de medezeggenschap van cliënten. Ook wordt er invulling gegeven aan de manier waarop ingezetenen, waaronder cliënten en hun vertegenwoordigers, inspraak hebben in de uitvoering van de wet door de gemeente. Artikel 24. Klachtregeling In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Op grond van de wet (artikel 2.1.3, tweede lid onder e) is het verplicht in de verordening te bepalen voor welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of een gebrek aan deskundigheid. Daarvoor staat de klachtenprocedure van de gemeente open.
Is de cliënt echter niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan moet hij zich in beginsel tot die aanbieder wenden. Artikel 25. Medezeggenschap bij aanbieders In de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn (zie artikel 2.1.3, tweede lid onder f van de wet). Dit is uitgewerkt in het eerste lid van deze bepaling. In het tweede lid staan een aantal instrumenten die het college kan inzetten om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 26. Medezeggenschap bij gemeente In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 25 van de verordening. Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Met het bepaalde in het tweede lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
62
Hoofdstuk 11: aanvullende bepalingen en overgangsrecht Artikel 27. Aanvullende bepalingen Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in alle niet voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken Artikel 28. Hardheidsclausule In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening (niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken cliënt. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken. Artikel 29. Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht geregeld. In het eerste lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten en plichten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Op basis van het tweede lid worden aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld. Op basis van het derde lid wordt op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voorne aan Zee 2023 beslist op basis van die verordening.
Op basis van het vierde lid kan worden afgeweken als van lid 2 en 3 het voor de cliënt voordeliger is om op basis van deze verordening te beslissen. Artikel 30. Inwerkingtreding, intrekking en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening wordt aangehaald.
Ziet u een fout in deze regeling? Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl. Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl
63