CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitgebreide procedure voor de bouw van een kiosk aan de Turfkade te Brielle (bijlage 2)

Raadsvergadering 3 oktober 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Uitgebreide procedure voor de bouw van een kiosk aan de Turfkade te Brielle15.511 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

omgevingsvergunning

Kiosk stadsplein Turfkade Brielle

DATUM IMRO IDN

21-08-2023 NL.IMRO.0501.kioskTurfkadePM-0001

PROJECT PROJECTLEIDER

Kiosk Turfkade ir. R.A. Sips

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

gemeente Voorne aan Zee 20220151

AUTEUR STATUS

S. den Breejen ontwerp

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Plangebied

7

1.3

Planologische regeling

8

1.4

Leeswijzer

9

Projectbeschrijving

10

2.1

Huidige situatie

10

2.2

Voorgenomen initiatief

12

Beleidskader

15

3.1

Inleiding

15

3.2

Rijksbeleid

15

3.3

Provinciaal beleid

17

3.4

Gemeentelijk beleid

18

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

20

4.1

Inleiding

20

4.2

Verkeer en parkeren

20

4.3

Geluid

20

4.4

Bedrijven en milieuzonering

21

4.5

Luchtkwaliteit

22

4.6

Water

23

4.7

Ecologie

26

4.8

Bodemkwaliteit

29

4.9

Externe veiligheid

31

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

32

Uitvoerbaarheid

36

5.1

Economische uitvoerbaarheid

36

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

36

Conclusie

37

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6 Bijlagen

3/232

39

Bijlage 1

Memo stikstofberekening

41

Bijlage 2

AERIUS-berekening aanlegfase

47

Bijlage 3

AERIUS-berekening gebruiksfase

55

Bijlage 4

Bodemonderzoek

63

Bijlage 5

Quickscan ecologie

219

4/232

Ruimtelijke onderbouwing

5/232

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Op 6 juli 2020 heeft de gemeenteraad besloten dat er gestart kan worden met de uitvoering van de eerste fase van de Binnenstad- en havenvisie. Onderdeel van de visie is het deelontwerp Turfkade. Met deze ontwikkelingen is de gemeente voornemens de Turfkade aantrekkelijker in te richten voor haar bewoners en bezoekers. In het kader van de te ontwikkelen binnenstad- en havenvisie wordt gekeken naar meerdere aspecten die kansen en knelpunten opleveren voor het versterken van het recreatieve centrum van Brielle. De benoemde punten zijn: Historisch karakter door kademuren, meerpalen en talrijke historische gevels. In buitenruimte is gebruik gemaakt van mooie duurzame materialen als roodbruin gebakken klinkers en natuursteen keien; Profielen zijn nu voornamelijk ingericht op gemotoriseerd verkeer: auto’s bepalen het straatbeeld, daarnaast nodigt de huidige inrichting uit tot te hard rijden, waardoor onveilige verkeerskundige situaties ontstaan. Versterking van voetgangers gebied is daarom wenselijk; Water is nog weinig toegankelijk en beleefbaar voor voetgangers: kades en bruggen zijn vooral in gebruik als parkeerplek. Cotoneasters op de taluds belemmeren de waterbeleving; Lindebomen zorgen voor lommerrijk straatbeeld.

Waar de bomen dichter op rijbaan geplaatst zijn, is de auto minder dominant / beeldbepalend; Waar wandelroutes liggen langs het water, zoals langs de Turfkade of het werfje, versterken van het gebruik hiervan.

Figuur 1.1 Brielle met arcering Turfkade In het kader van de Binnenstad- en havenvisie Brielle is het plan om een nieuwe kiosk op te richten met een vernieuwde openbare ruimte aan de zuidoostelijke kop van het plein. De kiosk zal zo'n 28 m2 groot zijn en kan

6/232

ruimte bieden aan kleinschalige detailhandel, horeca en een openbaar toilet. Zoals in figuur 1.2 en 1.3 te zien dient maakt dit onderdeel uit van verblijfsplekken en brand punten om voetgangers en toeristenverkeer te stimuleren.

Figuur 1.2 verblijfsplekken ruimtelijk concept Turfkade (Bron: Buro Lubbers) Het initiatief past niet binnen het vigerende bestemmingsplan 'Vesting' waar de bestemming 'Verkeer ter plaatse geldt. Met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking (artikel 2.12 lid 1, sub a onder 3c Wabo) kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Bij een dergelijke afwijkingsprocedure dient door middel van een ruimtelijke onderbouwing aangetoond te worden dat met het initiatief sprake is van goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin. In deze onderbouwing wordt het plan toegelicht en aan de relevante beleidskaders en milieu- c.q. omgevingsaspecten getoetst.

Figuur 1.3 samenhang brandpunten en voetgangersrouttes ruimtelijke concept Turfkade (Bron: Buro Lubbers)

1.2

Plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Turfkade. Daarnaast wordt het gekruist door twee wegen namelijk: de Zuidspuistraat en Turfstraat. Het globale vlak voor het plangebied is weergegeven op figuur 1.4. Het plangebied bevindt zich in het zuidelijk deel van de historische vesting van Brielle, langs het Zuidspui. Het plangebied maakt momenteel onderdeel uit van de openbare parkeerplaatsen op de Turfkade en bevindt zich in de hoek van de bestaande bebouwing aan de Turfstraat-Zuidspuistraat-Turfkade.

7/232

Figuur 1.4 beoogd plangebied

1.3

Planologische regeling

Zoals eerder benoemd, past de gewenste ontwikkeling niet binnen het vigerende bestemmingsplan Vesting. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk sinds 1 februari 2013. Een uitsnede van het vigerende plan is weergegeven in figuur 1.5. Binnen het gekozen plangebied geldt namelijk de bestemming 'Verkeer'. Dit plan omvat het realiseren van een gebouw. Binnen deze bestemming is het oprichten en bouwen van een gebouw ten behoeve van een horecagelegenheid strijdig. Naast de enkel bestemming gelden tevens de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 2' en 'Waarde Cultuurhistorie - 1'. Als gebiedsaanduiding geldt een geluidszone 'industrie'. Deze regelingen hangen samen met de omgevingsaspecten archeologie, cultuurhistorie en geluid die in Hoofdstuk 4 nader aan de orde komen.

8/232

Figuur 1.5 uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Vesting'

1.4

Leeswijzer

Na deze inleiding komen de volgende onderdelen van deze ruimtelijke onderbouwing aan bod: Hoofdstuk 2 geeft een projectbeschrijving weer van de huidige situatie en de beoogde ontwikkeling; Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau en toetst of de beoogde ontwikkeling daaraan voldoet; Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van de relevante omgevingsaspecten; Hoofdstuk 5 beschrijft de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling; Hoofdstuk 6 sluit de ruimtelijke onderbouwing af met een conclusie.

9/232

Hoofdstuk 2 2.1

Projectbeschrijving

Huidige situatie

Historie In dit gebied speelde zich vanouds een belangrijk deel van de havenfuncties van Brielle af. In tegenstelling tot het Maarland waar de patriciërshuizen werden gebouwd, hebben Turfkade, Lijnbaan, Scharloo en Slagveld altijd meer een werk- en overslagfunctie vervuld. Hiervan getuigen nog de pakhuizen die veelvuldig in het gebied voorkomen. De bebouwing is deels minder imposant en deels bescheidener van architectuur en schaal dan aan de Maarlandse Haven.

Figuur 2.1 gebouwtje bij weegbrug Turfkade Het terrein tussen het Slagveld en de vestingwallen is historisch gezien nog maar korte tijd bebouwd. In de 19e eeuw vestigde zich hier een aantal grootschalige industrieën zoals de kalkfabriek en de gasfabriek. Het Slagveld, hoewel liggend binnen de wallen, heeft altijd het karakter gehad van een gebied dat buiten de binnenstad lag. Waar aan de Turfkade, de Lijnbaan en het Scharloo sprake is van een gesloten gevelwand met een duidelijke parcellering, is dit over grote delen van het Slagveld niet het geval geweest. De niet bebouwde delen in de wand langs het Slagveld zijn op een passende wijze ingevuld door het Catharinagasthuis en het nieuwe stadskantoor. Huidige structuur De Turfkade is onderdeel van de Binnenstad-en havenvisie en maakt onderdeel uit van het historische centrum van Brielle. Hedendaags fungeert de Turfkade als binnenhaven, parkeerterrein, winkel- en marktgebied. Het gebied wordt voornamelijk gebruikt als parkeerterrein. De inrichting van het terrein is recent aangepast met een nieuwe wandelroute langs het water.

10/232

Figuur 2.2 huidige situatie - aanzicht vanaf Zuidspuistraat

Figuur 2.3 huidige situatie - aanzicht vanaf Turfkade Beschermd stadsgezicht Het projectgebied ligt binnen het beschermd stadsgezicht Brielle. Dit betekent dat er regels in het vigerende bestemmingsplan opgenomen zijn, gericht op veiligstelling van de cultuurhistorische waarden. Het is daarbij echter in geen geval de bedoeling om het gebied waarvoor het beschermd stadsgezicht geldt te "bevriezen". Er wordt wel naar gestreefd noodzakelijke of wenselijke veranderingen zo te doen plaatsvinden, dat zij qua aard, schaal en sfeer passen in de historische karakteristiek van het stadsgezicht.

11/232

Het beschermd stadsgezicht richt zich, anders dan bij afzonderlijke monumenten, op de samenhang van het patroon van straten en wateren, het profiel, de groenvoorzieningen, de toegepaste materialen in de openbare ruimten en de schaal en differentiatie van de bebouwing.

Figuur 2.4 zones beschermd stadsgezicht

2.2

Voorgenomen initiatief

De Turfkade wordt door de gemeente Voorne aan Zee gezien als een kansrijk gebied voor een nieuwe kleinschalige horecagelegenheid. Het huidige gebruik is parkeren en verkeer. Een wijziging van deze bestemming met toevoeging van onderstaande onderdelen, zorgt voor het benutten van de kansen genoemd in hoofdstuk 1. Een versterking van het wandel- en recreatiegebied door toevoeging van een extra verblijfsgebied voor voetgangers. Ter realisatie van het verblijfsgebied op kop Turfkade vallen de volgende onderdelen: Picknickbanken en stadstafel onder de bomen; Nieuwe kiosk; Bevrijdingsmonument; Openbaar plein Eén van de nieuwe verblijfsplekken van de binnenstad ligt aan het einde van de Turfkade. Hier ontstaat een openbaar pleintje met een stadstafel, banken, bomen, een kiosk met openbaar toilet en het bevrijdingsmonument. Vanaf het winkelgebied, het wandelpad en de nieuwe vlonder langs het Zuidspui, ontstaat vanaf dit openbare pleintje de mogelijkheid om via de nieuwe voetgangersbrug een oversteek te

12/232

maken naar de Vestingwerken, die Brielle zo bijzonder maken. Binnen de beoogde ontwikkeling wordt ook een bevrijdingsmonument geplaatst, de positie van dit monument is te zien op onderstaande plattegrond.

Figuur 2.5: ontwerp kios en openbaar plein (bron: Bureau EAU) De Turfkade is de enige plek waar je direct langs het water van het Zuidspui kunt lopen. De plek zal zijn openbare karakter behouden doordat de bankjes en stoelen rondom de kiosk onderdeel van de openbare ruimte worden. Klanten van de kiosk kunnen hier bijvoorbeeld hun koffie of broodje nuttigen, maar evengoed kunnen passanten hier plaatsnemen zoals dat ook voor bankjes elders in de openbare ruimte geldt. Zo worden er plekken en routes aan de stad toegevoegd voor bewoners en bezoekers. Recreatie en toerisme De kwaliteiten van de Brielse binnenstad en zijn omgeving bieden aanzienlijke potenties voor (economische) bloei en uitbouw van de huidige positie in de regio. Het gemeentebestuur van Voorne aan Zee is zich nadrukkelijk bewust van de toeristisch-recreatieve potenties van Brielle. Uitgangspunten voor het versterken van deze potenties zijn: cultuurhistorie: versterking van de toeristisch-recreatieve functie van de vesting; watersport: versterking en uitbouw van het voorzieningenniveau en de capaciteit van de havenaccommodatie; verblijfstoerisme: versterking en uitbouw van de verblijfsrecreatieve functie van Brielle; elk-weerfunctie: bevordering van de functie van Brielle als elk-weervoorziening voor de in de regio verblijvende toeristen en recreanten.

In het gebied zijn verscheidene horecagelegenheden aanwezig, deze bevinden zich met name binnen en in de directe omgeving van het kernwinkelgebied. In het plangebied zijn verschillende (hoogwaardige) horeca-gelegenheden aanwezig, die bijdragen aan het recreatief toeristische aanbod van de vesting. Omdat

13/232

deze locatie nog geen dergelijke voorzieningen kent en de kansen met betrekking tot cultuurhistorie, verblijfstoerisme en elk-weerfunctie groot zijn wordt het realiseren van deze horecagelegenheid aangemoedigd. Dit met in achtneming en versterking van de cultuurhistorische waarde van het gebied.

Figuur 2.6 uitwerking binnenstad- en havenvisie (bron: Buro Lubbers) De vesting heeft naast de toeristisch-recreatieve functie ook nadrukkelijk een woonfunctie. Uitbreiding van de horeca kan, indien er sprake is van hinder, een negatief effect hebben op het wooncomfort. In de huidige situatie blijkt dat vooral overlast wordt ervaren van (de bezoekers van) horecagelegenheden die 's avonds en 's nachts geopend zijn. Hier zal in deze gelegenheid geen sprake van zijn gezien de opzet en kleine omvang van potentiële klanten. Figuur 2.7 doorsede huidige situatie (tussen Varkenstraat en Zuidspuistraat)

14/232

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Inleiding

De beoogde ontwikkeling dient getoetst te worden aan het nu geldende Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is.

Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in

15/232

samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project zijn relevante nationale belangen: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit. Ruimte voor overgang naar een circulaire economie. Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad.

Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de NOVI het voldoet aan meerdere punten binnen het beleid. Echter is een toetsing van een dermate klein project niet op alle punten relevant, het beleid gekenmerkt door een hoog abstractie en schaalniveau. Het binnenstedelijk toevoegen van toeristische voorzieningen met inachtneming van het huidige stadsgezicht past binnen het vigerende rijksbeleid. 3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro artikel 3.1.6) Beleidskader Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling vereist dat wordt onderbouwd of en in hoeverre er sprake is van 'duurzaam ruimtegebruik'. Om dit duurzaam ruimtegebruik te garanderen moet de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (zoals omschreven in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) worden doorlopen. De ladder houdt kort gezegd in dat bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling, de behoefte aan die ontwikkeling wordt gemotiveerd. En indien die stedelijke ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, dient eveneens gemotiveerd te worden waarom daar niet binnen het bestaand stedelijk gebied in kan worden voorzien.

Toetsing Volgens bovengenoemde wetgeving en jurisprudentie blijkt dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij

16/232

woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen, of bij ontwikkeling van een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2. Omdat het bruto vloeroppervlakte van het gebouw niet aan de ondergrens voldoet wordt het nieuwe plan niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing van de Ladder van duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerde versie april 2023) Per 15 maart 2022 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden die de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de daarbij behorende Verordening ruimte vervangen. Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot één integraal Omgevings- beleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland. Deze ambities zijn: Naar een nieuwe economie: the next level; Human Capital, een beroepsbevolking met de juiste vaardigheden en kennis; Levendige meerkernige metropool; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving; Energievernieuwing. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. De beleidskeuze hierbij is verstedelijking en wonen: De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer.

De provincie is terughoudend met het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De locatie valt binnen het bestaande stads- en dorpsgebied. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met het provinciaal beleid. Toetsing De beoogde ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied. Tevens voldoet de beoogde ontwikkeling aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Het project is namelijk gelegen binnen een historisch centrum, en draagt bij aan het behoud en versterking van de vitaliteit van hiervan. Het project is niet in strijd met de provinciale Omgevingsvisie. 3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerde versie maart 2022) De omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Voor de beoogde ontwikkeling is artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit van belang.

17/232

Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

In dit geval is er sprake van transformeren. Toetsing In dit geval is er sprake van inpassen. De ontwikkeling sluit aan bij de bestaande structuur. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Inleiding Voor deze motivering is voor de beleidstoets uitgegaan van het gemeentelijk beleid van de voormalige gemeente Brielle, daar er op het moment van indiening van de omgevingsvergunning nog geen nieuw beleid is voor de gemeente Voorne aan Zee. 3.4.2 Structuurvisie Brielle (2009) Structuurvisie Brielle Op 8 december 2009 is door de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Brielle de structuurvisie Brielle vastgesteld. In de structuurvisie zijn de ruimtelijke ontwikkelingen en het ruimtelijk beleid verankerd. Doelstelling van de structuurvisie is het bieden van een kader voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een ruimtelijke structuur die bijdraagt aan: goed kunnen wonen en leven in de gemeente; de cultuurhistorische identiteit van Brielle; een bij het karakter van de gemeente passende economische ontwikkeling. Vesting Het plangebied maakt onderdeel uit van de vesting van Brielle. De vesting van Brielle is specifiek benoemd in de structuurvisie. Aangegeven is dat de vesting grote cultuurhistorische en recreatieve waarde en karakteristieke

18/232

ruimtelijke kwaliteiten heeft. Het koesteren en versterken van de cultuurhistorische waarde en karakteristieke ruimtelijke kwaliteit staat centraal. Daarnaast is het beleid voor de vesting gericht op: recreatieve waarde benutten/vergroten: het beleefbaar maken van cultuurhistorie en archeologische resten; een goede woon- en leefomgeving (mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering nagaan); het in stand houden en versterken van het huidige voorzieningenniveau, waaronder renovatie/nieuwbouw van bestaande primaire onderwijsaccommodaties; behouden van aanwezige horeca en detailhandel; een verkeersveilige woon- en leefomgeving (herinrichting van wegen en aanpakken onveilige kruispunten); zo mogelijk uitplaatsing van de onderwijsaccommodaties voor speciaal onderwijs naar een locatie buiten de vesting. Kwaliteitsnota Vesting (2012) Richtlijnen die architectonisch van aard zijn, zijn opgenomen in de Kwaliteitsnota. De Kwaliteitsnota is vastgesteld als onderdeel van het welstandsbeleid en heeft een volwaardige plek bij de toetsing van bouwplannen. In de nota zijn voorwaarden opgenomen ten aanzien van het uiterlijk van bouwwerken. Daarbij gaat het om zaken zoals materiaal- en kleurgebruik van gevels en daken te regelen. Daarnaast zijn gevelindeling, ornamenten en detaillering ook zaken die in het kader van welstand worden geregeld.

Toetsing en conclusie De ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid. Het projectgebied is gelegen binnen bestaand bebouwd gebied en is gericht op de revitalisering van een stadgezicht. De bestaande cultuurhistorische kwaliteiten worden via de Kwaliteitsnota Vesting gewaarborgd. Met dit plan worden deze versterkt en verdere ontwikkeling van de recreatieve waarden bevorderd. De kwaliteit en keuze van materialisatie en gevelindeling worden binnen deze onderbouwing verder toegelicht en getoetst door de gemeente.

19/232

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is naar verschillende ruimtelijk relevante (onderzoeks)aspecten gekeken. In voorliggend hoofdstuk worden de resultaten hiervan beschreven.

4.2

Verkeer en parkeren

Verkeersgeneratie De beoogde ontwikkeling betreft een kiosk met een oppervlakte van 28 m². Vanuit het CROW zijn geen kencijfers beschikbaar voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een kiosk. Het bezoek van de kiosk zal voornamelijk bestaan uit passantenverkeer. Het enige verkeer dat de kiosk zelf zal genereren bestaat voornamelijk uit de eigenaar, de werknemers en de bevoorrading van de kiosk. Naar inschatting komt dit neer op een verkeersgeneratie van circa 5-15 mvt/etmaal. Parkeerbehoefte Voor het bepalen van de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling wordt terug gegrepen op de 'Nota Parkeernormen Gemeente Voorne aan Zee, 2022' van de gemeente Voorne aan Zee. Binnen het gemeentelijke parkeernormenbeleid zijn geen normen beschikbaar voor een kiosk. Daarom wordt voor de beoogde kiosk uitgegaan van de parkeernormen voor ‘café/bar/cafetaria’. Conform het gemeentelijke parkeernormenbeleid wordt voor Brielle een stedelijkheidsgraad van 'matig stedelijk' gehanteerd. Voor de ligging van het plangebied wordt uitgegaan een ligging in ‘centrum’. Uitgaande van het gemiddelde van de bandbreedte wordt een norm van 5 parkeerplaatsen per 100 m² bvo aangehouden. Met een oppervlakte van 28 m² bedraagt de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling afgerond 2 parkeerplaatsen.

In de openbare ruimte van de Turfkade is voldoende parkeergelegenheid aanwezig om deze parkeervraag op te vangen.

4.3

Geluid

Wet geluidhinder (Wgh) Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd voor de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen. Ook is akoestisch onderzoek noodzakelijk bij de reconstructie van bestaande of aanleg van nieuwe wegen. In onderhavig plan word een kiosk mogelijk gemaakt. De kiosk bevindt zich niet in de buurt van een gezoneerde autoweg. Waardoor de kiosk zich ook niet binnen een geluidszone bevindt. Akoestisch onderzoek op basis van de Wgh kan derhalve achterwege blijven. Conclusie Een kiosk is in het kader van de Wet geluidhinder niet aan te merken als een geluidgevoelig object. Om die reden is geen akoestisch onderzoek nodig naar de geluidbelasting op de kiosk als gevolg van geluidbronnen in de omgeving. Het geluid waar andersom rekening mee moet worden gehouden, dat wil zeggen het geluid als gevolg van de

20/232

kiosk, komt aan de orde in de volgende paragraaf 'Bedrijven en milieuzonering'.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek De beoogde ontwikkeling maakt een kiosk met een (openbaar) plein mogelijk. Bij deze vorm van bedrijvigheid is er sprake van milieuhinderlijke activiteiten. De beoogde ontwikkeling is niet milieugevoelig.

De ligging van het gebied kan getypeerd worden als gemengd gebied; er is sprake van menging van woningen, (lichte)bedrijvigheid en veelal centrumbestemmingen (horeca, kantoren en overige maatschappelijke voorzieningen), zie figuur 4.1.

21/232

Figuur 4.1 Planologische bestemmingen projectgebied. Rode aanwijzing geeft projectgebied weer. (ruimtelijkeplannen.nl) De kiosk is gedefinieerd als 'Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d., SBI-2008: 561'. Hierbij is sprake van milieucategorie 1. De milieucontour van 10m komt te vervallen aangezien het gebied getypeerd is als gemengd gebied. Er is geen sprake van een milieucontour bij de beoogde ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling is goed inpasbaar binnen de omgeving, er is geen aanname voor milieuhinder vanuit de beoogde ontwikkeling voor milieugevoelige objecten. Conclusie Het aspect bedrijf en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

22/232

Onderzoek Door de beoogde ontwikkeling is er een toename van verkeer van maximaal 15 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 0 %. Uit de Nimb-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,01 µg/m³ en van fijn stof van 0.00 µg/m³. Beide toenames blijven beneden de 1,2 µg/m³. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht, zie tabel 4.2. tabel 4.2

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Scharloo, zuiden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 16,3 µg/m³ voor NO2, 16,2 µg/m³ voor PM10 en 8,2 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6.0 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.6

Water

Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.

23/232

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Best Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Hollandse Delta staan de doelen die zij tijdens de planperiode 2022-2027 willen bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem en waterketen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid van de ambities voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden, nog meer dan voorheen, beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waar ze samen met onze partners voor staan. Het omgaan met de gevolgen van een veranderend klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering springen hierbij het meest in het oog. Bij een natuurlijke waterkringloop infiltreert een groot deel van het hemelwater in de bodem. Op die manier wordt het grondwater aangevuld.

In het stedelijk gebied is deze kringloop grotendeels verstoord door de aanwezige bebouwing en infrastructuur. Regenwater heeft daardoor niet meer de kans te infiltreren in de bodem, maar wordt vaak direct afgevoerd via het rioolwaterstelsel, waarna het ofwel via het oppervlaktewater wordt afgevoerd, ofwel via de rioolwaterzuivering. Door de natuurlijke waterkringloop en het vergroten van de sponswerking van de bodem kan in droge periodes water beter worden vastgehouden en kan in natte periodes het waterbergende vermogen van bodems beter worden benut. Er wordt ingezet op hergebruik, vasthouden, bergen en afvoeren, sparen, aanvoeren, adapteren en accepteren. Bij gebieden waar nieuwe verharding wordt aangebracht, wordt een watertoets uitgevoerd. Bij wijzigingen in de afvoer van hemelwater in gerioleerd gebied geldt het volgende: wijzigingen leiden niet tot hydraulische knelpunten; in gebieden waar niet voldaan wordt aan de inundatienormen neemt het inundatierisico niet toe; in gebieden die voldoen aan de inundatienormen wordt een kwantitatieve toets uitgevoerd of compenserende maatregelen nodig zijn. Onderzoek huidige situatie

24/232

Het plangebied bestaat momenteel uit een parkeerplaats bestemd als 'verkeer'. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Waterkwantiteit Conform de Legger van het Waterschap Hollandse Delta zijn er in het projectgebied geen hoofdwatergangen of overige wateren aanwezig, zie figuur 4.2. Aangrenzend aan het projectgebied ligt een watergang, deze watergang is gedefinieerd als boezemwater en heeft een beschermingszone van 5 meter. Binnen deze beschermingszones gelden conform de Keur van het Waterschap Hollandse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden.

Figuur 4.2 Uitsnede Legger Oppervlaktewateren Waterschap Hollandse Delta Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied. Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het bestaande gebouw is aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Onderzoek toekomstige situatie In de beoogde situatie wordt een kiosk gerealiseerd met daarbij een openbaar pleintje met stadstafels, banken en bomen. Ook wordt er een bevrijdingsbeeld geplaatst.

25/232

Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Bij werkzaamheden in de beschermingszones van de watergangen behorende tot de categorie 'primair' of 'overig' dient een watervergunning aangevraagd te worden. Bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 (in stedelijk gebied) of 1.500 m2 (in landelijk gebied) is compensatie door aanleg van waterberging nodig. De huidige situatie is volledig verhard. Bij de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van een toename van verhard oppervlak. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van een toename aan verharding. Voor werkzaamheden in beschermingszones en het dempen en aanleggen van watergangen dient een watervergunning bij het waterschap aangevraagd te worden. Hiermee kunnen negatieve effecten op het watersysteem uitgesloten worden.Waterbeheer en watertoets

4.7

Ecologie

Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

26/232

Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ontwikkeling die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend toegestaan worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden toegestaan, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening

27/232

kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij het mogelijk maken van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Soortenbescherming In de huidige situatie is er geen sprake van een ecologisch waardevol gebied. Het projectgebied is gekenmerkt als een parkeerplaats waarbij er sprake is van volledige verharding en weinig tot geen ecologische structuren. Noemenswaardig is de bomenreeks van vijf linde bomen (Tilia sp.). De toekomstige situatie maakt de realisatie van een kiosk met een pleintje mogelijk. Binnen het perceel worden daarbij 3 á 4 nieuwe bomen geplaatst. De bedrijvigheid zal niet in de avond of de nacht plaats vinden.

Gezien de huidige situatie zal het effect van de kiosk en de bijbehorende levendigheid/bedrijvigheid geen significant effect hebben op de flora en fauna binnen en rondom het projectgebied. Met de plaatsing van extra bomen wordt de ecologisch waarde binnen het projectgebied versterkt. Van belang is dat er geen overmatige lichtverstoring zal plaats vinden; bijvoorbeeld geen reclameborden met licht of grote lampen die 24u per dag aan staan. Hiermee kunnen negatieve effecten omtrent soortenbescherming worden uitgesloten. Gebiedsbescherming Figuur 4.3 laat de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura

28/232

2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Voornes Duin. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt circa 4,7 kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met verzuringsgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand.

Figuur 4.3 Locatie beoogde ontwikkeling (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (AERIUS calculator) Aeriusberekening Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de gebruiksfase en realisatsiefase van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 1. De bijbehorende berekening van de aanlegfase is opgenomen in bijlage 2 en de gebruiksfase is opgenomen in bijlage 3. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de gebruiksfase geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden is berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot significante negatieve effecten. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd

29/232

dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Deta milieu (verkennend bodemonderzoek nieuwbouw kiosk te Brielle, pn:2204082D, 8 juni 2022). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies vastgesteld: Middels een grondbodemmonsters is er op één locatie bij diverse parameters overschrijdingen van de achtergrond waarden vastgesteld. De overschrijdingen zijn te herleiden aan een oud stedelijke ophoog laag; deze is hoogstwaarschijnlijk gemengd met kolengruis. Deze ophooglaag komt enkel aan de noordzijde van het projectgebied voor. Een overschreiding van de interventiewaarde is niet aangetoond. Op grond van de onderzoeksresultaten bestaat er ten behoeve van de nieuwbouw geen aanleiding voor het uitvoeren van vervolgonderzoek. Indien er buiten het bouwvlak, ter hoogte van boring 03, graafwerkzaamheden plaats gaan vinden dient er vervolgonderzoek uitgevoerd te worden. Dit onderzoek zal onderzoeken wat de ernst en omvang van de het verhoogde gehalte aan PAK is. Zie figuur x voor ligging kiosk en meetpunten.

Figuur 4.4 Projectgebied met kiosk (rode omkadering) en meetpunten. Lichte verontreiniging bij meetpunt 03. Conclusie Er is geen sprake van ernstige bodemverontreiniging binnen het plangebied. Op grond van de onderzoeksresultaten bestaat er ten behoeve van de nieuwbouw geen aanleiding voor het uitvoeren van vervolgonderzoek. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

30/232

4.9

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Visie externe veiligheid gemeente Voorne aan Zee Deze visie is bedoeld om een kader te bieden waaraan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Brielle kunnen worden getoetst.

Het visiedocument geeft antwoord op de volgende vragen: Wat is de huidige situatie op het gebied van externe veiligheid in Brielle? Hoe om te gaan met externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen? Op welke wijze wordt de visie geborgd? Welke instrumenten heeft de gemeente om de visie te implementeren en hoe kunnen deze worden benut? Onderzoek De beoogde ontwikkeling maakt een beperkt kwetsbaar object mogelijk. Uit de Visie externe veiligheid Brielle en de risicokaart van Atlas Leefomgeving (zie figuur 4.9) blijkt dat in het plangebied en in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Tevens vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen dat van invloed is op de veiligheidssituatie in het plangebied.

31/232

Figuur 4.9: Risicokaart en plangebied rood aangestipt (bron: atlas leefomgeving) Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Archeologie en cultuurhistorie Regelgeving en beleid Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Beleidsplan "Koers bepaald" De gemeente Voorne aan Zee heeft haar eigen archeologiebeleid ontwikkeld. De gemeente Voorne aan Zee heeft duidelijke uitgangspunten voor de omgang met haar bodemarchief vastgesteld.

Bij de beleidsnota hoort

32/232

ook een archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Er zijn drie categorieën opgenomen voor de verwachtingswaarde. Per verwachtingswaarde gelden uitgangspunten voor nader onderzoek.

Figuur 4.5 archeologische waarde (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De dubbelbestemming ""Waarde - Archeologie - 2" is van toepassing op het projectgebied. Dit betekent dat bij een omgevingsvergunning de volgende regel kan worden aangehouden: Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemming dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 30 m2 én dieper dan 30 cm, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Conclusie Om te voorkomen dat archeologische waarden in het geding komen, moet bij een ruimtelijke ontwikkeling vooraf inzichtelijk worden gemaakt of er archeologisch relevante vondsten aanwezig kunnen zijn. Het plan ligt in een archeologische zone waar onderzoek verplicht is bij ingrepen vanaf 30m2 én dieper dan 30 cm. Omdat het plan kleiner is dan 30m2, kan volstaan worden zonder archeologisch onderzoek.

33/232

Cultuurhistorie Op 15 september 1975 hebben de toenmalige ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de binnenstad van Brielle en de naaste omgeving aangewezen tot beschermd stadsgezicht van de Monumentenwet (destijds artikel 20). De vesting Brielle is daarbij aangemerkt als "een samenhangende groep onroerende zaken, hieronder begrepen bomen, wegen, straten, pleinen, bruggen, vaarten, grachten, sloten en andere wateren, welke met één of meer tot de groep behorende monumenten een beeld vormen dat van algemeen belang is wegens de schoonheid of het karakter van het geheel." De aanwijzing van het beschermd stadsgezicht te Brielle omvat de gehele omwalde en omgrachte stad. Tevens is in de aanwijzing een gedeelte van het grondgebied van de kern Brielle en Vierpolders aansluitend aan de omwalling begrepen. Het is daarbij echter in geen geval de bedoeling om het gebied waarvoor het beschermd gezicht geldt te "bevriezen". Er wordt naar gestreefd om noodzakelijke of wenselijke veranderingen zo te doen plaatsvinden, dat zij qua aard, schaal en sfeer passen in de historische karakteristiek van het stadsgezicht.

Figuur 4.6 Zones beschermd stadsgezicht

34/232

In de aanwijzing is de binnenstad in drie zones ingedeeld, te weten zone A, B en C. Het belang van een aanwijzing tot beschermd stadsgezicht is namelijk niet voor alle onderdelen van het omgrensde gebied van dezelfde orde. Het projectgebied behoort tot zone B. Zone B Gebied van belang vanwege het patroon van straten en wateren, het profiel, de groenvoorzieningen, de toegepaste materialen in de openbare ruimten en de schaal en differentiatie van de bebouwing. Conclusie Het project is van een dusdanig beperkte omvang dat het het patroon van straten en wateren niet beïnvloedt. Met het oog op het beschermde stadsgezicht is met name de positionering, vormgeving en het kleur- en materiaalgebruik relevant om ervoor te zorgen dat het bouwplan past bij de cultuurhistorische waarden van de omgeving. De positionering is zo dat de kiosk de zichtlijnen vanuit de Zuidspuistraat en de Turfstraat vrij laat. De vormgevnig en het kleur- en materiaalgebruik zijn zo gekozen dat de kiosk een ingetogen en historisch uistraling heeft. De verdere beoordeling van het bouwplan op dit punt vindt plaats door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Voorne aan Zee.

35/232

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling betreft een aangewezen bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.12 Wro. Dit betekent dat de kosten van gemeentewege dienen te worden verhaald. Dit kan ofwel via een exploitatieplan ofwel via een anterieure overeenkomst. Voor de ontwikkeling heeft de gemeente met de initiatiefnemer een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over het project zijn vastgelegd. Deze overeenkomst is aangemerkt als anterieure overeenkomst artikel 6.24 Wet ruimtelijke ordening. Uit het bovenstaande blijkt dat de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling gewaarborgd is.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Zienswijze De ontwerp omgevingsvergunning wordt zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. In deze periode kan een ieder, waaronder omwonenden en andere belanghebbenden een zienswijze indienen omtrent het plan.

36/232

Hoofdstuk 6

Conclusie

Het planologisch mogelijk maken van de kiosk ter plaatse de Turfkade te Brielle en het aanleggen van de bijbehorende voorzieningen past binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. De diverse omgevingsaspecten leveren geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plan is economisch uitvoerbaar en het kostenverhaal is afgedekt door de initiatiefnemer. Het gemeentebestuur heeft de ruimtelijke relevante belangen in de omgeving betrokken in haar afweging. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het projectvoornemen voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening.

37/232

38/232

Bijlagen

39/232

40/232

Bijlage 1

41/232

Memo stikstofberekening

- MEMO Memo

DATUM VAN

13-06-2022 Buddy de Groot

PROJECT OPDRACHTGEVER AANWEZIG AFWEZIG BIJLAGE(N)

Kiosk stadsplein Turfkade Gemeente Brielle

CC

STIKSTOFBEREKENING TURFKADE

INLEIDING Initiatiefnemer is voornemens om aan de Turfkade in Brielle een kiosk met openbaar plein te realiseren. De beoogde ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen. Figuur 1 laat de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Voornes Duin. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt circa 4,7 kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met verzuringsgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand.

Figuur 1 Locatie beoogde ontwikkeling (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (AERIUS calculator)

Met het rekenmodel Aerius (versie 2022.1) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij is de gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) en aanlegfase beschouwd. In deze memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoer- en uitvoergegevens vanuit Aerius zijn opgenomen in een aparte bijlage.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13195353/2