Uitgebreide procedure bouw van twee woningen Rozemarijnstraat bijlage 2a Vervolgonderzoek ecologie Voorstraat 80 Brielle
Tekst van het document
Memo
memonummer datum aan van kopie project projectnr. betreft
201507-001 15-07-2020 E. van Huut R3 advies R.J. Buijs Buijs Eco Consult B.V. C. Mazuir Nieuwbouw Voorstraat 80 201507 Vervolgonderzoek Voorstraat 80 Brielle
1. Aanleiding Naar aanleiding van een de quickscan (Breur 2019) zijn in het voorjaar van 2020 aanvullende bezoeken gebracht aan de Voorstraat 80 (zie figuur 1) om de functionaliteit voor vleermuizen en huismussen te bepalen. Hiertoe heeft R.J. Buijs van Buijs Eco Consult B.V het plangebied (Voorstraat 80, bezocht op 6 juni, 13 juni en 11 juli 2020. Hierbij zijn de opstallen inpandig en uitpandig geïnspecteerd. Deze memo beschrijft de bevindingen en advies voor vervolg in kader van de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1 voor Wettelijk kader).
Figuur 1. Ligging plangebied.
2. bevindingen beschermde soorten Methode Tijdens de 3 gerichte bezoeken met goede klimatologiosche omstandigheden (6 juni in de ochtend 09.0010.00), 13 juni in de ochtend (voor zonsopkomst tot 1 uu na zonsopkomst) en 11 juli (tijdens avond bezoek (1 uur voor zonsopkomt tot 2 uur erna) is de bebouwing beoordeeld op functionaliteit voor vleermuizen en huismus. De focus van de veldbezoeken lag op de achterzijde van het gebouw aangezien daar de werkzaamheden zijn voorzien.
blad 1 van 7
Huismus Tijdens de bezoeken is geen enkele keer huismus waargenomen. De door Breur in potentie Geschikt gevonden openingen in bakgoot (zie figuur 2) hadden geen nesten of activiteit van huismussen. Elders in Brielle waren op de momenten van inventariseren wel huismussen volop actief (zangposten in dakgoten). Dus de dagen en momenten dat er actief is gekeken naar huismussen waren representatief om aanwezigheid of afwezigheid van deze soort te kunnen vaststellen.
Figuur 2. Open stukje bakgoot dat in potentie geschikt is bevonden voor huismus
Vleermuizen Tijdens het ochtendbezoek en avondbezoek zijn geen inzwermende of uitvliegende vleermuizen waargenomen. Tijdens de bezoeken zijn wel foeragernde gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger waargenomen rond de aanwezige (te behouden) lindebomen aangetroffen (zie figuur 3). Deze vleermuizen zijn afkomstig uit andere gebouwen buiten het plangebied. In de quickscan van Breur wordt gewezen op de potentie van het ondersteunende plaatmateriaal voor vleermuizen op de in renovatie zijnde kopgevel. Hier zijn dus geen uitvliegers geconstateerd. Tijdens het bezoek op 6 juni is de zolder ook geinspecteerd op sporen (o.a. ontlasting) van vleermuizen welke niet zijn aangetroffen. Tijdens dit bezoek bleek het plaatmateriaal op de kopgevel ook goed inspecteerbaar inpandig en is het gezien de tocht en lichtinval rond deze platen niet aannemelijk dat vleermuizen hier achter wegkruipen (zie figuur 5 en 6 voor de situatie inpandig). De eigenaar gaf aan geen uitwendige werkzaamheden meer uit te voeren aan het dak omdat deze al volledig is gerenoveerd en gerestaureerd. De eventuele functionliteit van het dak in najaar (b.v. paarverblijf gewone of ruige dwergvleermuis onder de dakpannen) zal hierdoor niet worden aangetast. Overeenkomstig de bevindingen van Breur kan een massawinterverblijf worden uitgesloten door de slechte temperatuurbufferende werking.
blad 2 van 10
Figuur 3. Lindebomen die van belang zijn voor foeragerende vleermuizen.
Figuur 4. Plaatmateriaal op kopgevel
blad 3 van 10
Figuur 5. Situatie kopgevel inpandig bekeken (met tochtgaten)
Figuur 6. Situatie kopgevel inpandig bekeken (met tochtgaten)
blad 4 van 10
Gierzwaluw Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in de omringende daken van het plangebied veel gierzwaluwen broeden. Het gebouw direct grenzend aan hjet plangebied heeft twee nesten gierzwaluw. Omdat er geen invliegende of uitvliegende gierzwaluwen zijn waargenomen binnen het plangebied en de werkzaamheden aan de daken zijn afgerond worden effecten op gierzwaluwen uitgesloten.
Figuur 7. Dak met 2 paar gierzwaluw
3. Conclusie en aanbevelingen Conclusies Er zijn in de bebouwing geen beschermde functies aangetroffen voor huismussen en vleermuizen. De afbouw van de kopgevel en aanbouw van de nieuwe laagbouw (zie figuur 8 en 9) zal niet leiden tot vernietiging van verblijfplaatsen van huismus en vleermuizen (en gierzwaluw). Aanvullende najaarsrondes voor vleermuizen worden niet noodzakelijk geacht aangezien het plaatmateriaal op de kopgevel minder geschikt is als verblijfplaats en aan het dak zelf geen werkzaamheden meer zijn voorzien omdat het reeds volledig gerenoveerd en gerestaureerd is. De aanwezige (te behouden) lindebomen binnen het plangebied zijn van belang voor foeragerende vleernuizen. Gezien de functionaliteit voor in de omgeving verblijvende vleermuizen moeten deze bomen blijven gehandhaafd. Aanbevelingen De nog te realiseren laagbouw (zie figuur 9) brengt kansen voor natuurinclusief ontwerp, door enkele vleermuisstenen in te metselen op de zonminnende gevels en evntueel huismusvides aan te brengen onder het nieuw aan te leggen pannendak bied kansen voor vleermuis en huismus. Voor die laatste soort zeker als er een wintergroene grensafscheiding wordt toegepast (bv. ligusterhaag).
blad 5 van 10
Figuur 8 Oude situatie met de reeds geamoveerde bebouwing
Figuur 9 Situatie met nieuw te realiseren laagbouw grenzend aan de huidige situatie
blad 6 van 10
Literatuur Breur, T.D. 2019. Quickscan ecologie, Voorstraat 80, Brielle. Rapportcode: QS19057v1. Breur Ecologie & Onderzoek. Dordrecht Kennisdocument gewone dwergvleermuis, BIJ 12 versie 1.0 juli 2017 Kennisdocument huismus, BIJ 12 versie 1.0 juli 2017 Websites www.verspreidingsatlas.nl
blad 7 van 10
Bijlage 1 Wettelijk kader Hieronder volgt een algemene beschrijving van de Natuurwetgeving, gevolgd door betreffende onderdelen van de wetgeving. De Nederlandse natuurwetgeving De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming. De gebiedsbescherming is geïmplementeerd in de Natuurbeschermingsweg 1998 en omvat de Natura 2000-gebieden. Per 01/01/2017 zijn beide onderdelen (en de Boswet) geïntegreerd in de Wet natuurbescherming (Wn). Gebiedsbescherming In de Natura 2000 gebieden zijn de beschermde natuurmonumenten alsmede de gebieden met de status Vogel- en/of de Habitatrichtlijngebied (Voorheen Speciale beschermingen Zones, Sbz’s) opgenomen. Globaal kan worden gesteld dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebiedsspecifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied. Soortbescherming De soortbescherming is per 01/01/2017 ook opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking.
Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen e projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden gedood, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield. Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord. Beschermde planten mogen niet opzettelijk van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wn) staan vernoemd in onderstaand kader.
blad 8 van 10
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wn)
Bron: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Ministerie van Economische Zaken
De werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft de beschermde soorten overal in Nederland bescherming. In o.a. artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbeschermingswet worden de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden weergegeven. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing- of vrijstelling (zoals werken met een goedgekeurde gedragscode) hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het plangebied. • Beschermde soorten – met (Provinciale) vrijstelling: Voor deze soorten geldt een vrijstelling van een of meerdere verbodsbepalingen (zoals bijvoorbeeld het vangen van dieren en/of het vernielen van vaste verblijfsplaatsen. Voor deze soorten is derhalve in veel gevallen geen ontheffing nodig. Wel geldt ten aanzien van deze soorten de zorgplicht, die eveneens van de Wet natuurbescherming uitgaat. Soorten die vallen onder de vrijstelling betreft over het algemeen (en dus per Provincie verschillend) onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals algemene muizen- en spitsmuizen, de woelrat, de egel, konijn, ree en vos, algemene amfibiesoorten, waaronder de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.
• Overige ‘nationaal beschermde’ soorten: Voor deze soorten geldt voor ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer een mogelijkheid voor ontheffing, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’.
blad 9 van 10
Voor deze soorten is derhalve een ontheffing nodig of kan gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Soorten die vallen onder dit nationale beschermingsregime vallen betreft onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals das, boommarter, algemene amfibieën en reptielen alpenwatersalamander, hazelworm, flora als schubvaren en bokkenorchis en vissoorten waaronder de grote modderkruiper. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. • Habitatrichtlijnsoorten: Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Tot dit beschermingsregime horen o.a. alle vleermuissoorten, de bever, otter, noordse woelmuis, verschillende amfibiesoorten waaronder rugstreeppad en kamsalamander. • Vogelrichtlijnsoorten: Alle vogels zijn in Nederland gelijk beschermd.
Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling ook geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk.
Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien.
blad 10 van 10