CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Terras Turfkade te Brielle - definitief

Raadsvergadering 21 december 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Uitgebreide procedure voor een omgevingsvergunning, om terrassen mogelijk te maken op de bestaande vlonders en de kade aan de Turfkade, te Brielle5.759 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

omgevingsvergunning

Terras Turfkade Brielle Voorne Aan Zee

DATUM

16-10-2023

PROJECT PROJECTLEIDER

Terras Turfkade Brielle ir. R.A. Sips

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente Voorne aan Zee 20230619

AUTEUR

D.J. Greguss

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing

4

Hoofdstuk 1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging projectgebied

6

1.3

Planologische regeling

7

1.4

Leeswijzer

8

Projectbeschrijving

9

2.1

Huidige situatie

9

2.2

Beoogde ontwikkeling

10

Ruimtelijk beleidskader

12

3.1

Inleiding

12

3.2

Rijksbeleid

12

3.3

Provinciaal beleid

13

3.4

Gemeentelijk beleid

14

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

16

4.1

Inleiding

16

4.2

Verkeer en parkeren

16

4.3

Luchtkwaliteit

16

4.4

Bedrijven en milieuzonering

17

4.5

Water

19

4.6

Ecologie

21

4.7

Externe veiligheid

23

4.8

Bodem

24

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

24

Uitvoerbaarheid

27

Economische uitvoerbaarheid

27

Conclusie

28

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 5 5.1

Hoofdstuk 6

3/28

Ruimtelijke onderbouwing

4/28

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Op 6 juli 2020 heeft de gemeenteraad besloten dat er gestart kan worden met de uitvoering van de eerste fase van de Binnenstad- en havenvisie. Onderdeel van de visie is het deelontwerp Turfkade. Met deze ontwikkelingen is de gemeente voornemens de Turfkade aantrekkelijker in te richten voor haar bewoners en bezoekers. In het kader van de te ontwikkelen binnenstad- en havenvisie wordt gekeken naar meerdere aspecten die kansen en knelpunten opleveren voor het versterken van het recreatieve centrum van Brielle. De benoemde punten zijn: Historisch karakter door kademuren, meerpalen en talrijke historische gevels. In buitenruimte is gebruik gemaakt van mooie duurzame materialen als roodbruin gebakken klinkers en natuursteen keien; Profielen zijn nu voornamelijk ingericht op gemotoriseerd verkeer: auto's bepalen het straatbeeld, daarnaast nodigt de huidige inrichting uit tot te hard rijden, waardoor onveilige verkeerskundige situaties ontstaan. Versterking van voetgangers gebied is daarom wenselijk; Water is nog weinig toegankelijk en beleefbaar voor voetgangers: kades en bruggen zijn vooral in gebruik als parkeerplek. Cotoneasters op de taluds belemmeren de waterbeleving; Lindebomen zorgen voor lommerrijk straatbeeld.

Waar de bomen dichter op rijbaan geplaatst zijn, is de auto minder dominant / beeldbepalend; Waar wandelroutes liggen langs het water, zoals langs de Turfkade of het werfje, versterken van het gebruik hiervan.

Figuur 1.1: Stadskern Brielle met arcering Turfkade

5/28

In het kader van de Binnenstad- en havenvisie Brielle is het plan om op de vlonders terrassen aan te leggen. Zoals in figuur 1.2 te zien is maakt dit onderdeel uit van verblijfsplekken om voetgangers en toeristenverkeer te stimuleren.

Figuur 1.2: verblijfsplekken ruimtelijk concept Turfkade (Bron: Buro Lubbers) Het initiatief past niet binnen het vigerende bestemmingsplan 'Vesting' waar de bestemming 'Water' ter plaatse geldt. Met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Bij een dergelijke afwijkingsprocedure dient door middel van een ruimtelijke onderbouwing aangetoond te worden dat met het initiatief sprake is van goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin. In deze onderbouwing wordt het plan toegelicht en aan de relevante beleidskaders en milieu- c.q. omgevingsaspecten getoetst.

1.2

Ligging projectgebied

Het projectgebied ligt aan de Turfkade. Het projectgebied bevindt zich in het zuidelijke deel van de historische vesting van Brielle, langs het Zuidspui. Aangrenzend aan het projectgebied liggen openbare parkeerplaatsen. Een deel van de vlonders is te zien op figuur 1.3.

Figuur 1.3: Vlonders gelegen aan de Turfkade (bron: Google Maps)

6/28

Figuur 1.4 situatietekening (bron: Schaal Ingenieurs)

1.3

Planologische regeling

Zoals eerder benoemd, past de gewenste ontwikkeling niet binnen het vigerende bestemmingsplan Vesting. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk sinds 1 februari 2013. Een uitsnede van het vigerende plan is weergegeven in figuur 1.5. Binnen het gekozen projectgebied geldt namelijk de bestemming 'Water'. Dit plan omvat het realiseren van terrassen op de bestaande vlonders. Binnen deze bestemming is het niet toegestaan om terrassen te realiseren. Naast de enkelbestemming gelden tevens de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 2' en 'Waarde Cultuurhistorie - 1'. Als gebiedsaanduiding geldt een geluidszone 'industrie'.

7/28

Figuur 1.5: Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Vesting' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Leeswijzer

De ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 is de projectbeschrijving van de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Deze bestaat uit een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie. De toetsing aan beleid volgt in hoofdstuk 3 en toetsing aan de omgevingsaspecten volgt in hoofdstuk 4. De beschrijving van de uitvoerbaarheid staat benoemd in hoofdstuk 5. Tot slot staat in hoofdstuk 6 de conclusie.

8/28

Hoofdstuk 2 2.1

Projectbeschrijving

Huidige situatie

De Turfkade is onderdeel van de Binnenstad-en havenvisie en maakt onderdeel uit van het historische centrum van Brielle. Het Zuidspui is een binnenhaven. De Turfkade fungeert als winkel- en marktgebied, terrassenlocatie en parkeerterrein. Beschermd stadsgezicht Het projectgebied ligt binnen het beschermd stadsgezicht Brielle. Dit betekent dat er regels in het vigerende bestemmingsplan zijn opgenomen , gericht op veiligstelling van de cultuurhistorische waarden. Het is daarbij echter in geen geval de bedoeling om het gebied waarvoor het beschermd stadsgezicht geldt te "bevriezen". Er wordt wel gestreefd naar noodzakelijke of wenselijke veranderingen te doen plaatsvinden, zodat die qua aard, schaal en sfeer passen in het historische karakter van het stadsgezicht. Het beschermd stadsgezicht richt zich, anders dan bij afzonderlijke monumenten, op de samenhang van het patroon van straten en wateren, het profiel, de groenvoorzieningen, de toegepaste materialen in de openbare ruimten en de schaal en differentiatie van de bebouwing. Het Zuidspui maakt deel uit van de vestingwerken; het Zuidspui met de kademuren zijn een beschermd rijksmonument.

9/28

Figuur 2.1: zones beschermd stadsgezicht (voormalige gemeente Brielle)

2.2

Beoogde ontwikkeling

De Turfkade wordt door de gemeente Voorne aan Zee gezien als een kansrijk gebied voor nieuwe kleinschalige horecagelegenheid. Een wijziging van deze bestemming door het verruimen van terrasmogelijkheden, zorgt voor het benutten van de kansen genoemd in hoofdstuk 1. De terrassen zullen door een tweetal ondernemers gevestigd aan de Turfkade - worden uitgebaat. De Turfkade is de enige plek waar je direct langs het water van het Zuidspui kunt lopen. Door hier terrassen toe te staan wordt het gebied aantrekkelijker voor voetgangers/dagrecreanten om dit deel van de stadskern te bezoeken.

10/28

Figuur 2.2: ontwerp van het noordelijk terras aan de Turfkade (bron: GS Furn) Er zullen op de vlonders twee terrassen mogelijk worden gemaakt: een noordelijk terras en een zuidelijk terras. Het noordelijk terras (zie figuur 2.2) zal bestaan uit twee delen. Het eerste deel is 2 meter breed en ongeveer 15 meter lang. Het tweede deel is 2 meter breed en ongeveer 7,5 meter lang. Het terras zal maximaal 34 zitplaatsen krijgen. Het zuidelijke terras zal nabij het plein met de kiosk worden gerealiseerd. Dit terras zal eveneens 2 meter breed zijn en 30 meter lang. Het terras zal maximaal 45 zitplaatsen krijgen. In totaal zullen beide terrassen maximaal 79 zitplaatsen over 105 m2 beslaan.

11/28

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijk beleidskader

Inleiding

De beoogde ontwikkeling dient getoetst te worden aan het nu geldende Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (2020) & Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (barro, 2020) Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. De ontwikkeling betreft het toevoegen van 105 m2 aan terras. Dit heeft geen gevolgen die raakvlakken hebben met de NOVI. Besluit algemene regels ruimtelijk ordening (Barro) Het Barro stelt verschillende regels omtrent 14 aangewezen nationale belangen zoals die zijn genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De ontwikkeling heeft geen raakvlakken met de genoemde nationale belangen. Ladder voor duurzame verstedelijking Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is duurzame verstedelijking het uitgangspunt. Hiertoe wordt de ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd die is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6. lid 2 Bro).

In deze ladder moet worden getoetst aan de volgende zaken: Is het een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Uit jurisprudentie blijkt dat een bedrijfsuitbreiding vanaf 500 m2 in een gebied waar de functie reeds voorkomt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling is. De beoogde ontwikkeling heeft een ruimtebeslag van 105 m2. De ontwikkeling blijft onder de 500 m2. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft dus niet te worden doorlopen.

12/28

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie & Omgevingsverordening Zuid-Holland Omgevingsvisie Per 15 maart 2022 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden die de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de daarbij behorende Verordening ruimte vervangen. Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot één integraal Omgevings- beleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland. Deze ambities zijn: Naar een nieuwe economie: the next level; Human Capital, een beroepsbevolking met de juiste vaardigheden en kennis; Levendige meerkernige metropool; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving; Energievernieuwing. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Omgevingsverordening De omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Voor de beoogde ontwikkeling is artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit van belang. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Toetsing

13/28

In dit geval is er sprake van inpassen. De ontwikkeling sluit aan bij de bestaande structuur. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Verder past de beoogde ontwikkeling binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau en past het bij de aard en schaal van het gebied. Het projectgebied is gelegen binnen een historisch centrum, en draagt bij aan het behoud en versterking van de vitaliteit van hiervan. Het project is niet in strijd met de provinciale Omgevingsvisie.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Brielle Op 8 december 2009 is door de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Brielle de structuurvisie Brielle vastgesteld. In de structuurvisie zijn de ruimtelijke ontwikkelingen en het ruimtelijk beleid verankerd. Doelstelling van de structuurvisie is het bieden van een kader voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een ruimtelijke structuur die bijdraagt aan: goed kunnen wonen en leven in de gemeente; de cultuurhistorische identiteit van Brielle; een bij het karakter van de gemeente passende economische ontwikkeling. Vesting Het projectgebied maakt onderdeel uit van de vesting van Brielle. De vesting van Brielle is specifiek benoemd in de structuurvisie. Aangegeven is dat de vesting grote cultuurhistorische en recreatieve waarde en karakteristieke ruimtelijke kwaliteiten heeft. Het koesteren en versterken van de cultuurhistorische waarde en karakteristieke ruimtelijke kwaliteit staat centraal.

Daarnaast is het beleid voor de vesting gericht op: recreatieve waarde benutten/vergroten: het beleefbaar maken van cultuurhistorie en archeologische resten; een goede woon- en leefomgeving (mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering nagaan); het in stand houden en versterken van het huidige voorzieningenniveau, waaronder renovatie/nieuwbouw van bestaande primaire onderwijsaccommodaties; behouden van aanwezige horeca en detailhandel; een verkeersveilige woon- en leefomgeving (herinrichting van wegen en aanpakken onveilige kruispunten); Kwaliteitsnota Vesting (2012) Richtlijnen die architectonisch van aard zijn, zijn opgenomen in de Kwaliteitsnota. De Kwaliteitsnota is vastgesteld als onderdeel van het welstandsbeleid en heeft een volwaardige plek bij de toetsing van bouwplannen. In de nota zijn voorwaarden opgenomen ten aanzien van het uiterlijk van bouwwerken. Daarbij gaat het om zaken zoals materiaal- en kleurgebruik te regelen. Daarnaast zijn gevelindeling, ornamenten en detaillering ook zaken die in het kader van welstand worden geregeld. Briels palet (2021) Het Briels palet bevat richtlijnen voor de inrichting van de openbare ruimte en terrassen binnen het beschermde stadsgezicht. Dit is vastgelegd in de Binnenstad- en havenvisie. De vlonderterrassen worden in overeenstemming met het Briels pallet ingericht.

14/28

Toetsing en conclusie De ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid. Het projectgebied is gelegen binnen bestaand bebouwd gebied en is gericht op de revitalisering van een stadgezicht. De bestaande cultuurhistorische kwaliteiten worden via de Kwaliteitsnota Vesting gewaarborgd. Verder wordt in overeenstemming met de binnenstad- en havenvisie ontwikkeld. Met dit plan worden deze kwaliteiten versterkt en wordt de verdere ontwikkeling van de recreatieve waarden bevorderd.

15/28

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient te worden onderbouwd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de omgevingsaspecten beschreven die voor het project relevant zijn. Gezien de aard van het plan, die zich beperkt tot het juridisch-planologisch vastleggen van een bestaande situatie, kan voor deze aspecten worden volstaan met een korte kwalitatieve onderbouwing.

4.1

Inleiding

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is naar verschillende ruimtelijk relevante (onderzoeks)aspecten gekeken. In voorliggend hoofdstuk worden de resultaten hiervan beschreven.

4.2

Verkeer en parkeren

Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Onderzoek De terras krijgen in totaal maximaal 79 zitplaatsen. Het terras zal enkel van april tot oktober in gebruik zijn. In de tussenliggende maanden zal er geen terras worden uitgebaat op de vlonders. Het terras heeft een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer en langzaam verkeer. Gezien de ligging heeft het terras vooral een functie voor de buurt en voor recreanten. De kern van Brielle wordt veelvuldig bezocht door recreanten (fiets) of mensen uit de buurt. Het verkeer kan worden afgewikkeld via de bestaande infrastructuur. Door de beoogde ontwikkeling worden er geen extra verkeersbewegingen mogelijk gemaakt. Door de toevoeging van de terrasfunctie zijn ook geen extra parkeervoorzieningen noodzakelijk.

4.3

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

16/28

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Door de beoogde ontwikkeling worden er geen extra verkeersbewegingen mogelijk gemaakt. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de kaart van het CIML (https://www.cimlk.nl/kaart). De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Scharloo, zuiden van het projectgebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 16,3 µg/m³ voor NO2, 16,2 µg/m³ voor PM10 en 8,2 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6.0 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het projectgebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het projectgebied. Ter plaatse van het projectgebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

17/28

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen.

Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van terrassen. De terrassen zijn niet milieugevoelig en hoeven niet nader onderzocht te worden omtrent nabij gelegen bedrijven en de bijbehorende richtafstanden (in paragraaf 4.7 worden eventuele afstanden omtrent gevaar wel nader beschouwd). Wel dient de milieubelasting van de beoogde ontwikkeling op de omgeving te worden beschouwd. Geluid Voor de horecagelegenheid geldt geen specifiek wettelijk kader op grond waarvan de geluidgevolgen moeten worden beoordeeld. Dit neemt niet weg dat de in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet beoordelen of de geluidgevolgen van de in het plan voorziene ontwikkeling aanvaardbaar zijn. Rondom het projectgebied zijn nabijgelegen woningen gesitueerd. De dichtstbijzijnde woning ligt op een afstand van circa 25 m van het projectgebied. De VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering biedt geen richtafstand specifiek voor een terras; de activiteit die het meest in de buurt komt is de typering van restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.

Deze activiteiten vallen onder milieucategorie 1 met richtafstanden van maximaal 10 meter in een 'rustige woonwijk' (voor geur en geluid). Gezien de ligging in het centrum met veel uiteenlopende bedrijven, bestemmingen en bijbehorende levendigheid, kan het gebied getypeerd worden als 'gemengd gebied'. Binnen dit gebied kunnen richtafstanden met één stap worden verlaagd. In dit geval is er een richtafstand van 0 meter van toepassing. Hierdoor wordt er voldaan aan de VNG publicatie. Conclusie

18/28

De beoogde ontwikkeling maakt geen milieugevoelige objecten mogelijk. De milieubelasting van de terrassen is van zeer beperkte omvang. Geconcludeerd wordt dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Ook ontstaat geen milieuhinder bij omliggende gevoelige functies.

4.5

Water

Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Hollandse Delta staan de doelen die zij tijdens de planperiode 2022-2027 willen bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem en waterketen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid van de ambities voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden, nog meer dan voorheen, beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waar ze samen met onze partners voor staan. Het omgaan met de gevolgen van een veranderend klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering springen hierbij het meest in het oog. Bij een natuurlijke waterkringloop infiltreert een groot deel van het hemelwater in de bodem. Op die manier wordt het grondwater aangevuld. In het stedelijk gebied is deze kringloop grotendeels verstoord door de aanwezige bebouwing en infrastructuur.

Regenwater heeft daardoor niet meer de kans te infiltreren in de bodem, maar wordt vaak direct afgevoerd via het rioolwaterstelsel, waarna het ofwel via het oppervlaktewater wordt afgevoerd, ofwel via de rioolwaterzuivering. Door de natuurlijke waterkringloop en het vergroten van de sponswerking van de bodem kan in droge periodes water beter worden vastgehouden en kan in natte periodes het waterbergende vermogen van bodems beter worden benut. Er wordt ingezet op hergebruik, vasthouden, bergen en afvoeren, sparen, aanvoeren, adapteren en accepteren. Bij gebieden waar nieuwe verharding wordt aangebracht, wordt een watertoets uitgevoerd. Bij wijzigingen in de afvoer van hemelwater in gerioleerd gebied geldt het volgende: wijzigingen leiden niet tot hydraulische knelpunten; in gebieden waar niet voldaan wordt aan de inundatienormen neemt het inundatierisico niet toe; in gebieden die voldoen aan de inundatienormen wordt een kwantitatieve toets uitgevoerd of compenserende maatregelen nodig zijn. Onderzoek huidige situatie Het projectgebied bestaat momenteel uit vlonders binnen de bestemming 'Water'. Bodem en grondwater Het projectgebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het projectgebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland.

19/28

Waterkwantiteit Conform de Legger van het Waterschap Hollandse Delta ligt het projectgebied binnen een watergang (zie figuur 4.1), deze watergang is gedefinieerd als boezemwater en heeft een beschermingszone van 5 meter. Binnen deze beschermingszones gelden conform de Keur van het Waterschap Hollandse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden. Met de ontwikkeling worden uitsluitend terrassen op bestaande vlonders geplaatst. Er vinden geen bouw- of aanlegwerkzaamheden plaats.

Figuur 4.1: Uitsnede Legger Oppervlaktewateren Waterschap Hollandse Delta Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied. Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Onderzoek toekomstige situatie In de beoogde situatie worden er op bestaande vlonders twee terrassen mogelijk worden gemaakt. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 (in stedelijk gebied) of 1.500 m2 (in landelijk gebied) is compensatie door aanleg van waterberging nodig. De huidige situatie is volledig verhard. Bij de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van een toename van verhard oppervlak.

20/28

Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van een toename aan verharding. Hiermee kunnen negatieve effecten op het watersysteem uitgesloten worden.

4.6

Ecologie

Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet kan worden

21/28

verkregen. Onderzoek Gebiedsbescherming Figuur 4.2 laat de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Voornes Duin. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt circa 4,7 kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met verzuringsgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand.

Figuur 4.2: Locatie beoogde ontwikkeling (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (AERIUS calculator) Beoogde ontwikkeling maakt terrassen op vlonders mogelijk. Dit brengt geen bouwwerkzaamheden met zich mee. Daarbij zal de beoogde ontwikkeling geen (extra) verkeersbewegingen mogelijk maken. Een stikstofberekening is dan ook buiten beschouwing gelaten. Soortenonderzoek Het projectgebied bestaat uit vlonders. Met de ontwikkeling worden hier terrassen op geplaatst. Het is zeer aannemelijk dat er geen sprake zal zijn van (beschermde) flora of fauna zal binnen het projectgebied. Gezien de huidige situatie zal het effect van deze horeca en de bijbehorende levendigheid geen significant effect hebben op de flora en fauna binnen en rondom het projectgebied. Van belang is dat er geen overmatige lichtverstoring zal plaats vinden; bijvoorbeeld geen reclameborden met licht of grote lampen die 24 uur per dag aan staan. De terrassen behoren bij de lunchrooms (Mr Simons en Chez Andre). De openstelling is tot ongeveer 20.00 uur 's avonds. 's Nachts is derhalve geen verlichting op de locatie aanwezig. Hiermee kunnen negatieve effecten omtrent soorten bescherming worden uitgesloten. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

22/28

4.7

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Visie externe veiligheid gemeente Brielle Deze visie van de voormalige gemeente Brielle is bedoeld om een kader te bieden waaraan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Brielle kunnen worden getoetst.

Het visiedocument geeft antwoord op de volgende vragen: Wat is de huidige situatie op het gebied van externe veiligheid in Brielle? Hoe om te gaan met externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen? Op welke wijze wordt de visie geborgd? Welke instrumenten heeft de gemeente om de visie te implementeren en hoe kunnen deze worden benut? Onderzoek De beoogde ontwikkeling maakt een beperkt kwetsbaar object mogelijk. Uit de Visie externe veiligheid Brielle en de risicokaart van Atlas Leefomgeving (zie figuur 4.3) blijkt dat in het projectgebied en in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Tevens vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen dat van invloed is op de veiligheidssituatie in het projectgebied.

23/28

Figuur 4.3: Risicokaart en projectgebied rood aangestipt (bron: atlas leefomgeving) Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek Met het plaatsen van terrassen op bestaande vlonders boven het water, is enige vorm van bodemverstoring uitgesloten. Er is geen aanleiding voor het uitvoeren van onderzoek naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

Regelgeving en beleid Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De

24/28

uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Beleidsplan "Koers bepaald" De gemeente Voorne aan Zee heeft haar eigen archeologiebeleid ontwikkeld. De gemeente Voorne aan Zee heeft duidelijke uitgangspunten voor de omgang met haar bodemarchief vastgesteld. Bij de beleidsnota hoort ook een archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Er zijn drie categorieën opgenomen voor de verwachtingswaarde. Per verwachtingswaarde gelden uitgangspunten voor nader onderzoek. Onderzoek en conclusie Archeologie De beoogde ontwikkeling maakt geen grond verstorende activiteiten mogelijk. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Cultuurhistorie De aanwijzing van het beschermd stadsgezicht te Brielle omvat de gehele omwalde en omgrachte stad. Tevens is in de aanwijzing een gedeelte van het grondgebied van de kern Brielle en Vierpolders aansluitend aan de omwalling begrepen. Het Zuidspui en de belendende kades zijn een beschermd rijksmonument.

De planontwikkeling omvat geen bouwkundige wijzigingen in of aan het rijksmonument. De planontwikkeling gaat over een wijziging van het gebruik van een reeds bestaand steiger. Het is daarbij echter in geen geval de bedoeling om het gebruik van rijksmonumenten en het gebied waarvoor het beschermd gezicht geldt te "bevriezen". Er wordt naar gestreefd om noodzakelijke of wenselijke veranderingen zo te doen plaatsvinden, dat zij qua aard, schaal en sfeer passen in de historische karakteristiek van het stadsgezicht.

25/28

Figuur 4.4: Zones beschermd stadsgezicht In de aanwijzing is de binnenstad in drie zones ingedeeld, te weten zone A, B en C. Het belang van een aanwijzing tot beschermd stadsgezicht is namelijk niet voor alle onderdelen van het omgrensde gebied van dezelfde orde. Het projectgebied behoort tot zone B. Zone B Gebied van belang vanwege het patroon van straten en wateren, het profiel, de groenvoorzieningen, de toegepaste materialen in de openbare ruimten en de schaal en differentiatie van de bebouwing. Het plan is van een dusdanig beperkte omvang dat het patroon van straten en wateren niet beïnvloedt. Met het oog op het beschermde stadsgezicht is met name de positionering, vormgeving en het kleur- en materiaalgebruik relevant om ervoor te zorgen dat het plan past bij de cultuurhistorische waarden van de omgeving.

26/28

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Met de omgevingsvergunning wordt geen nieuw bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.1.2. van de Bro, mogelijk gemaakt. De gemeentelijke plicht om kosten te verhalen is op deze ontwikkeling dus niet van toepassing. Bovendien is de economische uitvoerbaarheid, gelet op de aard van de ontwikkeling, voldoende gewaarborgd.

27/28

Hoofdstuk 6

Conclusie

Aanleiding Deze ruimtelijke onderbouwing dient ten behoeve van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, waarmee de terrassen aan de Turfkade in Brielle juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt. Afweging De beoogde verandering van de mogelijkheden op de projectlocatie vindt plaats op de bestaande vlonders. Dit is in overeenstemming met relevante beleidsuitgangspunten op zowel Rijks-, provinciaal als gemeentelijk niveau en het is niet in strijd met de getoetste omgevingsaspecten. Daarmee blijft er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het verlenen van een omgevingsvergunning voor de terrassen aan de Turfkade is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

28/28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13479275/1