CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit d.d. 21-12-2023. 8. Vaststellen verordening Re-integratie en Tegenprestatie Voorne aan Zee 2023

Raadsvergadering 21 december 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Verordening Re-integratie en Tegenprestatie Voorne aan Zee 202318.572 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAADSBESLUIT

Onderwerp: Zaaknummer:

Verordening Re-integratie en Tegenprestatie Voorne aan Zee 2023 203146-2023

De raad van de gemeente Voorne aan Zee besluit: Gelet op de Artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vijfde en zevende lid, van de Participatiewet Gelet op het bijbehorende raadsvoorstel;

Besluit: De Verordening Re-integratie en Tegenprestatie Voorne aan Zee 2023 vast te stellen onder gelijktijdige intrekking van de Participatieverordening Hellevoetsluis 2015, de Participatieverordening Westvoorne 2021, de Participatieverordening Brielle 2015 – incl. wijziging 2018 en de Verordening tegenprestatie Participatie wet, IOAW en IOAZ Westvoorne per datum van de dag volgend op de dag na publicatie van de vastgestelde verordening. Verordening Re-integratie en Tegenprestatie Voorne aan Zee 2023 Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1: Definities 1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. doelgroep: personen als bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet; b. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; c. interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; d. jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; e. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; f.

overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in Artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; g. persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in Artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in

Artikel 10da van de wet; h. praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; i. voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; j. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; k. werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in Artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; l. wet: Participatiewet. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 2: Beleid en evaluatie 1.

Het college kan de voorzieningen beschreven in deze verordening aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep. 2. In het door het college vastgestelde beleid wordt vastgelegd welke voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 3. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van de persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 4. Het college zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk. Het verslag bevat in ieder geval het oordeel van de adviesraad Sociaal Domein. Artikel 3: Algemene bepalingen over voorzieningen 1. Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b.

de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of 2

e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de Artikelen 9 en 17 van de wet, de Artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet; d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g.

de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in Artikel 44a van de wet. Hoofdstuk 2: Werknemersvoorzieningen Artikel 4: Bevorderen arbeidsparticipatie 1. Het college bevordert de arbeidsparticipatie van uitkeringsgerechtigden en werknemers door hun voorzieningen aan te bieden. 2. Het college kan nadere regels stellen als aanvulling op onderstaande voorzieningen als deze de arbeidsparticipatie verder bevorderen. Artikel 5: Niet-uitkeringsgerechtigden 1. Niet-uitkeringsgerechtigden die ondersteuning wensen bij de arbeidsinschakeling of gebruik willen maken van een voorziening op arbeidsinschakeling dienen hiervoor een verzoek in bij het college. 2. Het college beoordeelt welke ondersteuning of voorziening het meest doelmatig is.

De ondersteuning of voorziening zoals bedoeld in dit Artikel kan bestaan uit, bemiddeling, scholing of een re-integratietraject. 3. Het college stelt de belanghebbende bij beschikking op de hoogte van diens rechten en plichten met betrekking tot de ondersteuning of voorziening. Het college kan de verplichtingen daarnaast verder uitwerken in een met de belanghebbende te sluiten overeenkomst. 3

4. De hoogte van financiële middelen die worden ingezet bij ondersteuning aan de persoon als genoemd in het eerste lid bedraagt maximaal € 3.000. Dit bedrag is inclusief Btw en reiskosten. Artikel 6: Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in Artikel 3 Algemene bepalingen over voorzieningen de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep van Artikel 7 eerste lid onder a van de Wet en is minimaal achttien jaar oud, tenzij de persoon VSO/PRO-onderwijs heeft genoten en de leeftijd van 16 of 17 jaar heeft; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f.

er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) mogen niet hoger zijn dan de omvang van de verwachte besparing van de bijstand gedurende de termijn van 1 jaar. Artikel 7: Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Het college onderzoekt, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 4 weken, na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon. Zowel werkgever als werknemer dienen mee te werken aan dit onderzoek om de noodzaak te kunnen bepalen. 3. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 4.

Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in Artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in Artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. Artikel 8: Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 26 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op 4

het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. Artikel 9: Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en f. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of g. kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. 2. Het college geeft in een beschikking tot afwijzing van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, in ieder geval aan welke voorziening dit betreft. Artikel 10: Persoonlijke ondersteuning bij werk 1.

Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente. 2. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaatsing of een leerwerktraject. 4. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, als bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt en meewerkt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 5.

Subsidie voor de kosten van interne werkbegeleiding kan worden verleend als de persoon uit de doelgroep als bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet deze nodig heeft voor het kunnen verrichten van werk en derhalve is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat. Het betreft hier dan subsidie voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne 5

werkbegeleiding. 6. Voor de jobcoaching wordt een maximumtarief per uur gehanteerd welke regionaal is afgestemd binnen de arbeidsmarktregio Rijnmond van € 84,97 (tarief 2023) hierbij geldt dat jaarlijks het indexeringspercentage van het UWV wordt gevolgd. 7. Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede: a. ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of b. integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs. 8. Het college kan in beleidsregels uitwerken: a. aan welke eisen het coachingsplan moet voldoen; b. welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren; c. hoe de continuïteit van de jobcoaching geborgd moet zijn; of d. hoe de evaluatie van de jobcoaching plaats vindt. Artikel 11: Kwaliteitscriteria jobcoaching 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de eisen zoals bedoeld in de beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2019. 2. De in te zetten jobcoaching wordt op individuele basis bepaald. Hierbij wordt de verleende jobcoaching in de eerste drie jaar verleend voor een aantal uren dat maximaal overeenkomt met respectievelijk 20% van aantal gewerkte uren. 3.

Het college kan van de in het tweede lid bedoelde maximale percentage afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 4. Voordat het college de jobcoaching beëindigt verricht het college een onderzoek. Wanneer de beëindiging plaatsvindt met instemming van de werkgever en de werknemer kan het college van dit onderzoek afzien. Artikel 12: Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. 5.

Het college kan in beleidsregels de vaststelling van de vervoersvoorziening nader uitwerken. Artikel 13: Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of 6

gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. Artikel 14: Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. Artikel 15: Diagnosetraject Het college kan een persoon uit de doelgroep, als bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet, een diagnosetraject aanbieden ter vaststelling van de arbeidsmogelijkheden van belanghebbende dan wel ter bepaling van de geschiktheid van een voorziening. Artikel 16: Werkstage 1. Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.

Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkstage; en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt; c. de duur van de werkstage. Artikel 17: Sociale activering 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 18: Detacheringsbaan 1. Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming.

De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en 7

inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 19: Leer-werktraject 1. Een leer-werktraject kan worden aangeboden aan de als bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet. 2. In aanvulling op het eerste lid kan, als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is, een leer-werktraject worden aangeboden aan een persoon: a. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of b. van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. 3. Het doel van een leer-werktraject is het ontwikkelen van de persoon naar een betaalde baan op de arbeidsmarkt. Artikel 20: Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. de scholing of training vergroot de kansen op de arbeidsmarkt; en b. de persoon beschikt over de mogelijkheden en capaciteiten om de scholing binnen redelijke termijn met goed gevolg af te kunnen ronden. 3. Met uitzondering op het eerste lid, kan geen scholing worden ingezet bij personen jonger dan 27 jaar, indien het scholing uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs betreft.

Artikel 21: Participatieplaats 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig Artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.] 3. De premie, bedoeld in Artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt € 100 per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel 22: Beschut werk 1. Het college verstrekt om de in Artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2. Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in Artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: a.

arbeidsmatige dagbesteding als bedoeld in de Wmo-verordening van de gemeente Voorne aan Zee; b. sociale activering als bedoeld in Artikel 5; 8

c. scholing als bedoeld in Artikel 7; d. persoonlijke ondersteuning als bedoeld in Artikel 11; of e. schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. 3. Het college beheert een wachtlijst beschut werk als er meer inwoners met een indicatie beschut werk zijn dan het door het college beschikbaar gestelde aantal beschutte werkplekken. Deze wachtlijst betreft een overzicht van de personen die geïndiceerd zijn voor beschut werk, zoals bedoeld in Artikel 10b van de Participatiewet. De datum van de indicatie bepaalt de volgorde van plaatsing op de wachtlijst. Artikel 23: Uitstroompremie 1. Het college kan eenmalig een uitstroompremie van € 1000 toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op een uitkering van het college. 2. Onder een langdurig werkloze wordt verstaan: een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering van het college aangewezen is geweest. 3. Onder duurzame uitstroom wordt verstaan: een periode van uitkeringsonafhankelijkheid van tenminste 6 maanden. 4. De premie wordt in 2 gelijke termijnen uitbetaald. De eerste termijn bij indienstreding en als gevolg daarvan beëindiging van de uitkering.

De tweede termijn wordt uitbetaald vanaf de zevende maand na de indiensttreding als aan de voorwaarde gesteld in het derde lid wordt voldaan. 5. In bijzondere omstandigheden, kan gemotiveerd ten voordele van de in het eerste lid genoemde persoon worden afgeweken van: a. de in het eerste lid genoemde hoogte van de premie; b. de in het vierde lid genoemde wijze van uitbetaling. 6. Het college kan hiervoor nadere regels stellen. Artikel 24: Proefplaatsing 1. Het college kan, als dit noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doel van een proefplaatsing is het voor een beperkte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie dan wel de inschakeling van de persoon in arbeid bij een werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaats voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. 3. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c.

als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in 9

4.

5. 6. 7.

dienst zal nemen. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in Artikel 10d, vijfde lid, van de wet. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten. Het college kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 2 Werknemersvoorzieningen Verlenging van een proefplaats zoals genoemd in Artikel 4.2.3 met ten hoogste 4 maanden kan gemotiveerd plaatsvinden. Dit als naar het oordeel van het college de proefplaatsing nodig is om een beeld te vormen van de geschiktheid van de kandidaat. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de afstand tot de arbeidsmarkt van betrokkene, opleidingsniveau, uitkeringsduur, complexiteit van de functie en persoonlijke omstandigheden.

Artikel 25: Traject naar zelfstandig beroep of bedrijf 1. Om te bepalen of een uitkeringsgerechtigde de potentie heeft om volledig te voorzien in het levensonderhoud door middel van uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf, kan na toestemming van het college door het regionaal bureau zelfstandigen een ondernemersbeoordeling worden uitgevoerd. 2. In afwijking van hetgeen in het eerste lid is benoemd kan het traject ook worden aangeboden aan een niet-uitkeringsgerechtigde indien betrokkene in de omstandigheden verkeert als bedoeld in Artikel 11 eerste lid van de Participatiewet, Artikel 5 eerste lid van de IOAW en Artikel vijf eerste lid van de IOAZ en betrokkene een concrete mogelijkheid heeft om direct door te stromen naar een zelfstandig beroep of bedrijf zonder dat toekenning op grond van voornoemde wetten noodzakelijk is. 3. De ondernemersbeoordeling en het eventueel aansluitende traject, of onderdelen daarvan, worden gezien als re-integratie voor zover de kosten niet kunnen worden gedekt uit rijksmiddelen ten behoeve van de uitvoering van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. 4. In aanloop naar hetgeen bepaald in het eerste lid kan een uitkeringsgerechtigde ondersteuning worden geboden om de potentie van de zelfstandigheid te vergroten.

Dit is onderdeel van een re-integratietraject en zal bestaan uit de voorzieningen zoals opgenomen in Hoofdstuk 2: Werknemersvoorzieningen van deze verordening. Hoofdstuk 3: Werkgeversvoorzieningen Artikel 26: Participatievoorzieningen voor werkgevers Het college kan voorzieningen inzetten bij een werkgever ter ondersteuning van de ontwikkeling van betrokken persoon in de organisatie. Uitgangspunt hierbij is dat deze ontwikkeling zal bijdragen aan duurzame uitstroom van betrokkene zijnde een baan voor minimaal zes maanden. Artikel 27: Jobcarving en functiecreatie 1. In overleg met een werkgever kan onderzoek naar jobcarving onderdeel zijn van het 10

plaatsingsproces van een werkzoekende. Jobcarving is het anders indelen van een bestaande functie om deze geschikt te maken voor een persoon. Doel is om te komen tot een arbeidsovereenkomst, al dan niet met inzet van loonkostensubsidie of een participatieplaats. 2. In overleg met een werkgever kan een onderzoek naar functiecreatie onderdeel zijn van acquisitie van vacatures. Het doel van functiecreatie is personeel efficiënter inzetten en mede hierdoor andere vacatures creëren. De doelgroep waarvoor de functie wordt gecreëerd is groot, waardoor de duurzaamheid van de invulling van de functie is gegarandeerd. Doel van deze dienstverlening is om te komen tot een arbeidsovereenkomst voor de doelgroep als bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet al dan niet met inzet van loonkostensubsidie of een participatieplaats. 3. Aan deze dienstverlening zijn voor de werkgever geen kosten verbonden. Artikel 28: Bijdrage duurzame plaatsing 1. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken aan een werkgever die een bijstandsgerechtigde, die minimaal 1 jaar een uitkering ontvangt, een overeenkomst aanbied waarvan de duur van de overeenkomst tenminste zes maanden bedraagt. 2. De tegemoetkoming uit het eerste lid is bedoeld om te investeren op bijstandsgerechtigde met als doel te komen tot duurzame plaatsing. 3.

De tegemoetkoming wordt verstrekt in de bovengemiddelde kosten die gemaakt worden om een kandidaat geschikt te maken om de betreffende functie naar behoren uit te oefenen en het functieniveau te behalen qua opleiding en ervaring. Het kan hierbij gaan om bovengemiddelde begeleiding op de werkplek of scholing. 4. Het college stelt het op basis van de vraag vast in hoeverre de uitkeringsgerechtigde begeleid dient te worden, de duur van de overeenkomst en de inzet van andere werkgeversvoorzieningen welk bedrag wordt toegekend. De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 4.000. 5. De bijdrage duurzame plaatsing wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. De tegemoetkoming wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen negatief worden verstoord, niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt. Artikel 29: Voorwaardelijke opleiding voor plaatsing 1. In afwijking van Artikel XX Bijdrage duurzame plaatsing lid1 kan het college een bijdrage verstrekken van maximaal € 700 als de bijstandsgerechtigde korter dan een jaar een bijstandsuitkering ontvangt en de werkgever de opleiding als voorwaarde stelt voor het aangaan van een arbeidsovereenkomst van minimaal 6 maanden voor minimaal 20 uur per week of meer en: a.

de opleiding niet langer dan 6 maanden duurt en; b. er geen sprake is van een naar aard en doel passende en toereikende voorliggende voorziening. Artikel 30: Werkplekaanpassing 1. Het college kan een werkplekaanpassing subsidiëren. Hierbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep, als bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet, en is minimaal achttien jaar oud, tenzij men VSO/PROonderwijs heeft genoten en het een 16- of 17-jarige betreft; b. de persoon heeft of krijgt een dienstverband voor de duur van minstens zes 11

maanden en voor minimaal 12 uur per week; c. de werkplekaanpassing is naar het oordeel van het college noodzakelijk. Betrokkene kan zonder deze ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen. Het college kan voor de vaststelling daarvan deskundigenadvies inwinnen; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; g. de voorziening is naar het oordeel van het college economisch het meest voordelig en kwalitatief verantwoord. 2. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere betrokken de looptijd en de omvang van de arbeidsovereenkomst. Artikel 31: Doelgroep loonkostensubsidie 1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: a. een persoon behoort tot de doelgroep zoals omschreven in Artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, of als bedoeld in Artikel 10d, tweede lid, van de Participatiewet; b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en c.

die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3. Het college kan een externe adviseur inschakelen die het onderzoek uit het tweede lid uitvoert en adviseert met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. 4. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. Artikel 32: Loonwaardemeting 1. De loonwaardemeting is onderdeel van de subsidieaanvraag voor de reguliere loonkostensubsidie. 2. De methode op basis waarvan de loonwaarde wordt vastgesteld overeenkomstig hetgeen het Besluit Loonkostensubsidie Participatiewet en studietoeslag 2021. 3. Als bij de reguliere loonkostensubsidie een wijziging van de loonwaarde wordt vastgesteld vindt de aanpassing van de loonkostensubsidie plaats met ingang van de maand volgend op de uitkomsten van de nieuwe loonwaardemeting. 4. Er wordt periodiek vastgesteld of een persoon die werkt in een dienstbetrekking met loonkostensubsidie nog tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, en wat de hoogte van de loonwaarde en de loonkostensubsidie is. De frequentie van het vaststellen en de loonwaardemeting wordt afgestemd op de individuele omstandigheden van de werknemer en het perspectief op eventuele ontwikkelmogelijkheden. 5.

Als daartoe voldoende aanleiding is kan, zowel door de werkgever als de werknemer, een verzoek voor tussentijdse aanpassing van de loonwaarde en daarmee ook de hoogte van de loonkostensubsidie worden ingediend. Artikel 33: Forfaitaire loonkostensubsidie 12

Het college kan in afwijking van Artikel 5.2.2 in overleg met de werkgever bepalen dat vaststelling van de loonwaarde van de persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie tijdens de dienstbetrekking plaats vindt. Bij de forfaitaire loonkostensubsidie vindt er uiterlijk binnen 6 maanden, na aanvang dienstbetrekking een loonwaardemeting plaats. Geeft die loonwaardemeting aanleiding om de hoogte van de loonkostensubsidie aan te passen dan vindt die aanpassing plaats met ingang van de 7e maand na aanvang dienstbetrekking. Artikel 34: Administratief proces loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig Artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit Artikel van toepassing. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in Artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet.

Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in Artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 4. Het college stelt binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan Artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht. Artikel 35: Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers 1. Het college kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie beschreven in deze verordening, verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare, of uiterst kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 2. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende maximaal 12 maanden respectievelijk 24 maanden ten behoeve van de kwetsbare respectievelijk de uiterst kwetsbare werknemer. 3. Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: a. voorafgaand aan de indienstneming gedurende [periode (6 maanden)] geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden; b. geen startkwalificatie bezit; c. ouder is dan 50 jaar; of d. alleenstaande ouder is. 4.

Onder uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 24 maanden werkloos is geweest. 5. De loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 6. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk. 13

Hoofdstuk 4: Tegenprestatie Artikel 36: De tegenprestatie 1. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie en die werkzaamheden: a. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; en b. niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; en c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en d. niet leiden tot verdringing. 2. Het college stelt nadere regels vast over welke aanvullende werkzaamheden in ieder geval kunnen worden aangeboden. Artikel 37: Het opleggen van een tegenprestatie 1. Het college kan een tegenprestatie opleggen welke is gericht op het versterken van de eigen kracht en/of sociaal netwerk voor zover het college deze van toepassing acht. 2. Geen tegenprestatie wordt opgelegd aan: a. inwoners die enkel bijzondere bijstand ontvangen; b. alleenstaande ouders die op grond van Artikel 9a Participatiewet op eigen verzoek een ontheffing van de arbeidsverplichtingen hebben, omdat zij de volledige zorg hebben voor een kind tot vijf; c. uitkeringsgerechtigden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn en grond daarvan volledig zijn vrijgesteld van arbeids- en reintegratieverplichting; d. de uitkeringsgerechtigde verricht parttime werk naar vermogen het maximaal haalbare uren; e.

de uitkeringsgerechtigde neemt deel aan een re-integratietraject, waarmee op de korte of lange termijn wordt toegewerkt naar het kunnen gaan verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid; f. de uitkeringsgerechtigde verricht vrijwilligerswerk naar vermogen het maximaal haalbare uren; g. de uitkeringsgerechtigde verricht mantelzorg voor minimaal 16 uur per week; h. uitkeringsgerechtigden waarbij er sprake is van multiproblematiek en het opleggen van een tegenprestatie als niet redelijk wordt geacht. 3. De tegenprestatie wordt qua invulling en duur afgestemd op de mogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde en op de wensen en mogelijkheden van de organisatie die de maatschappelijke activiteit aanbiedt. 4. Bij niet of onvoldoende meewerken aan de tegenprestatie kan een maatregel worden overwogen. Artikel 38: Duur en omvang van de tegenprestatie 1. De omvang van de tegenprestatie kan variëren van een eenmalige activiteit tot een substantieel aantal uren per maand. 2. De duur van de tegenprestatie bedraagt maximaal twaalf maanden. Artikel 39: Keuze invulling van de tegenprestatie De keuze voor de invulling van de tegenprestatie wordt in de volgende volgorde uitgevoerd: a. de uitkeringsgerechtigde zoekt zelf aantoonbaar een activiteit en organisatie; 14

b. de gemeente zorgt voor de beschikbaarheid van activiteiten bij organisaties en de uitkeringsgerechtigde maakt hieruit een keuze; c. de gemeente zorgt voor de beschikbaarheid van activiteiten bij organisaties en maakt hieruit een keuze voor de uitkeringsgerechtigde; d. indien de uitkeringsgerechtigde zelf een activiteit en/of organisatie aandraagt als bedoeld in het eerste lid onderdeel a van dit Artikel, wordt deze getoetst op de criteria als bedoeld in Artikel 36: De Tegenprestatie, eerste lid en Artikel 37: Het opleggen van een tegenprestatie, derde lid van deze verordening. Artikel 40: Geen werkzaamheden voorhanden voor de tegenprestatie Het college legt geen tegenprestatie op indien binnen de gemeentegrenzen geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. Hoofdstuk 5: Slotbepalingen Artikel 41: Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de persoon, afwijken van de bepalingen in deze verordening indien toepassing van deze verordening leidt tot onredelijkheid en onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 42: Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht 1. De Participatieverordening Hellevoetsluis 2015, de Participatieverordening Westvoorne 2021, de Participatieverordening Brielle 2015 – incl. wijziging 2018 en de Verordening tegenprestatie Participatie wet, IOAW en IOAZ Westvoorne worden ingetrokken. 2.

Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de in het eerste lid genoemde verordening die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit deze verordeningen voor de duur: a. van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of b. dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a. 3. Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening in verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet. 4. De citeertitel van de oude’ re-integratieverordening blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het tweede en derde lid. Artikel 43: Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Re-integratie en Tegenprestatie Voorne aan Zee 2023. Toelichting Algemeen Naar aanleiding van de fusie per 1 januari 2023 van de voormalige gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne in de nieuwe gemeente Voorne aan Zee, dienen de bestaande participatieverordeningen binnen twee jaar na de fusie te worden geharmoniseerd (artikel 28 en 29 Wet algemene regels herindeling). Tegelijk met deze harmonisatie naar aanleiding van 15

de fusie is ook de wetswijziging van de Participatiewet per 1 juli 2023 (Breed offensief) verwerkt in deze nieuwe Verordening Re-integratie en Tegenprestatie Voorne aan Zee 2023. Er is gekozen voor een algemene beknopte verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, reintegratie is maatwerk. Het is afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorzieningen. Het is daarbij van belang dat kenbaar is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden er zijn. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college aanbiedt.

Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen in deze verordening: - persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken (Artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a en e, en 10, eerste lid, van de Participatiewet); - scholing of opleiding, als bedoeld in Artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet (Artikel 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet); - de premie, bedoeld in Artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet (Artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet); - participatievoorziening beschut werk, als bedoeld in Artikel 10b van de Participatiewet (Artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, zevende lid, van de Participatiewet); - loonkostensubsidie, als bedoeld in Artikel 10d, van de Participatiewet, voor zover het gaat om de vormgeving van het administratieve proces tot verstrekking hiervan (Artikel 8a, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet); - proefplaats (Artikel 8a, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet); - vervoersvoorziening, als bedoeld in Artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken (Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); - intermediaire activiteit,

als bedoeld in Artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, die noodzakelijk is in verband met een visuele of motorische handicap (Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); - meeneembare voorziening, als bedoeld in Artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en de bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen (Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); De regels dienen aandacht te besteden aan de wijze waarop, rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden, ten behoeve van de doelgroep en doelgroep loonkostensubsidie, wordt voorzien in de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. Tevens dienen in de regels aandacht te worden besteed aan de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van 16

werk naar onderwijs en van werk naar werk (Artikel 8a, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, onderdelen a en g, en 10 eerste lid, van de Participatiewet). Aanpassingen naar aanleiding van wetswijziging ‘Breed offensief’ Bij brief van 7 september 2018 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder de noemer “Breed offensief” maatregelen aangekondigd om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Voor een deel was daar een wetswijziging voor nodig. In de wet “Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)” is het juridisch raamwerk rondom deze maatregelen neergelegd. Het doel van de maatregelen is dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Het gaat om mensen met een beperking die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen en vallen onder de doelgroep banenafspraak of die zijn aangewezen op beschut werk. De bij verordening te regelen uitwerking van deze maatregelen, opgenomen in Artikel 8a, tweede lid, onder c tot en met g, van de Participatiewet, is neergelegd in hoofdstuk 2: werknemersvoorzieningen. Daarmee wordt het uit de wet voortvloeiende belang van het bieden van specifieke ondersteuning voor deze doelgroep duidelijk geborgd.

Artikelsgewijze toelichting Artikel 1: Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft: - personen die algemene bijstand ontvangen; - personen als bedoeld in de Artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in Artikel 10d, van de Participatiewet is verleend; - personen als bedoeld in Artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; - personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW); - personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW); - personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ); -

personen zonder uitkering; - en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college aangeboden voorziening. Grote afstand tot de arbeidsmarkt Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie ook de toelichting bij Artikel XX Beleid en evaluatie. 17

Interne werkbegeleiding Interne werkbegeleiding is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een interne werkbegeleider. Een interne werkbegeleider is een directe collega van een werknemer met een beperking die hem bij de dagelijkse werkzaamheden begeleidt omdat hij zonder die begeleiding niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Het moet hierbij gaan om, in verband met de beperking, meer dan gebruikelijke begeleiding. Om als interne werkbegeleider in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd is het noodzakelijk dat men de vaardigheden heeft om de begeleiding op een kwalitatief verantwoorde manier te kunnen bieden. De wetgever spreekt in dit verband van opgeleide collega’s, niet zijnde jobcoaches, die persoonlijke ondersteuning op de werkvloer verlenen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Zie ook de toelichting bij Artikel 14k. Jobcoaching Jobcoaching is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een jobcoach. Een jobcoach is een erkende deskundige die een werknemer met een beperking en/of zijn werkgever methodische ondersteuning biedt, zodat de werknemer een passende baan kan vinden en behouden.

Om als jobcoach in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd is het noodzakelijk dat men voldoet aan een aantal eisen die erop zijn gericht om de professionaliteit en de kwaliteit van de jobcoaching te waarborgen. Korte afstand tot de arbeidsmarkt Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon, naar redelijke maatstaven gemeten, binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Overige voorzieningen Op grond van Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet moeten er in de verordening regels opgenomen worden voor een drietal specifieke voorzieningen die bedoeld zijn voor personen met een arbeidsbeperking. Het gaat om vervoersvoorzieningen, noodzakelijke intermediaire activiteiten en meeneembare voorzieningen. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening aangeduid met het begrip ‘overige voorzieningen’. Persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in Artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet moet in samenhang met Artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en Artikel 10da, van de Participatiewet worden begrepen als een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid.

In de memorie van toelichting bij Artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen nader ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd). Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 9). Praktijkroute Opname in het doelgroepenregister kan op verschillende manieren plaatsvinden. Naast de aanvraagroute via het UWV is er ook een route die loopt via de gemeente. Deze route staat bekend als de praktijkroute en volgt uit Artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Het is een procesroute waarbij het college door middel 18

van een loonwaardemeting op de werkplek vaststelt dat de loonwaarde van een werknemer bij voltijdse arbeid minder bedraagt dan het wettelijk minimumloon, welke vaststelling leidt tot opname in het doelgroepenregister. Deze route kan alleen worden gevolgd op het moment dat iemand al een werkplek heeft. Artikel 2: Beleid en evaluatie Korte afstand tot arbeidsmarkt Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in Artikel 18: Detacheringsbaan aan personen aan die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in Artikel 1: Definities. Grote afstand tot arbeidsmarkt Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de Artikel 16: Werkstage, Artikel 17: Sociale activering en Artikel 21: Participatieplaats aan personen aan die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in Artikel 1: Definities. Overige voorzieningen Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: scholing (Artikel 20), beschut werk (Artikel 22), leer-werktraject (Artikel 19), persoonlijke ondersteuning bij werk (Artikel 10), loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers (Artikel 35), uitstroompremie (Artikel 23) en proefplaatsing (Artikel 24).

Rekening houden met omstandigheden en beperkingen Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In het derde lid is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden. Verslag doeltreffendheid Het college informeert de gemeenteraad over de effecten van de verordening in de praktijk. Hierbij wordt de adviesraad Sociaal Domein geconsulteerd. Artikel 3: Algemene bepalingen over voorzieningen De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Weigeringsgronden Het eerste lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan.

De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de Artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Ook zal het college bij de beoordeling van het recht op een voorziening de in Artikel 2 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen.

19

Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk. Beëindigingsgronden Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in Artikel 3, tweede lid. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt.

Het gaat om de persoon als bedoeld in de Artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in Artikel 10d is verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in Artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (Rechtbank Arnhem 14-092006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Afstemming Het derde lid regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15027847/1