Nota Zienswijzen - bijlage 1
Tekst van het document
Nota zienswijzen Omgevingsplan Buitengebied Brielle – Veegplan 2 1. Inleiding Het ontwerp Omgevingsplan Buitengebied Brielle – Veegplan 2 (‘ontwerp Omgevingsplan’) heeft van 8 december 2023 tot en met 18 januari 2024 gedurende zes weken ter inzage gelegen in het kader van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Eenieder kon online via de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl met een doorverwijzing naar de website https://brielle.crotecomgevingsplan.nl om het plan in te zien. Tijdens deze periode van 6 weken is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Tijdens de ter inzage periode zijn drie zienswijzen ontvangen. Deze zienswijzen zijn binnen de gestelde termijn ingediend en om die reden ontvankelijk. De zienswijzen zijn in deze Nota Zienswijzen (‘Nota’) samengevat en van een beantwoording voorzien. De indieners zullen schriftelijk worden geïnformeerd over de beantwoording van de door hen ingediende zienswijze. Anonimiseren De Nota wordt bij de terinzagelegging van het vastgestelde omgevingsplan elektronisch beschikbaar gesteld als bijlage bij het raadsbesluit.
Op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens is het niet toegestaan om persoonsgegevens (zogenaamde NAW-gegevens: naam, adres en woonplaats) van natuurlijke personen te verwerken zonder bijvoorbeeld een wettelijke grondslag, dringende noodzaak of toestemming van de betreffende personen. Er is geen wettelijke grondslag of dringende noodzaak om de NAW-gegevens van natuurlijke personen te vermelden. De zienswijzen zien op specifieke locaties in het buitengebied. Voor de goede leesbaarheid van de Nota is het noodzakelijk om deze locaties te benoemen. Dit zodat eenieder kan opmaken waarover wordt gesproken en welke keuzes zijn gemaakt, wat vanuit het oogpunt van duidelijkheid en rechtszekerheid wenselijk is. Wel is per zienswijze de keuze gemaakt om alleen een straatnaam met huisnummer en woonplaats te noemen. Op basis hiervan is voldoende duidelijk op welk perceel een reactie ziet. 2. Samenvatting en beantwoording zienswijzen 1. Reclamant 1 met betrekking tot perceel Kloosterweg 23 28 december 2023, ontvangen 28 december 2023 Voornemen om de biodiversiteit op het terrein te stimuleren door de ontwikkeling van een paddock paradise. Zienswijze 1A Reclamanten zijn van plan om het terrein te voorzien van een paddock paradise als onderdeel van de voorgestelde wijzigingen. Deze inrichting heeft als doel biodiversiteit te stimuleren en het behoud ervan te waarborgen.
Het implementeren van een paddock paradise is niet alleen gunstig voor een gezonder ecosysteem, maar het heeft ook positieve effecten op de lokale flora en fauna. Beantwoording 1A Wij nemen de voorgenomen ontwikkeling van een paddock paradise voor kennisgeving aan, nu dit slechts een mededeling is en daarmee geen concreet initiatief dat meegenomen hoeft te worden. Volledigheidshalve geven wij wel aan reclamanten mee dat de paddock paradise moet passen binnen de gestelde oppervlakte voor buitenruimte bij een paardenstalling. Dit betreft het geheel van buitenvoorzieningen die behoren tot een paardenstalling. Het gaat om daarbij in ieder geval om een
buitenrijbaan, paddock/losgooibak, longeerbak, stapmolen, mesthoop of buitenopslag tot 4 meter hoog. Mogelijkheden voor weidegang vallen niet onder deze definitie. Verzoek voor de toevoeging van een maatschappelijke functie voor therapeutisch paardrijden. Zienswijze 1B Reclamanten gaan aan de Kloosterweg 23 hun bedrijf HorsePower Training en Coaching vestigen. Dit bedrijf is al enige tijd op een andere locatie in de gemeente werkzaam en per 2024 zorgpartner voor de gemeente Nissewaard en Voorne aan Zee. Het bedrijf richt zich op het aanbieden van aangepast paardrijden voor kinderen met autisme of psychische problemen. Er is geen intentie om een manege te starten, het therapeutisch paardrijden is echt onderdeel van de therapietrajecten. Beantwoording 1B Reclamanten zijn voornemens naast het stallen van paarden ook coaching sessies en therapiesessies in combinatie met paarden/paardrijden aan te bieden. De nieuwe bedrijfsmatige nevenactiviteit coaching/therapie met paarden zal worden toegestaan op de locatie Kloosterweg 23. Deze activiteit is onlosmakelijk verbonden met de paardenstalling; zonder stalling kan deze activiteit niet worden uitgevoerd. Het uitvoeren van deze nevenactiviteit is niet mogelijk binnen de nevenfuncties van de Oude Zeekleipolders.
Daarom wordt deze nieuwe nevenactiviteit als een locatie-specifieke activiteit toegevoegd aan het plan Gebruik van meer vierkante meters op het bouwvak ten behoeve van een nieuwe buitenrijbaan. Zienswijze 1C Reclamanten stellen dat het welzijn van de paarden direct gerelateerd is aan de beschikbare ruimte. Om ervoor te zorgen dat de paarden voldoende bewegingsruimte hebben, zeker in de winter, achten reclamanten het noodzakelijk om meer dan de nu vastgestelde 1.200 m2 te mogen benutten binnen het bouwvlak. Graag willen reclamanten binnen het bouwvak een buitenrijbaan van 20x60m plaatsen rechts van de loodsen. De bestaande buiten rijbaan voldoet niet aan de juiste afmetingen voor een rijbaan en de veiligheidseisen omdat deze tegen een stenenmuur aan ligt. Daarom willen reclamanten deze ombouwen tot paddocks. Zodat de paarden in de wintermaanden ook voldoende buiten kunnen zijn. Beantwoording 1C Met de realisatie van de paddocks en de paardenbak wordt een buitenruimte van in totaal 2.200 m2 beoogd. Een buitenruimte van 2.200 m2 is strijdig met de regels voor een paardenstalling, waar maximaal 1.200 m2 buitenruimte is toegestaan. Om deze strijdigheid op te heffen, zou de toegestane buitenruimte in het kader van de nieuwe activiteit moeten worden vergroot. Voor dit perceel is bepaald wat ruimtelijk aanvaardbaar is ten aanzien van de extra buitenruimte.
Het bestemmingsvlak/bouwvlak is ruim genoeg om de paardenbak binnen te realiseren en de nieuwe paardenbak komt verder van de dichtstbijzijnde woning (gevoelige functie) te liggen. De paardenbak wordt geplaatst op het achtererf. Het is wenselijk dat de paardenbak landschappelijk wordt ingepast met bijvoorbeeld een haag. Het perceel breidt niet uit en blijft kleinschalig, geconcentreerd en georiënteerd op de Kloosterweg. De totale beoogde buitenruimte is groter dan bij andere paardenstallingen in de voormalig gemeente Brielle waarbij de maximaal toegestane buitenruimte bijna altijd 1.200 m² betreft. Tussen de aanwezige mensen/groepen dient, met name vanwege het therapeutische en coachende karakter, maar ook vanwege de veiligheid, voldoende afstand gehouden te worden. Wij vinden een overschrijding van 600 m2 een bij deze locatie en functies passende overschrijding. Daarom zullen wij meewerken aan het vergroten van de buitenruimte voor paarden tot 1.800 m2. Reclamanten zullen wel de bestaande paddocks met ongeveer 400 m2 moeten verkleinen om binnen de toegestane 1.800 m2 buitenruimte te blijven.
Plaatsing van een binnenbak Zienswijze 1D Reclamanten stellen dat om hun diensten gedurende alle seizoenen aan te kunnen bieden en de paarden optimale verzorging te bieden, het van groot belang is om op termijn een binnenbak te plaatsen. Dit stelt reclamanten in staat om aangepaste activiteiten zoals aangepast paardrijden voor kinderen met autisme of psychische problemen en andere therapeutische programma's het hele jaar door uit te voeren. Beantwoording 1D In de zienswijze wordt slechts in algemene zin ingegaan op de wens om een binnenbak te realiseren. Dit is een onvoldoende concreet initiatief en wordt derhalve niet meegenomen in het Veegplan 2 van het Omgevingsplan Buitengebied Brielle. Conclusie De zienswijze is deels gegrond. Het plan wordt voor de locatie Kloosterweg 23 aangepast door de nevenactiviteit therapie met paarden en coaching met paarden toe te voegen. Ook wordt de buitenruimte vergroot tot 1.800 m2. 2.
Reclamant 2 met betrekking tot perceel Molendijk 1 17 januari 2024, ontvangen 17 januari 2024 Algemene opmerkingen Voordat inhoudelijk wordt gereageerd op de zienswijze van reclamanten, dient opgemerkt te worden dat een groot aantal van hun bezwaren ziet op aspecten die losstaan van het ontwerpveegplan 2 en die zien op ruimtelijke afwegingen die al gemaakt zijn in het Omgevingsplan, omgevingsplan ‘Buitengebied Brielle – Veegplan 1’ (“Veegplan 1”) of de omgevingsvergunning. Deze bezwaren kunnen in deze procedure niet meer aan bod komen. Meer specifiek zijn dit de opmerkingen die zien op de definitie van buitenruimte, het beroep dat loopt ten aanzien van veegplan 1, de vermeende aanduiding van het perceel van reclamanten als manege, de onderbouwing van het aantal vierkante meters aan buitenruimte bij paardenstallingen, het handhavingstraject en de gevolgen daarvan voor reclamanten, en de vraag of de legalisering van de situatie op het perceel van reclamanten bij de eerdere planvorming had moeten worden meegenomen. Het ontwerpveegplan 2 voorziet verder alleen in het herbestemmen van drie bedrijfswoningen naar plattelandswoning en het terug bestemmen van de paardenhouderijen die voorheen ook bestemd waren als paardenhouderij. Anders dan reclamanten lijken te veronderstellen is geen sprake van het wegbestemmen van bepaalde mogelijkheden.
Ook is geen sprake van een verdere beperking van de toegestane buitenruimte, maar is juist sprake van een verruiming op enkele percelen. Geen overleg Zienswijze 2A Reclamanten stellen dat er geen overleg heeft plaatsgevonden over het ontwerpveegplan 2 met hen en de andere betrokkenen. De wijzigingen zouden dan ook eenzijdig zijn opgenomen in het ontwerpveegplan 2. Beantwoording 2A Het standpunt van reclamant kan niet gevolgd worden. Anders dan reclamanten veronderstellen is met elke betrokkene waar de gemeente nog geen contact mee had overleg gevoerd. Ten aanzien van het perceel van reclamanten is slechts de bedrijfswoning gewijzigd naar plattelandswoning. Hier is contact over geweest met de advocaat van reclamanten. Wij hebben nader overleg niet opportuun geacht omdat wij op goede gronden mocht aannemen dat de wijziging naar plattelandswoning recht doet aan de belangen van appellant. Daarbij hebben wij meegewogen dat met reclamanten en hun advocaat
veelvuldig overleg is gevoerd in het kader van de door hen ingediende vergunningsaanvraag die heeft geleid tot de omgevingsvergunning. De wens van reclamanten om hun buitenruimte ongelimiteerd te gebruiken is, zoals gezegd, in dat verband reeds beoordeeld en gewogen door ons. De zienswijze van reclamanten verklaren wij op dit punt dan ook ongegrond. Petitie Paardenwelzijn Zienswijze 2B Reclamanten stellen dat de raad verzocht is om het verschil in de diverse planologische regimes van de fusiegemeenten recht te trekken en wijzen in dat verband op de door hen ingediende petitie Paardenwelzijn die betrokken had moeten worden bij het ontwerpveegplan. De belangen van paardenstallingen en paardenhouderijen zijn onvoldoende betrokken, aldus reclamanten. Beantwoording 2B Hoewel reclamanten gevolgd kunnen worden in hun standpunt dat er een verschil is in de diverse planologische regimes van de fusiegemeenten, houdt dit niet in dat de belangen van de paardenstallingen en paardenhouderijen onvoldoende bij het ontwerpveegplan 2 zijn betrokken. Immers, het ontwerpveegplan 2 is opgesteld om de geconstateerde omissies te herstellen. Het had juist geen recht gedaan aan de belangen van de betrokken paardenstallingen en paardenhouderijen als gewacht zou worden met het herstel van deze omissies totdat de omgevingsvisie vastgesteld wordt.
Dit betreft immers een langdurig traject van enkele jaren en in die jaren zouden de betrokken paardenstallingen en paardenhouderijen geconfronteerd blijven met de omissies c.q. beperkingen. De zienswijze van reclamanten verklaren wij op dit punt dan ook ongegrond. Voorstelde wijziging Zienswijze 2C Reclamanten stellen dat wij ten onrechte niet de omgevingsvergunning van reclamanten hebben meegenomen in het plan. Beoordeeld had moeten worden hoe de voorgenomen bestemming en de beperking aan buitenruimte zich verhoudt tot die vergunning. Beantwoording 2C Reclamanten lijken te veronderstellen dat het niet meenemen van de omgevingsvergunning afbreuk doet aan de rechten die zij op grond van de omgevingsvergunning hebben. Dat is uiteraard niet zo. Het betreft immers een werkende omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is tijdens de voorbereiding van het Veegplan en het schrijven van deze nota beantwoording zienswijzen nog niet onherroepelijk omdat pas op 14 februari 2024 uitspraak is gewezen en hoger beroep nog openstaat. Reeds daarom is de omgevingsvergunning niet meegenomen in het ontwerpveegplan. Zodra deze omgevingsvergunning onherroepelijk is, zal de omgevingsvergunning in het omgevingsplan worden verwerkt. Anders dan reclamanten veronderstellen kan de verleende omgevingsvergunning niet worden aangemerkt als concreet initiatief.
De gewenste ontwikkeling is immers al planologisch mogelijk gemaakt. De zienswijze van reclamanten verklaren wij op dit punt dan ook ongegrond. Beperking buitenruimte Zienswijze 2D Reclamanten stellen dat in het ontwerpveegplan 2 ten onrechte opnieuw is vastgehouden aan de beperking van 1.200 m2 aan buitenruimte voor paardenstallingen. Verder zouden er in het ontwerpveegplan niet onderbouwde uitzonderingen gemaakt zijn die in strijd zouden zijn met het gelijkheidsbeginsel. Beantwoording 2D Vooropgesteld dient te worden dat bij de percelen waar de beperking van 1.200 m2 geldt, het ontwerpveegplan niets wijzigt in het planologisch regime. De inmiddels onherroepelijke keuze van de
planwetgever om deze percelen een beperking in vierkante meters aan buitenruimte op te leggen staat dan ook niet ter discussie bij het ontwerpveegplan 2. Specifiek ten aanzien van het perceel van reclamanten heeft te gelden dat een overschrijding van het aantal vierkante meters aan buitenruimte wordt toegestaan door de omgevingsvergunning. Op de standpunten van reclamanten waarin zij specifiek ingaan op hun eigen (bedrijfsmatige) situatie en het aantal vierkante meters aan buitenruimte zal dan ook niet gereageerd worden nu de verleende omgevingsvergunning hier niet centraal staat. Daar waar reclamanten stellen dat wij in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelen, is van belang dat per perceel getoetst is aan de goede ruimtelijke ordening. Deze afweging op perceelsniveau blijkt ook uit de toelichting op het ontwerpveegplan. Er is dan ook geen sprake van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Dat reclamanten onevenredig benadeeld worden door het ontwerpveegplan 2 is niet nader onderbouwd en gelet op de herbestemming van de bedrijfswoning naar plattelandswoning ook anderszins niet te volgen. De zienswijze van reclamanten verklaren wij op dit punt dan ook ongegrond. Concreet initiatief I Zienswijze 2E Reclamanten vragen om de beperking van het aantal toegestane vierkante meters aan buitenruimte te schrappen.
Ook vragen zij om medewerking bij het vergunnen van de paddocks aan de wegzijde en een verlenging van de rijbaan. Verder stellen reclamanten dat hun perceel ten onrechte niet herbestemd is naar paardenhouderij. Zij stellen daartoe dat ze een paardenhouderij exploiteren. Dit zou onder meer volgen uit de verleende omgevingsvergunning. Beantwoording 2E Ten aanzien van het vergunnen van de paddocks, dient vooropgesteld te worden dat uit de zienswijze niet blijkt welke paddocks exact bedoeld worden. Voor zover reclamanten hiermee doelen op de weide aan de zijde van de Groene Kruisweg die voorheen als paardenbak 3 werd aangeduid, komt dit neer op een herhaalde aanvraag waarvan de planologische wenselijkheid reeds beoordeeld is bij het vergunningstraject dat gestart is ten behoeve van de legalisatie en dat heeft geleid tot de omgevingsvergunning. Wij zullen dit verzoek dan ook niet meenemen in het kader van ontwerpveegplan 2. Concreet initiatief II Zienswijze 2F Het verzoek van reclamanten om een schrapping van het aantal toegestane vierkante meters aan buitenruimte, wordt dit gelijkgesteld aan het verzoek om het perceel te herbestemmen als ‘Paardenhouderij’. Beantwoording 2F Zoals ook uit de toelichting op het ontwerpveegplan volgt wordt met het herbestemmen van een aantal percelen naar paardenhouderij een omissie hersteld.
Deze percelen waren op grond van de beheersverordening namelijk bestemd als paardenhouderij (Adp) en zijn in omvang en bedrijfsmatigheid ook omvangrijker dan de percelen die op grond van de beheersverordening aangeduid waren als paardenstalling. Deze percelen zijn onterecht en onbedoeld beperkt in de toegestane mogelijkheden. Het perceel van reclamanten was onder de beheersverordening bestemd als Wonen* (W*) met als nevenfunctie een toegestane paardenstalling. De paardenstalling zoals die thans aanwezig is op het perceel wordt volgens reclamanten al sinds 1962 geëxploiteerd. Bij de totstandkoming van het ontwerpveegplan 2 is per perceel beoordeeld of – ook los van de historische achtergrond – een herbestemming naar een paardenhouderij aangewezen is. Daarbij is gekeken naar de omvang van het perceel, de situering van het perceel, de huidige bedrijfsmatige situatie en eventuele toekomstige mogelijkheden.
De herbestemming van het perceel van reclamanten naar paardenhouderij, achten wij niet wenselijk. Het perceel ligt in lintbebouwing en aan de achterzijde (zuid/west) grenst het perceel aan het beschermde natuurgebied Holle Mare. Het perceel zelf is beperkt van omvang. Of reclamanten nog meer percelen in eigendom hebben, doet daar niets aan af. Voor wat betreft de situering van het perceel is van belang dat het perceel omsloten wordt door percelen met een woonbestemming of natuurbestemming (gronden die grotendeels in eigendom van stichting “Het Zuid-Hollands Landschap” zijn). Voor wat betreft de bedrijfsmatigheid wordt opgemerkt dat wij onderkennen dat sprake is van een bedrijfsmatige paardenstalling. Deze is echter van een zodanige beperkte omvang dat geen sprake is van een paardenhouderij nu er maximaal 18 paarden gestald kunnen en mogen worden. Daarbij is ook in overweging genomen dat – gelet op de situering van het perceel – er milieutechnisch geen verdere verzwaring van het gebruik kan plaatsvinden. Eventuele termen die de gemeente in haar eerdere correspondentie met reclamanten heeft gebezigd, zijn – wat daar verder ook van zij – tot slot niet van belang. Dit staat immers los van de toetsing zoals die heeft plaatsgevonden in het kader van het ontwerpveegplan 2. Gelet op het voorgaande zullen wij het perceel van reclamanten niet herbestemmen als paardenhouderij.
Onjuiste publicatie Zienswijze 2G Reclamanten stellen dat op de viewer de verhouding tussen de diverse omgevingsplannen onduidelijk is. Zo zouden de regels uit veegplan 1 niet meer zichtbaar zijn en zou niet uit de toelichting volgen welke wijzigingen worden doorgevoerd met het ontwerpveegplan. Beantwoording 2G Uit de toelichting op de viewer https://brielle.crotec-omgevingsplan.nl volgt dat in de viewer onder ‘kaartlagen’ gekozen kan worden tussen het raadplegen van ‘Plannen in procedure’ en ‘Plannen in werking’. Hiermee worden de verschillen inzichtelijk gemaakt tussen het ontwerpveegplan en het huidige bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. De wijzigingen zijn tevens met een rode arcering weergegeven zodat duidelijk is waar wijzigingen zijn doorgevoerd ten aanzien van het moederplan. Tot slot is per veegplan in hoofdstuk 12 van de regels een artikel gewijd ten aanzien van welke artikelen een herziening heeft plaatsgevonden. Daarmee is voldaan aan artikel 7c, lid 9, aanhef en onder a, onderdeel 1, van het Besluit uitvoering Crisis en Herstelwet. Overigens volgt uit de toelichting op het ontwerpveegplan ook per perceel welke wijzigingen exact zijn doorgevoerd. De zienswijze van reclamanten verklaren wij op dit punt dan ook ongegrond. Kadastrale grenzen Zienswijze 2G Reclamanten zijn van mening dat de kadastrale grenzen niet juist zijn gevolgd.
Ook zou de nevenfunctie ‘Paardenstalling’ uit de beheersverordening op enig moment omgezet zijn in een ‘Paardenhouderij’. Beantwoording 2G Voor wat betreft de aanduiding paardenstalling is van belang dat de aanduiding niet op het gehele perceel rust. Op het andere deel rust de bestemming ‘Algemeen grondgebruik’. Anders dan reclamanten veronderstellen, is het perceel zelf nooit bestemd als ‘Paardenhouderij’. Het klopt verder dat in het Omgevingsplan de bestemmingsplanlegging per abuis verkeerd is gelegd omdat dit de kadastrale grenzen niet volgde. Anders dan reclamanten stellen is dit echter hersteld met veegplan 1. Daartoe wordt ook verwezen naar de toelichting op veegplan waaruit volgt dat:
Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat de gele belijning de bestemming ‘wonen’ aangeeft van de percelen die gesitueerd zijn aan de Molendijk en de roze belijning de bestemming ‘paardenstalling’. Hieruit volgt dat de zijde van het perceel van reclamanten die grenst aan Molendijk 3, de bestemmingsplanlegging ‘paardenstalling’ per abuis te veel naar rechts was gelegd. Anders dan reclamanten veronderstellen houdt dit dus niet in dat het gehele perceel de bestemming ‘paardenstalling’ heeft en dat de bestemming ‘algemeen grondgebruik’ verkeerd was gelegd. De zienswijze van reclamanten verklaren wij op dit punt dan ook ongegrond. Conclusie De zienswijze is ongegrond. Het plan behoeft geen aanpassing. 3. Reclamant 3 met betrekking tot belangen hoogspanningsverbindingen 12 januari 2024, ontvangen 12 januari 2024 Zienswijze 3A Reclamant is van mening dat in het bestemmingsplan onvoldoende rekening is gehouden met de bescherming van de belangen van de hoogspanningsverbindingen. De huidige set regels zoals deze zijn opgenomen in het plan, biedt niet de juiste bescherming. Daarom verzoeken wij u de regels over te nemen zoals in bijlage 1 (bovengronds). Met het toevoegen van deze regels wordt beter gewaarborgd dat het hoogspanningsnet voldoende wordt beschermd tegen omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op een betrouwbare levering van energie.
Beantwoording 3A Zoals afgesproken met TenneT zullen de voorgestelde wijzigingen aan de regels, zoals benoemd in bijlage 1 bij de zienswijze, worden betrokken bij het opstellen van het algehele omgevingsplan Voorne
aan Zee. Daarmee wordt deze zienswijze buiten beschouwing gelaten bij het omgevingsplan Buitengebied Brielle – Veegplan 2. Zienswijze 3B Bij toekomstige plannen of beleidsdocumenten die keuzes omvatten die relevant zijn voor het landelijk hoogspanningsnet, zou TenneT het prettig vinden om deel te nemen aan het vooroverleg. Op deze manier worden zij vroegtijdig bij plannen betrokken wat maakt dat zij ook tijdig kunnen beoordelen of de veiligheid en leveringszekerheid van hun hoogspanningsverbindingen in het geding komen en of de plannen (technisch) uitvoerbaar zijn. Beantwoording 3B Wij zullen TenneT als overlegpartner in een vroegtijdig stadium bij plannen betrekken door hen uit te nodigen voor advisering aan de Omgevingstafel danwel hen deel te laten nemen aan het vooroverleg. Zienswijze 3C TenneT heeft, in samenwerking met Netbeheer Nederland, de Staalkaart "Elektriciteit en gas in het Omgevingsplan" inclusief bijbehorende voorbeeldregels opgesteld. De Staalkaart betreft een handreiking om gemeentelijke ambities in samenhang met ambities op het gebied van energievoorzieningen bij elkaar te brengen in het Omgevingsplan. De Staalkaart is een ‘levend’ document en zal worden aangepast naar de kennis en ervaring die TenneT en gemeenten gaan opdoen met de Omgevingswet.
TenneT nodigt uit om gebruik te maken van de Staalkaart bij het opstellen van een Omgevingsplan en vervolgens samen met ons mee te denken in het op duurzame wijze opnemen van het hoogspanningsnet in Omgevingsplannen. Beantwoording 3C Wij hebben kennis genomen van de genoemde Staalkaart. Wij zullen de Staalkaart betrekken bij het opstellen van het Omgevingsplan en wij zullen TenneT uitnodigen om mee te denken bij het opstellen van de Omgevingsvisie Voorne aan Zee en het daaropvolgende Omgevingsplan Voorne aan Zee. Conclusie In overeenstemming met TenneT is overeengekomen om de wijzigingen te betrekken bij het op te stellen omgevingsplan Voorne aan Zee. TenneT is uitgenodigd om mee te denken bij het opstellen van de omgevingsvisie en het omgevingsplan.