Inspreker 2. De heer Schutz, HISWA-RECRON. Brief ter onderbouwing inspraakreactie verhoging tarief toeristenbelasting
Tekst van het document
Gemeente Voorne aan Zee T.a.v.: Commissieleden Algemene Zaken en Middelen C.c.: college B&W Datum Kenmerk Betreft
Leusden, 2 december 2024 H/20241202001/BS/MvdD Inspreekreactie Commissie Algemene Zaken en Middelen - 4 december 2024
Geachte Commissieleden, In Bijstelling 26 van uw Kadernota van 29 mei 2024 staat: “Stijging toeristenbelasting: Als de lasten voor de eigen inwoners stijgen is het redelijk dat ook de toeristenbelasting evenredig meestijgt”. Een politiek standpunt waar de redelijkheid van af lijkt te druipen. Maar is dit ook zo? In deze bijdrage hoop ik u te kunnen uitleggen dat er in dit kader op het voorgenomen toeristenbelastingtarief het nodige valt af te dingen is. Eerder dit voorjaar werd een klankbordgroep in het leven geroepen om de harmonisatie van de toeristenbelastingsystemen en -grondslagen te helpen begeleiden, vooral voor het forfaitaire deel. Uitdrukkelijk géén onderwerp van de klankbordgroep was de vraag wát de tarifering zou worden. We hebben daar wel herhaaldelijk om gevraagd. Als lid van de klankbordgroep en als regionale vertegenwoordiger van een landelijke branchevereniging kan ik u aangeven dat het elders in den lande niet ongebruikelijk is het gesprek daarover wel met elkaar aan te gaan. Uiteraard met respect voor ieders rol. Al is het maar om een beeld op te halen of op andere wijze aan een impactanalyse te doen. Dat is cruciaal. Al is het maar veiligheidshalve, om zogezegd bij de vangrail weg te blijven. Als gemeente kun je immers ook niet alles weten. Zo niet in Voorne aan Zee. Begin november hebben we nog overleg gezocht én toch deels gekregen.
Enkele algemeenheden en ons zorg konden we meegeven. Het voorgenomen tarief werd niet met ons gedeeld noch besproken. En nu zitten we met de gebakken peren. Een tarief van EUR 2,50 p.p.p.n., en voor kampeermiddelen die de toerist zelf meeneemt EUR 1.70 p.p.p.n. Wel ontving ik – niet rechtstreeks, maar via TOP Voorne-Putten, op 2 december om een e-mail van de gemeente met daarin een Raming 2025 met de verdeling en geraamde opbrengst per categorie overnachting bij een tarief van €1,70. Te laat. Dit en andere gegevens ter vergelijking hadden maanden geleden onderwerp van gesprek moeten zijn. Niet achteraf vlak voor de Commissievergadering, als het voorstel al aan u is toegezonden. En niet om dan maar in te spreken naar aanleiding van. Klankborden behoeft bespreking met de klankbordgroep aan de voorkant. We kunnen deze gegevens op deze korte termijn niet beoordelen. Daarmee is de inhoud van deze brief nog steeds van toepassing. Is dit proces wel zorgvuldig doorlopen? Het formele zorgvuldigheidsbeginsel vergt dat elk besluit door de overheid zorgvuldig wordt voorbereid. Er wordt daarvoor de nodige kennis vergaard en alle relevante feiten en belangen worden afgewogen vóór er een beslissing wordt gemaakt. Het materiële zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat een besluit goed onderbouwd is en gebaseerd is op een grondige analyse van de feiten en omstandigheden.
Het doel van het materiële zorgvuldigheidsbeginsel is om ervoor te zorgen dat het besluit rechtvaardig en evenwichtig is. Voor
zover ons bekend, is deze spreekwoordelijk ‘was’ door het college niet opgehaald. Althans niet bij ons en andere stakeholders, wat voor de hand had gelegen als je net een klankbordgroep hebt opgericht. De mail van 2 december jl. met de Raming over 2025 is ‘zenden’, en ook nog eens te laat. Niet ‘ophalen’. Wegens deze onzorgvuldigheid ontbreekt het gevoerde bestuur en beleid terzake aan behoorlijkheid. Had dit dan zoveel uitgemaakt als het wél was gebeurd? Het antwoord luidt volmondig: “Ja”. We hadden het college de volgende vier punten kunnen en willen meegeven. 1) Algemeen speelveld Impact analyse/uitval van de vraag. Het gaat op 4 december a.s. in uw commissie over de Verordeningen over 2025. Het is zoals hiervoor bepleit relevant dat de gemeente zich vergewist in welke context uw belastingplichtigen – in dit geval de sector en de ondernemers – zich thans bevinden en wat uw voorgenomen tariefsverhoging nu en voor de toekomst voor hen voor gevolgen heeft. Wij kijken daarbij verder dan 2025. Dit omdat wij nergens lezen dat de tariefsverhoging volgend jaar wordt teruggedraaid en juist in 2026 de grootste impact ligt. Dat matched met beelden elders. Toeristenbelasting gaat zelden tot nooit omlaag, altijd omhoog. Dat rechtvaardigt een blik vooruit.
Los van aanmerkelijke kostenstijgingen van de achterliggende periode (denk aan energiekosten, loonkosten, inflatie) heeft het kabinet besloten de sector in 2026 - anders dan de sport- en cultuursector - niet te ontzien en zal het als het belastingplan wordt aangenomen in de Eerste Kamer een aanmerkelijke btw-tariefstijging van 9% naar 21% doorvoeren. Weliswaar pas in 2026 maar toch relevant omdat de vast te stellen toeristenbelasting moet passen in uw meerjarige raming. Het btw-tarief is een tarief waar u als gemeenteraad niets aan kunt doen, behalve door er in uw eigen keuzes en afwegingen rekening mee houden. En dat beroep doet HISWA-RECRON op u. Als u weet dat België een btw-tarief van 6% en Duitsland een btw-tarief van 7% op logies hanteren, dus een significant goedkopere vakantie mogelijk maken op ongeveer 100 resp. 150 km afstand van Voorne aan Zee, is significante impact verre van ondenkbeeldig. In het kader van de landelijke btw-lobby die HISWA-RECRON heeft gevoerd hebben we een macro-impactanalyse laten maken van wat deze btw-maatregel voor gevolgen kan hebben. Het in opdracht van HISWA-RECRON opgestelde rapport van Ginder zend ik u als bijlage toe. Nederlanders vinden vakantie belangrijk.
Ondanks dat 30% van de gezinnen in Nederland financieel kwetsbaar zijn en nog eens 30% financieel ongezond (onderzoek Deloitte, Universiteit Leiden en Nibud) ging 20% van de Nederlanders volgens het CBS in 2022 niet met vakantie. 80% dus in enige vorm nog wel. Zó belangrijk vinden we vakantie voor ons welzijn en psychosociale gezondheid. Ondanks onze meer en meer beperkte koopkracht gaan we kennelijk nog steeds in grote getalen op vakantie. Dat staat wel onder druk Wél betekent het dat Nederlandse toeristen hun vakantie korter, in een goedkopere accommodatie en budgetbewuster vieren. Zeker als de btw-tariefsverhoging er komt. Óf in 2026 juist ondanks de door en na Corona herontdekte vakanties in eigen land toch weer naar het buitenland gaan, omdat het goedkoper is en de belasting een minder groot aandeel in het totaal van de vakantiekosten inneemt. Meer dan 40% belastingen op het totaal van de belastingen is straks niet zeldzaam en dat is
vanzelfsprekend buitensporig. Om van de Duitsers en de Belgen die niet meer naar Nederland komen nog te zwijgen. Het mes snijdt immers aan twee kanten. En ondanks dat de inkomsten van toekomstige toeristenbelastingheffing vaak in prognoses, begrotingen en ramingen al worden ingeboekt, moet de toerist eerst nog wel even komen. Dat kan ook tegenvallen en dat raakt niet alleen u in uw belastinginkomsten en ook niet alleen de voor uw gemeente economische belangrijke recreatiesectorale drager. Het raakt immers ook uw horeca waar minder of minder frequent zal worden gegeten of gedronken en de middenstand in uw stads- en dorpskernen waar minder of minder frequent iets zal worden gekocht door toeristen. “De toerist komt toch wel” of “zo’n vaart zal het niet lopen” hoor ik vaak in reacties op inspraken die ik her en der in gemeenteraadvergadering mijn werkgebied doe. Daarop kan ik kort antwoorden. Ginder becijfert indicatief – op basis van een internationaal bronnenonderzoek – dat iedere 10% aan kostenstijging een omzetderving van 8% oplevert. Er is dus uitval van de vraag (prijselasticiteit). En dus ook bedrijfsmargederving, al is dat van geval tot geval verschillend. Bedrijfsmarges die cruciaal zijn om te innoveren, vitaal en aantrekkelijk te blijven, te verduurzamen én om partner te zijn in andere dossiers die de sector met gemeenten delen. Kortom een negatieve spiraal.
Waarom nu toch deze beschouwing over btw over 2026? We hebben het hier toch over toeristenbelasting 2025? Dat klopt. Uw voorgenomen toeristenbelasting komt – als dat wordt gecontinueerd in 2026 - immers nog eens bovenop de btw en de gevolgen daarvan en versterkt dus de in het Ginder-rapport beschreven negatieve impact daarvan. Zoals eerder aangegeven, de impact van de btw kan u niet verhelpen. Echter, u kunt wel rekening houden met de hoogte van de tariefstijging om het niet al te veel erger te maken. Dit hadden we het college in de klankbordgroep met het oog op de toekomst qua keuze voor tarieven graag meegegeven bij deze voorgestelde hoogten van de tarieven, in het licht van uw uitgangspunt dat als de lasten voor de eigen inwoners stijgen het redelijk is dat ook de toeristenbelasting evenredig meestijgt. De toekomstige btw- en kostenstijgingen zijn relevant in de beoordeling of meestijgen of de mate waarin dat gebeurt redelijk is. 2) Art 224 Gemeentewet Dan nu van de toekomst naar het heden. Uw begroting vloeit voort uit de Kadernota en is daar een nadere uitwerking van. In hoofdstuk 3 daarvan verwoordt het college de achtergrond van de ontwikkelingen rond het Gemeentefonds die uitmonden in het ‘Ravijnjaar’, dat ook pas in de toekomst speelt. Vervolgens ook hoe u dit fenomeen het hoofd wil bieden. Zowel qua beleidsmatig en qua maatregelen.
U geeft er blijk van zich bewust te zijn van de behoorlijkheid van het bestuur die dat vergt. Ik citeer een voorbeeld uit uw Kadernota: “Dit houdt verband met onderliggende langlopende contracten, die niet direct kunnen worden opgezegd. Bovendien getuigt een overhaaste bezuinigingsronde niet van behoorlijk bestuur.” Dat is mooi. Maar dat geldt ook voor te kiezen alternatieven. Het dien ten gevolge dan maar verleggen van de impact naar burgers, bedrijven en instanties getuigt ook niet van behoorlijk bestuur. Althans niet persé, en zeker niet zonder gedegen impactanalyse. Er blijkt op grond van uw
Kadernota in ieder geval een directe verband te zijn tussen de uitdagingen die de ontwikkelingen van het Gemeentefonds u bieden en uw fiscaal beleid. In dit kader neem ik u mee naar de wettelijke grondslag van toeristenbelasting. Dat is art 224 Gemeentewet. In de toelichting op dit wetsartikel waarin de grondslag om toeristenbelasting is geregeld in de Weteditie van Wolters Kluwer ‘Gemeentewet en Provinciewet, Tekst & Commentaar”, 12e druk. 2023 op p. 301 onder noot 1, dat ik heb gedeeld met de wethouders in het op instigatie van TOP voorne-Putten en HISWA-RECRON georganiseerde Teams overleg, staat: “De toeristenbelasting moet worden gezien als een tegemoetkoming in de gemeentelijke lasten voor zover deze voortvloeien uit voorzieningen die (mede) in het belang van het toerisme worden getroffen.” [onderstreping door de auteur van deze brief]. Dit betekent tenminste twee dingen. Hoewel de opbrengst van toeristenbelastingheffing en -betaling in beginsel toevloeien aan de algemene middelen is het dus géén sluitpost voor tekorten in de begroting die al dan niet ontstaan door een korting op de gemeentefondsuitkering. Het gaat bij toeristenbelastingheffing om gemeentelijke lasten voor zover deze voortvloeien uit voorzieningen die mede in het belang van het toerisme worden getroffen. Er moet een zeker (mede)belang zijn.
De bibliotheek, gratis kinderopvang zijn bijvoorbeeld niet mede in het belang van het toerisme. Wel bijvoorbeeld gebiedsontsluiting, een fietspad, of bankjes, zekere kosten van handhaving, etc. Ten tweede, uw uitgangspunt dat als de lasten voor de eigen inwoners stijgen het redelijk is dat ook de toeristenbelasting evenredig meestijgt, mag politiek redelijk ogen ‘in the eye of the beholder’ maar het moet wel passen in de wettelijke context waarvoor de bevoegdheid tot heffing is gegeven. Die is niet ongelimiteerd blijkens het citaat. Het oprekken van de toepassing ten opzichte van de bevoegdheid of het gebruik van de bevoegdheid buiten de gegeven wettelijke kaders leidt tot willekeur. Het schendt het beginsel van détournement de pouvoir, dat de overheid verbiedt om de bevoegdheid tot het nemen van een besluit voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Het mag dus wél als tegemoetkoming in de gemeentelijke lasten voor zover die voortvloeien uit voorziening die (mede) in het belang van het toerisme worden getroffen maar niet als sluitpost of politiek ‘redelijk’ bevonden verdeling over het gemeentelijke belastingterrein, zonder integrale impactanalyse. Ook wordt me bij eerdere inspraken wel eens gevraagd, “maar wat moeten we dan?” Inderdaad, begrotingen moeten sluitend zijn.
Maar ook redelijk, zorgvuldig tot stand gekomen, toekomstbestendig, gemotiveerd, evenredig en op basis van een geldige grondslag. “Het moet uit de lengte of uit de breedte”, antwoord ik dan. Als het niet binnen de daarvoor geldende kaders kan, dan kan het dus niet en zullen ambities en de begroting neerwaarts moeten worden bijgesteld. Net zoals thuis, waar we ons uitgavenpatroon afstemmen op wat er binnenkomt en we het abonnement op het één of het ander opzeggen. 3. Gelijkheidsbeginsel Evenzeer in het heden: Toeristenbelasting wordt geheven “van hen die gelegenheid tot verblijf bieden, terzake het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetenen met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen staan ingeschreven”. Niet zelden wordt voor mensen die verpleegd worden in een gemeente of in ouderenopvang verblijven of die in een asielzoekersinstelling verblijven vrijgesteld. Zij kiezen er immers niet voor in de gemeente verblijf te houden anders dan waar zij hoofdverblijf hebben. Het betreft noodgedwongen verblijf. Dat vergt
hun persoonlijke situatie of wordt door anderen besloten. Dan is belastingheffing niet gepast, volgens de wet. Zo ook volgens uw concept-verordening. Anderen die in uw gemeente verblijven én ingeschreven staan worden aangeslagen voor belastingen die hen als ingezetenen ten deel vallen. Voor hen die niet ingeschreven zijn, is er de forensenbelasting (art 223 Gemeentewet) danwel toeristenbelasting (art 224 Gemeentewet). Het gelijkheidsbeginsel vergt dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Of men nu tijdelijk in de gemeente verblijft om te recreëren of om vakantie te vieren of anderszins tijdelijk te werken, de aanleiding van het verblijf (vakantie of tijdelijk werk) is blijkens het wetsartikel niet relevant. Het gaat om het tijdelijk verblijf houden en mede-belang hebben bij voorzieningen. Dan vergt het dat een ieder die aan het criterium voldoet, bijdraagt. Opdat de kosten niet op de ene groep worden afgewenteld maar wel, en wellicht hoger, op de andere beperkte, binnen de categorie vallende groep. Dus ook gasten van B&B’s, arbeidsmigranten, niet ingeschreven expats én natuurlijk ook toeristen.
Bezien we ondanks de hierboven weergegeven kritiek daarop uw oorspronkelijk uitgangspunt dat als de lasten voor de eigen inwoners stijgen is het redelijk dat ook de toeristenbelasting evenredig meestijgt, dan moeten we vast stellen dat de scope van uw perspectief dient te worden uitgebreid naar anderen dan enkel toeristen die - anders dan noodgedwongen - in uw gemeente verblijfhouden; werkgerelateerd of toeristisch. 4.
Concurrentiepositie verslechtert t.o.v. omliggende gemeenten
Ten slotte, harmonisatie vanwege een herindeling leidt ertoe dat er veranderingen optreden en dat situaties worden herijkt. Daarbij kijken we naar de drie oude regelingen en is het goed om een middenweg te vinden zodat er een gewogen uitkomst is en de harmonisatie zo soepel mogelijk verloopt. Geen cherry-picking in het voordeel van de gemeente. Er waren immers nogal wat verschillen. Ook opvallende zaken. Zo viel het tegen hoeveel van de verblijfhoudende logiesgasten verblijf hadden in landrecreatie- en watersportgelegenheden in de samenstellende oud-gemeenten van de gemeente Voorne aan Zee waardoor – nu ze opeens allen ingezeten zijn – de geprognotiseerde opbrengst wat tegenvalt. Aan gemeentelijke herindelingen zitten soms ook nadelen of tegenvallers vast. Ook dat lijkt een opdrijvend effect op te leveren die we veronderstellen in de nieuwe tarieven en die wij - anders dan het college – wel substantieel hoger vinden dan de omliggende gemeenten. Neem nu Goeree-Overflakkee, een gelijksoortige nabijgelegen gemeente. In 2024 een uniform tarief p.p.p.n. van EUR 1,50 voor alle accommodaties. Daar steekt uw voorgenomen laag- maar vooral uw hoogtarief erg hoog bij af. De Hoeksche Waard heeft een uniformtarief van EUR 1,25. De gemeente Westland hanteert in 2024 het tarief 5% over de kale overnachtingsprijs met een minimum van € 1,25 per persoon per nacht.
Dat zijn best grote verschillen die de concurrentiepositie van verblijfbieders in uw gemeente – bovenop het vorenstaande – niet helpen. Het raakt hen disproportioneel en is onzes inziens in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Uw fiscaal beleid prijst hen uit de markt. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Dat raakt wellicht niet in verband uw uitgangspunt dat als de lasten voor de eigen inwoners stijgen het redelijk is dat ook de toeristenbelasting evenredig meestijgt, maar wel in de impact op hun concurrentiepositie met de collega’s in buurgemeenten. Ook dat is een relevant aspect en belang bij
de ontbrekende impactanalyse in het kader van de door uw gemeente jegens de recreatiesector te betrachten zorgvuldigheid. Conclusie Met het vorenstaande heb ik u willen uitleggen waarom het op het oog redelijk ogende politieke uitgangspunt dat als de lasten voor de eigen inwoners stijgen het redelijk is dat ook de toeristenbelasting evenredig meestijgt, niet klopt. Dit uitgangspunt levert niet de noodzakelijke redelijkheid, zorgvuldigheid, proportionaliteit, gelijkheid en evenredigheid in uw besluitvorming op. De situatie vergt dat u vanuit en binnen het wettelijk bevoegdheidskader alle relevante feiten en omstandigheden identificeert en analyseert, ook met in achtneming van de omstandigheden in de sector. Qua evenredigheid en gelijke behandeling van en voor alle logiesaanbieders is de ogenschijnlijke politieke redelijkheid van het uitgangspunt van de Kadernota, uw Begroting en de voorgenomen tarieven nog niet wat het moet zijn en wat de sector van u mag verwachten. Het bestuur mag in dit kader behoorlijker. Wij roepen u op om oog te houden voor de belangen van de voor uw gemeente belangrijke economische recreatiesector en de tarieven te heroverwegen en aanmerkelijk te verlagen. Als dat uw ambities niet haalbaar maakt, dan behoeven die bijstelling. Hoogachtend, HISWA-RECRON,
Mr. B.A. Schutz Regiomanager Zuid-Holland en Zeeland