Conceptraadsbesluit vaststellen Algemene Plaatselijke Verordening Voorne aan Zee 2024 VERVALLEN
Tekst van het document
RAADSBESLUIT
Onderwerp: Zaaknummer:
Algemene Plaatselijke Verordening Voorne aan Zee 2024 231623-2023
De raad van de gemeente Voorne aan Zee; gelezen op het bijbehorende raadsvoorstel; gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c, 25d, 25e, 25, 25f en 26 van de Alcoholwet, artikel 18.6 van de Omgevingswet, de artikelen 22.70 lid 1onder i, artikel 22.70 lid 1 onder j, 22.73 en 22.239 van de Bruidsschat omgevingsplan, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet, artikel 64, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994;
besluit: de Algemene Plaatselijke Verordening Voorne aan Zee 2024 vast te stellen en deze in werking te laten treden op 1 januari 2024 gelijktijdig met de Verordening Fysieke Leefomgeving, onder gelijktijdige intrekking van de Algemene Plaatselijke Verordening Brielle 2015, de Algemene Plaatselijke Verordening Hellevoetsluis 2020 en de Algemene Plaatselijke Verordening Westvoorne 2021.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -
badseizoen: de periode van 1 april tot 1 november van enig jaar; badstrand: het zeestrand met daarbij de droog liggende banken tussen de strandpalen 12.000 en 13.300; bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is; beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
-
college: het college van burgemeester en wethouders; duingebied: het gebied bestaande uit duinen, bossen, graslanden en daarin gelegen wateren; exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; parkeren: hetgeen wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; strand: het zeestrand met daarbij de droog liggende banken; vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan
in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; woonschip: elk vaartuig, dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt als woning of recreatieverblijf dan wel door zijn constructie, afmetingen en inrichting uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd of geschikt is om te worden gebruikt als woning of recreatieverblijf; zwemplaatsen: die gedeelten van de openbare wateren, welke door middel van palen, drijvers of ander wijze van het openbaar water zijn afgescheiden, dan wel als zodanig zijn aangeduid.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:3 (Vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. 2
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. 2.
De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald; Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.
2.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. f. indien (dwingende) redenen van algemeen belang daartoe aanleiding geven. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:7 Termijnen 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.
2.
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a.
de openbare orde;
b.
de openbare veiligheid;
c.
de volksgezondheid;
d.
de bescherming van het milieu.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 3
1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2.
Degene die op een openbare plaats: a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing of vechtpartij;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.
Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Artikel 2:2 (Vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.
De kennisgeving bevat: a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.
het doel van de betoging;
c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Voorschriften, beperkingen of verboden met betrekking tot de betoging, door de burgemeester gesteld, onderscheidenlijk gegeven krachtens artikel 5 van de Wet openbare manifestaties worden op het bewijs vermeld.,
4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
4
5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4 (Vervallen) Artikel 2:5 (Vervallen) Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
2.
Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.
Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
5.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:7 (Vervallen) Artikel 2:8 (Vervallen) Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1.
Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.
2.
De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
5
2. 3. 4. 5.
6.
Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,2 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in de Verordening Fysieke Leefomgeving Voorne aan Zee; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (Vervallen in verband met overgang naar de Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg (Vervallen in verband met overgang naar de Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel 2:13 (Vervallen) Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1.
Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze: a.
te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en
b.
terstond te verwijderen of te doen verwijderen indien deze op een locatie binnen de gemeentegrens zijn achtergelaten.
2.
Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.
3.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp 1.
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
2.
De rechthebbende op een boom, heg, struik of andere beplanting welke op andere wijze hinder of gevaar kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien, te knotten of op te binden, te verwijderen of op te ruimen na aanschrijving door het college, binnen een door hen te stellen termijn overeenkomstig hun aanwijzingen.
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke 6
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 1.
Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1˚ of 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.
te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
b.
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
3.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 (Vervallen) Artikel 2:20 (Vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting (Vervallen in verband met overgang naar de Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1.
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
3.
Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
Artikel 2:23 (Gereserveerd)
7
Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaand voor elk publiek toegankelijk verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. Bioscoop- en theatervoorstellingen; b. Markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. Kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. Het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. Betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. Activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39; g. Sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportwedstrijden als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. Een herdenkingsplechtigheid; b. Een braderie, snuffel- en rommelmarkten; c. Een optocht, op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. Een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de openbare weg; e. Een straatfeest of buurtbarbecue; f. Een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. De volgende evenementen worden onderscheiden: a. Categorie ‘melding’; kleinschalig evenementen zonder noemenswaardig risico; b. Categorie ‘A-evenement’; evenement met een laag risico, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving; c.
Categorie ‘B-evenement’; evenement met een verhoogd risico, waarbij sprake is van een verhoogd impact op de omgeving; d. Categorie ‘C-evenement’; risicovol evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de omgeving. Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluitbrandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluitbrandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Onverminderd het gestelde in artikel 1:4 kan de burgemeester in het kader van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het houden van evenementen. Deze kunnen onder meer betrekking hebben op: a. De plaats en tijdstip van het evenement; b. De benodigde technische voorzieningen; c. De inrichting van het evenemententerrein; d. Het activiteitenprogramma; e. Een veiligheidsplan; f. Een beveiligingsplan; g. Een verkeersplan; h. Geluidseisen. 4. Voor de bepaling van de vergunningplicht en de categorisering van een evenement wordt aangesloten bij de uitkomst van de (regionaal vastgestelde) risicoscan.
Deze scan wordt door de gemeente ingevuld aan de hand van de gegevens van de vergunningaanvraag. De
8
gemeente bepaald in overleg met de diensten in welke categorie een evenement ingedeeld wordt. 5. Indien uit de risicoscan blijkt dat om een ‘melding’ gaat en: a. Het aantal aanwezigen niet meer dan 150 personen bedraagt; b. Het evenement tussen 09.00 uur en 23.00 uur plaatsvindt; c. Er geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur; d. Er slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25m2 per object; e. Er een organisator is; f. De directe omgeving wordt geïnformeerd over het eendaags evenement; g. De activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; h. De organisator uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan het evenementen daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester; Dan bestaat er geen vergunningplicht. Er is dan sprake van een meldingsplicht. 6. In afwijking van hetgeen in lid 5 is bepaald, dient voor een evenement of melding in het Natura 2000 gebied te allen tijde een evenementenvergunning worden aangevraagd. 7. De burgemeester kan binnen 5 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het vijfde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 8.
Onverminderde het vierde lid kan de burgemeester aanvullende voorschriften verbinden aan een melding. 9. Een ontvankelijke aanvraag dient: a. voor een evenement dat valt onder de A-categorie uiterlijk 8 weken voorafgaand aan het evenement te zijn ingediend; b. voor een evenement dat valt onder de B- of C-categorie uiterlijk 16 weken voorafgaand aan het evenement te zijn ingediend; 10. Een aanvraag voor evenementenvergunning bevat ten minste: a. Een ingevuld aanvraagformulier; b. Overzicht van inrichting van het evenemententerrein; c. Het activiteitenprogramma; d. Technische tekeningen (op schaal) van bouwwerken, podia en tenten op het evenemententerrein; e. Een veiligheidsplan; f. Een beveiligingsplan; g. Een verkeersplan; h. De maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden en eventuele overlast zoveel mogelijk te voorkomen; i. De maatregelen die de organisator zelf zal nemen in geval van calamiteiten. 11. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 12. De verlichting van het evenemententerrein dient op zodanige wijze uitgevoerd te worden dat lichthinder zoveel mogelijk wordt beperkt. a. Armaturen met alleen een uitstraling naar boven (bijvoorbeeld skybeamers en lasers) zijn niet toegestaan. b.
De hoofdverlichting dient na afloop van het evenement zo spoedig mogelijk uitgeschakeld te worden. c. Vanaf een uur na afloop van het evenement mag alleen nog bewakingsverlichting ingeschakeld zijn. d. De bewakingsverlichting dient zodanig te zijn opgesteld dat er geen directe instraling bij omliggende woningen plaatsvindt. 9
13. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:25a Weigeringsgronden 1. Onverminderd in de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel: a. De zedelijkheid of de gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd; b. De organisator van het evenement in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. Als het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat activiteiten worden verricht of voortgezet; d. De ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en betreffende hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare capaciteit doet; e. Tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen; f. De inhoud of de uitstraling van het evenement niet past in het evenementenbeleid, het imago of de belangen van de gemeente Voorne aan Zee; g. Het evenement van een categorie B- of C-evenement niet voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement plaatsvindt, is aangemeld voor de regionale evenementenkalender; h. Een aanvraag categorie A-evenement niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement compleet is ingediend; i.
Een aanvraag categorie B- of C-evenement niet ten minste 16 weken voor aanvang van het evenement compleet is ingediend. 2. De burgemeester weigert de vergunning voor een evenement indien de organisator: a. Onder curatele staat; of b. In enig opzicht van slecht levensgedrag is; of c. De leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt. Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij de rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, coffeeshop, cafetaria, snackbar, discotheek, seksinrichting, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding draken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie er plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, 10
waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed: b. de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is; 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. Winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van den openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. Zorginstelling; c. Museum; d. Bedrijfskantine of -restaurant; e. Automatiek; f. Broodjeszaak; g. Cafetaria; h. Croissanterie; i. Koffiebar; j. Lunchroom; k. Ijssalon; l. Snackbar; m. Tearoom; n. Traiteur; o. Pizzeria Tenzij in die openbare inrichtingen alcohol wordt verstrekt. 5.
De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als; a. Zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b. De inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 6. De vrijstelling, genoemd onder lid 5, wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het zesde lid, onder a. 7. Exploitatievergunningen worden in beginsel verleend voor onbepaalde tijd. 8. De burgemeester heeft in geval van een zorg in het kader van de openbare orde en veiligheid de mogelijkheid om de looptijd van de exploitatievergunning te beperken tot een vergunning van een bepaalde tijd. 9. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:28a: Terrassen In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10, beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting aanwezige terrassen, voorzover deze zich op de weg bevinden, over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. Hij beoordeelt hierbij de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 2:10. 11
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn per grondgebied van de voormalige gemeenten gesloten op: a. Hellevoetsluis: maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 07.00 uur en op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 07.00 uur; b. Brielle: maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 05.00 uur en op zaterdag en zondag tussen 02.30 en 05.00 uur; c. Westvoorne: maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 06.00 uur en op zaterdag en zondag tussen 02.30 en 06.00 uur. 2. Terrassen behorende bij openbare inrichtingen zijn gesloten tussen: a. Hellevoetsluis: de Vesting 01.00 uur en 07.00 uur, de rest van Hellevoetsluis 23.00 uur en 07.00 uur; b. Brielle maandag tot en met vrijdag: 24.00 en 09.00 uur en op zaterdag en zondag 01.00 en 09.00 uur; c. Westvoorne: 23.00 en 07.00 uur. 3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 5. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras. 6. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 7.
Het eerste en het vierde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. 8. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid, in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. b. c.
de orde te verstoren; zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
12
Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:34 (Vervallen) Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder:
alcoholhoudende drank; horecabedrijf; horecalokaliteit; inrichting; paracommerciële rechtspersoon; sterke drank; slijtersbedrijf; zwak-alcoholhoudende drank;
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. Voormalig gemeente Hellevoetsluis - maandag tot en met vrijdag na 12.00 uur en tot 00.00 uur; - zaterdag na 12.00 uur en tot 01.00 uur; en - zondag na 12.00 uur en tot 01.00 uur. b.
Voormalig gemeente Brielle - maandag tot en met vrijdag na 10.00 uur en tot 23.00 uur; - zaterdag en zondag na 10.00 uur en tot 19.00 uur.
c.
Voormalig gemeente Westvoorne - maandag tot en met zondag na 12.00 uur en tot 00.00 uur;
a.
Voor zover er bij paracommerciële rechtspersonen gelegen binnen het grondgebied van de voormalig gemeente Brielle wedstrijdactiviteiten plaatsvinden die eindigen tijdens het laatste uur vóór het verlopen of na afloop van de in dat lid genoemde schenktijden, is het deze paracommerciële rechtspersonen toegestaan, in aanvulling op de schenktijden genoemd in dat lid, alcoholhoudende drank te verstrekken tot 1 uur na beëindiging van deze activiteiten. Paracommerciële rechtspersonen gelegen binnen het grondgebied van de voormalig gemeente Brielle waarbij het faciliteren van sociale interactie direct voortvloeit uit de doelstellingen, zoals studentenverenigingen, studentensportverenigingen en dorpshuizen, verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank na 10.00 uur en tot 01.00 uur.
2.
b.
13
c.
d.
e.
3.
Overige paracommerciële rechtspersonen gelegen binnen het grondgebied van de voormalig gemeente Brielle verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met 1 uur voor aanvang en eindigende met 1 uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. Paracommerciële instellingen gelegen binnen het grondgebied van de voormalig gemeente Westvoorne mogen onverminderd de genoemde tijden in artikel 2.34b lid 1 onder c uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken vanaf 2 uur voor aanvang en tot uiterlijk 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. In afwijking van lid 1 onder c mogen tennisverenigingen gelegen binnen het grondgebied van de voormalig gemeente Westvoorne alcoholhoudend drank uitsluitend verstrekken van 12.00 uur tot 01.00 uur.
Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging. a. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod genoemd in lid 3 voor ten hoogste twaalf dagen per jaar. b. De paracommerciële rechtspersoon meldt een bijeenkomst als bedoeld in lid 3 ten minste twee weken voor aanvang aan de burgemeester.
Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven 1. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken in inrichtingen: a.
2. 3.
Gelegen binnen de voormalig gemeente Brielle: 1°. Waarin onderwijs wordt gegeven; of 2° die geheel of voor een deel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of –instellingen, met uitzondering van watersportverenigingen; of 3° die geheel of voor een deel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of –instellingen; of 4° waarin, of in een onderdeel waarvan, uitsluitend of in hoofdzaak geringe etenswaren worden verkocht. b. Gelegen binnen de voormalig gemeente Westvoorne: 1° Waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren, zoals belegde broodjes, patates frites en kroketten, worden verkocht; of 2° Welke deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een of meer jeugd- of jongerenorganisaties; of 3° Welke deel uitmaakt van een gebouw, dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een of meer sportorganisaties of -instellingen, met uitzondering van watersportverenigingen. De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in artikel 2.34c lid 1 gestelde verboden. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwakalcoholhoudende drank.
Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden gereserveerd 14
Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet zwak-alcoholhoudende drank te verstrekken vanuit winkels, warenhuizen en andere locaties en ruimten als bedoeld in artikel 18, tweede lid, en artikel 19, tweede lid, onder a, onderdeel 1, van de Alcoholwet: a. gedurende de volgende tijdsruimten: 1° Jaarlijks op 1 april van 00.00 uur tot 24.00 uur in de voormalig gemeente Brielle; b. in de volgende gebieden: 1° Binnenstad Brielle; 2° Thoevelaweg Brielle. Artikel 2.34f Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijke wordt gevraagd. Artikel 2.34g Proeverij bij slijtersbedrijf Het is slijterijen toegestaan om proeverijen te organiseren, indien: a. b.
voldaan wordt aan voorwaarden zoals opgenomen in Hoofdstuk 6 van het Alcoholbesluit; de eigenaar of leidinggevende van het slijtersbedrijf uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan de proeverij daarvan een schriftelijke melding heeft gedaan aan de burgemeester.
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft dan wel in verband met de uitoefening van beroep of bedrijf aan personen (werknemers) de mogelijkheid van nachtverblijf wordt verschaft. Onder een inrichting vallen in ieder geval hotels, campings, vakantiehuizen, bed & breakfasts, jachthavens en woningen waarin arbeidsmigranten verblijven. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 Nachtregister 1.
de houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.
2.
de houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht, het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
15
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Definities 1.
2.
In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39a Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
2.
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is en die hiertoe ontheffing van de burgemeester hebben ontvangen.
4.
de burgemeester is bevoegd van de in het eerste lid en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.
16
Artikel 2:41a Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen 1.
De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een openbare inrichting of een seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of gedeelte van een perceel of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
2.
De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf, het perceel of een gedeelte van het perceel of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.
3.
Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw, erf, perceel of van het perceel of de ruimte waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw, erf, perceel of gedeelte van het perceel of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. Op aanvraag van een belanghebbende kan:
4. 5. 6.
a.
een sluiting voor onbepaalde duur door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden;
b.
een sluiting door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid.
Artikel 2:41b Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.
In dit artikel wordt verstaan onder: a.
exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toe- passing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
b.
beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk ge- bouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
c.
17
2.
De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde, veiligheid, gezondheid en zedelijkheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
3.
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
4.
a.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
b.
5.
indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend omgevingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aan- vraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a.
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;
b. c. d. e.
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
f. 6.
Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij/zij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
7.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of 18
c.
8. 9. 10. 11.
12. 13. 14.
15.
de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend omgevingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidings- besluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.
Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.
In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuurs- recht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. •
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.
met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen; 19
c.
Het op enige andere wijze een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen;
3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
5.
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
6.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
7.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1.
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:44a Verbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen 1.
het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.
2.
het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke 1. Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke
20
1.
Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.
2.
Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.
2.
Het is verboden op een openbare plaats: a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. c. zich in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling, winkelcentrum, abri of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte op te houden. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. 21
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2:53 Bespieden van personen 1.
Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.
2.
Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander (optisch) instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.
Artikel 2:54 (Vervallen) Artikel 2:55 (Vervallen) Artikel 2:56 (Vervallen) Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide. b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; of c. op de weg als de hond niet is voorzien van een fysieke halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. d. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet fysiek is aangelijnd; 2. Het verbod in het eerste lid aanhef en onder b is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.
De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. b.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden en paarden 1. De eigenaar of houder van een hond of paard is verplicht ervoor te zorgen dat die hond of dat paard zich niet van uitwerpselen ontdoet: a. binnen de bebouwde kom
22
b.
2.
op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers en fietsers; c. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, ligweiden en/of recreatiestranden of speelweide; d. op een andere door het college aangewezen plaats. Het eerste lid onder a is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.