CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Conceptraadsbesluit

Commissie Samenleving 28 november 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Verordening Re-integratie en Tegenprestatie Voorne aan Zee 202318.567 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

als bedoeld in Artikel 44a van de wet. Indien gewenst kan dit plan van aanpak ook ingezet worden voor personen ouder dan 27 jaar dan wel in een beschikking waarin de voorziening wordt toegekend. Het college kan nadere regels stellen gericht op de bevordering van de arbeidsparticipatie. Artikel 5: Niet-uitkeringsgerechtigden Ook niet uitkeringsgerechtigden kunnen gebruik maken van een voorziening van de gemeente Voorne aan Zee. Om de beschikbare gelden zo eerlijk mogelijk te verdelen is er een gemaximeerde bijdrage per persoon vastgesteld. Artikel 6: Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit Artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het Artikel vormt daarmee een aanvulling op de in Artikel 3: Algemene bepalingen over voorzieningen opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor een reintegratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in Artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet.

Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in Artikel 7 van de Participatiewet, waarbij er voor personen die VSO/PRO-onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (c). Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (g). Artikel 7: Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit Artikel regelt de aanvraagprocedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen.

Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting; het college kan ook zelf ambtshalve – dat wil zeggen zonder aanvraag – beoordelen wat nodig is. In de praktijk zal veelal ook sprake zijn van een ambtshalve beoordeling. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft meestal niet tot een aanvraag te komen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 11). In dit Artikel worden de verschillende stappen beschreven die het college moet doorlopen om tot een zorgvuldig onderzocht en onderbouwd besluit te komen. Het Artikel vloeit voort uit Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet “op welke wijze het college voorzieningen als bedoeld in Artikel 10, eerste lid, verstrekt” en onderdeel g “op welke wijze waar nodig voor een persoon als bedoeld in de Artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 10d, tweede lid, wordt voorzien in integrale en voortgezette (persoonlijke) ondersteuning”.

21

Bij het onderzoek houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig oordeel in. In Artikel 8a, tweede lid, onder g, van de Participatiewet is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning. In het zesde lid is daartoe bepaald dat het college tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) betrekt bij de afweging en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening. Artikel 8: Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk Het eerste lid bevat een termijn waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning in beginsel moet zijn ingediend, gerekend vanaf de datum van indiensttreding. Deze termijn houdt verband met de aard van de voorziening. Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om de aan hem opgedragen taken uit te voeren.

Bij een aanvraag die pas na het verstrijken van een ruime periode na indiensttreding wordt ingediend, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is, nu men kennelijk al geruime tijd zonder deze persoonlijke ondersteuning de werkzaamheden al heeft verricht. In die situatie rechtvaardigt dat de conclusie dat, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, het verstrekken van persoonlijke ondersteuning op aanvraag in beginsel niet noodzakelijk is. Het tweede lid bevat de basisaspecten waarmee het college rekening moet houden bij het verstrekken van individuele ondersteuning en benadrukt het belang van het leveren van maatwerk. In Artikel 9: Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen wordt dit verder uitgewerkt. Artikel 9: Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Een beschikking dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet daaraan stellen. In dit Artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in een beschikking moet worden opgenomen. Artikel 10: Persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd.

Het eerste en tweede lid geven aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (Artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet). De gemeente kan een eigen jobcoach inzetten, of een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft (interne jobcoach) of een jobcoach inhuurt (externe jobcoach). De werkgever kan ook een collega van de werknemer inzetten om hem te begeleiden (interne werkbegeleider). In het Artikel worden de verschillende mogelijkheden benoemd. Het derde lid maakt duidelijk dat de in het eerste en tweede lid bedoelde ondersteuning ook kan worden aangeboden op het moment dat er geen sprake is van een dienstverband. Dit vormt een uitbreiding op de wettelijke basisplicht om deze ondersteuning aan te bieden ten behoeve van opgedragen taken die worden verricht in het kader van een dienstverband bij een werkgever.

22

In het vierde lid zijn de randvoorwaarden opgenomen om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Bij de keuze voor deze voorwaarden is, met het oog op het realiseren van een zo uniform mogelijk kader, aansluiting gezocht bij door het UWV gehanteerde voorwaarden op grond van Artikel 12 van het Reïntegratiebesluit. Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet in combinatie met Artikel 10, derde lid, onder b, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking. Lid 5 regelt hoe dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de subsidie hiervoor wordt bepaald. Het zesde lid geeft aan op welke wijze de hoogte van de subsidie voor jobcoaching door het college kenbaar wordt gemaakt. Het college moet ervoor zorgen dat de tarieven voor een bepaald jaar vindbaar en kenbaar zijn voor werkgevers en de doelgroep. Dat kan bijvoorbeeld door de tarieven te vermelden op de website van de gemeente. Daarbij is als eis opgenomen dat het door het college vastgestelde tarief toereikend moet zijn om jobcoaching in te kopen. Dit betekent dat het college moet onderzoeken in de markt wat een toereikend tarief is.

Het feit dat een persoon of werkgever een beroep wenst te doen op een duurdere jobcoach betekent niet dat het college gehouden is het meerdere te verstrekken. Er is immers een maximumtarief waarvan vaststaat dat dit toereikend is om passende jobcoaching in te kopen. In beginsel dient het meerdere boven het maximumtarief dan ook te worden afgewezen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Met het zevende lid wordt duidelijk gemaakt dat het college niet alleen subsidie kan verlenen voor jobcoaching die is bedoeld om de persoon in staat te stellen om de aan hem opgedragen taken in het kader van de arbeidsovereenkomst uit te voeren, maar dat de gesubsidieerde jobcoach ook een breder takenpakket kan uitvoeren. Het achtste lid biedt het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen omtrent de inzet van een jobcoach. Artikel 11: Kwaliteitscriteria jobcoaching Het eerste lid is een uitwerking van Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach. De eisen zijn vastgelegd in de bijlage.

Het tweede lid is een uitwerking van de uit Artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet voortvloeiende verordeningsplicht. Het bepalen van de duur en de intensiteit van de jobcoaching is maatwerk. Het derde lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van het in het tweede lid gegeven beoordelingskader. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd. De afwijking kan zowel bestaan uit het bieden van meer of intensievere jobcoaching, alsook uit het verlengen daarvan. Het vierde lid waarborgt dat jobcoaching niet zonder onderzoek door het college dan wel instemming van werkgever en werknemer kan worden beëindigd.

23

Artikel 12: Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Dit Artikel regelt, in aanvulling op de Artikelen 3 en 14c, onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert. Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij, in lijn met Artikel 3, derde lid, de goedkoopst adequate oplossing het uitgangspunt vormt. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 13: Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Een intermediaire activiteit is persoonlijke dienstverlening die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende auditieve, visuele of motorische lichaamsfunctie. Denk aan een tolkvoorziening of voorleeshulp.

Met de wet centralisering tolkvoorzieningen is de verstrekking van een tolkvoorziening voor auditief beperkten overgedragen aan het UWV. Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een visuele of motorische handicap. Dit Artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Artikel 14: Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen limitatieve lijst. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort.

Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de Artikel 3: Algemene bepalingen over voorzieningen en Artikel 6: Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Het uitgangspunt is dat de voorzieningen in bruikleen beschikbaar worden gesteld en dus weer bij het college worden ingeleverd op het moment dat deze niet langer nodig zijn. Artikel 15: Diagnosetraject Een diagnosetraject wordt uitgevoerd door een externe partij, bijvoorbeeld het leerwerkbedrijf Voorne-Putten Werkt, dat hiervoor speciale trajecten aanbiedt. Hierbij wordt gekeken naar de re-integratiemogelijkheden van een persoon, waaronder ook de mate van arbeidsgeschiktheid. Artikel 16: Werkstage 24

Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst. Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstage er weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een dergelijke werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten. Doelgroep aanbieden werkstage Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft.

Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid (eerste lid, onderdeel b). Van langdurige werkloosheid is sprake als een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan kan worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat geval is het college bevoegd hem een werkstage aan te bieden. Doel van de werkstage Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie.

In de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s. Opstellen schriftelijke overeenkomst In het vierde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding. De duur van de werkstage moet worden afgestemd op het doel van de werkstage. Dit vraagt om een afbakening van de werkstage in tijd. Geen verdringing In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van 25

een van de volgende redenen: - eigen initiatief van de werknemer; - handicap; - ouderdomspensioen; - vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of - gewettigd ontslag om dringende redenen. Artikel 17: Sociale activering Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Begrip sociale activering Onder ‘sociale activering’ wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie (Artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 35).

Doelgroep sociale activering Voor de verplichting om op grond van Artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering (CRvB 24-04-2012, nr. 11/2062 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400). College stemt duur activiteiten af op de persoon Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn.

Artikel 18: Detacheringsbaan De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden. Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de 26

begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. Voor het derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het Artikel 16: Werkstage. Artikel 19: Leer-werktraject Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en dat de ondersteuning nodig is voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in Artikel 10 en volgt uit Artikel 10f van de Participatiewet. Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend ondersteuning bij een leerwerktraject kan aanbieden aan personen: - van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of - van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. De voorziening ondersteuning bij leerwerk trajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud, die leerplichtig zijn en dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden.

Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van Artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt (Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, p. 49). In het kader van Artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. In Artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leerwerktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de Artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van Artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.

Artikel 20: Scholing Startkwalificatie Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee (Artikel 1, onder f, van de Leerplichtwet 1969). Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. Jongeren Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (Artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde lid.

27

Scholing in combinatie met participatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling van de persoon in het arbeidsproces. Dit volgt uit Artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. Artikel 21: Participatieplaats Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (Artikel 7, achtste lid, van de Participatiewet [en het eerste lid van Artikel 8]). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. Additionele werkzaamheden Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht.

Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (Artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (Artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (Artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet).

Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (Artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet). Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (Artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (Artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van Artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken (Kamerstukken II 2007/08, 31 577, nr. 3, p. 12). Er is gekozen voor een premie van telkens € 100 per zes maanden.

28

Artikel 22: Beschut werk Algemeen Met ingang van 1 januari 2017 is het college verplicht beschut werk aan te bieden aan personen van wie het college, op advies van UWV, heeft vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (Artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Die verplichting is begrensd: het aantal jaarlijks te realiseren beschutte werkplekken wordt bij ministeriële regeling bepaald. Bij een lager aantal positieve adviezen van UWV blijft de verplichting beperkt tot dat aantal afgegeven positieve adviezen. Bij een hoger aantal positieve adviezen van UWV blijven de aantallen zoals neergelegd in de ministeriële regeling van toepassing. De gemeenteraad is, gelet op Artikel 10b, zevende lid, van de Participatiewet, verplicht om bij verordening in elk geval vast te stellen: a. welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden om adequaat functioneren op een beschutte werkplek mogelijk te maken; en b. welke voorzieningen worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking aanvangt. In het eerste lid is tot uitdrukking gebracht dat aanspraak bestaat op de genoemde ondersteunende voorzieningen (gericht op de arbeidsinschakeling). Daarmee wordt uitvoering gegeven aan Artikel 10b, zevende lid, van de Participatiewet.

Nadat het college heeft vastgesteld dat iemand tot de doelgroep voor beschut werk behoort, dient deze persoon geplaatst te worden op een beschut werkplek. In de wetenschap dat een plaatsing afgestemd dient te worden op de persoonlijke eigenschappen en omstandigheden van de persoon, dient dit een vorm van maatwerk te zijn, die niet altijd direct tot plaatsing op een geschikte werkplek zal leiden. Dit wordt geregeld in het tweede lid. Het college is verplicht om ter overbrugging van de periode tot de plaatsing voorzieningen aan te bieden die bijdragen aan een succesvolle plaatsing. De voorzieningen die hiervoor aangeboden worden zijn genoemd in het tweede lid. Welke (combinatie van) voorziening(en) in een concreet geval ingezet wordt zal gezien het maatwerkkarakter van dat geval afhangen. Naast voorzieningen die bijdragen aan de arbeidsinschakeling en hun grondslag vinden in de Re-integratieverordening, worden ook andere voorzieningen genoemd. Dergelijke – perifere – voorzieningen kunnen op grond van andere regelingen, zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, worden verstrekt en bijdragen aan een geslaagde plaatsing. Mocht de taakstelling van het lopende jaar zijn bereikt, stelt het college volgens het derde lid een wachtlijst op, waarin de volgorde van plaatsing wordt bepaald door de datum van afgifte indicatie beschut werk.

Hoewel niet helemaal te voorkomen, zijn wachtlijsten voor personen die de indicatie beschut werk hebben onwenselijk. Het college dient ernaar te streven de wachttijd daarom zo kort mogelijk te houden. Voor 2023 bedraagt de taakstelling 24 diensbetrekkingen. Artikel 23: Uitstroompremie In de Participatiewet is geregeld dat jaarlijks een eenmalige of tweemalige premie van ten hoogste € 2.699,00 per kalenderjaar kan worden verstrekt, welke in het kader van de bijstandsverlening niet tot de middelen wordt gerekend (Artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet). Voor personen jonger dan 27 jaar die niet behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie is deze premie niet vrijgelaten (Artikel 31, vijfde lid, van de 29

Participatiewet). De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen kennen een dergelijke vrijlatingsbepaling ook niet. Het feit dat de premie niet in alle gevallen wordt vrijgelaten neemt niet weg dat ook deze groepen behoren tot de re-integratiedoelgroep (Artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet). In dit Artikel wordt een grondslag gecreëerd voor het verstrekken van een uitstroompremie aan voormalig uitkeringsgerechtigden en worden hieraan voorwaarden verbonden. De premie vormt een extra stimulans om aan het werk te gaan en dit werk ook te behouden. Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon die langdurig een uitkering van het college ontving, uitstroomt. Onder langdurig werkloze wordt verstaan een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer aangewezen is (geweest) op een uitkering. Ook moet er sprake te zijn van duurzame uitstroom, hetgeen betekent dat er sprake is van een uitkeringsonafhankelijke periode van tenminste 6 maanden. De premie wordt in twee gelijke termijnen uitbetaald, de eerste bij de indienstreding en beëinding van de bijstandsuitkering en de tweede termijn.

In bijzondere omstandigheden kan ten voordele van de uitkeringsgerechtigde worden afgeweken (bijvoorbeeld bij personen met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt als iemand die uit detentie of een inrichting komt en vervolgens aan het werk gaat). Artikel 24: Proefplaatsing Volgens Artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 14a geeft hier invulling aan. Het na een proefplaatsing inzetten van een dienstverband met een forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in Artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet is onwenselijk. Partijen in de (landelijke) Werkkamer hebben zich in die zin ook expliciet uitgesproken. Als het noodzakelijk is om de werkzaamheden uit te voeren, kan het college persoonlijke ondersteuning toekennen aan de persoon op de proefplaats (zesde lid).

Verlenging van de proefplaatsing zal gezien de aard van de proefplaatsing slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden overwogen (zesde lid). Artikel 25: Traject naar zelfstandig beroep of bedrijf Bij deze voorziening wordt de expertise van het Regionaal Bureau Zelfstandigen te Rotterdam ingezet. Indien nodig kunnen de werknemersvoorzieningen worden ingezet zoals beschreven in deze verordening. Artikel 26: Participatievoorzieningen voor werkgevers Met de wetswijziging Breed offensief is getracht de werkgeversvoorzieningen voor gemeenten en het UWV zoveel mogelijk te harmoniseren. Binnen de arbeidsmarktregio 30

Rijnmond heeft deze harmonisatie vooruitlopend op de wetswijziging Breed offensief al grotendeels plaatsgevonden en is deze verwerkt in deze verordening. Artikel 27: Jobcarving en functiecreatie Jobcarving is het op maat maken van een specifieke functie door taakafsplitsing. Dit vraagt om beperkte aanpassingen op bestaande functies. Als er potentie is om vacatures via deze wijze te vervullen, mede met het oog op een krappe arbeidsmarkt, kan het UWV het bedrijfsadvies inclusieve arbeidsorganisatie inzetten. Vanuit het UWV wordt dan geadviseerd hoe het bedrijf inclusiever gemaakt kan worden, maar ook beter passend werk kan bieden aan de huidige medewerkers. Door het werk anders te organiseren kunnen bedrijven en instellingen mogelijkheden creëren voor mensen die graag willen werken maar (nog) niet beschikken over de juiste kwalificaties. Werk dat past bij hun mogelijkheden kunnen zij uit handen nemen van de huidige medewerkers die nu te kampen hebben met hoge werkdruk. Die medewerkers krijgen daardoor de ruimte om het werk waarvoor zij gekwalificeerd zijn beter uit te voeren. Ook ontstaat er ruimte voor verdere professionele ontwikkeling van alle betrokkenen. Bij functiecreatie worden in het bedrijfsproces taken onderscheiden in complex en minder complex. De opgedane kennis wordt gebruikt om de functies en werkprocessen in het bedrijf opnieuw in te richten.

Uiteraard is van belang dat de werkprocessen goed blijven verlopen of waar mogelijk geoptimaliseerd. Artikel 28: Bijdrage duurzame plaatsing De bijdrage duurzame plaatsing (ook wel bekend als de plaatsingsfee), biedt de mogelijkheid aan werkgevers/ intermediairs een bedrag te verstrekken bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst met een bijstandsgerechtigde (zonder arbeidsbeperking, dus niet behorend tot de doelgroep loonkostensubsidie zoals genoemd in Artikel 10c Participatiewet), waarbij de hoogte en de omvang van het bedrag afhankelijk zijn van: a. De duur waarop de kandidaat al een uitkering ontvangt. Voor iemand die korter dan 1 jaar een uitkering ontvangt kan geen bijdrage aan de werkgever verstrekt worden. b. De omvang van het aangeboden dienstverband. Alleen dienstverbanden van 20 uur of meer komen in aanmerking (geen nul uren- of kleine flex-contracten). c. De duur van het dienstverband. Alleen arbeidsovereenkomsten van 6 maanden of langer komen in aanmerking. De bijdrage heeft als doel te investeren in de bijstandsgerechtigde. Dit door de inzet van zaken als begeleiding of een kortdurende opleiding of training. Het gaat hier ten alle tijden om kortdurende ondersteuning. Het betreft hier een mogelijkheid van het verstrekken van een bedrag tot het genoemde maximum. Een werkgever heeft dus geen recht op een bedrag.

Het te verstrekken bedrag moet aantoonbaar geïnvesteerd worden in de ontwikkeling van de kandidaat. Dit betekent dat de middelen niet gebruikt worden ter compensatie van salaris. Vergoeding vindt achteraf plaats op basis van bewijsstukken waaruit blijkt dat betrokkene gedurende de afgesproken periode in dienst was van de werkgever. In onderstaande tabel een overzicht. Duur arbeidsovereenkomst

Korter dan 1 jaar in de uitkering (Voorafgaand

Langer dan 1 jaar in de

(Financiële) bijdrage op basis van 31

=/> 6 maanden maar < 12 maanden

=/> 12 maanden

aan de ingangsdatum arbeidsovereenkomst). €0

uitkering

arbeidsovereenkomst

Maximaal € 2.000 (excl. BTW)

€0

Maximaal € 4.000 (excl. BTW)

< 20 uur per week: Geen vergoeding =/> 20 uur / < 32 uur Vergoeding naar rato = > 32 uur per week: Vergoeding tot het maximale bedrag Idem als hierboven.

Artikel 29: Voorwaardelijke opleiding voor plaatsing Dit werkgeversinstrument kan enkel ingezet worden voor betrokkenen welke jobready zijn en niet in aanmerking komen voor ondersteuning met een bijdrage duurzame plaatsing, zie de voorwaarden genoemd bij Artikel XX Bijdrage duurzame plaatsing. Dit betekent dat er een arbeidsovereenkomst van minimaal 20 uur per week moet worden aangeboden. Ook hier moet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van voorliggende voorzieningen. Kan iemand bijvoorbeeld scholing volgen met recht op inkomsten uit de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten of de Wet studiefinanciering 2000 dan zijn deze voorliggend. Een voorziening in de vorm van een vergoeding van opleidingskosten moet ten alle tijde noodzakelijk zijn voor de arbeidsinschakeling. Het gaat in dit geval om relatief goedkope en/ of kortdurende opleidingen. Denk aan een VCA-cursus, cursus Sociale hygiëne of BHV-cursus. Hierbij geld een maximale opleidingsduur van 6 maanden. De werkgever stelt de opleiding als voorwaarde om een arbeidscontract te verstrekken voor de duur van minimaal 6 maanden. De bijdrage is maximaal € 700. Zijn de kosten van de opleiding hoger dan financiert de werkgever het restant. Artikel 30: Werkplekaanpassing In Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet wordt uitsluitend gesproken van meeneembare voorzieningen.

In sommige gevallen zijn er andere voorzieningen nodig op de werkplek om ervoor te zorgen dat de persoon hier kan werken. Hierbij kan gedacht worden aan een aangepast toilet, een entree met automatische deuropener of een traplift. Dit Artikel regelt de mogelijkheid om ook in deze behoefte te voorzien door het toekennen van een werkplekaanpassing. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis, waarin wel wordt gesproken van werkplekaanpassingen in plaats van meeneembare voorzieningen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20). De kosten van de werkplekaanpassing dienen proportioneel te zijn, dat wil zeggen dat de investering in de werkplekaanpassing moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Artikel 31: Doelgroep loonkostensubsidie Algemeen loonkostensubsidie 32

Deze Artikelen geven uitvoering aan Artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij verordening regels vast te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en de loonwaarde. De regels dienen in ieder geval te bepalen: - de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, en - de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld. Op 1 januari 2017 is de ‘Wet stroomlijning loonkostensubsidie Participatiewet’ in werking getreden .Dat heeft geleid tot wijziging van Artikel 10d van de Participatiewet en daaraan verbonden inhoudelijke aanpassingen van de regeling met betrekking tot loonkostensubsidie. In de Participatiewet is middels Artikel 10d, tweede lid, een nieuwe doelgroep opgenomen voor loonkostensubsidie. Deze doelgroep is opgenomen in de verordening en betreft jongeren: a. van het praktijkonderwijs, bedoeld in Artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs, of b. van het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in Artikel 2 van de Wet op de expertisecentra, of c. van de entreeopleiding, bedoeld in Artikel 7.2.2, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; d. die binnen 6 maanden na het verlaten van school zijn gaan werken. Het college hoeft voor deze doelgroep sindsdien niet meer vast te stellen of iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.

De werkgever van deze jongeren kan – ook als de dienstbetrekking al tot stand is gekomen – de gemeente verzoeken de loonwaarde vast te stellen. Doelgroep loonkostensubsidie In Artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij: a. personen die algemene bijstand ontvangen; b. personen als bedoeld in Artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, van de WIA, Artikel 35, vierde lid onderdelen b en c, van de WIA en Artikel 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in Artikel 10d van de Participatiewet is verleend; c. personen als bedoeld in Artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; d. personen met een uitkering op grond van de IOAW; e. personen met een uitkering op grond van de IOAZ, en f. personen die werken op een beschutte werkplek (Artikel 10b, negende lid, van de Participatiewet). In Artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan het college is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.

Bij de vaststelling op iemand behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie laat het college zich adviseren door het UWV. Op basis van het advies beslist het college of iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan besloten worden het advies niet te volgen. Hiernaast kan er gebruik worden gemaakt van de zogeheten praktijkroute. Hierbij beoordeelt het college ten 33

aanzien van personen die binnen de Participatiewetdoelgroep vallen, op de concrete werkplek (bij voorkeur tijdens een proefplaatsing) via de loonwaardemeting of de toekomstige medewerker het wettelijk minimumloon kan verdienen. Als dat niet het geval is, dan vraagt de gemeente aan het UWV om de kandidaat op te nemen in het doelgroepenregister van de banenafspraak. Het UWV verricht in dat geval zelf dus geen onderzoek meer. Artikel 32: Loonwaardemeting Heeft het college vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met die persoon een dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het college in beginsel de loonwaarde van die persoon vast, tenzij gekozen is voor forfaitaire loonkostensubsidie (Artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet). De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. De loonwaarde is een percentage van het wettelijk minimumloon voor de door een persoon – die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie – verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (Artikel 6, eerste lid, onderdeel g, van de Participatiewet).

Artikel 33: Forfaitaire loonkostensubsidie Loonkostensubsidie kan worden verstrekt op grond van Artikel 10d lid 5 van de Participatiewet. In deze situatie is sprake van zogeheten forfaitaire loonkostensubsidie. Bij forfaitaire loonkostensubsidie wordt altijd uitgegaan van een vaste loonwaarde van 50%. Deze vorm van loonkostensubsidie kan maximaal zes maanden worden verstrekt. Forfaitaire loonkostensubsidie mag niet worden ingezet voor personen die al werkzaam zijn in een dienstbetrekking. Na de afgesproken periode wordt de loonkostensubsidie niet meer forfaitair voortgezet. Er kan dan alleen nog loonkostensubsidie worden ingezet op basis van een op de werkplek vastgestelde loonwaarde. Als een persoon in deeltijd werkt, wordt de hoogte van de loonkostensubsidie naar rato verminderd. Artikel 34 Administratief proces loonkostensubsidie Per 1 juli 2023 is de verordeningsplicht voor wat betreft de wijze van het bepalen van de doelgroep en de wijze van loonwaardebepaling komen te vervallen. Hiervoor gelden landelijke afspraken. Wel is de verplichting toegevoegd om aan te geven welk administratief proces de gemeente volgt.

Dit Artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (Artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet). Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55). Het tweede lid maakt duidelijk dat het rechtssubject van de loonkostensubsidie de werkgever 34

is, ook op het moment dat de werknemer de aanvraag indient. Dit volgt ook uit Artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet waarin staat dat de subsidie wordt verleend aan de werkgever. Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het derde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht. Het vierde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld. Het vijfde lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het college wordt gevolgd. Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie. Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door “De normaalste zaak”, een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen, is ontwikkeld. Doel was om de lasten voor werkgevers als gevolg van verschillende werkwijzen door gemeenten te verminderen, door het creëren van één administratief uitvoeringsproces voor het verstrekken van loonkostensubsidie.

Door hierbij aan te sluiten en het makkelijker te maken voor werkgevers wordt beoogd dat meer personen met een loonkostensubsidie aan het werk kunnen komen en gebruik zullen maken van de regeling om met loonkostensubsidie aan het werk te komen. Artikel 35: Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in dit Artikel geregelde loonkostensubsidie betreft een gemeentelijke regeling die moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de Artikelen 10c en 10d van de Participatiewet en Artikel 14b. De in dit Artikel opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar zijn. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt wordt aan personen als bedoeld in Artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (Artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet). Het betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling.

Compensatie Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125). In het eerste lid is de doelgroep opgenomen en in het tweede lid de maximaal toe te kennen loonkostensubsidie opgenomen. Een nadere uitwerking van de doelgroep is opgenomen in het derde en vierde lid. Geen verdringing Het vijfde lid bevat een verdringingsbepaling. Noodzakelijk 35

De loonkostensubsidie kan alleen worden verstrekt als de werkgever geen aanspraak kan maken op een andere regeling die hem (gedeeltelijk) compenseert voor het feit dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer nog niet direct volledig inzetbaar is en mogelijk extra begeleiding nodig heeft. Ook als redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer zonder subsidie ook wel kan worden aangenomen, bijvoorbeeld vanwege de krapte op de arbeidsmarkt, wordt de subsidie niet verstrekt. Het is aan het college om te bepalen of er een noodzaak tot subsidieverlening aanwezig is met het oog op de arbeidsinschakeling van de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer. Artikel 36: De tegenprestatie Het primaire doel van de tegenprestatie is dat iemand maatschappelijk nuttige activiteiten verricht. Niet elke activiteit kan als verplichting worden opgelegd. Activiteiten moeten een legitiem doel hebben, qua omvang aansluiten op de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, mogen geen disproportioneel belastend karakter hebben en geen veiligheids- of gezondheidsrisico met zich meebrengen. Ook moeten de werkzaamheden beperkt zijn in omvang en in tijdsduur. Het kan gaan om activiteiten die nuttig zijn voor de lokale omgeving, de gemeente, of voor de ontwikkeling van de uitkeringsgerechtigde zelf.

De concrete invulling is mede afhankelijk van de specifieke situatie, de lokale omstandigheden en de omvang en de duur van de activiteiten en vragen daarom maatwerk. De tegenprestatie is geen re-integratieinstrument. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving. De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en dus niet bedoeld als reintegratieinstrument. Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt altijd werk boven uitkering. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden moeten zich onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van o.a. economische factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt. De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

Dit betekent dat er geen vacature mag openstaan voor dezelfde of vergelijkbare activiteiten en/of beloning mag plaatsvinden van een ander die dezelfde werkzaamheden verricht of waarvoor korter dan een jaar geleden betaald werd. Het college kan hiermee bij de afweging of een activiteit als tegenprestatie mag worden beschouwd, arbeidsverdringing zoveel mogelijk voorkomen. Er kunnen echter geen garanties worden gegeven dat het in de praktijk helemaal niet zal voorkomen. Het college toetst op een aantal criteria, maar zal niet altijd volledig op de hoogte kunnen zijn van de bedrijfsvoering en bezuinigingsmaatregelen in organisaties. Hierdoor is het college deels afhankelijk van de integriteit van werkgevers en organisaties. Om dit risico te beperken kan de werkgever worden verzocht om hierover een verklaring te ondertekenen. Voor voorbeelden van maatschappelijke nuttige werkzaamheden verwijst de regering naar het onderzoeksrapport "Voor wat hoort wat" van de Inspectie SZW. Deze zijn hierna weergegeven. Er zijn geen recente uitspraken waaruit blijkt dat deze lijst niet (meer) accuraat 36

zou zijn. Aandachtspunt is wel dat ook als een dienst is opgenomen in deze lijst goed moet worden beoordeeld of er geen sprake is van verdringing. Uit genoemd rapport blijken de volgende voorbeelden voor werkzaamheden die als tegenprestatie kunnen worden ingezet:  werkzaamheden bij een openluchtmuseum;  koffie/thee schenken in een verpleegtehuis, buurthuis of een bejaardentehuis;  sneeuwschuiven (bijvoorbeeld bij een bejaardentehuis);  meelopen met de dierenambulance;  afval langs wegen en in wijken verwijderen;  bospaden schoonhouden;  verkeersborden reinigen/schoonmaken;  opknappen, schoonmaken, onderhouden van speeltuinen of gemeentelijke terreinen;  taalmaatje voor nieuwkomers;  beheerder van een parkeerplaats of fietsenstalling (bijv.

bij een station);  vervoer via kerken of ouderenorganisaties;  warme maaltijden bereiden en leveren;  de was doen;  strijken;  tijdelijke werkzaamheden rond een wijkcentrum;  helpen bij het oversteken van kinderen (scholen);  werkzaamheden in theaters;  praten met nabestaanden;  inzet bij (sport)evenementen;  daklozen die wekelijks mensen rond leiden door de stad;  gehandicapten begeleiden bij het zwemmen;  voorlezen op scholen;  moestuin aanleggen met leerlingen uit groep 5 of 6 basisschool;  additionele werkzaamheden bij het Leger of Leger des Heils;  schoonhouden van parkeerplaatsen bij het ziekenhuis;  boeken uitleen bij ziekenhuizen en verpleegtehuizen (met karretjes);  maneges schoon en netjes houden;  een functie vervullen in bijvoorbeeld een cliëntenraad;  deelname aan een hulpverleningstraject bij persoonlijke of psychische problemen;  werkzaamheden in bibliotheken;  bezoek aan eenzame ouderen;  werkzaamheden in bejaardentehuizen en buurthuizen;  boodschappen halen voor Wmo-cliënten/hulpbehoevenden/ouderen;  inzet in de groenvoorziening waar de gemeente de handen vanaf heeft getrokken;  tuinonderhoud;  openbare groenperken schoonhouden;  administratie op orde brengen;  conciërgeachtige werkzaamheden;  mobiel beperkte inwoners helpen;  klus- en verhuisteams oprichten;  opzetten en geven cursussen;  zorgtaken zoals huiskamerdiensten,

activiteitenbegeleiding;  helpen bij festivals;  ondersteunend werkstages bij (maatschappelijke) organisaties: administratief, creatief,  verzorging;  ramen zetten; 37

                                          

wandelen en koffiedrinken met groepen bewoners; lunch verzorgen op basisscholen; werkzaamheden in dierenasiel; receptionist of ontvangstdame/heer; beheer kantines sportverenigingen; wijkschouwen; zwemvierdaagse, wijkfeesten, buurt BBQ, straat opknappen, opzetten buitenspeeldag; spelletjesmiddagen, politiekcafé; buurtpreventie; buurtvaders; meldpunt voor veiligheid in de wijk (signalering); assistent beheerder buurthuizen; klussenteam in de wijk; ondersteunen bij wijkactiviteiten (halen/brengen); organiseren activiteiten voor kinderen (in de wijk of stad); simpele schoonmaakwerkzaamheden in de eigen wijk; theekringen; verkiezing organiseren (weerman/vrouw van de wijk); multicultureel sportevenement met gehandicapten; ontmoeting in de wijk met aandacht voor verschillende geloofsovertuigingen; sportclinics in de wijken opzetten; organiseren wandelingen/sportcursussen; hulp bij reizen met openbaar vervoer; bootonderhoud; computermaatje; energiecoaches; formulierenbrigade; medewerker in ruilwinkel, wereldwinkel; websitebeheerder; speelgoed schoonmaken en voorlezen bij kinderdagverblijf; tekenwerkzaamheden architect; werkzaamheden op zorgboerderij; werknemersvaardigheden opdoen in niet commercieel bedrijf; oppasdienst; mantelzorg/mantelzorgondersteuning; mailings voor gemeente verzorgen, nieuwsbrieven rondbrengen; rolstoelbrigade; fietsles geven; klaar-overs; beheren

fietsenstalling; inpakwerk; helpen op metaalafdeling; hand en spandiensten op school.

Artikel 37: Het opleggen van een tegenprestatie De tegenprestatie is gericht op het versterken van de eigen kracht en/of sociaal netwerk. Wat de bijstandsgerechtigde zelf kan, doet hij ook zelf. De gemeente heeft een faciliterende rol. In het tweede lid volgt een opsomming van de gevallen waarin geen tegenprestatie kan worden opgelegd. 38

Het opleggen van de tegenprestatie betekent maatwerk. De gemeente bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de beschikbare onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten, de aard, duur en omvang van de tegenprestatie. Dat betekent dat rekening moet worden gehouden met een aantal factoren, zoals lichamelijke en psychische beperkingen, zorgtaken, kennis en kunde, maar ook met de mogelijkheden van de begeleidende organisaties. Als de bijstandsgerechtigde niet of onvoldoende meewerkt aan de tegenprestatie kan conform de Afstemmingsverordening Voorne aan Zee 2023 een maatregel worden overwogen. Artikel 38: Duur en omvang van de tegenprestatie Het is aan de gemeenteraad om de omvang en duur van de tegenprestatie te bepalen. De rechter heeft in jurispudentie bepaald dat er een maximum geldt van 20 uur per week gedurende zes maanden. Bij meer uren worden de activiteiten door de rechter beschouwd als re-integratie, vrijwilligerswerk of reguliere arbeid. De omvang van de tegenprestatie kan variëren van een eenmalige activiteit van enkele dagen tot een substantieel aantal uren per maand. Het zijn activiteiten voor enkele weken tot maximaal twaalf maanden. De tegenprestatie moet in principe elk jaar worden geleverd. Het één en ander is en blijft maatwerk.

Artikel 39: Keuze invulling van de tegenprestatie De gemeente gaat uit van de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigden. We sluiten zo veel mogelijk aan op de interessegebieden van de uitkeringsgerechtigden. Daarmee wordt de motivatie tot het uitvoeren van de tegenprestatie vergroot. Tegelijk is de tegenprestatie niet vrijblijvend. Draagt de uitkeringsgerechtigde zelf een activiteit aan, dan toetst het college deze op additionaliteit en op haalbaarheid c.q. wenselijkheid. Zeker als het gaat om iemand met forse psychische beperkingen, is het belangrijk om niet alleen te kijken wat de uitkeringsgerechtigde zelf kan, maar ook wat de organisatie aan kan en te kijken naar de veiligheid voor de omgeving. Heeft iemand lichamelijke en/of psychische beperkingen, dan kan een arbeidsmedisch onderzoek worden uitgevoerd om te bepalen wat de mogelijkheden zijn. Voor de uitvoering van de tegenprestatie wordt de gemeente niet gecompenseerd. Om de kosten zoveel mogelijk te beperken, wordt daarom in eerste instantie met de uitkeringsgerechtigde samen gekeken naar activiteiten die binnen zijn of haar mogelijkheden liggen. Pas als dit geen uitkomst biedt, wordt een arbeidsmedisch onderzoek ingezet en aan de hand van de uitkomst van het onderzoek gekeken naar een passende activiteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13476846/4