CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Dwarsweg 1a, Tinte_vastgesteld_1

Raadsvergadering 13 november 2025, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne Veegplan 4b na splitsing20.000 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

DWARSWEG 1A, TINTE Voorne aan Zee Ruimtelijke Onderbouwing

1/2

DATUM

12-08-2025

PROJECT PROJECTLEIDER

Dwarsweg 1a, Tinte

OPDRACHTGEVER Gemeente Voorne aan Zee PROJECTNUMMER 20220976 AUTEUR STATUS

2/2

vastgesteld

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging projectgebied

7

1.3

Vigerend bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

11

2.1

Bestaande situatie

11

2.2

Beoogde situatie

12

Ruimtelijk beleidskader

13

3.1

Rijksbeleid

13

3.2

Provinciaal beleid

14

3.3

Gemeentelijk beleid

22

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

27

4.1

Inleiding

27

4.2

Archeologie & Cultuurhistorie

27

4.3

Ecologie

28

4.4

Bodem

30

4.5

Externe veiligheid

30

4.6

Bedrijven en milieuhinder

32

4.7

Luchtkwaliteit

33

4.8

Water

35

4.9

Verkeer en parkeren

38

4.10

Wegverkeerslawaai

40

4.11

Kabels en leidingen

40

4.12

Milieueffectrapportage

41

Uitvoerbaarheid

43

5.1

Economische uitvoerbaarheid

43

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

43

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 5

3/55

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Stikstofonderzoek

Bijlage 2

Quickscan Flora en Fauna

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek

Bijlage 5

Landschappelijk inpassingsplan Dwarsweg 1a

4/55

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De eigenaar van de kassen aan de Dwarsweg 1a, Tinte wil het glastuinbouwbedrijf beëndigen en de aanwezige kas en bedrijfsgebouwen saneren. In ruil hiervoor wil de eigenaar de bedrijfswoning omzetten naar een burgerwoning en ter plaatse twee compensatiewoningen realiseren. Om dit mogelijk te maken wordt voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Deze ruimtelijke onderbouwing wordt als bijlage bij de vierde herziening 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 4' toegevoegd.

1.2

Ligging projectgebied

Het projectgebied is gelegen in het glastuinbouwgebied Tinte en omvat de kadastrale percelen in de gemeente Westvoorne, sectie C, nummers 706, 707 en 1933. In figuur 1.2.1 is het gebied weergegeven.

Figuur 1.2.1 - ligging projectgebied

7/55

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op de locatie geldt het 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 22 juni 2022. De veegplannen 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 1' (vastgesteld op 21 september 2022), 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 2' (vastgesteld op 21 september 2022), 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 3' (vastgesteld op 16 november 2023) zijn later vastgesteld, maar voorzien niet in wijzigingen op de voor dit plan betreffende locatie. Op de locatie bevinden zich de functieaanduidingen 'Agrarisch bedrijf', 'Glastuinbouwbedrijf', 'Nevenfuncties Oude Zeekleipolders' en 'Wonen in een bedrijfswoning'. Het agrarisch bedrijf en de bijbehorende bedrijfswoning zijn toegestaan in het in figuur 1.3.1 gemarkeerde gebied.

Figuur 1.3.1 - uitsnede van de huidige planologische situatie aan de Dwarsweg 1a (bron: gemeentelijke viewer Westvoorne)

8/55

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de huidige en toekomstige planologische situatie weergegeven. Waarna in hoofdstuk 3 het vigerende beleid wordt beschreven en getoetst. In hoofdstuk 4 worden vervolgens de relevante omgevingsaspecten toegelicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

9/55

10/55

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Bestaande situatie

In de bestaande situatie bestaat het projectgebied uit een bedrijfswoning, een kas, een watersilo en twee bedrijfsgebouwen. De huidige situatie en oppervlakten van de te saneren bebouwing zijn weergegeven in figuur 2.1.1. In het geel omcirkeld staat de te behouden bedrijfswoning. De oppervlakte van de te saneren bebouwing betreft:  een kas à 8.088 m²;  bedrijfsgebouw 1 (rood) à 397,4 m²;  bedrijfsgebouw 2 (groen) à 40,4 m²;  watersilo à 79,73 m². In totaal is er 3 hectare aan kassen toegestaan bij dit glastuinbouwbedrijf.

Figuur 2.1.1 - huidige situatie + oppervlakten

11/55

2.2

Beoogde situatie

In de beoogde situatie wil de eigenaar het glastuinbouwbedrijf beëindigen en in ruil voor de te saneren bebouwing en bouwmogelijkheden voor kassen twee compensatiewoningen realiseren naast de huidige bedrijfswoning op nummer 1a. De bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. In totaal wordt er 8.606 m² aan bebouwing gesaneerd, waarvan 8.088 m² aan glas en 518 m² aan bedrijfsbebouwing. De bedrijfsbebouwing bestaat uit bedrijfsgebouw 1 en 2 en de watersilo uit figuur 2.1.1. Op basis van het voormalig provinciaal ruimte-voor-ruimte beleid mag er voor iedere 5.000 m² aan glas en iedere 1.000 m² aan bedrijfsbebouwing een ruimte-voor-ruimte woning worden gerealiseerd. Voor het saneren van het glas mag in totaal 1,67 compensatiewoning gerealiseerd worden en voor het saneren van de bedrijfsbebouwing mag in totaal 0,52 woning worden gerealiseerd. In totaal mag er 2,19 compensatiewoningen worden gerealiseerd. Ook de aanwezige stelconplaten worden verwijderd.

Figuur 2.2.1 - schets beoogde situatie

12/55

Hoofdstuk 3

Ruimtelijk beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het relevante ruimtelijke beleidskader beschreven. Achtereenvolgens komt het rijksbeleid, het provinciale beleid en het gemeentelijke beleid aan bod.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (2020) en Barro (2020) In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) formuleert het Rijk een nieuwe integrale aanpak waarin samen met andere overheden en organisaties optimaal kan worden gewerkt aan behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen spelen de volgende vier prioriteiten de komende jaren een grote rol in de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving van Nederland:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio's;  en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Nationale belangen De NOVI is vertaald in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Deze gaat echter pas in zodra de omgevingswet in werking treedt. De voorloper van het BKL is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuurnetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.

Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Toetsing en conclusie De NOVI en het Barro kenmerken zich door een hoog abstractieniveau en bevatten geen concreet beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid. 3.1.2 Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling (art. 3.6.1 Bro, juli 2017) Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Toetsing en conclusie Gezien de geringe aard van de ontwikkeling (omzetten bedrijfswoning en twee compensatiewoningen) is er geen sprake van een ladderplichtige ontwikkeling. Er hoeft geen onderbouwing voor de ladder opgesteld te worden.

13/55

3.2

Provinciaal beleid

Het vigerende provinciaal beleid voor het plangebied is de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Relevante zaken uit dit beleid worden getoetst aan de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De omgevingsvisie Zuid-Holland, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van Provinciale Staten op 8 maart 2023 (in werking op 1 april 2023), biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna aan de relevante punten uit de omgevingsvisie getoetst. Verstedelijking/Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Zie paragraaf 3.1.2. Naar een klimaatbestendig Zuid-Holland De provincie wil tijdig en adequaat inspelen op het opwarmende klimaat. Door de mondiale opwarming stijgt de zeespiegel en worden weerpatronen beïnvloed.

Hierdoor neemt in Zuid-Holland de intensiteit van neerslag toe, is sprake van een toename van het aantal hittegolven en neemt de kans op extreme droogteperiodes toe. Verder daalt de bodem en neemt de brakke kwel toe. Omgaan met de weersextremen zal onvermijdelijk ook effect hebben op de inrichting van ons stedelijk en landelijk gebied. In de provincie worden veel nieuwe woningen gebouwd, de economie groeit, de landbouw is in transitie, ambitieuze landschapsparken en nieuwe infrastructuur staan op stapel. Al deze opgaven samen vergen zowel lange termijn planning als flexibiliteit om mee te bewegen met veranderende omstandigheden, ofwel 'adaptief beleid'. Het uitgangspunt van de provincie is dat de fysieke leefomgeving zodanig wordt ingericht dat deze de gevolgen van klimaatverandering doelmatig kan opvangen. Dit geldt voor zowel nieuwbouwontwikkelingen, alsook de fysieke leefomgeving van bestaand bebouwd gebied. Zo wil de provincie voorkomen dat extreme weersomstandigheden leiden tot onnodige schade aan bijvoorbeeld gebouwen, infrastructuur, landbouw, natuur, en economie. Landschappelijke waarden De provincie zet in op het versterken en benutten van de verschillen tussen de vier groepen landschappen: kustlandschap, veen(weide) landschap, deltarivierenlandschap en stedelijk landschap.

De provincie wil de intrinsieke waarde van de verschillende landschappen behouden, beschermen, op passende wijze benutten en beleefbaar maken. Dit betekent dat zorgvuldig moet worden afgewogen welke ontwikkelingen in welk landschap wenselijk zijn. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het in standhouden, benutten, beleven en versterken van bestaande gebiedskwaliteiten.

14/55

De provincie hecht waarde aan onbebouwde landschappen. De provincie beschermt het landschap tegen ongewenste ontwikkelingen en wil daarmee versnippering en onomkeerbare aantasting van het landschap tegengaan. De provincie wil in een aantal gebieden specifieke waarden in stand houden, omdat ze landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. De instandhouding en versterking van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde vraagt om toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling. Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet in de sanering van kassen, bouwrechten voor kassen en bedrijfsbebouwing waardoor een afname in verhard oppervlak wordt bewerkstelligd. De afname verkleint de risico's van klimaatverandering. Ook wordt door dit initiatief de mogelijkheid tot realisatie van meer dan 2 hectare aan kassencomplexen gesaneerd. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de bestaande landschappelijke kwaliteiten. Ruimtelijke kwaliteit De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde.

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen. In de kwaliteitskaart onderscheidt de provincie vier lagen: de ondergrond, cultuur- en natuurlandschappen, stedelijke occupatie en beleving. Iedere ondergrond kent zijn eigen richtpunten om de ruimtelijke kwaliteit te versterken. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Hieronder wordt getoetst aan het kwaliteitsbeleid. Kwaliteitskaart Zuid-Holland Laag van de ondergrond In figuur 3.1.1 is te zien dat het plangebied is gelegen in de oude stroomgordels en geulafzetting op de ondergrond jonge zeeklei. Hiervoor zijn de volgende richtpunten relevant: Rivierdeltacomplex – Jonge zeeklei  Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of vergroting van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.

Bijzonder reliëf en aardkundige waarden  Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand.  Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

15/55

Figuur 3.1.1 – Laag van de ondergrond (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Figuur 3.1.2 laat zien dat het projectgebied in zowel zeekleipolderlandschap als rivierdeltalandschap ligt. De volgende richtpunten zijn relevant:  Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.

Figuur 3.1.2 – Laag van de cultuur- en natuurlandschappen (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland)

16/55

Laag van de stedelijke occupatie In figuur 3.1.3 is te zien dat het projectgebied in glastuinbouwgebied Tinte is gelegen. Het volgende richtpunt is relevant:  Ontwikkelingen aan de rand van een glastuinbouwgebied dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

Figuur 3.1.3 – Laag van de stedelijke occupatie (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Laag van de beleving Deze laag is niet aanwezig in het projectgebied. Toetsing De beoogde ontwikkeling bevindt zich in het glastuinbouwgebied Tinte. Een glastuinbouwgebied kan qua belevingswaarde gezien worden als een bedrijventerrein. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de richtpunten uit de kwaliteitskaart. In deze hoek van het glastuinbouwgebied Tinte zijn meerdere glastuinbouwbedrijven gesaneerd. De komst van de vrijstaande woningen in deze hoek versterkt het groene karakter en is in lijn met het gemeentelijk glasbeleid. Tussen de glastuinbouwbedrijven en de burgerkavels liggen verspreid verschillende percelen met overig grondgebruik. Deze percelen zijn veelal in agrarisch gebruik met bijvoorbeeld akkerbouw of weiden met schapen en paarden. Deze percelen dragen bij aan het groene karakter van de zuidoosthoek, zoals ook beoogd in de glasvisie van de gemeente. De toekomstige situatie bevat aanzienlijk minder bebouwd oppervlak door het slopen van het glastuinbouwbedrijf. De ontwikkeling draagt hiermee bij aan het groene karakter van het gebied. In het gemeentelijk beleid, dat is vastgelegd in de Structuurvisie Herstructurering Glas (1e herziening), is voor genoemde zuidoosthoek, op basis van bovenstaande, een bewust onderscheid gemaakt tussen de rand en het binnengebied.

In het binnengebied wordt, al dan niet door herverkaveling, uitgegaan van een intensivering van het glas, terwijl de tuinbouwbedrijven in de groene rand de mogelijkheid wordt geboden om op vrijwillige basis te saneren. De rand van de zuidoosthoek is hierbij gedefinieerd als ‘gebied ten behoeve van groenstructuur en groene woonmilieus’. De sanering van het glas en de omschakeling naar wonen draagt bij aan de doelstelling voor dit gebied.

17/55

Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie Zuid-Holland. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de richtpunten uit de kwaliteitskaart en past binnen het groene karakter van de omgeving waarin de ontwikkeling plaats vindt. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland In de Omgevingsverordening Zuid-Holland, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van Provinciale Staten op 8 maart 2023 (in werking op 1 april 2023), heeft de provincie regels gesteld om de provinciale hoofdbelangen uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland 2040 juridisch te borgen. Gemeenten moeten bij het maken van ruimtelijke plannen deze regels in acht nemen. De Omgevingsverordening is daarmee een kaderstellend instrument van de provincie voor gemeenten. De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna aan de relevante artikelen uit de omgevingsverordening getoetst. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Lid 2 Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap.

Lid 3 Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. Lid 4 Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. Lid 5 Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen;

18/55

b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Lid 7 Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; b. wegnemen van verharding; c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; d.

andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij: 1. aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; 2. indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast. Lid 8 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied Lid 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. Lid 2 In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c.

het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

19/55

Toetsing aan artikel 6.9 en 6.9a Onderhavig plan voorziet in de realisatie van twee woningen en het omzetten van bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning is toegestaan wanneer het bedrijf ter plaatse beëindigd wordt. Er worden twee nieuwe woningen gerealiseerd ter compensatie van de sloop van het glastuinbouwbedrijf, zie paragraaf 2.2 voor de berekening van het aantal woningen. Met de sloop van de kassen en de bedrijfsbebouwing en de realisatie van twee woningen wordt aangesloten bij de groene karakteristiek van de omgeving en wordt bijgedragen aan de landschapsstructuur. Naar aanleiding van de beantwoording van de zienswijzen op het aspect ruimtelijke kwaliteit is een landschappelijke inpassingsplan opgesteld. De landschappelijke inpassing is uitgewerkt in Bijlage 5 en is vastgelegd als voorwaardelijke verplichting in de regels om aan te tonen dat de ruimtelijke kwaliteit op zijn minst gelijk blijft. Gezien de ligging van het perceel kan worden geconstateerd dat de saneringslocatie het laatste ontbrekende puzzelstukje is in een verder tot groene ader voor vrijstaand wonen bestemde en reeds merendeels ingerichte zone.

Het inpassingsplan maakt duidelijk dat de sanering van Dwarsweg 1a goed aansluit bij de bestaande landschappelijke structuur die in deze zone merendeels kan worden getypeerd als een groene long/ader met woonfuncties. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen a. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: 1. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening. Toetsing aan artikel 6.10 Gezien de geringe aard van de ontwikkelingen (een woning) is er geen ladderplichtige onderbouwing noodzakelijk, zoals eveneens is geconcludeerd in paragraaf 3.2.2. Artikel 6.15 Glastuinbouwgebied Lid 1 Een bestemmingsplan voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, laat alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen voor energieopwekking.

Lid 2 Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een bedrijf toelaten dat behoort tot de keten glastuinbouw en dat een bijdrage levert aan de ontwikkeling van het glastuinbouwgebied als internationaal centrum voor teelt, kennis en handel van glastuinbouwproducten, voor zover: b. de gronden zijn gelegen binnen het glastuinbouwgebied Westland-Oostland, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II; en c. aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied. Lid 3 Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken indien sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is.

20/55

Toelichting op artikel 6.15 De verdere ontwikkeling van de glastuinbouwgebieden tot een economisch concurrerende en duurzame greenport is van provinciaal belang. De provincie streeft naar een greenport waar het accent ligt op specifieke hoogwaardige productie, met een centrale plaats voor logistieke, handel, kennis en innovatie. Het teeltgebied is vastgelegd op kaart 11 van de verordening en is primair bedoeld voor glastuinbouwbedrijven en de daarbij behorende voorzieningen, zoals waterberging, gietwaterbassins, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, bedrijfswoningen, bedrijfsruimten, infrastructuur en landschappelijke inpassing. Bijzondere regeling voor glastuinbouwgebied Tinte Het glastuinbouwgebied Tinte op Voorne-Putten is in de verordening veel ruimer aangeduid dan het daadwerkelijke glastuinbouwgebied, zoals dat deels inmiddels is gerealiseerd en deels nog gerealiseerd zal worden. De provincie heeft met de betrokken gemeenten afspraken gemaakt over de maximale oppervlakte aan kassen binnen het gebied. Voor het deel van het gebied dat niet zal worden benut voor glastuinbouw kan het bestaande gemengde (overwegend agrarische) grondgebruik worden voortgezet. Toetsing aan artikel 6.15 Het glastuinbouwgebied Tinte is veel ruimer aangeduid dan wat er daadwerkelijk aan glas maximaal gebruikt mag worden.

Het bestaande gemengde (overwegend agrarische) grondgebruik mag hierop worden voortgezet. De groene hoek in het zuidoosten van dit gebied is dan ook geschikt voor omzetting naar wonen voor tuinders die willen stoppen. Dit is ook zo aangegeven in de gemeentelijke structuurvisie voor dit gebied. De Dwarsweg 1a is de laatste saneringslocatie in het lint van de Dwarsweg. Er kan worden vastgesteld dat er geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting en bruikbaarheid van de glastuinbouwfunctie in het gebied. Het perceel is zodanig beperkt van grootte dat kansen op een lonende glastuinbouwexploitatie ongunstig zijn. Schaalvergroting door samenvoeging met andere tuinbouwpercelen biedt geen betere perspectieven doordat dit door de kleinschaligheid en verkaveling ter plaatse niet zal kunnen leiden tot een modern toekomstbestendig glastuinbouwcomplex. Zowel aan de noord- als aan de zuidzijde van het perceel ontbreekt de glastuinbouwbestemming. Aan de noordzijde is sprake van een perceel dat ten dele is voorzien van een agrarische bestemming en ten dele van een reguliere woonbestemming als gevolg van een eerder uit het glastuinbouwgebied uitgeplaatste bedrijfswoning. De drie naastgelegen percelen hebben allen woonbestemmingen.

Aan de zuidzijde is sprake van een reeds in het verleden gesaneerde tuinbouwlocatie welke thans is bebouwd met twee woningen met een reguliere woonbestemming. Verder in zuidelijke richting naar de Rietdijk is dat eveneens het geval en bevinden zich vier "burgerwoningen". Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de regels die gesteld zijn in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast en geborgd in de regels van het bestemmingsplan.

21/55

3.3

Gemeentelijk beleid

Het vigerende gemeentelijk beleid voor het plangebied is de Omgevingsvisie Westvoorne 2030 (14 januari 2017), het Handboek Kwaliteitsverbetering en de Structuurvisie Glastuinbouw (1e herziening, vastgesteld 5 april 2011). Relevante zaken uit dit beleid worden getoetst aan de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 3.3.1 Glasherstructurering 1e herziening Het meest relevante gemeentelijke beleid voor dit bestemmingsplan is vastgelegd in de Structuurvisie Glasherstructurering (1e herziening, april 2011). Het gemeentelijk beleid voor glastuinbouw is tweeledig:  de sanering van verspreid liggend glas in het open polder gebied en de binnenduinrand enerzijds;  het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden (verdichting) voor glastuinbouw nabij Tinte anderzijds. Belangrijkste doelstelling uit het glastuinbouwbeleid is, naast het bieden van ruimte voor een duurzame toekomst aan de glastuinbouw, het verbeteren van de landschappelijke kwaliteit in het glastuinbouwgebied, waarbij de inrichting van het gebied recht moet doen aan de bestaande landschappelijke en historische kwaliteiten. Op de afbeelding hieronder is het (beoogde) landschappelijk raamwerk, zoals vastgelegd in het gemeentelijke beleid, weergegeven. Het plangebied voor voorliggende bestemmingswijziging is weergegeven met een rode cirkel.

Figuur 3.3.1 - locatie in het glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte Voor de rand van de zogenaamde zuidoosthoek van het glasgebied geldt de beleidsdoelstelling dat hier, na sanering van het glas, woningbouw en vergroening kan plaatsvinden. In het Omgevingsplan is deze rand ook buiten het paars gekleurde glastuinbouwintensiveringsgebied gelaten. Hier geldt hetzelfde beleid als bij de 'Oude Zeekleipolders'. In de rest van het intensiveringsgebied wordt een dergelijke ontwikkeling niet voorgestaan.

22/55

Figuur 3.3.2 - ligging aan de rand van het paarse glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte, hier geldt het beleid voor 'Oude Zeekleipolders' Conclusie Met de sanering van het glastuinbouwbedrijf wordt invulling gegeven aan de structuurvisie voor Glasherstructurering. Specifiek wordt ook de benoemde zuidoosthoek van het intensiveringsgebied verder vergroend en voorzien van woonmilieus. 3.3.2 Omgevingsvisie Westvoorne 2030 De omgevingsvisie van Westvoorne beschrijft de koers van de gemeente naar 2030. Deze visie is opgedeeld in een aantal gebieden en thema's. De beoogde ontwikkeling bevindt zich in het zogenoemde 'veelzijdig landelijk gebied'. De gemeente heeft de laatste tien jaar ingezet op sanering van de verspreid liggende glastuinbouw. Uitgangspunten en ontwikkelingen De uitgangspunten en concrete ontwikkelingen die passen bij deze koers worden opgedeeld in de verschillende thema's. Hieronder worden de voor deze ontwikkeling relevante thema's toegelicht. Landschap  De kwaliteiten en karakteristieken van de verschillende landschapstypen in de gemeente zijn leidend bij nieuwe ontwikkelingen. Het landschap vormt steeds de duurzame onderlegger van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de landschappelijke kwaliteiten.

23/55

Maatwerkoplossingen voor glastuinbouwbedrijfsbeëindigingen of -verplaatsingen zullen ook na de afronding van het huidige glassaneringsbeleid mogelijk blijven. Voorwaarden zijn onder andere een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en zo mogelijk realisatie van natuurontwikkeling en recreatieve waarden. Ook voor andere (agrarische) bedrijven is een dergelijke sanering mogelijk wanneer dit een bijdrage levert aan een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving.

Wonen  Door schaalvergroting in de landbouw komen er agrarische erven vrij (er wordt grond opgekocht van een andere agrariër maar diens erf blijft 'over'). Om deze erven en de daarop aanwezige bebouwing een andere invulling te kunnen geven, is het onder voorwaarden toegestaan dat woningen in de plaats van het oude agrarisch bedrijf gebouwd worden. De nadere uitwerking daarvan wordt per locatie bezien. Toetsing en conclusie De gemeente Westvoorne heeft de ambitie gesteld om in een voldoende en passend aanbod van woningen te voorzien. Steeds vaker worden glastuinbouwbedrijven ingeruild voor woningen en wordt de aanwezige bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning om in voldoende aanbod van woningen te kunnen voorzien. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen de kwaliteiten en karakteristieken van de verschillende landschapstype in acht genomen te worden. De ontwikkeling wordt hiervoor getoetst aan het handboek kwaliteitsverbetering. De ontwikkeling sluit aan bij de huidige trend en bij de visie om in voldoende woningen te voorzien. Verder dient te worden voldaan aan de structuurvisie Glasherstructurering 1e herziening. Hieronder wordt de ontwikkeling aan dit beleid getoetst. 3.3.3 Handboek Kwaliteitsverbetering De gemeente Westvoorne kent een integrale omgevingsvisie, welke in samenspraak met stakeholders en burgers is opgesteld.

In de integrale omgevingsvisie is de gewenste koers beschreven van een aantal deelgebieden en de ontwikkelrichtingen gaan hierbij uit van het verder verbeteren van bestaande kwaliteiten. Men wenst hiermee te bewerkstelligen dat het karakter van Westvoorne behouden blijft en indien mogelijk, de gemeente nog mooier te maken. Uitgangspunt hierbij is dat bestaande kwaliteiten behouden blijven, of dat deze worden vergroot. De gemeente speelt hierbij een faciliterende c.q. regisserende rol. Ligging De eerste stap is vaststellen in welk gebied de ontwikkeling gelegen is. De gemeente heeft het grondgebied opgedeeld in deelgebieden en voor elk deelgebied gelden andere kenmerken. Binnen deze deelgebieden zijn nog een aantal specifieke polders uitgelicht met elk zijn eigen kenmerken en karakteristieken. De ontwikkeling aan de Dwarsweg is gelegen in het deelgebied 'oude zeekleipolders' en specifieker 'Polder Westerland'. Karakteristieken De omgeving kenmerkt zich door een typische langgerekte opbouw. De polders kennen een onregelmatige blokvormige verkaveling. Polder Westerland is onderdeel van het glastuinbouwgebied Tinte en is hierdoor ook een minder open polder.

24/55

Specifieke aanbevelingen Het kwaliteitshandboek doet de volgende aanbevelingen op hoofdlijnen. Voor deze ontwikkeling zijn de aanbevelingen voor het behouden en versterken van de identiteit van het gebied en het verbinden van natuur relevant. Hieronder wordt de ontwikkeling getoetst aan de voor de ontwikkeling relevante subdoelen. Behoud en versterk de identiteit  Versterk de cultuurhistorische identiteit  Versterk de cultuurhistorische lijnen en elementen  Versterk de landschapsstructuur  Behoud de openheid  Herstel en ontwikkel de karakteristieke groene erfsingels  Behoud en versterk het kavelpatroon  Pas gebiedseigen kavelscheidingen toe  Sluit aan op de positionering van de bestaande bebouwing  Sluit aan op de streekeigen erfcompositie  Sluit aan op de streekeigen bebouwingskarakteristiek Verbind de natuur  Pas inheemse beplanting toe. Toetsing De ontwikkeling draagt bij aan het vergroenen van de zuidoostelijke hoek van het glastuinbouwgebied Tinte. Het kavelpatroon en positionering van de naastgelegen vrijstaande woningen wordt doorgezet. Ook krijgen de woningen een groene en open uitstraling in lijn met de overige woningen in deze hoek. Door de sanering van het glastuinbouwbedrijf wordt bijgedragen aan het meer open en afwisselende karakter van de zuidoostelijke hoek.

Ook wordt invulling gegeven aan de 'groene rand' uit de Structuurvisie Glasherstructurering 1e herziening. De saneringslocatie betreft het laatste ontbrekende puzzelstukje is in een verder tot groene ader voor vrijstaand wonen bestemde en reeds merendeels ingerichte zone. Het inpassingsplan maakt duidelijk dat de sanering van Dwarsweg 1a goed aansluit bij de bestaande landschappelijke structuur die in deze zone merendeels kan worden getypeerd als een groene long/ader met woonfuncties. Conclusie Er kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de relevante hoofddoelen uit het kwaliteitshandboek en derhalve landschappelijk is ingepast. De overige hoofddoelen uit het kwaliteitshandboek worden niet belemmerd door deze ontwikkeling.

25/55

26/55

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk project te worden aangetoond en dient te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de milieutechnische aspecten beschreven en getoetst die relevant zijn voor de ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

4.2

Archeologie & Cultuurhistorie

Beleidskader Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Westvoorne heeft op 22 april 2008 een gemeentelijk archeologisch beleid vastgesteld, waarvan de Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) een belangrijk instrument vormt.

De kaart toont de archeologische waarden en verwachtingen binnen Westvoorne en geeft aan hoe de gemeente daarmee omgaat. In de momenteel voor het projectgebied geldende bestemmingsplan is een dubbelbestemming ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden opgenomen. De AWK is het achterliggende beleidskader voor de motivering van die dubbelbestemming. Onderzoek en conclusie Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden is in het bestemmingsplan 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne' een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen en werkzaamheden die een oppervlak beslaan van meer dan 200 m2 of die dieper reiken dan 80 cm beneden het maaiveld. Deze vrijstellingswaarden zijn met een archeologische dubbelbestemming overgenomen in de regels van Veegplan 4. Op deze manier is en blijft het archeologische belang gewaarborgd in het geldende bestemmingsplan.

27/55

Daarnaast zijn binnen de relevante beleidsdocumenten geen cultuurhistorische waarden beschreven waaraan met de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afbreuk wordt gedaan. In paragraaf 3.2 wordt getoetst aan de lagen uit de kwaliteitskaart waaronder de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. Zodra de bouwplannen concreet zijn uitgewerkt kan worden beoordeeld of er sprake is van een archeologische onderzoeksverplichting. Dit onderzoek dient dan bij de aanvraag van de omgevingsvergunning te worden gevoegd. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3

Ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.

Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS)

28/55

kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Om te onderzoeken of de beoogde ontwikkeling significant negatieve effecten heeft op nabijgelegen Natura 2000-gebieden is een stikstofberekening uitgevoerd. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige natuurgebied is ‘Voornes Duin’. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de stikstofemissies vanuit zowel de bouw- als gebruiksfase niet leiden tot stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Hiermee is aangetoond dat er geen mogelijke significante effecten vanwege de stikstofemissies van de bouw- en gebruiksfase van het plan op de natuurgebieden zijn. Het aspect stikstof staat de transformatie van de Dwarsweg 1a te Tinte dan ook niet in de weg. De stikstofberekening met een toelichting van de uitgangspunten daarop is opgenomen in bijlage 1. Soortenbescherming Om de effecten te kunnen bepalen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Quickscan Flora & Fauna Tinte, Dwarsweg 1a, 11 juli 2023). De conclusie uit dit onderzoek stelt dat het plangebied geen potentie biedt voor aanwezigheid van beschermde soorten flora of fauna, waardoor aanvullend onderzoek niet nodig is. Vanuit de Wet natuurbescherming zijn er voor het project dan ook geen belemmeringen. Wel dient bij sloopwerkzaamheden rekening te worden gehouden met het vogelbroedseizoen, omdat nesten van vogels zijn altijd beschermd zijn wanneer zij in gebruik zijn (nestbouw, broedfase, of jongen in nest). Voor onbeschermde dan wel vrijgestelde soorten (zoals algemene muizensoorten, mol, gewone pad) die mogelijk in het plangebied kunnen voorkomen, geldt de zorgplicht waarvoor in het rapport een aantal aanbevelingen worden gedaan. De quickscan is toegevoegd als bijlage 2. Conclusie

29/55

Gebiedsbescherming Significante negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Soortenbescherming Het plangebied biedt geen potentie voor aanwezigheid van beschermde soorten flora of fauna.

4.4

Bodem

Normstelling en beleid Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek Ten behoeve van de uitvoering van het project is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek Dwarsweg 1a Tinte, 7 september 2023). Hieruit blijkt weliswaar dat er verontreinigde stoffen in de grond en het grondwater zijn aangetroffen, maar dat de onderzoeksresultaten geen aanleiding geven tot het instellen van verder onderzoek. De sterke verontreiniging met nikkel en barium, alsmede de matige verontreiniging met arseen in het grondwater wordt toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Het verrichten van aanvullend onderzoek wordt hiervoor niet zinvol geacht. Het onderzoek met de bijbehorende resultaten en aanbevelingen is opgenomen in bijlage 3.

Conclusie Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden geen bezwaren verwacht voor het verstrekken van een omgevingsvergunning en voortzetten van het huidige gebruik.

4.5

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden.

30/55

Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden.

Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

31/55

Onderzoek In figuur 4.5.1 is het plangebied geel omcirkeld. De dichtstbijzijnde risicobron is buisleiding W-538-02 op circa 870 meter. In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen en vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, het water of via buisleidingen.

Figuur 4.5.1 - uitsnede Risicokaart (bron: Atlas voor de Leefomgeving) Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.6

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader veen goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen:  ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit

32/55

plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek In de beoogde situatie wordt een agrarische bestemming omgezet naar drie burgerwoningen. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.

De ontwikkelingen vinden in het glastuinbouwgebied Tinte plaats, waar een menging van agrarische bedrijven uit de glastuinbouwsector en woningen plaats vindt, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd'. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich enkele woningen en glastuinbouwbedrijven. Om te spreken van een goede ruimtelijke ordening dient er voldoende afstand tussen de woningen en de glastuinbouwbedrijven te zijn. Een glastuinbouwbedrijf is geclassificeerd als een categorie 2 bedrijf. Voor gemengd gebied geldt een richtafstand van 10 meter. In de regeling van het geldende bestemmingsplan is een richtafstand van 25 meter opgenomen tussen glastuinbouwbedrijven en burgerwoningen. Deze grotere afstandsmaat vloeit voort uit de wens om de leefkwaliteit bij burgerwoningen niet alleen op aspecten als geluid, stof, geur en gevaar, maar ook op een aspect als visuele beleving te waarborgen. Door te bepalen dat de woningen een afstand tot de bouwvlakken van de naastgelegen glastuinbouw moeten aanhouden (25 m) betekent de bestemmingswijziging voor de omliggende bedrijven geen beperking in de bedrijfsvoering. De afstand tussen de woonbestemmingen en het glastuinbouwbedrijf ten oosten van het projectgebied dient minimaal 25 meter te bedragen. Hier is in de bestemmingslegging rekening mee gehouden. Voor de omliggende burgerwoningen verbetert de situatie.

De (mogelijke) hinder van het glastuinbouwbedrijf verdwijnt. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling.

4.7

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer.

33/55

De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Tabel 2 – Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³

Kaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Fijn stof (PM10)

Fijn stof (PM2,5)

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht;  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek Met deze ruimtelijke onderbouwing worden twee extra woningen mogelijk gemaakt, de andere woning is al gerealiseerd. Deze ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de beoogde woningen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven.

Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (https://www.cimlk.nl/kaart) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Het dichtstbijzijnde maatgevende meetpunt is gelegen aan de Ruigendijk (naast nummer 10). Uit de CIMLK-monitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2020: 13,6 µg/m³voor NO2, 15,2 µg/m³ voor PM10 en 7,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,0 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt.

34/55

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.8

Water

Toetsingskader Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkelingen. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Provinciaal Waterplan  Provinciale Structuurvisie  Verordening Ruimte Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta:  waterveiligheid (dijken en duinen)  versterkte duinen  meer biodiversiteit op de dijken  minder CO2-uitstoot, vergoten  meer innovatie  voldoende schoonwater Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van

35/55

het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:  Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename;  Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied;  Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Onderzoek Huidige situatie Algemeen Op de locatie bevindt zich momenteel een glastuinbouwbedrijf en een bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw. Het kassencomplex en de bedrijfsbebouwing hebben samen een oppervlakte van 8.606 m². Bodem en grondwater Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit kalkrijke poldervaaggronden. In het plangebied is sprake van grondwatertrap IVc.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16009650/1