CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

(bijlage 13) Bijlage 11 - Veldonderzoeken ecologie

Raadsvergadering 22 juni 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam13.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BIJLAGE 9 Veldonderzoeken ecologie

- A. Rapportage vleermuisonderzoek (2019) B. Rapportage vogelonderzoek (2019) C. Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte (2021) D. Basisrapport vliegbewegingen vogels (2021)

BIJLAGE 9A

Rapportage vleermuisonderzoek windenergiezoekgebied Haringvlietdam Projectnummer 190927 30 september 2019

Auteurs

Opdrachtgever E-Connection Postbus 101 3980 CC Bunnik

Projectnummer 190928

Rapportage vleermuisonderzoek windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-Connection

Inhoudsopgave

RAPPORTAGE VLEERMUISONDERZOEK WINDENERGIEZOEKGEBIED HARINGVLIETDAM ..................... 1 1

INLEIDING ........................................................................................................................................... 3

2

LOCATIEGEGEVENS.......................................................................................................................... 4 2.1 ALGEMEEN .......................................................................................................................................................... 4 2.2 ZOEKGEBIED VOOR WINDENERGIE ...................................................................................................................... 5

3

METHODE VAN ONDERZOEK........................................................................................................ 6 3.1 3.2

4

RESULTATEN VELDONDERZOEKEN ............................................................................................. 7 4.1 4.2 4.3

5

VELDDATA EN OMSTANDIGHEDEN.............................................................................................................. 7 WAARGENOMEN VLEERMUIZEN .................................................................................................................. 7 BEOORDELING FUNCTIES ZOEKGEBIED ........................................................................................................ 9

ANALYSE VAN BEVINDINGEN .................................................................................................... 13 5.1 5.2

6

TOEGEPASTE METHODE ............................................................................................................................... 6 VELDBEZOEKEN .......................................................................................................................................... 6

WAARNEMINGEN PER VLEERMUISSOORT ................................................................................................... 13 VERHOUDING SOORTEN ONDERLING ........................................................................................................ 16

SAMENVATTING CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................... 17

LITERATUUR .............................................................................................................................................. 18 BIJLAGE 1

WETTELIJK KADER........................................................................................................ 19

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

2

Projectnummer 190928

Rapportage vleermuisonderzoek windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-Connection

1 Inleiding De exploitant van de bestaande windturbines denken aan het vervangen van de bestaande lijnopstelling, waarbij de zes huidige windturbines (locatie zie figuur 2.2) worden vervangen door twee (of drie) nieuwe turbines. Het onderzoek heeft als doel het bepalen van de mate van aanwezigheid van de (diverse) vleermuissoorten en de functies die het plangebied (en directe omgeving) voor deze soorten vervuld. Op basis van deze veldinformatie kan een uitwerking worden gegeven van mogelijke effecten op vleermuizen en beschermde functies in het plangebied van vleermuizen als gevolg van dit voornemen. In dit kader is door de opdrachtgever de opdracht verstrekt om een veldonderzoek uit te voeren en de resultaten te rapporteren. Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn de locatiegegevens beschreven. In hoofdstuk 3 is de methode van onderzoek toegelicht. In hoofdstuk 4 zijn de bevindingen van de veldbezoeken opgenomen. In hoofdstuk 5 zijn de resultaten en bevindingen opgenomen. In hoofdstuk 6 zijn de samenvatting, conclusies en aanbevelingen opgenomen.

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

3

Projectnummer 190928

Rapportage vleermuisonderzoek windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-Connection

3

Methode van onderzoek

3.1

Toegepaste methode

Om te beoordelen welke vleermuissoorten op de zoeklocatie aanwezig zijn is gebruik onderzoek gedaan door middel van het uitvoeren van veldbezoeken. De resultaten hiervan zijn beschreven in hoofdstuk 4. In onderstaande paragraaf is beschreven op welke wijze dit onderzoek is uitgevoerd.

3.2

Veldbezoeken

Het terrein is bezocht tijdens 5 bezoeken (zie tabel 4.1). Er is gebruik gemaakt van de batdetectoren Pettersson D240x, Pettersson D230 en de Wildlife Acoustics Echometer (Touch 2 pro). Tijdens de bezoeken is tevens gebruik gemaakt van een of meerdere SM4bat batloggers om met het rijden van een transect op vaste snelheid (te voet en/of met de auto op 15-25 km/uur) inzicht te krijgen in aanwezigheid van soorten die nabij het maaiveld aanwezig zijn. Opgenomen geluiden zijn geanalyseerd met de programma’s BatSound en Kaleidoscope. Daarbij is ten aanzien van de onderzoeksinspanning en indeling in perioden ten minste volgens de onderzoeksinspanning van het vleermuisprotocol 2017 gewerkt. Tijdens de bezoeken is daarnaast ook gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera (FLIR E6/ Pulsar Helion XP50) en een krachtige zaklamp (Feniks) om aanwezige vleermuizen in hun bewegingen te kunnen volgen. Met deze apparatuur kunnen hoger/verder vliegende vleermuizen (ook buiten het bereik van regulier batdetectoren vanaf maaiveld) worden gevolgd.

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

6

Projectnummer 190928

Rapportage vleermuisonderzoek windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-Connection

5

Analyse van bevindingen

5.1

Waarnemingen per vleermuissoort

Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is de meest voorkomende vleermuissoort in Nederland en is overwegend een typische gebouwbewoner. Deze soort is het gehele actief vleermuisseizoen in het projectgebied waargenomen en wordt ingeschat op enkele exemplaren die in het plangebied aanwezig zijn. In het najaar zijn er tevens opnamen gedaan van baltsende gewone dwergvleermuismannetjes, de locaties van deze opnamen zijn weergegeven in figuur 5.1. Vaste essentiële vliegroutes of gebruikte (paar)verblijfplaatsen binnen het windzoekgebied zijn niet vastgesteld. Wel worden met name de in het gebied aanwezige geleidingsstructuren (dijken, groenstructuren, wateren) gebruikt om langs te vliegen (en te foerageren).

Figuur 5.1: waarnemingen rondvliegend baltsende gewone dwergvleermuis tijdens transectonderzoek najaar 2018

Ruige dwergvleermuis Tijdens de migratieperioden (en met name in de najaarsmigratieperiode) is de ruige dwergvleermuis veelvuldig in het plangebied waargenomen. De soort is overwegend een boombewoner. Op de locatie is verder vermoedelijk sprake van een diffuse migratie van onder ander ruige dwergvleermuis. Op locatie is verder sprake van enkele locaties waar veelvuldig baltsroep (en derhalve) enkele paarverblijven ruige dwergvleermuis aanwezig is. Omdat dit met het transectonderzoek is waargenomen is het mogelijk dat binnen het plangebied (m.n. rondom de bebouwingen/ grote bomen en op grotere afstand van de transectroute) nog meer paarverblijfplaatsen aanwezig zijn.

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

13

Projectnummer 190928

Rapportage vleermuisonderzoek windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

6

E-Connection

Samenvatting conclusies en aanbevelingen

Samenvatting De volgende soorten zijn (in volgorde van voorkomen) meermaals en met zekerheid vastgesteld:  Gewone dwergvleermuis (PIPPIP);  Ruige dwergvleermuis (PIPNAT);  Rosse vleermuis (NYCNOC);  NYCNOID (groep met rosse vleermuis, laatvlieger, tweekleurige en rosse vleermuis);  Watervleermuis (MYODAU).  Meervleermuis (MYODAS);  Laatvlieger (EPTSER); Deze soorten foerageren in het projectgebied en/of vliegen/migreren vermoedelijk in grotere aantallen langs/door het gebied; ofwel deze zijn vrijwel ieder veldbezoek meermaals waargenomen. Daarbij worden de vetgedrukte soorten in bovenstaande opsomming (gewone en ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en evt. laatvlieger (en NYCNOID opnamen) (in meer of mindere mate) onder bepaalde omstandigheden, en op basis van literatuur, ook op hoogte (rotorsweptarea) verwacht en vooralsnog als risicosoort geclassificeerd. Conclusies Aangezien het onderzoek slechts is uitgevoerd op 5 momenten dat waarnemers in het veld aanwezig zijn, geeft dit onvoldoende inzicht in de verdeling en aanwezigheid van soorten in het gebied.

Daarnaast is (nog) geen vleermuisonderzoek op hoogte uitgevoerd waardoor (behalve de waarnemingen met warmtebeeldcamera tijdens de veldbezoeken) geen volledig beeld is verkregen over de aanwezigheid van vleermuizen (en onderverdeling naar -soorten) op grotere hoogte en de klimatologische omstandigheden waaronder dit plaatsvindt. Aanbevelingen Naast het uitgevoerd veldonderzoek conform het vleermuisprotocol (2017) is voor een bestaande windzoeklocatie ook stationair onderzoek naar vleermuizen op hoogte noodzakelijk. Dit kan door op rotorhoogte door een (hiervoor speciaal ontwikkelde) vleermuislogger in/onder de nacelle te installeren gecombineerd met onderzoek op bordeshoogte. Op deze manier kan meer informatie worden verzameld over de mate van activiteit van diverse vleermuissoorten gedurende het jaar binnen het windenergiezoekgebied, de soorten die ook (met enige regelmaat op hoogte zich bevinden) en de functies die het zoekgebied voor deze soorten vervult. Daarnaast is het aan te raden om (specifiek voor met name de rosse vleermuis en evt. andere risicosoorten) te onderzoeken of en zo ja welke lokale populatie (en grootte/afstand tot zoekgebied) aanwezig is, danwel nader na te gaan welke functies het windzoekgebied voor deze (en andere soorten) exact vervult.

Dit kan worden uitgevoerd door gericht bronnenonderzoek (indien beschikbaar), data opvragen uit de NDFF en/of bij natuurorganisaties en/of nader veldonderzoek indien actuele informatie over de lokale populaties van minder algemeen aanwezige ‘risicosoorten’ in de omgeving ontbreekt. Volledigheid onderzoek Het onderzoek is uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. De Wet natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming.

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

17

Projectnummer 190928

Rapportage vleermuisonderzoek windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-Connection

Literatuur Barataud, M. (with collaboratation of Tupinier Y. and Limpens H.) Acoustic Ecology of European Bats, species identification, study of their habitats and foraging behavior, (Engelse vertaling) Inventaires & biodiversite series (biotope – Museum national d’Historie naturelle, 2015) Dietz C. en Kieffer A. Veldgids Vleermuizen van Europa, (Nederlandse vertaling) (KNNV uitgeverij, Zeist, 2017) Limpens, H, Mostert K, Bongers W. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie (KNNV Uitgeverij, Utrecht, 1997) Middleton N. Froud, A., French K. Social calls of the Bats of Brittain and Ireland, (Pelagic Publishing 2014) Skiba R. Europaische Fledermause, (Verslag KGWolf, Magdeburg 2014) Kennisdocument gewone dwergvleermuis Kennisdocument ruige dwergvleermuis Kennisdocument rosse vleermuis Kennisdocument watervleermuis Websites: www.knmi.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zuidholland.nl

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

18

Projectnummer 190928

Rapportage vleermuisonderzoek windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-Connection

Bijlage 1 Wettelijk kader Hieronder volgt een algemene beschrijving van de Natuurwetgeving, gevolgd door betreffende onderdelen van de wetgeving. De Nederlandse natuurwetgeving De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming. De gebiedsbescherming is geïmplementeerd in de Natuurbeschermingsweg 1998 en omvat de Natura 2000-gebieden. Per 01/01/2017 zijn beide onderdelen (en de Boswet) geïntegreerd in de Wet natuurbescherming (Wn). Gebiedsbescherming In de Natura 2000 gebieden zijn de beschermde natuurmonumenten alsmede de gebieden met de status Vogel- en/of de Habitatrichtlijngebied (Voorheen Speciale beschermingen Zones, Sbz’s) opgenomen. Globaal kan worden gesteld dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebied specifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied. Soortbescherming De soortbescherming is per 01/01/2017 ook opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking.

Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen e projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden gedood, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield. Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord. Beschermde planten mogen niet opzettelijk van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wn) staan vernoemd in onderstaand kader.

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

19

Projectnummer 190928

Rapportage vleermuisonderzoek windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-Connection

 Overige ‘nationaal beschermde’ soorten: Voor deze soorten geldt voor ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer een mogelijkheid voor ontheffing, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Voor deze soorten is derhalve een ontheffing nodig of kan gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Soorten die vallen onder dit nationale beschermingsregime vallen betreft onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals das, boommarter, algemene amfibieën en reptielen alpenwatersalamander, hazelworm, flora als schubvaren en bokkenorchis en vissoorten waaronder de grote modderkruiper. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht.  Habitatrichtlijnsoorten: Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode.

Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Tot dit beschermingsregime horen o.a. alle vleermuissoorten, de bever, otter, noordse woelmuis, verschillende amfibiesoorten waaronder rugstreeppad en kamsalamander.  Vogelrichtlijnsoorten: Alle vogels zijn in Nederland gelijk beschermd. Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling ook geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

21

BIJLAGE 9B

Rapportage vogeltellingen windenergiezoekgebied Haringvlietdam Projectnummer 190930 30 september 2019

Auteur Opdrachtgever E-Connection Postbus 101 3980 CC Bunnik

Projectnummer 190930

Rapportage vogeltellingen windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-connection

Inhoudsopgave

RAPPORTAGE VOGELTELLINGEN WINDENERGIEZOEKGEBIED HARINGVLIETDAM .. 1 1

INLEIDING ..................................................................................................................... 3

2

LOCATIEGEGEVENS .................................................................................................... 4 2.1 ALGEMEEN ..................................................................................................................................... 4 2.2 ZOEKGEBIED VOOR WINDENERGIE ................................................................................................... 5

3

METHODE VAN ONDERZOEK ..................................................................................... 6 3.1 3.2

4

RESULTATEN VELDONDERZOEKEN ......................................................................... 7 4.1 4.2

5

TOEGEPASTE METHODE ........................................................................................................... 6 VELDBEZOEKEN ...................................................................................................................... 6

VELDDATA EN OMSTANDIGHEDEN ............................................................................................. 7 RESULTATEN .......................................................................................................................... 7

CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................... 13

Bijlagen (extern) Vogeltellingen (Excel) Veldkaarten met ingetekende vliegbewegingen

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

2

Projectnummer 190930

Rapportage vogeltellingen windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-connection

1 Inleiding De exploitanten van de bestaande windturbines denken aan het vervangen van de bestaande lijnopstelling, waarbij de zes windturbines (locatie zie figuur 2.2) worden vervangen door twee nieuwe turbines. Het onderzoek heeft als doel het bepalen van de mate van aanwezigheid van de (diverse) vogelsoorten en de functies die het plangebied (en omgeving) voor deze soorten vervuld. Op basis van deze veldinformatie kan een uitwerking worden gegeven van mogelijke effecten op vogels en beschermde functies in het plangebied voor vogels als gevolg van dit voornemen. In dit kader is door de opdrachtgever de opdracht verstrekt om een veldonderzoek uit te voeren en de resultaten te rapporteren. Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn de locatiegegevens beschreven. In hoofdstuk 3 is de methode van onderzoek toegelicht. In hoofdstuk 4 zijn de bevindingen van de veldbezoeken opgenomen. In hoofdstuk 5 zijn de samenvatting, conclusies en aanbevelingen opgenomen.

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

3

Projectnummer 190930

Rapportage vogeltellingen windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-connection

3

Methode van onderzoek

3.1

Toegepaste methode

Om te beoordelen welke vogelsoorten op de zoeklocatie aanwezig zijn is gebruik onderzoek gedaan door middel van het uitvoeren van veldbezoeken. De resultaten hiervan zijn beschreven in hoofdstuk 4. In onderstaande paragraaf is beschreven op welke wijze dit onderzoek is uitgevoerd.

3.2

Veldbezoeken

Het terrein is twee keer per maand bezocht in de periode april 2018 t/m november 2018. Tijdens de bezoeken is door een ervaren vogelteller (R.J. Buijs en M. Klootwijk) gedurende twee uur de vliegbewegingen Van vogels in kaart gebracht (zie externe bijlagen). Er is op wisselende momenten gedurende de dag geteld waarbij ook slaaptrek van vogels is meegenomen.

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

6

Projectnummer 190930

Rapportage vogeltellingen windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-connection

4

Resultaten veldonderzoeken

4.1

Velddata en omstandigheden

In de externe bijlagen zijn de veldkaarten en tabellen met exacte telgegevens (incl. weersomstandigheden) opgenomen.

4.2

Resultaten

Zoals in de bijlagen is te zien is de Haringvlietdam van groot belang voor diverse vogels (met name kustbroedvogels (meeuwen en sterns) die uitwisselen tussen het Haringvliet en de Voordelta. De vliegbewegingen tussen de Scheelhoekeilanden, Slijkplaat en Voordelta zijn hierbij het voornaamst.

Figuur 4.1 Belangrijke gebieden nabij zoekgebied windturbines

Gestuwde trek Er is geen duidelijke gestuwde voorjaarstrek van zangvogels vastgesteld, terwijl die wel heel duidelijk aanwezig was tijdens het najaar. Tijdens de oktober telling was er veel gestuwde trek van zangvogels over het plangebied. Vogels volgen hierbij de N57 en vliegen in de luwte van dijk en Haringvlietdam op lage hoogte (voornamelijk 0-20 meter).

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

7

Projectnummer 190930

Rapportage vogeltellingen windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-connection

Figuur 4.2 Belangrijke vlieglijnen tijdens de gestuwde trek op 9 oktober 2018

Vliegbewegingen Quackjeswater De vliegbewegingen van- en naar Quackjeswater zijn vooral buitendijks. Aalscholvers die foerageren voor de sluizen vliegen parallel aan de dam buitendijks terug naar de kolonie/slaapplaats in het Quackjeswater. Hierbij wordt vooral op lage hoogte gevlogen (tot 40 meter). Onder de bestaande turbines zijn ook enkele turbineslachtoffers aangetroffen van Aalscholvers omdat deze turbines vrij klein zijn. Veel beperkter waren vliegbewegingen tussen Haringvliet en Quackjeswater over het plangebied door aalscholver.

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

8

Projectnummer 190930

Rapportage vogeltellingen windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-connection

Figuur 4.3 Belangrijke vlieglijnen van Aalscholvers nabij plangebied

Lepelaars en kliene zilverreigers die broeden in het Quackjeswater werden niet in hoge aantallen waargenomen. De meeste Lepelaars (en in mindere mate aalscholvers, kokmeeuwen en overige vogels) vlogen parallel aan de oever van het Haringvliet t.h.v. Voorne-Putten op vlieghoogte 20 tot 80 meter.

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

9

Projectnummer 190930

Rapportage vogeltellingen windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-connection

Figuur 4.4 Belangrijke vlieglijn van lepelaar (en mindere mate overige vogels) nabij plangebied

Vliegbewegingen tussen Slijkplaat/Scheelhoekeilanden en Voordelta Van april tot en met juli is er sprake van massale foerageervluchten tussen de broedeilanden in het Haringvliet en de foerageergebieden in de Voordelta. Het gaat hierbij om duizenden vliegbewegingen per dag van o.a. kokmeeuw, visdief, grote stern, kleine mantelmeeuw en stormmeeuw. Opvallend is dat deze vliegbewegingen zich concentreren over een voornamelijk kleine smalle baan over de Haringvlietsluizen. Hierbij wordt vaak opvallend laag gevlogen (0-20 meter), ze scheren hierbij letterlijk soms tussen de auto’s op de Haringvlietdam (N57). Over het plangebied wordt in het broedseizoen vele malen minder gevlogen. Deze vliegbewegingen zijn beperkt tot enkele grote sterns en kokmeeuwen. Buiten het broedseizoen zijn de vliegbewegingen meer diffuus verdeeld, waarbij vooral kokmeeuwen veelvuldig uitwisselen tussen Haringvliet en Voordelta.

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

10

Projectnummer 190930

Rapportage vogeltellingen windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-connection

Figuur 4.5 Belangrijke vlieglijnen van kustbroedvogels in broedseizoen (april – juli) die uitwisselen tussen Haringvliet en Voordelta

Slaaptrek Slaaptrek heeft vooral betrekking op meeuwen die slapen op de Slijkplaat, deze meeuwen komen vanuit alle windrichtingen naar de Slijkplaat om te slapen. Deze vliegbewegingen bevinden zich doorgaans onder de 40 meter en vinden diffuus plaats over de hele lengte van de Haringvlietdam (dus ook over plangebied). Hoogwater Het plangebied vormt geen hoogwatervluchtplaats (HVP), wel zijn in enkele gevallen tijdens het passeren van het plangebied grotere groepen scholeksters (tot 300 ex.) vastgesteld die met hoogwater op regenwormen komen foerageren in het plangebied. Dit was uitsluitend tijdens of net na perioden met regenval. De oorspronkelijke HVP van deze scholeksters bevindt zich op het werkeiland van de Haringvlietsluizen bij Stellendam.

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

11

Projectnummer 190930

Rapportage vogeltellingen windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-connection

Broedvogels Jaarrond beschermde vogels zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. De volgende broedvogels zijn aangetroffen/vastgesteld als broedvogel in (danwel onder) het struweel (opgaande beplanting) van het plangebied: Graspieper Tjiftjaf Roodborst Zwartkop Zanglijster Merel Kneu Winterkoning Witte kwikstaart Houtduif Ekster Fitis Heggenmus Nachtegaal Braamsluiper Grasmus Bergeend

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

12

Projectnummer 190930

Rapportage vogeltellingen windenergiezoekgebied Haringvlietdam

30 september 2019

E-connection

5

Conclusie en aanbevelingen

Over de Haringvlietdam zijn veel vliegbewegingen van vogels die uitwisselen tussen het Haringvliet en Voordelta. Vooral de de Haringvlietsluizen aan de zijde bij Stellendam vormen hierbij in het broedseizoen een essentiële verbinding tussen broedplaatsen en foerageergronden voor meeuwen en sterns. Het plangebied (zoekgebied van de windturbines) vormt hierbij een minder belangrijke vlieglijn. De vliegbewegingen over het plangebied is beperkt tot enkele grote sterns en kokmeeuwen. Buiten het broedseizoen zijn deze vliegbewegingen meer verdeeld, het zijn dan vooral meeuwen (kok- en zilvermeeuw) en aalscholvers (in mindere mate) die het plangebied kruisen. Gezien het aantal vliegbewegingen (jaarrond) van meeuwen (met name kokmeeuw) is dit een soort(-groep) waarvan op voorhand turbineslachtoffers te verwachten zijn. Tijdens de tellingen zijn er doorgaans meer vliegbewegingen buitendijks parallel met de Haringvlietdam vastgesteld dan binnendijks. Het zijn vooral meeuwen en aalscholvers die parallel buitendijks vliegen. Onder de huidige turbines zijn ook enkele aalscholvers als windturbineslachtoffer aangetroffen alsmede enkele meeuwen (zilvermeeuw en grote mantelmeeuw). Dit zijn ook de soorten die door de tellingen langs het huidige windpark worden bevestigd.

Vliegbewegingen van Lepelaars (en in mindere mate en in kleine aantallen ook overige vogels zoals aalscholver en kokmeeuw) zijn vooral parallel met de oeverzone van het Haringvliet richting de kolonie van Quackjeswater. Lepelaars vliegen hierbij doorgaans over de strandtentjes buiten het zoekgebied van de twee windturbines. Bovendien worden lepelaars nauwelijks aangetroffen als windturbineslachtoffer, waardoor effecten op lepelaars met de beoogde turbineopstelling met twee nieuwe turbines niet aannemelijk zijn. Tijdens perioden met gestuwde trek gebruiken zangvogels de luwte van het dijklichaam van de N57 en de Haringvlietsluizen om het Haringvliet te kruisen. Hierbij zijn veel vliegbewegingen van zangvogels over het plangebied (zie telling 9 oktober). Het verdient de aanbeveling om tijdens perioden met trek ’s nachts m.b.v. radar deze vogeltrek nader te definiëren op welke hoogte wordt het plangebied ‘s nachts gebruikt tijdens de vogeltrek (en een eventuele standstill tijdens perioden met trek nodig is). Het is voorzienbaar dat tijdens de periode van trek er meer windturbineslachtoffers vallen dan daar buiten. Buiten de trekperiode zijn het (naast meeuwen) vooral vliegbewegingen van lokale broedvogels net boven maaiveld.

Verder wordt aanbevolen om vanwege het recent aangebrachte eiland Bliek nieuwe vogeltellingen uit te voeren (in het broedseizoen) om te beoordelen of met de komst van dit nieuwe eiland (voor kustbroedvogels) eventueel andere vlieglijnen en vliegintensiteit (zijn) ontstaan.

Buijs Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

13

BIJLAGE 9C

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam Projectnummer 210222 11 maart 2021

Auteur

Opdrachtgever E-Connection Postbus 101 3980 CC Bunnik

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

Inhoudsopgave RAPPORTAGE VLEERMUISONDERZOEK OP ROTORHOOGTE HARINGVLIETDAM .................................... 1 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 3

2

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 4 2.1 2.2

3

METHODEN VAN MONITORING ....................................................................................................... 6 3.1 3.2

4

ALGEMEEN ...................................................................................................................................................... 7 ANALYSEMETHODE ......................................................................................................................................... 8 ANALYSE GELUIDSBESTANDEN ........................................................................................................................ 9

ANALYSE VAN BEVINDINGEN .......................................................................................................... 11 5.1 5.2 5.3

6

TOEGEPASTE METHODEN ................................................................................................................................ 6 ANALYSE VAN GELUIDSBESTANDEN MONITORING OP HOOGTE ..................................................................... 6

ANALYSE DATA STATIONAIRE MONITORING ROTORHOOGTE .............................................. 7 4.1 4.2 4.3

5

ALGEMEEN ...................................................................................................................................................... 4 ZOEKGEBIED VOOR MONITORING ................................................................................................................... 4

WAARNEMINGEN VELDBEZOEKEN .............................................................................................................. 11 WAARNEMINGEN MAAIVELD VS. ROTORHOOGTE ....................................................................................... 11 WAARNEMINGEN IN RELATIE TOT WEERSOMSTANDIGHEDEN ..................................................................... 13

SAMENVATTING EN CONCLUSIES...................................................................................................15

BIJLAGE 1

WETTELIJK KADER ............................................................................................................. 17

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

2

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

1 Inleiding De exploitant van de bestaande windturbines denken aan het vervangen van de bestaande lijnopstelling, waarbij de zes huidige windturbines (locatie zie figuur 2.1) worden vervangen door twee nieuwe turbines. Het onderzoek heeft als doel het bepalen van de mate van aanwezigheid van de (diverse) vleermuissoorten op grotere hoogte en de functies die het plangebied (en directe omgeving) voor deze soorten vervuld. Op basis van deze informatie kan een uitwerking worden gegeven van mogelijke effecten op vleermuizen en beschermde functies in het plangebied van vleermuizen als gevolg van dit voornemen. In dit kader is door de opdrachtgever de opdracht verstrekt om een veldonderzoek uit te voeren en de resultaten te rapporteren. Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn de locatiegegevens beschreven. In hoofdstuk 3 is de methode van onderzoek toegelicht. In hoofdstuk 4 zijn de bevindingen van het vleermuisonderzoek op hoogte opgenomen. In hoofdstuk 5 zijn de resultaten en bevindingen opgenomen. In hoofdstuk 6 zijn de conclusies opgenomen.

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

3

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

2 Locatiegegevens 2.1

Algemeen

E-Connection exploiteert zes windturbines op de Haringvlietdam te Hellevoetsluis en heeft het voornemen om deze relatief 6 kleine windturbines te vervangen voor twee nieuwe windturbines. Deze nieuwe windturbines worden in plaats van de huidige turbines niet aan de westzijde maar juist aan de oostzijde van de Haringvlietdam gepositioneerd, zie figuur 2.1.

Figuur 2.1 zoekgebied windenergie in geel met bestaande en locaties nieuwe turbinelocaties (bron: opdrachtgever)

Het gebied van de uitgevoerde veldonderzoeken bestaat uit het gedefinieerde zoekgebied.

2.2

Zoekgebied voor monitoring

De exploitanten van de bestaande windturbines denken aan het vervangen van de bestaande lijnopstelling, waarbij de 6 bestaande windturbines worden vervangen door 2 nieuwe grotere windturbines. In een vroege verkenningsfase tevens een variant met 3 turbines overwogen deze variant is afgevallen.

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

4

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

Figuur 2.2: Zoekgebied windenergie (oranje contour), de huidige turbines in blauw en huidige windmolenlocatie met vleermuislogger op nacellehoogte in rode contour (bron ondergrond: Kaarten Zuid-Holland)

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

5

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

3

Methoden van monitoring

3.1

Toegepaste methoden

Om te beoordelen of vleermuizen en zo ja welke soorten in het plangebied aanwezig zijn en welke (beschermde functies) van deze soorten aanwezig zijn, is gebruik gemaakt van een aantal verschillende onderzoeksmethodieken naast elkaar. 1) Uitvoeren van veldbezoeken met onderzoekmaterialen (separate rapportage); 2) Monitoring op rotorhoogte door middel van een Batcorder (hoofdstuk 4).

3.2

Analyse van geluidsbestanden monitoring op hoogte

Door middel van stationaire monitoring op gondel hoogte (met een batlogger type Batcorder) is op een vaste locatie in de directe omgeving van het plangebied informatie verzameld over de aanwezigheid en mate van activiteit van vleermuizen op huidige rotorhoogte van een huidige turbinelocatie. Hierbij is gekozen voor de meest noordelijke turbine aangezien deze worst-case gelegen is, aan het begin/einde van een lijnopstelling, het dichtste bij eventueel foerageergebied (Quackjeswater). Door de data (compleet met geluidsbestanden) van 31 maart t/m 1 december 2020 van de SD kaart uit te lezen zijn (met behulp van software en aanvullend/controlerend handmatig) alle bestanden op vleermuissoort/-groep gedetermineerd. Met deze data op rotorhoogte is informatie bekend over de verschillende soorten die op hoogte worden waargenomen, de onderlinge verhouding en periode van waarnemingen. Deze analyse van deze opgenomen bestanden op gondelhoogte is opgenomen in hoofdstuk 4.

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

6

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

4

Analyse data stationaire monitoring rotorhoogte

4.1

Algemeen

Omdat onderzoek volgens het vleermuisprotocol (enkel op maaiveldhoogte) niet als afdoende wordt beoordeeld bij windparken is stationair (en langduriger) onderzoek gedaan naar vliegbewegingen van vleermuizen, volgens de principes van ‘Protocollen vleermuisonderzoek bij windturbines’ voor akoestisch onderzoek. Dit is uitgevoerd door op een locatie (zie figuur 2.2) op hoogte van de ‘gondel’ van bestaande windturbine te plaatsen en gedurende langere periode (het geheel vleermuisactief seizoen in 2020) vleermuisgeluidsbestanden op te nemen. De batlogger heeft afhankelijk van de weersomstandigheden en soort vleermuis een maximaal microfoonbereik. De echolocatie van vleermuizen binnen dit bereik worden in geluidsbestanden opgenomen. Voor de grotere vleermuizen (rosse vleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis etc.) is deze afstand gemiddeld genomen 34-40 meter maar de werkelijke afstand is sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. De geplaatste Batcorders is op masthoogte in de gondel gemonteerd, voor de desbetreffende turbines is dit ca. 44 meter. Voor de visualisatie van het ‘bereik of opnamecontour van geluidsopnamen’ van de geplaatste batlogger is een weergave in figuur 4.1 bijgevoegd.

Figuur 4.1: Schematische weergave loggerbereik vleermuisgeluiden in oranje contour voor desbetreffende locatie/bestaande turbinetype (niet de exacte locatie van logger, in deze schematische weergave is een andere turbinelocatie gebruikt (in het midden van de foto) om een duidelijke visualisatie te krijgen. De betreffende windturbine is niet op de foto zichtbaar. De desbetreffende turbine staat rechts van de foto en buiten beeld. (foto E-Connection).

Met behulp van de windparkbeheerders van E-Connection is de Batcorder in de gondel geplaatst, is de microfoon met een extra steun aan de zijkant van de gondel geplaatst (omdat in de gondel te weinig ruimte is) en is de Batcorder ook weer uit de turbine gehaald. Voor de Batcorders zijn voor opname de ‘standaard’ instellingen gebruikt voor stationaire monitoring bij windturbines. Op deze wijze kunnen resultaten van onderlinge turbines eventueel met elkaar worden vergeleken en is de grootste afstand van opnemen/detecteren van vleermuisgeluid mogelijk. Hierdoor zijn wel ook met regelmaat ruisopnamen gemaakt: deze zijn met het software programma (stap 1) en vervolgens handmatig (stap 2) uit de data gehaald.

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

7

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

4.2

Analysemethode

Bij de interpretatie van de geluidsbestanden van 31 maart t/m 1 december 2020 van de Batcorder die geïnstalleerd is in de gondel is in eerste instantie gebruik gemaakt van de auto-ID classifiers van BCanalyse. Dit houdt in dat het software programma op basis van gevalideerde voorbeeldpulsen de best mogelijke match zoekt met geselecteerde voorkomende vleermuizensoorten. Vervolgens zijn voor de interpretatie van de gegevens de auto-ID classifiers voor de soorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, en rosse vleermuis met een betrouwbaarheid van 70% en meer geaccepteerd mits het daadwerkelijk vleermuisgeluiden waren. De logger op gondelhoogte heeft namelijk een overvloed aan opnamen gemaakt, grotendeels veroorzaakt door ruis (vermoedelijk geluid van de turbine zelf onder bepaalde omstandigheden). Hierdoor zijn door het softwareprogramma heel veel opnamen onterecht geclassificeerd als vleermuisbestand waardoor het handmatig nalopen van de bestanden (181.955 in totaal) nodig was om een goede beoordeling te krijgen. De geluidsbestanden die vleermuizen betreffen zijn visueel weergegeven in figuur 4.2. Hierbij is de verdeling van de waarnemingen gedurende de nacht en intensiteit van waarnemingen zichtbaar gemaakt.

Figuur 4.2: Vleermuisopnamen Haringvliet 2020 (met in de grijze arcering de periode de opnames: 31 maart t/m 1 december 2020) Hierbij is te zien dat deze Batcorder de hele vleermuis actieve periode heeft opgenomen.

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

8

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

4.3

Analyse geluidsbestanden

De volgende soorten zijn met zekerheid vastgesteld:  Gewone dwergvleermuis (Ppip);  Ruige dwergvleermuis (Pnat);  Rosse vleermuis (Nnoc);  Tweekleurige vleermuis (Vmur);  Laatvlieger (Eser). Daarnaast is een opname gemaakt van een myotissoort (Myotis), en zijn diverse opnamen gemaakt die rosse vleermuis maar eventueel ook een laatvlieger, of zelfs bosvleermuis of tweekleurige vleermuis kunnen zijn. Daarom zijn deze waarnemingen in de verzamelgroep (rosse vleermuis, laatvlieger, bosvleermuis, tweekleurige vleermuis: Nyctaloid) opgenomen. Omdat de laatste twee genoemde soorten in deze groep zeer beperkt tijdens het onderzoek in 2018 en 2020 zijn waargenomen wordt uitgegaan dat de waarnemingen uit deze groep, voornamelijk, rosse vleermuis of (in mindere mate) laatvlieger zullen betreffen. De verdeling naar soort in tijd is in onderstaande figuur beeldend gemaakt. Dit overzicht is vervolgens in navolgende tabel en figuur nader inzichtelijk gemaakt.

Figuur 4.3: Vleermuisopnamen in aantal per nacht per soort gedurende 2020 ter plaatse van de rotorhoogte van de gemonitoorde bestaande turbine.

Wat opvalt aan figuur 4.3 is de mate van activiteit van rosse vleermuis (Nnoc) gedurende het hele vleermuisactieve seizoen en verspreid over diverse nachten. Het aandeel gewone en ruige dwergvleermuizen is veel lager.

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

9

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

5

Analyse van bevindingen

5.1

Waarnemingen veldbezoeken

Voor een beschrijving per waargenomen vleermuissoorten wordt verwezen naar paragraaf 4.2 van het vleermuisonderzoek (BEC 2019). Tijdens deze veldwerkzaamheden zijn enkele functies waargenomen binnen en nabij het plangebied, deze zijn samengevat in de onderstaande figuur.

Figuur 5.1: belangrijkste functies voor vleermuizen binnen plangebied (in oranje contour) In licht blauw waargenomen vlieglijnen (voor (najaars)migratie en foerageren) Verder wordt er nabij de aanwezige vegetatie gefoerageerd (diffuus). Met in rode contour de locatie van de logger op huidige rotorhoogte.

5.2

Waarnemingen maaiveld vs. rotorhoogte

Wanneer de gegevens van de waargenomen vleermuisbewegingen op hoogte worden beschouwd blijkt dat de soortverdeling tussen de veldbezoeken (meest gewone dwergvleermuis) en vleermuisgeluiden op rotorhoogte (merendeel rosse vleermuis) onderling verschilt. Dit kan mogelijk worden verklaard door twee aspecten: 1. Het plangebied van de nieuwe turbines ligt aan de oostzijde van de dam, waar ook de veldbezoeken hebben plaatsgevonden. Terwijl aan de westzijde van de dam de logger in een bestaande windturbine is geplaatst. Mogelijk is het aandeel gewone en ruige dwergvleermuis (in migratietijd) vooral aanwezig in de luwte van de dijk (oostzijde) waardoor deze (incl. toename van ruige dwergvleermuis in migratietijd) op rotorhoogte aan de westzijde beperkt is waargenomen. 2. Door het verschil in waarneemhoogte, en de visuele waarnemingen met warmtebeeldcamera die dit bevestigt, kan aanwezigheid van rosse vleermuis door enkel veldonderzoek op maaiveldniveau worden onderschat. In warmtebeelden zijn namelijk rosse vleermuizen vliegend en foeragerend waargenomen (zie ook de warmtebeeldafbeelding op de titelpagina), die niet (of amper) hoorbaar waren op de batdetector; deze vlogen buiten bereik. Deze hoger vliegende exemplaren zijn wel waargenomen met een warmtebeeldcamera in het plangebied, waarbij ze in veel gevallen de luwte van de dijk aan de oostzijde van de dam volgen.

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

11

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

Wanneer de verdeling van soorten onderling op maaiveld- danwel rotorhoogte worden vergeleken (zie figuren 5.2 en 5.3) dan wordt een verschil zichtbaar.

Figuur 5.2: Waarnemingen tijdens veldonderzoek vleermuizen 2018 op maaiveldhoogte. Met in paars laatvlieger, in rood de myotissoorten, in licht blauw rosse vleermuis, in donkerblauw de verzamelgroep Nyctaloid en blauwe overige kleuren waarnemingen van rosse vleermuis of Nyctaloid met dwergvleermuizen, in licht groen ruige dwergvleermuis, in middengroen gewone dwergvleermuis en donkergroen gewone en ruige dwergvleermuis.

Figuur 5.3: Waarnemingen op huidige rotorhoogte tijdens stationaire monitoring 2020. Met in paars laatvlieger (Eser) in rood een Myotis spec (Myotis), in licht blauw rosse vleermuis (NNoc), in donkerblauw de verzamelgroep grotere vleermuizen Nyctaloid) in licht groen ruige dwergvleermuis (Pnat) en in middengroen gewone dwergvleermuis (Ppip)

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

12

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

Op maaiveldhoogte in het plangebied zijn gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis veruit de hoogst vertegenwoordigde vleermuissoort (tot 75% van alle opnamen). Terwijl de grotere vleermuizen (rosse vleermuis, NYCNOID-groep en laatvlieger <. 25% van de waarnemingen omvat. Op gondelhoogte is tijdens het stationair onderzoek juist het merendeel van de opnamen (nog niet gecorrigeerd) van rosse vleermuis (> 50%) en de Nyctaloid-groep (ca 30%). Gewone en ruige dwergvleermuis (respectievelijk 11% en 5 %) vormen op huidige rotorhoogte monitoring in 2020 minder dan 20% van alle opgenomen vleermuisgeluiden. De waargenomen soorten zijn echter grotendeels in overeenstemming. Ondanks enkele verschillen in waarnemingen komen de hoofdconclusies overeen: In het plangebied komen vleermuissoorten voor met beschermde functies (foerageren, migratie) waarbij bekend is dat deze een verhoogde kans hebben om slachtoffer te worden van windturbines:  Rosse vleermuis;  Gewone dwergvleermuis;  Ruige dwergvleermuis;  En in mindere mate laatvlieger, tweekleurige vleermuis (en een deel waarnemingen die vanwege de pulsvorm niet tot soort maar enkel tot soortgroep kan worden gedetermineerd (Nyctaloid). Tevens is eenmalig een myotissoort opgenomen (vermoedelijk watervleermuis of meervleermuis) aangezien deze soorten tijdens de veldbezoeken van 2018 ook zijn waargenomen.

5.3

Waarnemingen in relatie tot weersomstandigheden

Wanneer het moment van waarnemingen wordt bekeken (in relatie tot temperatuur/windsnelheide op hoogte) kan beoordeeld worden of er (voor deze locatie specifiek) sprake is van een relatie tussen aanwezigheid van vleermuizen op hoogte en omgevingsfactoren; in dit geval de heersende temperatuur en windsnelheid. Voor deze beoordeling is enerzijds de gemeten temperatuur van de Batcorder bij de vleermuisopnamen en anderzijds de ontvangen windgegevens op rotorhoogte (10 minutenwinddata) van 2020 van de desbetreffende huidige windturbine van de initiatiefnemer gebruikt. Deze laatste informatie bevat op diverse momenten (369 momenten) geen aanwezige 10 minuten data. Hierdoor is de relatie met windsnelheid voor max. 4% van de waarnemingen door software op basis van omliggende windsnelheden aangevuld. Uit figuur 5.4 blijkt dat er een duidelijk relatie is met temperatuur: onder de 9,5 graden zijn slecht beperkte geluidsopnamen van vleermuizen op hoogte gemaakt. En bij hogere temperaturen dan dat is meer vleermuisactiviteit waargenomen.

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

13

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

Figuur 5.4: Correlatie tussen temperatuur en geluidsopnamen van vleermuizen gondelhoogte

In figuur 5.5 is de correlatie tussen windsnelheid en vleermuisactiviteit weergegeven, > 90% van alle vleermuisgeluiden/-soorten tezamen zijn met een windsnelheid t/m 6 m/s opgenomen. Bij hogere windsnelheid is nauwelijks sprake van vleermuisactiviteit op hoogte.

Figuur 5.5: Correlatie tussen windsnelheid rotorhoogte en geluidsopnamen van vleermuizen rotor

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

14

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

6

Samenvatting en conclusies

De volgende soorten zijn (in volgorde van aantal geluidsopnamen op huidige gondelhoogte) met zekerheid vastgesteld:  Rosse vleermuis (Nnoc);  Nyctaloid (groep met rosse vleermuis, laatvlieger, tweekleurige en rosse vleermuis, bosvleermuis);  Gewone dwergvleermuis (Ppip);  Ruige dwergvleermuis (Pnat);  Laatvlieger (Eser);  Tweekleurige vleermuis (Vmur);  Myotissoort spec (vermoedelijk Watervleermuis/meervleermuis) (Myotis). Deze soorten foerageren in het projectgebied en/of migreren langs/door het gebied. Daarbij worden de vetgedrukte soorten in bovenstaande opsomming (in meer of mindere mate) onder bepaalde omstandigheden gedurende het hele vleermuisactieve seizoen april- oktober/november) op hoogte en daarmee in rotorsweptarea aangetroffen. Hoewel de loggerlocatie van de huidige stationaire monitoring ten opzichte van de toekomstige turbines een vrij geringe hoogte heeft, geeft deze stationaire monitoring op hoogte wel meer inzicht in de aanwezigheid van vleermuizen (en de onderlinge verhouding in soorten) op hogere hoogte, ten opzichte van het veldonderzoek vanaf maaiveld van 2018. Het aandeel rosse vleermuisactiviteit is op huidige gondelhoogte aanzienlijk groter dan tijdens de veldbezoeken (maaiveldhoogte) van 2018. Deze bevinding op hoogte komt overeen met warmtebeeldonderzoek van 2018.

De toename van ruige dwergvleermuizen in migratieperioden blijkt uit de stationaire monitoring op hoogte niet zo duidelijk aanwezig als tijdens het veldonderzoek. Een mogelijke verklaring hiervoor is het verschil in ligging van de huidige turbines (niet luwe windzijde aan zoutwaterzijde) ten opzichte van het plangebied (luwe windzijde), waardoor het merendeel van de migratie plaatsvindt binnen het plangebied (oostelijk van de dam) en daarmee tijdens het monitoring op hoogte (aan de westzijde van de dam) slechts beperkt is waargenomen. Hierdoor kan het aandeel ruige dwergvleermuis in migratieperioden op basis van alleen de stationaire monitoring op hoogte worden onderschat (omdat de waarneemafstanden van ultrasoon geluid beperkt zijn). Op basis van de relatie vleermuisactiviteit op hoogte en weersomstandigheden lijkt, evenals als in literatuur beschreven wordt, ook hier sprake te zijn van de meeste activiteit op hoogte in de periode april-oktober/november met voor vleermuizen gunstig weer (> 10 graden en windsnelheden kleiner of gelijk aan 6 m/s rotorhoogte). Resume: Vleermuisactiviteit binnen het plangebied is op basis van stationaire monitoring het hele vleermuisactieve jaar ook op rotorhoogte te verwachten. Met name rosse vleermuis (en gewone dwergvleermuis) zijn het hele vleermuisactieve jaar binnen het plangebied en met name rosse vleermuis op grotere hoogte aanwezig.

De ruige dwergvleermuis is eveneens het hele jaar aanwezig waarbij op basis van het veldonderzoek in 2018 blijkt dat langs de dam migratie van deze soort plaatsvindt. Naast deze soorten zijn tevens (in beperkter mate) laatvlieger, tweekleurige vleermuis en een ongespecificeerde myotissoort op huidige rotorhoogte waargenomen. Volledigheid monitoring De veldmonitoring is uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. De Wet natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming.

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

15

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

Literatuur Barataud, M. (with collaboratation of Tupinier Y. and Limpens H.) Acoustic Ecology of European Bats, species identification, study of their habitats and foraging behavior, (Engelse vertaling) Inventaires & biodiversite series (biotope – Museum national d’Historie naturelle, 2020) Barataud, M. (with collaboratation of Tupinier Y. and Limpens H.) Acoustic Ecology of European Bats, species identification, study of their habitats and foraging behavior, (Engelse vertaling) Inventaires & biodiversite series (biotope – Museum national d’Historie naturelle, 2015) Dietz C. en Kieffer A. Veldgids Vleermuizen van Europa, (Nederlandse vertaling) (KNNV uitgeverij, Zeist, 2017) Limpens, H, Mostert K, Bongers W. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie (KNNV Uitgeverij, Utrecht, 1997) Middleton N. Froud, A., French K. Social calls of the Bats of Brittain and Ireland, (Pelagic Publishing 2014) Skiba R. Europaische Fledermause, (VerslagKGWolf, Magdeburg 2014) Kennisdocument gewone dwergvleermuis Kennisdocument ruige dwergvleermuis Kennisdocument rosse vleermuis Kennisdocument watervleermuis

Websites: www.e-connection.nl www.knmi.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zuidholland.nl

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

16

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

Bijlage 1 Wettelijk kader Hieronder volgt een algemene beschrijving van de Natuurwetgeving, gevolgd door betreffende onderdelen van de wetgeving. De Nederlandse natuurwetgeving De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming. De gebiedsbescherming is geïmplementeerd in de Natuurbeschermingsweg 1998 en omvat de Natura 2000-gebieden. Per 01/01/2017 zijn beide onderdelen (en de Boswet) geïntegreerd in de Wet natuurbescherming (Wn). Gebiedsbescherming In de Natura 2000 gebieden zijn de beschermde natuurmonumenten alsmede de gebieden met de status Vogel- en/of de Habitatrichtlijngebied (Voorheen Speciale beschermingen Zones, Sbz’s) opgenomen. Globaal kan worden gesteld dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebied specifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied. Soortbescherming De soortbescherming is per 01/01/2017 ook opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking.

Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen e projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden gedood, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield. Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord. Beschermde planten mogen niet opzettelijk van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wn) staan vernoemd in onderstaand kader.

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

17

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

Verbodsbepalingen voor Wn met in rode kaders de verbodsbepalingen die gelden voor alle vleermuissoorten

De werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft de beschermde soorten overal in Nederland bescherming. In o.a. artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbeschermingswet worden de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden weergegeven. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing- of vrijstelling (zoals werken met een goedgekeurde gedragscode) hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het plangebied.  Beschermde soorten – met (Provinciale) vrijstelling: Voor deze soorten geldt een vrijstelling van een of meerdere verbodsbepalingen (zoals bijvoorbeeld het vangen van dieren en/of het vernielen van vaste verblijfsplaatsen. Voor deze soorten is derhalve in veel gevallen geen ontheffing nodig. Wel geldt ten aanzien van deze soorten de zorgplicht, die eveneens van de Wet natuurbescherming uitgaat. Soorten die vallen onder de vrijstelling betreft over het algemeen (en dus per Provincie verschillend) onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals algemene muizen- en spitsmuizen, de woelrat, de egel, konijn, ree en vos, algemene amfibiesoorten, waaronder de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

18

Projectnummer 210222

Rapportage vleermuisonderzoek op rotorhoogte Haringvlietdam

11 maart 2021

E-Connection

 Overige ‘nationaal beschermde’ soorten: Voor deze soorten geldt voor ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer een mogelijkheid voor ontheffing, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Voor deze soorten is derhalve een ontheffing nodig of kan gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Soorten die vallen onder dit nationale beschermingsregime vallen betreft onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals das, boommarter, algemene amfibieën en reptielen alpenwatersalamander, hazelworm, flora als schubvaren en bokkenorchis en vissoorten waaronder de grote modderkruiper. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht.  Habitatrichtlijnsoorten: Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12843168/2