(bijlage 11) Bijlage 9 - Waterveiligheidsstudie
Tekst van het document
WATERVEILIGHEIDSSTUDIE WINDPARK HARINGVLIET E-connection Project
23 APRIL 2021
WATERVEILIGHEIDSSTUDIE WINDPARK HARINGVLIET
Contactpersoon
Arcadis Nederland B.V. Postbus 137 8000 AC Zwolle Nederland
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
2 van 25
Inhoudsopgave 1
2
3
4
INLEIDING
5
1.1
Algemeen
5
1.2
Projectomschrijving
5
1.3
Scope
5
1.4
Leeswijzer
6
OVERZICHT INVLOED WINDTURBINES
7
2.1
Algemeen
7
2.2
Bovengrondse calamiteiten
7
2.2.1
Calamiteiten
7
2.2.2
Effecten op waterveiligheid
8
2.2.3
Kraterberekeningen
9
2.3
Ondergrondse invloeden
9
2.3.1
Overzicht van de effecten
9
2.3.2
Effecten op waterveiligheid
9
2.4
Aanleg, onderhoud en demontage en overige aspecten
10
OPSCHALING WINDPARK HARINGVLIET
11
3.1
Inleiding
11
3.2
Faalkanseis
11
3.3
Windturbines
12
3.4
Beschouwing waterkeringsysteem
13
3.5
Haringvlietsluizen
14
3.5.1
Risico’s en risicozones
14
3.5.2
Conclusie
15
3.6
Haringvlietdam
15
3.6.1
Risico’s en risicozones
15
3.6.2
Opbouw van de waterkering
15
3.6.3
Invloed bovengronds falen Haringvlietdam
16
3.6.4
Ondergrondse invloed
19
3.7
Primaire waterkering Voorne-Putten
21
3.7.1
Risico’s en risicozones
21
3.7.2
Conclusie
22
SAMENVATTING
23
4.1
Haringvlietsluizen
23
4.2
Haringvlietdam
23
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
3 van 25
4.3
Primaire waterkering Voorne-Putten
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
23
4 van 25
• • •
Traject Haringvlietsluizen (kunstwerk) in beheer bij RWS; Traject de gronddam tussen het Voorne-Putten en de sluizen, in beheer bij Rijkswaterstaat.
De in de gronddam aanwezige kabels en leidingen in het gebied
Figuur 2 Waterkeringen Haringvliet
Er is uitgegaan van de nieuwe normering en het WBI2017/OI2014v4. Bij de beschouwing kon veelal worden volstaan met een (conservatieve) grofstoffelijke kwantitatieve uitwerking. Er zijn meerdere optimalisaties denkbaar maar er was geen aanleiding daar gebruik van te maken.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt generiek ingegaan op de mogelijke invloeden van het plaatsen van windturbines in de nabijheid van een waterkering op de waterveiligheid. Ingegaan wordt op de bovengrondse calamiteiten en de gevolgen die dergelijke calamiteiten kunnen hebben op de veiligheid én de ondergrondse invloeden. In hoofdstuk 3 is voor de verschillende trajecten de beoordeling per mechanisme beschreven. In hoofdstuk 4 is een samenvatting van de resultaten opgenomen.
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
6 van 25
2
OVERZICHT INVLOED WINDTURBINES
2.1
Algemeen
In de Wet op de waterkering zijn voor primaire waterkeringen, waar de drie eerder genoemde waterkeringtrajecten (normtraject 211, 20-1 en 20-4) toe behoren, veiligheidsnormen tegen overstromen vastgesteld. Op 1 januari 2017 is de veiligheidsbenadering gewijzigd en is overgegaan van een ‘overschrijdingskans van een maatgevende waterstand’ naar ‘het overstromingsrisico van het achterland’. Met de overstap op de nieuwe normering is de faalkansverdeling over de verschillende faalmechanismen nader uitgewerkt en zijn diverse inhoudelijke aspecten aangepast. Bij de plaatsing van windturbines in of nabij een primaire waterkering wordt onderscheid gemaakt in bovengrondse calamiteiten en ondergrondse invloeden van de windturbine op de waterveiligheid. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de bovengrondse calamiteiten, ondergrondse invloeden en de faalkansbeschouwing. Indien mogelijk wordt voorts een generieke beschrijving gegeven van de calamiteiten die invloed hebben op de waterveiligheid.
2.2
Bovengrondse calamiteiten
2.2.1
Calamiteiten
Bovengrondse calamiteiten betreffen het falen van bovengrondse delen van een windturbine. De gebeurtenissen die hieronder vallen zijn benoemd in het Handboek Risicozonering Windturbines (afgekort HRW) [Ref. 1]. Het Handboek maakt onderscheid in de volgende faalscenario’s van de windturbines: •
Bladbreuk: • •
• • •
bij nominaal toerental; bij overtoeren.
Mastbreuk. Gondelval. Vallen van kleine onderdelen en vallend ijs bij stilstand (bij ijsvorming wordt de turbine automatisch stilgezet).
Bladbreuk Het uitgangspunt conform het HRW is dat het blad als geheel afbreekt bij de verbinding met de naaf (de hub). Het afbreken van een kleiner deel van het blad wordt in overeenstemming met het Handboek niet apart beschouwd. Verder wordt er onderscheid gemaakt tussen de kans op bladbreuk bij normaal bedrijf en bij overtoeren. Door de hoge snelheid bij overtoeren kan de werpafstand van een afgebroken blad groot zijn.
Mastbreuk Onder mastbreuk vallen de verschillende scenario’s waarbij de mast, of verbindingen van de mast, constructief falen. Uitgangspunt bij dit faalmechanisme is dat de hele mast omvalt vanaf de mastvoet en alle onderdelen boven de mastvoet (mast, rotor, gondel, etc.) naar beneden vallen. Het falen van de fundering van de turbine wordt niet expliciet benoemd in het HRW. Wanneer de fundering wordt ontworpen volgens de constructieve betrouwbaarheidseisen van de Eurocode is de faalfrequentie echter ordes lager dan die voor mastbreuk volgens het HRW. Falen van de fundering wordt daarom niet verder meegenomen in de beschouwingen.
Gondelval Bij het vallen van de gondel inclusief de rotor is het uitgangspunt conform het HRW dat dit onderdeel direct naast de mast valt. De gondel landt dan op de funderingsplaat van de turbine en zal daar forse schade aan veroorzaken.
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
7 van 25
2.2.3
Kraterberekeningen
Een van de windturbine afbrekend onderdeel kan leiden tot beschadiging van de waterkering. Om na te gaan hoe groot deze beschadiging is, afhankelijk van het object en de dijkbekleding, zijn berekeningen gedaan waarmee de omvang van een resulterende krater is berekend. Daarbij is onderscheid gemaakt in een dijklichaam met een harde bekleding en een onbekleed zandlichaam [Ref. 2]. De verwachte kraterdieptes op basis van het model van Bernard (1978) zijn bepaald voor de windturbine type Enercon E126EP31. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in het falen van de bladen en mastbreuk. Deze objecten kunnen neerkomen op verschillende delen van de waterkering en daarmee op verschillende ondergronden. De formule is niet ontwikkeld voor deze situatie en ondergronden en de factor die de ondergrond beschrijft is de variabele met de grootste onzekerheid in de formule. De range in de berekende indringingsdiepte (kraterdiepte) is daarom relatief groot. Samengevat worden de onderstaande resultaten gevonden: • • • •
Een turbineblad geeft een krater van 2,00 meter. Een gondel geeft een krater van 3,00 meter. Een breuksteenbekleding kan de impact van een blad hebben. Andere typen bekleding (anders dan breuksteen) kunnen de impact niet aan.
Hierbij is ervan uitgegaan dat een blad of de gondel met het kleinste oppervlak op de waterkering landt. Als een blad plat op de waterkering land zal de indringingsdiepte veel minder groot zijn. De resultaten zijn eveneens toegepast bij de waterveiligheidsbeschouwing van de windturbines nabij de Oosterscheldekering ([Ref. 3]).
2.3
Ondergrondse invloeden
2.3.1
Overzicht van de effecten
Ondergrondse invloeden betreffen met name de gevolgen van trillingen die in de windturbine worden opgewekt en overgedragen worden aan de ondergrond. Hierin worden de volgende mechanismen onderscheiden: •
• • •
Invloed van trillingen: • verweking: ontstaan van wateroverspanningen en daardoor afname van de schuifsterkte van de grond; • zetting: verdichting van de grond, waardoor zettingen optreden; • versnellingen: toename van de belasting door de traagheidskracht, te vertalen in een horizontale belasting op de dijk. De aanwezigheid van een niet-waterkerend object dat kan falen; meer specifiek betreft dit bij windturbines vooral het falen van de fundering, waardoor de dijk beschadigt. De invloed op piping en heave. De invloed van (belastingen) bij aanleg, onderhoud en demontage.
In de volgende paragraaf worden deze effecten nader toegelicht.
2.3.2
Effecten op waterveiligheid
In deze paragraaf wordt een beknopte beschrijving van bovengenoemde effecten op de waterveiligheid gegeven.
Trillingen: verweking en zettingen Voor de beoordeling van het effect van trillingen op het optreden van cyclische verweking en zettingsvloeiing is gebruik gemaakt van sonderingen. De sonderingen laten op basis van een analyse met de methode Robertson grondlagen zien die in potentie verwekingsgevoelig zijn. Verweking kan alleen optreden als er
1 Ondertussen worden ook andere windturbines beschouwd. Voor de eindresultaten heeft dat geen invloed.
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
9 van 25
een trigger aanwezig is. Op basis van ervaringen in andere projecten wordt verwacht dat eventuele trillingen in de ondergrond veroorzaakt door windmolenfundaties binnen een straal van ca. 20 m dusdanig zijn uitgedempt, dat deze geen verweking of zettingsvloeiing meer veroorzaken. Cyclische schuifrekken en cyclische schuifspanningen in de gebruiksfase manifesteren zich heel lokaal, binnen een straal van enkele meters uit de paalfundering. Daardoor kan cyclische verweking buiten een straal van enkele meters uit de paafundering niet meer optreden. Wel moet het effect van lokale verweekte zones op de waterveiligheid worden beschouwd.
Trillingen: invloed op de stabiliteit Indien de (onder)grond in trilling komt, genereert dit krachten op de constructies, ook op de grondconstructies. De macrostabiliteit van taluds kan hierdoor afnemen. De grootte van de trillingen en de daardoor uitgeoefende kracht is afhankelijk van de afstand tot de windturbines. Bij een afstand groter dan 100 m worden geen significante trillingen meer verwacht en is de invloed op de macrostabiliteit verwaarloosbaar.
Fundering Uitgangspunt is dat falen van de fundering niet maatgevend is, conform HRW [Ref. 1]. De mast zal eerder afbreken dan dat de fundering faalt.
Piping en heave Door trillingen of klink kunnen holle ruimtes ontstaan onder of naast ondergrondse onderdelen van de windturbine en zo de constructie meer gevoelig maken voor piping of heave. Zo nodig moeten dit soort potentiële kwelwegen worden afgesloten met kwelschermen. Aanbevolen wordt om dit in een later stadium nader te detailleren. Bij correcte detaillering levert een windturbine in een zandondergrond geen aanvullend risico.
2.4
Aanleg, onderhoud en demontage en overige aspecten
Negatieve effecten bij aanleg, onderhoud en demontage kunnen door nadere detaillering worden voorkomen. Gedacht moet worden aan adequate opstelplaatsen, aan- en afvoerwegen, detaillering zodat demontage mogelijk is, voor zover gewenst. Ook moet aandacht besteed worden aan de detaillering van de (onder- en bovengrondse) infrastructuur, zoals kabels en leidingen en wegen en aan de detaillering van overgangen en aansluitingen rondom de windturbines. Voorkomen moet worden dat hier een zwakke plek in de bekleding ontstaat.
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
10 van 25
3
OPSCHALING WINDPARK HARINGVLIET
3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de gevolgen van de opschaling van het windpark Haringvliet op de waterveiligheid behandeld. Achtereenvolgens wordt ingegaan op: • • • •
De faalkanseis. Het waterkeringsysteem. De windturbines, invloedszones – werpafstanden etc. Per traject van de waterkering: • • • •
3.2
Risico’s en risicozones Bovengrondse calamiteiten, indien van toepassing vanwege risico’s Ondergrondse invloeden, indien van toepassing vanwege risico’s Conclusies
Faalkanseis
Falen van de waterkering ten gevolge van een windturbine moet binnen het faalkansbudget van de waterkering blijven. In een toelichting bij het OI2014v4 stelt KPR [Ref.3] dat onderscheid gemaakt moet worden tussen de ondergrondse en de bovengrondse invloed: •
•
Voor de ondergrondse invloed van de windturbines geldt dat ieder relevant mechanisme beoordeeld moet worden inclusief de negatieve effecten van de windturbine. Indien de faalkans (inclusief windturbine) voldoet aan de doorsnede eis wordt aan de eisen voor de ondergrondse invloed voldaan. De windturbine wordt in deze benadering als NWO beoordeeld. Voor de bovengrondse invloeden wordt gesteld (KPR) dat indien de bijdrage aan de faalkans op doorsnedeniveau kleiner is dan 1% van de doorsnede eis, de invloed verwaarloosbaar is. In deze benadering hoeft er door de beheerder geen faalkansruimte gereserveerd te worden voor de bijdrage van de windturbines.
De ondergrens van de norm per traject is weergegeven in Tabel 2. De ligging van de normtrajecten is weergegeven in Figuur 3.
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
11 van 25
Figuur 5 Situatie Haringvliet
Achtereenvolgens wordt per traject ingegaan op de gevolgen van de plaatsing van de windturbines op de waterveiligheid.
3.5
Haringvlietsluizen
3.5.1
Risico’s en risicozones
De maatgevende windturbine voor de Haringvlietsluizen is windturbine 1, deze staat op ca. 500 m van de Haringvlietsluizen (zie Figuur 4). Achtereenvolgens wordt ingegaan op de bovengrondse en ondergrondse invloeden.
3.5.1.1
Ondergronds invloeden
De afstand van 500 m tussen de sluis en de windturbine is significant meer dan de afstand waarover de ondergrondse invloed van een windturbine merkbaar is. Gelet daarop wordt geconcludeerd dat het effect van de ondergrondse invloeden van de windturbines op de sluizen verwaarloosbaar is.
3.5.1.2
Bovengrondse calamiteiten
De maximale (verstorings)zone rond de windturbine bij een bovengrondse calamiteit treedt op bij ‘bladworp overtoeren’ en bedraagt ca. 430 m (zie [Ref. 7]). Dit is minder dan de afstand van de turbine tot de sluizen (zie Figuur 6). Gelet daarop wordt geconcludeerd dat het effect van bovengrondse calamiteiten van de windturbines op de sluizen verwaarloosbaar is.
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
14 van 25
Figuur 6 Invloedzone maatgevende windturbine op Haringvlietsluizen
3.5.2
Conclusie
De windturbines hebben een verwaarloosbare invloed op de waterveiligheid van de Haringvlietsluizen. Daarmee wordt voldaan aan de faalkanseis.
3.6
Haringvlietdam
3.6.1
Risico’s en risicozones
Na een korte beschrijving van de opbouw van de waterkering worden bij de beschouwing van dit traject alle in paragraaf 2.2.1 beschreven faalscenario’s beschouwd. Daarnaast wordt op hoofdlijnen ingegaan op de risico’s van de in de dam aanwezige waterleiding op de waterveiligheid.
3.6.2
Opbouw van de waterkering
De Haringvlietdam is opgebouwd uit een zandkern die is bekleed met klei, gras en vanaf de bovenkant van de buitenberm met een harde bekleding richting de teen van de dijk. De waterkering heeft een zeer brede en hoge kruin. De hoogte van de kering sluit aan op hoogte van de wegverbinding over de sluizen van het Haringvliet aan de zuidzijde en de duinen / dijk aan de noordzijde. Onder het einde van het binnentalud bevindt zich een blokkendam. Deze vervult geen verdere rol in de huidige waterveiligheid. De blokkendam is destijds aangelegd voor de uitvoering en aanleg van de Haringvlietdam. Aandachtspunt is wellicht het aanbrengen van funderingspalen. In de dam bevindt zich een waterleiding (diameter 0,6 m).
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
15 van 25
De groene lijn is het beoordelingsprofiel met een offset in de hoogte van 2 m. Deze 2 m is de maximale diepte van de ontgrondingskuilen door bovengronds falen. Het aanwezige profiel (grijze lijn) is ruimer dan de groene lijn, een eventuele krater valt daarmee buiten het beoordelingsprofiel. Voor het profiel geldt dat de Noordzee aan de linkerkant van de figuur ligt.
Figuur 8 Beoordelingsprofiel Waterkering Haringvliet
Voor de Haringvlietdam geldt dus dat een krater op de kruin en het binnentalud buiten het beoordelingsprofiel valt. Dit betekent dat het restprofiel (profiel inclusief krater) ruim voldoet aan de doorsnede eisen voor Golferosie Kruin en Binnentalud (GEKB= 1,2E-4) en Macrostabiliteit binnenwaarts (STBI = 1,2E-5). Gecombineerd met de kleine trefkans (8,4E-4, conform HRW [Ref. 1]) levert dit een faalkansbijdrage op die veel kleiner is dan 1% van deze doorsnede-eis. De bovengrondse invloed op de mechanismen hoogte, bekleding kruin en binnentalud en macrostabiliteit binnenwaarts voldoet daarmee dus aan de norm.
3.6.3.2
Buitentalud
Bij het buitentalud kan onderscheid worden gemaakt in de zone met stortsteenbekleding en de zone met asfaltbekleding. De impact van een vallend blad op de stortsteenbekleding zal niet leiden tot falen van de deze bekleding. Voor de asfaltbekleding op de berm kan dat echter niet worden uitgesloten: de impact van een turbineblad kan leiden tot grote schade aan de bekleding waarbij de onderlagen worden blootgesteld aan golfslag. Aangenomen is het conservatieve scenario dat de bekleding dusdanig beschadigd raakt dat deze geen sterkte meer heeft en er sprake is van een onverdedigd talud. Er zal dan in het onderliggende zandpakket onder invloed van de golfaanval afslagprofiel ontstaan. Voor het bepalen van de dimensies van dit afslagprofiel is een verkennende afslagberekening gemaakt. Hiervoor is gebruikt gemaakt van de waterstandsfrequentielijn uit Figuur 9 waarin een relatie is gelegd tussen de overschrijdingskans en de maatgevende waterstanden. Daarnaast is gebruik gemaakt van de hier van toepassing zijnde relaties tussen enerzijds waterstand en golfhoogten en anderzijds golfhoogte en golfperioden zoals weergegeven in Figuur 10.
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
17 van 25
Figuur 9: Waterstandsfrequentielijn
Figuur 10: Relatie waterstand - golfhoogte en relatie golfhoogte - golfperiode
Een waterstand van +5,5 m NAP leidt tot een bijbehorende golfhoogte van 2,9 m en golfperiode van 13,3 s. Met deze uitgangspunten is een afslagprofiel berekend met een lengte (tussen afslagfront en de teen van dit parabolische profiel) van circa 80 m. Dit afslagprofiel en het aanwezige profiel, zijn weergegeven in Figuur 11. Hieruit blijkt duidelijk dat het afslagprofiel ruim binnen het smalst aanwezige profiel past. Vanwege de ruime marge is geen sprake van falen van de kering. Dit is ook niet het geval voor iets andere omstandigheden en ook niet in het geval dat er geen rekening wordt gehouden met het zeewaarts van de teen van het afslagprofiel afgezette materiaal.
Figuur 11 Indicatief afslagprofiel waterkering Haringvliet na falen asfaltbekleding.
Ofschoon het hierbij slechts gaat om een verkennende uitwerking mag worden verondersteld dat een definitieve meer gedetailleerde analyse tot een vergelijkbare conclusie zal leiden.
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
18 van 25
Figuur 12 Glijvlak Macrostabiliteit binnenwaarts bij MHW
3.7
Primaire waterkering Voorne-Putten
3.7.1
Risico’s en risicozones
De meest noordelijke windturbine staat ca. 340 m onder de primaire waterkering van het waterschap.
3.7.1.1
Ondergrondse invloeden
Op basis van de grote afstand van de windturbine uit de kering zijn ondergrondse invloeden zijn ondergrondse invloeden verwaarloosbaar.
3.7.1.2
Bovengrondse calamiteiten
Bij bovengrondse calamiteiten is er een risico op treffen van de kering bij de calamiteit ‘bladworp bij overtoeren’. Zie Figuur 13 waarin de groene cirkel de worpafstand van het turbineblad geeft bij bladworp overtoeren (zie [Ref. 7]). Hierbij wordt de primaire waterkering van het waterschap op een deel geraakt (nabij de aansluiting met normtraject 211). Op basis van expertjudgement is het de verwachting dat het treffen van de waterkering door een turbineblad bij overtoeren geen significante invloed heeft op de waterveiligheid en faalkans.
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
21 van 25
Figuur 13 Invloedzone maatgevende windturbine op Primaire waterkering van het waterschap
3.7.2
Conclusie
Voor de primaire waterkering van het waterschap zijn er risico’s met betrekking tot de windturbines. Op basis van expertjudgement is het de verwachting dat deze geen significante invloed hebben op de waterveiligheid en de faalkans van de kering.
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
22 van 25
4
SAMENVATTING
Per waterkeringstraject wordt de mogelijke invloed van de plaatsing van de twee windturbines op de waterveiligheid beschreven.
4.1
Haringvlietsluizen
De windturbines hebben geen invloed op de waterveiligheid van de Haringvlietsluizen. Dat geldt voor zowel bovengrondse calamiteiten als voor ondergrondse invloeden.
4.2
Haringvlietdam
De ondergrondse invloeden van de windturbines hebben invloed op de waterveiligheid van de Haringvlietdam. Voor wat betreft het effect van trillingen op de macro-stabiliteit wordt er ruimschoots voldaan aan de afschuifveiligheid. Voor zettingsvloeiingen wordt verwezen naar [Ref. 9]. Conclusie is dat de ondergrond geen risico vormt voor de stabiliteit van de waterkering en de waterveiligheid. De faalkansbijdrage als gevolg van bovengronds falen van de windturbine op de waterveiligheid, is voor de Haringvlietdam voldoende klein. Voor de waterkering geldt bij bladworp bij overtoeren dat er beoordelingsprofielen zijn opgesteld. Op basis van deze beoordelingsprofielen en de berekende kraters is geconcludeerd dat de faalkans van het restprofiel voldoende klein is voor de mechanismen golferosie kruin en binnentalud en macrostabiliteit binnenwaarts. Op basis van de trefkans, de afmetingen van het restprofiel en rekening houdend met realistische hersteltijden is bepaald dat de invloed op de bekleding op het buitentalud ook voldoende klein is. De invloed op de overige mechanismen op de waterveiligheid zijn beoordeeld op basis van een kwalitatieve beschouwing en voldoen eveneens. Op basis beschouwing (zie Ref. 8) is vastgesteld dat de aanwezigheid van de watertransportleiding geen risico vormt voor de waterveiligheid.
4.3
Primaire waterkering Voorne-Putten
De ondergrondse invloeden van de windturbines hebben geen invloed op de waterveiligheid van de primaire waterkering van het waterschap. Ten aanzien van de invloed van bovengronds falen van de windturbines op de primaire waterkering van het waterschap (normtraject 20-1 en 20-4) is het op basis van expertjudgement de verwachting dat dit geen significante invloed heeft op de waterveiligheid. Voor ‘bladworp bij overtoeren’ geldt dat een deel van het traject binnen de worpafstand ligt.
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
23 van 25
REFERENTIES 1. Handboek Risicozonering Windturbines versie 3.1, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Januari 2020 2. Bovengrondse calamiteiten – kraterberekeningen, Arcadis, 29-9-2017. 3. KPR memo 473, Windturbines op of nabij primaire waterkeringen, Kennisplatform Risicobenadering, 19-07-2018. 4. Windpark Krammer te Bruinisse, Voorkeursalternatief, Toets Primaire waterkering, versie 2.0, RoyalHaskoningDHV, 6 februari 2014. 5. Handreiking ontwerpen met overstromingskansen, RWS, Februari 2017. 6. Schematiseringshandleiding Macrostabiliteit versie 3.0, RWS, 28 november 2019. 7. Analyse Externe Veiligheid Windpark Haringvliet, Pondera Consult, 24 december 2020. 8. Risico's windturbines op kabels en leidingen i.r.t. waterveiligheid Haringvliet, Arcadis, 22 april 2021, D10023232. 9. Memo Verwekingsgevoeligheid Haringvlietdam, Arcadis, 23 april 2021.
Onze referentie: D10021709:115 - Datum: 23 april 2021
24 van 25