CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 TAM-omgevingsplan Slagveld 36 motivering en regels

Commissie Ruimte 11 februari 2026, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan Slagveld 36, Brielle24.640 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.5

Geluid door activiteiten

Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2 instructieregels voor geluid door activiteiten. Op basis van artikel 5.59 Bkl dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast voorziet een omgevingsplan erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 5.1 en tabel 5.2. Tabel 5.1: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

Tabel 5.2: Grenswaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

Op grond van artikel 5.66, eerste lid, Bkl kan van de standaardwaarden worden afgeweken. Het toelaatbaar geluid op de gevel wordt begrensd door de grenswaarde van de binnenwaarde. Omgevingsverordening De provinciale omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema geluid door activiteiten.

41/104

Toetsing De ontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van woningen. Aangezien woningen worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen, is het relevant om de directe omgeving op geluidbronnen te beoordelen. Op basis van bestemmingsplan 'Vesting' wat onderdeel uit maakt van het omgevingsplan blijkt dat zich op circa 12 meter ten noorden van de planlocatie een maatschappelijke functie bevindt. De functie staat enkel activiteiten toe welke geen belemmering vormen gekeken naar geluid voor naastgelegen woningen. In de huidige situatie is dit gebouw in gebruik als zorghuis voor ouderen. Daarnaast bevinden zich in de directe omgeving reeds bestaande woningen. Er zijn geen bedrijven aanwezig die tot relevante geluidbelasting op de planlocatie leiden. Vanwege de grote afstand worden de belangen van de functies in de omgeving niet geschaad met de beoogde ontwikkeling. De geluidbelasting door het gezoneerde industrieterrein Europoort-Maasvlakte is behandeld in 5.6 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Conclusie Ter plaatse van de planlocatie is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt de geluidsruimte van omliggende bedrijvigheid niet beperkt door het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling voldoet aan de geldende instructieregels en is er sprake een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Algemeen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Op basis van artikel 5.78l Bkl dient in een omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden. Een overschrijding hiervan is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Bkl. In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht:  bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen;  bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie);  bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde;  bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen;  bij een niet-geluidgevoelige gevel.

Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.

42/104

Bij overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan. Het Regionaal Afsprakenkader Geluid en Ruimtelijke Ontwikkeling (RAK) is een overeenkomst tussen diverse partijen in de regio Zuid-Holland, waaronder de provincie Zuid-Holland, de gemeente Rotterdam, het Havenbedrijf Rotterdam N.V., Deltalinqs (vertegenwoordiger van het havenbedrijfsleven), en de DCMR Milieudienst Rijnmond. Het RAK is oorspronkelijk in 2015 vastgesteld en is sindsdien geactualiseerd om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en beleidswijzigingen. Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt een geluidgevoelige gebouw mogelijk gemaakt, namelijk een appartementencomplex. De planlocatie ligt binnen het geluidaandachtsgebied van meerdere gemeentewegen. Daarnaast ligt de planlocatie op basis van het overgangsrecht in de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein Maasvlakte-Europoort. Om aan te kunnen tonen dat met de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan de instructieregels en er sprake is van ETFAL is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit akoestisch onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1. Wegverkeerslawaai Op basis van het onderzoek is er sprake van een overschrijding van de standaardwaarde tot maximaal 56 dB. De grenswaarde wordt daarmee niet overschreden.

Aanvullende bron- of overdrachtsmaatregelen zullen niet doelmatig zijn om de geluidbelasting te reduceren. Ten behoeve van de omgevingsvergunningsaanvraag voor de bouwactiviteit dient een aanvullende akoestische onderbouwing aangeleverd te worden waarin getoetst wordt aan het gemeentelijke geluidbeleid. Industrielawaai De planlocatie ligt binnen de geluidzone van industrieterrein Maasvlakte-Europoort. De geluidbelasting van dit terrein is bepaald volgens de methode van het RAK en bedraagt 50 dB(A) Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en is het laten vaststellen van hogere waarden is niet nodig. Nestgeluid Naar aanleiding van de uitspraak 201807456/1/A1 van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 22 januari 2020 moet het nestgeluid dat afkomstig is van de schepen op de nabijgelegen gezoneerde industrieterreinen worden beschouwd. Vanuit het interim-werkwijze nestgeluid regio Rijnmond kan worden vastgesteld dat Brielle buiten het onderzoeksgebied van nestgeluid ligt. Toets gemeentelijk geluidbeleid Omdat de standaardwaarde wordt overschreden vanwege geluidbronsoort gemeentewegen en er geen maatregelen mogelijk zijn om de overschrijding ervan te beperken of voorkomen, is toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid noodzakelijk.

43/104

Op dit moment is er nog geen indeling van de woningen bekend. Daarom wordt de toets aan dit beleid nog niet worden uitgevoerd. Bij de verdere uitwerking van het plan dient rekening te worden gehouden met: 1. het creëren van een geluidluwe gevel; 2. het creëren van een geluidluwe buitenruimte; 3. het realiseren van geluidgevoelige ruimten aan de geluidluwe gevel (akoestisch optimale indeling). Om te zorgen dat alle woningen een geluidluwe gevel hebben, is het nodig om de woningen in het pand tweezijdig te situeren. Hierdoor ontstaat aan het Slagveld afgekeerde zijde van de woning een geluidluwe gevel. Indien dit niet mogelijk is, is het nodig om de gemeente voor te stellen af te wijken van het aspect geluidluwe gevel voor deze woningen. Voorgaand is geborgd in de planregels van het voorliggend plan. Beoordeling gecumuleerd en gezamenlijk geluid Omdat de standaardwaarde wordt overschreden, is het gecumuleerd en gezamenlijk geluid bepaald. Het gecumuleerd geluid wordt van redelijk tot matig beoordeeld. Het gezamenlijk geluid bedraagt op zijn hoogst 57 dB aan de zijde van het Slagveld en is vastgelegd in de planregels van dit plan. Indirect akoestische effecten van veranderend verkeer Er is geen sprake van indirecte akoestische effecten door veranderend verkeer.

Conclusie Middels de uitvoering van het akoestisch onderzoek voor wegverkeerslawaai is rekening gehouden met de geluidbelasting door wegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. Om aan de instructieregels te kunnen voldoen dient het hoogst berekende gezamenlijk geluid vastgelegd te worden in de regels van het TAMomgevingsplan. Daarnaast zijn in het omgevingsplan regels opgenomen die waarborgen dat bij verdere planuitwerking wordt getoetst aan het gemeentelijk geluidbeleid. Als er voor een indeling wordt gekozen waarbij niet alle woningen tweezijdig gesitueerd kunnen worden waardoor een geluidluwe gevel niet overal mogelijk is, dient afgeweken te worden van het gemeentelijk geluidbeleid op het aspect geluidluwe gevel. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit rapport dient te worden voorgelegd aan DCMR ter controle van de gevelwering en toetsing aan het Besluit bouwen leefomgeving (Bbl).

44/104

5.7

Bodemkwaliteit

Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt een technische of ruimtelijke bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toegelaten. De nieuw te bouwen woningen kwalificeren als een bodemgevoelig gebouw (artikel 5.89g Bkl). Op deze activiteit zijn de instructieregels van paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl van toepassing. Deze instructieregels verplichten tot de volgende zaken:  In het omgevingsplan opnemen van waarden voor de toelaatbare kwaliteit (artikel 5.89i Bkl);  Het omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl);  Als in het omgevingsplan is bepaald dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw vergunningplichtig is, worden in het omgevingsplan regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Tevens wordt in het omgevingsplan bepaald dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning resultaten van bodemonderzoek en gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen (artikel 5.89ka Bkl);  Voor zover het bouwen van een bodemgevoelig gebouw niet vergunningplichtig is, bepaalt het omgevingsplan dat het verboden is een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden (artikel 5.89l Bkl);  Een omgevingsplan bepaalt dat bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, een bodemgevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel 5.89k, zijn getroffen (artikel 5.89m Bkl). Met § 22.2.7.2 van de bruidsschat wordt voor een belangrijk deel invulling gegeven aan de instructieregels van het Bkl. Op grond van deze paragraaf bestaat een binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken (artikel 22.26) met beoordelingsregels voor onder meer het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (artikel 22.29, eerste lid, onder c en artikel 22.30).

Tevens voorziet artikel 22.31 een informatieplicht als bedoeld in artikel 5.89m Bkl; deze is echter gekoppeld aan de omgevingsvergunning. Provinciale omgevingsverordening In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.5.1 specifieke instructieregels met betrekking tot het thema grondwaterkwaliteit. Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling, omdat de ontwikkeling voorziet in de realisatie van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie, als bedoeld in artikel 7.27 van de provinciale omgevingsverordening.

45/104

§ 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie Artikel 7.29 (voorafgaand onderzoek) 1. Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 redelijkerwijs is uit te sluiten. 2. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit: a. Het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Beoordeling De ontwikkeling betreft uitsluitend inpandige werkzaamheden binnen bestaande woningen. Er worden geen gebouwen gesloopt en/of nieuwe bodemgevoelige gebouwen gebouwd.

Wel worden er tuinen mogelijk gemaakt welke onderdeel maken van het woongebied. In verband met de voorgenomen aanleg van nieuwe tuinen op de locatie Slagveld 36 te Brielle is een milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Onderstaand betreft een samenvatting van dit onderzoek ten aanzien van de bodem en grondwaterkwaliteit. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem op de locatie niet verontreinigd is met de onderzochte stoffen en dat er geen bodemvreemde bijmengingen zijn aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen, maar deze verontreiniging overschrijdt de signaleringswaarde niet. Er zijn geen aanwijzingen voor significante verontreiniging die een belemmering vormen voor de voorgenomen activiteit. De hypothese dat de locatie verdacht is vanwege historische ophogingen en een voormalige gasfabriek wordt bevestigd, maar zonder dat dit leidt tot overschrijding van de toelaatbare kwaliteit. Het wordt aanbevolen om het rapport ter beoordeling voor te leggen aan het bevoegd gezag, de DCMR Milieudienst Rijnmond. Indien bij de werkzaamheden grond wordt afgevoerd, dient vooraf een melding te worden gedaan conform §4.119 van het Bal. Als de grond op locatie wordt teruggebracht, is een melding niet nodig. Tijdelijke opslag van ontgraven grond mag maximaal acht weken duren.

Conclusie Voor het voorliggende wijzigingsbesluit zijn geen onoverkomelijke belemmeringen op het gebied van bodemkwaliteit geconstateerd. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de bodem- en grondwaterkwaliteit toereikend is voor de beoogde functies.

46/104

De regels uit de bruidsschat voldoen aan de vereisten van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waardoor aanvullende regels niet noodzakelijk zijn. Ten aanzien van de provinciale instructieregels is een regeling opgenomen die voldoet aan de bepalingen van paragraaf 7.3.5.1 van de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plan in dit opzicht uitvoerbaar is. Daarnaast wordt voldaan aan de instructieregels en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5 instructieregels voor het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Op basis van artikel 5.130 lid 1 van het Bkl moet met een ontwikkeling rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Daarnaast worden met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de in artikel 5.130 lid 2 subleden (a-e) opgenomen beginselen. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.

Omgevingsverordening De omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.7 specifieke instructieregels opgenomen ter bescherming van de landschappelijke waarden en ruimtelijke kwaliteit. Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.

47/104

Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A. 3. Voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde en vijfde lid zijn de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n van toepassing tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat. Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. 3.

Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Verordening Fysieke Leefomgeving & Erfgoedverordening Het erfgoedbeleid van de gemeente Voorne aan Zee is vastgelegd in zowel de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) als de Erfgoedverordening. Alle regels met betrekking tot erfgoed die raken aan de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de VFL. De regels die niet raken aan de fysieke leefomgeving (zoals subsidieregelingen en andere ambtelijke zaken) zijn opgenomen in de Erfgoedverordening. Beoordeling Archeologie Op de planlocatie geldt op basis van het tijdelijk omgevingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Binnen dit archeologisch regime is sprake van een verwachtingswaarde voor archeologische resten. Conform de regels is nader archeologisch onderzoek vereist bij werkzaamheden die dieper reiken dan 0,3 meter onder maaiveld, én een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m².

De beoogde herontwikkeling voorziet niet in bodemverstorende activiteiten en blijft binnen deze drempelwaarden. Hierdoor is geen sprake van archeologisch relevante bodemverstoring zoals bedoeld in het omgevingsplan. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling.

48/104

De dubbelbestemming uit het vigerende plan zal worden overgenomen op de verbeelding en in de planregels. Middels het opnemen van deze dubbelbestemming wordt er voldaan aan artikel 5.130 van het Bkl en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Cultuurhistorie Op 15 september 1975 hebben de toenmalige ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de binnenstad van Brielle en de naaste omgeving aangewezen tot beschermd stadsgezicht van de Monumentenwet. In bestemmingsplan 'Vesting' zijn de cultuurhistorische waarden geborgd door middel van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Cultuurhistorie - 1' en 'Waarde - Cultuurhistorie - 2'. Deze dubbelbestemmingen zijn overgenomen in in TAM-omgevingsplan in Artikel 9 en in Artikel 10. Doordat deze dubbelbestemmingen overgenomen zijn, zijn de cultuurhistorische waarden binnen de plangrenzen beschermd en wordt er voldaan aan artikel 5.1.5.5 van het Bkl De voorgenomen ontwikkeling omvat een functiewijziging, de realisatie van enkele balkons en het mogelijk maken van een gedeeltelijk inpandige parkeervoorziening. Daarnaast worden aan de rand van het plangebied enkele parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvoor bestaande groenstroken worden omgevormd tot parkeerruimte.

Tevens worden kleinschalige tuinen mogelijk gemaakt ter vervanging van het huidige plein bij het voormalig stadskantoor. Dit plein dateert uit de jaren ’90 en maakt geen onderdeel uit van de historisch waardevolle objecten binnen de stad. Bij de verdere planuitwerking wordt geborgd dat de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, en dat de mogelijkheden voor herstel van deze waarden niet onherstelbaar worden verkleind. Tevens zal, mede gelet op de te hanteren materialen, worden gewaarborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht. Het realiseren van de balkons, de inpandige parkeervoorziening, de parkeerplaatsen aan de rand van het plangebied en de kleinschalige tuinen is in beginsel in overeenstemming met de cultuurhistorische bescherming zoals vastgelegd in artikel 8 en artikel 9. Op basis hiervan wordt verwacht dat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan cultuurhistorische waarden, mits uitvoering plaatsvindt conform de genoemde voorwaarden. Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gelden voor de planlocatie de dubbelbestemmingen Waarde Cultuurhistorie 1 en Waarde - Cultuurhistorie 2.

Deze bestemmingen zijn opgenomen om cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, structuren of elementen te beschermen tegen aantasting of verlies. Binnen deze dubbelbestemmingen gelden daarom specifieke regels met betrekking tot sloop, nieuwbouw en wijzigingen aan bestaande bebouwing. De beoogde ontwikkeling betreft een inpandige verbouwing, waarbij geen sprake is van uitbreiding van de bouwmassa of wijziging van het aanzicht. Er worden geen cultuurhistorisch waardevolle onderdelen van het gebouw verwijderd, aangepast of aangetast. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee een passende invulling binnen de middeleeuwse vesting. Gezien de aard en beperkte ruimtelijke impact van de voorgenomen werkzaamheden, is er geen sprake van strijdigheid met de regels die gelden binnen de dubbelbestemming. Er worden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen verwijderd of beschadigd.

49/104

Daarnaast blijven de cultuurhistorische waarden beschermd doordat de cultuurhistorische dubbelbestemmingen uit het bestemmingsplan overgenomen zijn in de regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan. Nader onderzoek of een aanvullende cultuurhistorische beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Molenbiotoop De planlocatie bevindt zich binnen de vrijwaringszone van de molenbiotoop. Binnen deze zone gelden regels die gericht zijn op het beschermen van de kwaliteit en het bestaansrecht van de molen. Deze regels hebben met name betrekking op het reguleren van hoogbouw in de nabijheid van de molen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van nieuwe bebouwing en maakt dus geen hoogbouw mogelijk. De bestaande bebouwing voldoet aan de geldende regeling, waardoor er geen aanleiding is voor nader onderzoek. De regeling uit het vigerende bestemmingsplan is ongewijzigd overgenomen in zowel de verbeelding als de planregels. Ruimtelijke kwaliteit Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen.

In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (artikel 22.7, Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29, Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee). De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de Welstandsnota Brielle Herziening 2018 van de voormalig gemeente Brielle, nu Voorne aan Zee. De Welstandsnota Brielle Herziening 2018, voormalig gemeente Brielle, hanteert een gebiedsgericht welstandsbeleid. Ieder deelgebied kent een specifieke samenhangend beoordelingskader. De locatie ligt binnen het welstandsgebied Brielle, Vesting. Het gebouw wordt getransformeerd tot appartementencomplex en er worden balkons, galerijen en tuinen mogelijk gemaakt. Deze ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de welstandscriteria voor het gebied Brielle, Vesting. Met de wijziging van het omgevingsplan voor het gebruik van de locatie voor wonen en de externe wijzigingen wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid voor welstand omdat met de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan, de beoogde ontwikkeling bij de aanvraag voor een bouwactiviteit zal worden beoordeeld als binnenplanse omgevingsplanactiviteit.

Op basis van artikel 22.26 van het omgevingsplan geldt hiervoor een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit op deze locatie wordt alleen verleend als op basis van artikel 22.29 sub b van het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota Brielle Herziening 2018. Zodoende borgt het omgevingsplan dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand.

50/104

Conclusie De ontwikkeling doet geen afbreuk aan cultuurhistorische, archeologische en landschappelijke waarden, met het overnemen van de cultuurhistorische en archeologische dubbelbestemmingen. Gelet hierop is in voldoende mate rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en is de ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregel in artikel 5.130 van het Bkl. Daarnaast blijven met de ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit en de stedenbouwkundige kernkwaliteiten ter plaatse van de locatie behouden. Hierdoor is de ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van paragraaf 7.3.7 van de omgevingsverordening Zuid-Holland.

5.9

Ladder voor duurzame verstedelijking

Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Toetsing Het plan is een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden worden 31 woningen extra mogelijk gemaakt. Het plan is gelet op de geldende jurisprudentie voldoende substantieel. Het plan ligt in stedelijk gebied gezien de huidige stedelijke functie (maatschappelijk en de ligging in het samenstel van bebouwing met andere stedelijke functies).

51/104

Er zal in de toekomstige situatie gelet op de grote woningbehoefte geen sprake zijn van onaanvaardbare leegstand. Omdat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied, is hierna de woonbehoefte beschreven. Beschrijving woonbehoefte Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling bepaalt tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De begrenzing van de regio is dus afhankelijk van de aard en omvang het programmaonderdeel dat als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Bij dit plan ziet het programma volledig op wonen. Voor wonen is de regio Rotterdam en daarbinnen de gemeente Voorne aan Zee het relevant gebied waartoe de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De (kwalitatieve en kwantitatieve) woningbehoefte blijkt uit diverse bronnen: Wonen, Welzijn, Zorgvisie 2024-2030 (2024) De ambitie is dat iedereen in Voorne aan Zee volwaardig deel kan uitmaken van de inclusieve samenleving, een samenleving waarin alle mensen kunnen meedoen. Zelfstandig kunnen wonen in een voor hen geschikte woning en woonomgeving. En dat ze kunnen terugvallen op goed georganiseerde ondersteuning en zorg. Een passende woning voor iedereen is een van de speerpunten.

Bij nieuwbouw gaat het om:  Versnellen van de bouw;  Aanmerkelijk deel nieuwbouw moet bestaan uit levensloopbestendige woningen;  Tenminste 1 nieuwe geclusterde woonvorm in elk dorp; stimuleren en ondersteunen kansrijke initiatieven;  Flexwonen voor verschillende doelgroepen;  Uitbreiden sociale woningvoorraad naar 30%;  Voldoende woningen realiseren voor aandachtsgroepen. Doordat een groot deel van de kwetsbare inwoners van Voorne aan Zee aanspraak maakt op een goedkope huurwoning, staat er de nodige druk op de jaarlijks vrijkomende goedkope huurvoorraad van de woningcorporaties. Dak- en thuisloze inwoners, (kwetsbare) jongeren, jongvolwassenen met een (licht) verstandelijke beperking en uitstromers uit zorginstellingen zijn niet de enigen voor wie de goedkope en betaalbare huur bereikbaar moet zijn. Deze groep heeft concurrentie van andere doelgroepen binnen de sociale huur, zoals mensen met een laag inkomen, vergunninghouders, starters en spoedzoekers. De druk op dit goedkope segment wordt nog groter door een sterkere inzet op extramuralisering. Toetsing Met dit plan wordt voorzien in levensloopbestendige woningen en wordt de voorraad sociale huurwoningen vergroot.

Woningbehoefteraming Zuid-Holland (WBR 2023) De provincie Zuid-Holland heeft onderzocht hoeveel extra woningen er in Zuid-Holland nodig zijn in de periode 2023 tot en met 2032 om in de verwachte vraag aan woningen te voorzien. Dat zijn er meer dan tot nu toe werd verwacht. Uit de provinciale woningbehoefteraming WBR 2023 blijkt dat in de die periode in de Rotterdamse regio behoefte is aan 71.000 woningen. De behoefte is zo groot dat het belangrijk is de bestaande regionale woningbouwprogramma's snel uit te voeren.

52/104

Daarvoor is belangrijk dat meer plannen 'hard' worden en woningen daadwerkelijk worden gebouwd. De provincie gaat hierover als sturende partij in gesprek met de vijf woondealregio's van Zuid-Holland. Daarbij wordt gekeken naar of de woningbouwplannen bijdragen aan het verhogen van de woningproductie. De provincie let er dan vooral op of er voldoende juiste woningen, op de juiste plek en het juiste moment worden gebouwd. De programmaruimte (130% om rekening te houden met planuitval en vertraging) is 92.300. Ook in de periode daarna is nog indicatief behoefte aan 41.200 woningen (2033 t/m 2042). Toetsing Er is sprake van een grote regionale woningbehoefte. Op deze vrijkomende locatie kunnen relatief snel woningen worden gerealiseerd. Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam (januari 2023) In de herijking van het Regioakkoord uit 2018 is afgesproken dat gemeente Voorne aan Zee zich inzet om tot en met 2030 5.080 woningen aan de voorraad toe te voegen, waarvan 32% sociaal (1.609), 23% middelduur (1.161) en 45% (2.310) in de dure categorie. Inclusief de sloopvoornemens neemt de totale voorraad naar verwachting toe met 5.050 woningen. Gemeente Voorne aan Zee zet zich in voor het toevoegen van 1.366 sociale corporatiewoningen. Het aantal particuliere sociale woningen neemt naar verwachting met 161 af. Per saldo neemt de sociale voorraad dan met 1.205 toe.

Per saldo worden in de gemeente voldoende sociale huurwoningen gerealiseerd. Deze zijn voor de provincie inzichtelijk gemaakt in het planregistratiesysteem. Gedeputeerde staten heeft ingestemd met het regionaal woningbouwprogramma bij het regioakkoord 2022 (brief 24 januari 2023 met kenmerk PZH-2022-820296655). Hierin is aangegeven dat vrijwel alle locaties uit het regionale woningbouwprogramma voldoen aan het omgevingsbeleid. Gedeputeerde staten roept de regio op om in de komende periode actie te ondernemen op het verhogen van het aandeel sociaal/middelduur naar minimaal 1/3e sociaal en minimaal 2/3e betaalbaar. Het is daarbij niet de bedoeling om bestaande vastgelegde afspraken teniet te doen, maar deze kunnen mogelijk wel worden bijgesteld. Ook moeten zo spoedig mogelijk zachte plannen hard gemaakt worden en harde plannen worden gerealiseerd. Toetsing Met dit nieuwe plan wordt ingezet op toename van de woningvoorraad en specifiek op betaalbaar (sociale en middenhuur). Hiermee wordt invulling gegeven aan de regionale afspraken. Regionale Realisatie Agenda 2022 De vraag naar woningen is groot, het aanbod beperkt. Het oplossen van het woningentekort vraagt om de bouw van nieuwe woningen. Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht wordt door de Rijksoverheid met “Programma Woningbouw” nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030.

ZuidHollandse bestuurders en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hebben de regionale realisatieagenda's, ook wel woondeals genoemd, ondertekend. Daarmee spreekt Zuid-Holland de ambitie uit om in de periode 2022 tot en met 2030 ruim 235.000 woningen te bouwen.

53/104

Er is grote behoefte aan betaalbare woningen in Nederland en Zuid-Holland. Om aan te sluiten bij die behoefte streven Rijk, provincie en gemeenten ernaar dat tweederde van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Hierbij wordt in 2023 verder bekeken hoe deze opgave past bij de lokale situatie. Onder het betaalbare segment vallen: huurwoningen onder liberalisatiegrens, door woningbouwcorporatie te bouwen sociale huurwoningen, huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot maximaal €1.000 per maand (prijspeil 2022) en koopwoningen tot €355.000. Toetsing In dit plan wordt gelet op de grote behoefte aan betaalbare woningen ingezet op het toevoegen van sociale en middenhuur woningen. Conclusie De ontwikkeling van het plan geeft invulling aan de behoefte van betaalbare woningen, namelijk betaalbare huurwoningen. Ook in kwantitatieve zin sluit het programma aan op het Regioakkoord waarin de gemeente Voorne aan Zee 5.080 woningen aan haar voorraad moet toevoegen. De behoefte blijkt ook uit prognose (WBR 2023) waarin de regionale behoefte op 71.000 woningen is geraamd. Met de transformatie van een vrijkomende functie, wordt leegstand tegengegaan. Uit het bovenstaande volgt dat het plan voldoet aan de voorwaarden van de ladder voor duurzame verstedelijking conform Artikel 5.129g Bkl.

5.10 Geur Algemeen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.6 instructieregels voor geur. Op basis van artikel 5.92, eerste lid, van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:  bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;  bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. De gemeente moet dus overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Daarnaast voorziet een omgevingsplan erin dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Toetsing en conclusie Met de ontwikkeling worden geen geurveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt. Er wordt met de ontwikkeling wel een geurgevoelige gebouw toegestaan. Onderzocht is of er sprake is van geur door activiteiten op de beoogde geurgevoelige gebouwen. Dit is niet aan de orde. Er zijn geen veehouderijen in de buurt van de planlocatie. Ook bevinden zich geen andere bedrijven in de omgeving van de planlocatie die geurhinder tot gevolg hebben. Zodoende is geen geurhinder op een geurgevoelig gebouw. Gelet hierop is in voldoende mate rekening gehouden met de instructieregel in artikel 5.92 van het Bkl in de paragraaf over geur.

De realisatie van de woningen op de planlocatie is gelet op het aspect geur aanvaardbaar.

54/104

Op de website van DCMR wordt op basis van de vergunde activiteiten in het Rijnmond gebied inzicht gegeven in de cumulatieve geurbelasting. Uit deze informatie (zie onderstaande uitsnede) blijkt dat binnen de kern Brielle de geurbelasting tussen de 0,5 en 1,0 odour units is gelegen. Onder de 0,5 odour units is geen sprake van geurhinder en boven de 5,0 odour units is sprake van ernstige geurhinder. Binnen de planlocatie kan afhankelijk van windrichtingen sprake zijn van kans op geurwaarneming door industriële activiteiten en is enige hinder niet volledig uitgesloten. Gezien de geurbelasting tussen de 0,5 en 1,0 odour units is echter geen sprake van een onaanvaardbare geurhindersituatie die een belemmering oplevert voor de beoogde herontwikkeling.

Figuur 5.10.1 Uitsnede cumulatieve geurbelasting op basis van vergunde activiteiten DCMR

5.11 Duurzaamheid Algemeen Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. Beoordeling en conclusie Na de fusie van voormalige gemeentes Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne tot Voorne aan Zee heeft het voormalige stadskantoor van Brielle haar functie grotendeels verloren. Er is voor gekozen om het gebouw niet te slopen, maar te transformeren en renoveren tot appartementencomplex. Door te kiezen voor renovatie hoeven er minder bouwmaterialen gebruikt te worden, want bestaande materialen worden opnieuw gebruikt, maar dan nu voor een ander doel. Daarnaast worden de woningen aardgasvrij gerealiseerd, wordt het pand voorzien van zonnepanelen en voldoet deze aan laatste kwaliteitsvereisten waardoor deze zuinig met energie zijn. Er is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

55/104

5.12 Gezondheid Algemeen Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Beoordeling Bereikbaarheid De bereikbaarheid van de planlocatie is goed, met voldoende aansluiting op belangrijke verkeerswegen en openbaar vervoer, wat zorgt voor gemakkelijke toegang voor bewoners en bezoekers. Dit draagt bij aan een gezonde leefomgeving door het stimuleren van actieve mobiliteit, zoals fietsen en wandelen. Voorzieningen Op korte afstand van de planlocatie bevinden zich diverse voorzieningen, zoals winkels, scholen en openbaar vervoer. Door deze nabijheid worden lopen en fietsen gestimuleerd, wat bijdraagt aan een gezonde en actieve leefstijl van bewoners en gebruikers. Dit ondersteunt het streven naar een duurzame, leefbare en gezonde omgeving. Luchtkwaliteit Uit de gegevens van het CIMLK blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden.

De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden geactualiseerd;, de huidige advieswaarden bedragen 10 µg/m³ voor NO2, 15 µg/m³ voor PM10 en 5 µg/m³ voor PM2,5. Met name de concentraties fijn stof zijn van belang met het oog op de mogelijke gezondheidseffecten. Deze advieswaarden zijn geen harde grenzen maar doelen waar op langere termijn naar toegewerkt zou moeten worden. De concentraties ter hoogte van het plangebied zijn hoger dan deze advieswaarden. Dit wordt veroorzaakt door de achtergrondconcentratie (en dit geldt daarmee niet alleen voor het plangebied, maar voor de hele regio). De bijdrage van de lokale bronnen aan de optredende concentraties is beperkt. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de planlocatie toe te delen. Hittestress Ter plaatse van de planlocatie is in beperkte mate sprake van het stedelijk hitte-eiland-effect, met een temperatuurtoename van circa 0,5 °C ten opzichte van het omliggende buitengebied. Ter plaatse van de planlocatie is daarom zeer beperkt sprake van een toename van het stedelijk-hitte-eiland-effect. Daarnaast is met de beoogde ontwikkeling sprake van een afname aan verhard oppervlakte. Deze afname draagt bij aan een verbeterde waterinfiltratie, vergroening en een lagere opwarming van de omgeving.

Hierdoor levert de ontwikkeling een positieve bijdrage aan het verminderen van de kans op hittestress in het gebied.

56/104

Figuur 5.12.1 Uitsnede Klimaateffectatlas Provincie Zuid-Holland Lood-in-bodem Op basis van het verkennend bodemonderzoek is geconcludeerd dat er voldaan wordt aan het Bkl, zie paragraaf 5.7 Bodemkwaliteit en Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek. Daarnaast voldoet het gemiddelde loodgehalte aan de GGD-advieswaarden voor voldoende bodemkwaliteit. Er kan dus geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit goed is. Geluid Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is geconcludeerd dat voldaan wordt aan het Bkl, zie paragraaf 5.5 Geluid door activiteiten, paragraaf 5.6 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en Bijlage 1 Akoestisch onderzoek. Door de GGD worden strengere gezondheidskundige richtwaarden gehanteerd dan de wettelijke normen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor wegverkeerslawaai geldt vanuit de GGD een maximale advieswaarde van 55 dB Lden. Op de planlocatie is sprake van een vastgestelde geluidbelasting van 57 dB Lden, wat hoger is dan de GGD-richtwaarde, maar binnen de grenswaarden van het Bkl valt. Zoals toegelicht in het akoestisch onderzoek, is het vanwege stedenbouwkundige, cultuurhistorische en financiële overwegingen niet mogelijk om de geluidbelasting op de gevel te reduceren.

Om desondanks een goed akoestisch binnenklimaat te waarborgen, zullen doelgerichte bouwkundige maatregelen worden getroffen, bijvoorbeeld in de vorm van geluidswerende gevels of aangepaste ventilatievoorzieningen. Hoewel niet wordt voldaan aan de GGD-advieswaarde, wordt wel voldaan aan de geldende wettelijke normen. Daarmee is de ontwikkeling juridisch-planologisch aanvaardbaar, mits de genoemde maatregelen worden uitgevoerd.

57/104

Conclusie Vanuit de omgevingsaspecten is er sprake van een evenwichtige toedeling vna functeis aan locaties. Er kan namelijk niet overal aan de gewenste advieswaarden voldaan worden. Wel wordt aan alle wettelijke normen en richtlijnen voldaan en is voor het aspect gezondheid uitvoerbaar. Alle noodzakelijke maatregelen worden getroffen om de gezondheidssituatie te waarborgen en mogelijke negatieve gevolgen zo veel mogelijk te voorkomen. Hierdoor kan worden gesteld dat er sprak is van etfal vanuit gezondheidsperspectief.

5.13 Mobiliteit en parkeren Algemeen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Ook de omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema mobiliteit en parkeren. Wel dient op basis van de instructieregel uit de Zuid-Hollandse omgevingsverordening (artikel 7.54c) de bereikbaarheid van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen beschouwd te worden. Ook dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid van het omliggende wegennet. Beoordeling Verkeer Verkeersgeneratie Op basis van de huidige planologische regeling zijn ter plaatse van de bestemming 'Maatschappelijk' meerdere functies mogelijk, namelijk: bibliotheken, openbare dienstverlening, gezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs, peuterspeelzalen, sociale en welzijnsvoorzieningen en verenigingsleven. Deze huidige functies hebben een hogere verkeersgeneratie dan de toekomstige functie.

Voor het inzichtelijk maken van de verkeersgeneratie in de huidige situatie is gebruikgemaakt van de kengetallen behorende bij de functiecategorie ‘Kantoor met baliefunctie’, aangezien deze het meest representatief is voor het stadskantoor. De verkeersgeneratie is op basis van de kengetallen van CROW 744 berekend. Voor de stedelijkheidsgraad, ligging en bandbreedte bepaling is Nota parkeernormen gemeente Voorne aan Zee aangehouden. Voor de planlocatie is sprake van een matig stedelijk, ligging centrum en de gemiddelde bandbreedte wordt toegepast. In onderstaande tabellen is inzichtelijk gemaakt wat op basis van de planologische mogelijkheden de verkeersgeneratie in de huidige situatie en de toekomstige situatie zijn. Tabel 5.13.1 Verkeersgeneratie huidige situatie Functie Kantoor met baliefunctie

58/104

Kengetal per 100 m² bvo

Aantal m² bvo 9,6

Totaal 3.595 m²

345,12

Tabel 5.13.2 Verkeersgeneratie toekomstige situatie Functie

Kengetal per woning

Aantal woningen

Totaal

Huur, appartement, sociale huur, 75 - 100 m² BVO

2,5

10

25,0

Huur, appartement, vrije sector, 75-100 m² BVO

2,9

21

60,9

31

85,9

Totaal

In bovenstaande tabellen is inzichtelijk gemaakt dat er er sprake is in een afname van verkeersgeneratie in de toekomstige situatie, ten opzichte van de huidige situatie. Er is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Parkeren De parkeereis is op basis van Nota parkeernormen gemeente Voorne aan Zee bepaald. Voor de planlocatie is sprake van een matig stedelijk, ligging centrum en de gemiddelde bandbreedte wordt toegepast. In onderstaande tabellen is inzichtelijk gemaakt wat de parkeereis in de toekomstige situatie is. Tabel 5.13.3 Normatieve parkeerbehoefte

Tabel 5.13.4 Aanwezigheidspercentages parkeerbehoefte

Parkeeronderzoek (uitgevoerd in maart 2025) in de omgeving van het voormalig stadskantoor toont aan dat de parkeerdruk op het maatgevend moment boven de 85% ligt. Daarmee kan er geen gebruik gemaakt worden van bestaande parkeercapaciteit, maar moet alle benodigde parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd worden. Op basis van tabel 5.13.3 en 5.13.4 is geconcludeerd dat het maatgevende moment de werkdagavond betreft. Er is dan een parkeereis van 30 parkeerplaatsen. De beoogde ontwikkeling voorziet in het toevoegen van 30 parkeerplaatsen. Een gedeelte van deze parkeerplaatsen zullen gedeeltelijk inpandig op de begane grond worden gerealiseerd. Er wordt daarmee voldaan aan de parkeereis.

59/104

Figuur 5.13.1 Impressie te realiseren parkeerplaatsen Fietsparkeren Parkeergelegenheid voor fietsen van bewoners wordt gerealiseerd in het gebouw. Alle appartementen hebben namelijk beschikking over een berging om fietsen in te stallen. Voor bezoekers wordt in de ruimte rondom het gebouw gekeken of ruimte beschikbaar is om een aantal fietsparkeerplaatsen te creëren. Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

60/104

5.14 Ecologie: gebiedsbescherming Algemeen Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Verder dient op basis van hoofdstuk 10 Bkl artikel 10.24 aangetoond te worden dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Beoordeling De planlocatie is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Voornes Duin ligt op circa 4,7 kilometer, zie figuur 5.14.1. De planlocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde onderdelen van Natuurnetwerk Nederland (NNN) bevinden zich op circa 1,2 kilometer.

Figuur 5.14.1: Ligging planlocatie (gemarkeerd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden

61/104

Figuur 5.14.2 : Ligging planlocatie (gemarkeerd) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland Stikstof In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is onderzocht welke effecten de ontwikkeling heeft op Natura 2000-gebieden. Ter onderbouwing is een stikstofberekening uitgevoerd, waarin zowel de bouwfase als de gebruiksfase van het plan zijn meegenomen. Het stikstofonderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat in Natura 2000-gebieden geen toename van stikstofdepositie optreedt als gevolg van de ontwikkeling, zowel tijdens de bouwfase als in de gebruiksfase (0,00 mol/ha/jaar). De uitvoering van het plan leidt derhalve niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Voor de uitvoering van het plan is geen vergunning- of meldplicht vereist met betrekking tot stikstofdepositie. Conclusie Aangetoond is dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet aantast, hiermee voldoet de ontwikkeling aan artikel 10.24 Bkl.

62/104

5.15 Ecologie: soortenbescherming Algemeen Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op de flora en fauna. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom noodzakelijk om een quickscan uit te voeren om de aanwezigheid van en de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te bepalen. Hieronder worden de bevindingen van de quickscan beschreven. Beoordeling Ecologische quickscan De bebouwing in de planlocatie wordt volledig gerenoveerd. Om de potentiële gevolgen voor beschermde soorten te onderzoeken is er een ecologische quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd door Van der Goes en Groot op 17 juni 2024 en is opgenomen in Bijlage 4. Onderstaand betreft een samenvatting van het onderzoek. 

 

Het onderzoek concludeert dat van de grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus en Sperwer). Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Uit het onderzoek blijkt dat er vervolgonderzoek benodigd is ten aanzien van verblijvende vleermuizen. Het gaat hier om de volgende soorten: 'Gewone dwergvleermuis', 'Ruige dwergvleermuis' en 'Laatvlieger'. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk.

Wordt tijdens dit vervolgonderzoek volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstand-aarden en/of kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een vergunningsaanvraag flora en faunaactiviteit bij Provincie Zuid-Holland te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.

Vervolgonderzoek naar deze genoemde beschermde soorten is noodzakelijk en is in uitvoering. Gekeken naar deze soorten kan met inachtneming van eventueel benodigde mitigerende en compenserende maatregelen in alle redelijkheid worden verwacht dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit verleend zal worden, mocht een soort tijdens de uitvoering van het vervolgonderzoek daadwerkelijk aangetroffen worden.

63/104

Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat mogelijk sprake is van een effect op verblijvende vleermuizen, hierdoor is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. De beoogde renovatie kan pas worden uitgevoerd nadat het vervolgonderzoek is afgerond en hieruit blijkt dat gevolgen voor beschermde flora en fauna kunnen worden uitgesloten of dat de omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit is verleend. Voor de andere soorten kan met maatregelen en het werken buiten de broedperiode, overtreding worden voorkomen en zijn geen aanvullende handelingen nodig. Indien de eventuele aanvullende maatregelen in acht worden genomen, draagt de ontwikkeling voor het aspect ecologie soortenbescherming bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Indien niet aan deze maatregelen kan worden voldaan is de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit nodig.

64/104

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn; en 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn.

6.1

Financiële uitvoerbaarheid

Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. De ontwikkeling ziet toe op de transformatie van het stadskantoor door Woonbedrijf Voorne aan Zee. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan het eerste vereiste voldaan.

6.2

Kostenverhaal

Indien nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt is kostenverhaal aan de orde. Een plan is financieel onuitvoerbaar als het kostenverhaal van door het plan mogelijk gemaakte kostenverhaalplichtige bouwactiviteiten en gebruikswijzigingen als aangewezen in artikel 8.13 Omgevingsbesluit niet is geregeld. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op een transformatie van een stadskantoor naar maximaal 31 woningen. De beoogde ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. In dit geval is de gemeente Voorne aan Zee eigenaar van de gronden waar de kostenverhaalplichtige activiteit plaatsvindt. Omdat de gemeente zelf alle gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk wordt gemaakt in eigendom heeft, is kostenverhaal niet aan de orde. In het geval dat de gemeente zelf exploitant is, blijven de kosten voor rekening van de gemeente. De kosten worden met de opbrengsten uit de grondexploitatie verevend of de gemaakte kosten worden bij grondverkoop via de grondprijs verhaald.

Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

65/104

66/104

Hoofdstuk 7

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In dit hoofdstuk wordt onderbouwd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het relevante beleidskader en de relevante omgevingsaspecten en andere thema's zijn onderzocht. In hoofdstuk 4 en 5 zijn de toetsing aan het beleidskader en de relevante beoordelingsregels beschreven. Hieruit volgt of de ontwikkeling bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.1

Samengevat

Op basis van de beleidstoets, de onderbouwing van het beoordelingskader en de daaruit voortvloeiende belangenafweging, moeten voor de aspecten bodem en geluid aanvullende bepalingen worden opgenomen, eventuele maatregelen worden genomen of worden voldaan aan gestelde voorwaarden om te voldoen aan het beleid en de instructieregels.  Om voor het aspect bodem overeen te stemmen met de instructieregels van het Bkl is een aanvullende bepaling opgenomen in de regels: Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk groter dan 50 m2, voor zover in de bruidsschat als vergunningvrij bouwwerk aangewezen, is een vergunningplichtige activiteit. Voor de bouw van een bijbehorend bouwwerk groter dan 50 m2 wordt door een aanvulling van de bruidsschat een vergunningplicht opgenomen.  Om voor het aspect geluid overeen te stemmen met de instructieregels van het Bkl en het gemeentelijk geluidbeleid zijn aanvullende bepalingen opgenomen in de regels. Zo is het gezamenlijk geluid vastgelegd op 57 dB.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16517680/2