Bijlage 1 TAM-omgevingsplan Slagveld 36 motivering en regels
Tekst van het document
TAM-OMGEVINGSPLAN H22F SLAGVELD 36 Gemeente Voorne aan Zee
1/3
DATUM IMRO IDN
13 januari 2026 NL.IMRO.1992.slagveld36-0130
PROJECT PROJECTLEIDER
Brielle - Slagveld 36 ir. R.A. Sips
OPDRACHTGEVER Woonbedrijf Voorne aan Zee PROJECTNUMMER 20240843 AUTEUR STATUS
2/3
M. de Jong, D. Greguss, B. de Groot Ter vaststelling
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave
Motivering Hoofdstuk 1
Inleiding
11
1.1
Aanleiding
11
1.2
Ligging locatie wijziging omgevingsplan
11
1.3
Procedure
12
1.4
Leeswijzer
12
Beschrijving van het plan en de omgeving
13
2.1
Huidige situatie
13
2.2
Toekomstige situatie
17
2.3
Strijdigheden omgevingsplan
19
2.4
Milieueffectrapportage
20
Participatie
21
3.1
Algemeen aanvraagvereiste participatie
21
3.2
Vooroverleg
21
3.3
Zienswijzen
23
Beleidskader en toetsing daaraan
25
4.1
Inleiding
25
4.2
Rijk
25
4.3
Provincie
26
4.4
Gemeente Voorne aan Zee
27
4.5
Waterbeheerprogramma 2022-2027
28
Beoordelingsregels waaronder instructieregels
31
5.1
Inleiding
31
5.2
Waarborgen van de veiligheid
34
5.3
Beschermen van de waterbelangen
38
5.4
Kwaliteit van de buitenlucht
40
5.5
Geluid door activiteiten
41
5.6
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
42
5.7
Bodemkwaliteit
45
5.8
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
47
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
3/106
5.9
Ladder voor duurzame verstedelijking
51
5.10
Geur
54
5.11
Duurzaamheid
55
5.12
Gezondheid
56
5.13
Mobiliteit en parkeren
58
5.14
Ecologie: gebiedsbescherming
61
5.15
Ecologie: soortenbescherming
63
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
65
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
65
6.2
Kostenverhaal
65
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
67
7.1
Samengevat
67
7.2
Conclusie
67
Hoofdstuk 7
Bijlagen
4/106
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 3
Parkeeronderzoek
Bijlage 4
Stikstofonderzoek
Bijlage 5
Quickscan soortenbescherming
Bijlage 6
Nota Beantwoording zienswijzen
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
85
Artikel 1
Aanvullende begripsbepalingen
85
Artikel 2
Toepassingsbereik
88
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
89
Artikel 4
Algemeen gebruiksverbod
90
Regels voor functies en activiteiten
91
Artikel 5
Tuin
91
Artikel 6
Verkeer
92
Artikel 7
Wonen
93
Artikel 8
Waarde - Archeologie - 3
96
Artikel 9
Waarde - Cultuurhistorie - 1
98
Artikel 10
Waarde - Cultuurhistorie - 2
100
Hoofdstuk 3
Algemene regels
101
Artikel 11
Anti-dubbeltelregel
101
Artikel 12
Algemene bouwregels
102
Artikel 13
Algemene aanduidingsregels
103
Artikel 14
Overige regels
104
Artikel 15
Aanvraagvereisten
105
Hoofdstuk 2
5/106
6/106
Preambule Dit plan beoogt een woonfunctie mogelijk te maken op de locatie Slagveld 36 te Brielle waarbij zowel intern als extern moet worden verbouwd. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22f' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22f' gelezen worden.
7/106
8/106
MOTIVERING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan Slagveld 36 in Brielle (gemeente Voorne aan Zee) is beoogd het (voormalige) stadskantoor te wijzigen naar maximaal 31 huurwoningen. Van deze 31 sociale huurwoningen is minimaal 30% sociaal. De overige woningen betreffen middenhuur woningen. De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee. Het realiseren van woningen in en tuintjes bij het stadskantoor en de (delen van de) herinrichting van parkeervoorzieningen zijn niet toegestaan op basis van bestemmingsplan 'Vesting', welke deel uitmaakt van het omgevingsplan. Er is voor gekozen om de ontwikkeling mogelijk te maken via een wijziging van het omgevingsplan in het TAM-IMRO format (bestemmingsplan-variant). Deze wijziging van het omgevingsplan dient te voldoen aan de instructieregels van Rijk en de provincie Zuid-Holland. Er dient sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en er dient voldaan te worden aan het beleid van Rijk, provincie Zuid-Holland en gemeente Voorne aan Zee. De voorliggende motivering voorziet daarin en is onderdeel van het wijzigingsbesluit. In de planregels en op verbeelding worden de nieuwe activiteiten vastgelegd.
1.2
Ligging locatie wijziging omgevingsplan
Het omgevingsplan van gemeente Voorne aan Zee wordt gewijzigd op locatie Slagveld 36. De locatie waarop de beoogde ontwikkeling betrekking heeft, onderdeel van de volgende percelen: perceel 3866, sectie B, Kadastrale Gemeente Brielle; perceel 3893, sectie B, Kadastrale Gemeente Brielle; perceel 5028, sectie B, Kadastrale Gemeente Brielle; en perceel 5031, sectie B, Kadastrale Gemeente Brielle. In figuur 1.2.1 is de ligging van de planlocatie weergeven.
11/106
Figuur 1.2.1 Ligging planlocatie
1.3
Procedure
Er is een wijzigingsbesluit opgesteld omdat wonen in het omgevingsplan niet mogelijk is op de desbetreffende locatie. Er is gekozen om met het wijzigen van het omgevingsplan gebruik te maken van het format TAM-IMRO. Aangezien er nog geen beschikking is over een casco en/of regelbibliotheek, wordt het TAM-omgevingsplan opgesteld volgens de bestemmingsplanvariant.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van de feitelijk bestaande activiteiten en aanwezige bebouwing op de locatie. De toekomstige situatie beschrijft het initiatief voor de planlocatie en de strijdigheden met het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe participatie heeft plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen aan de voorgenomen inrichting van de percelen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 en 5 het plan getoetst aan het relevante beleidskader en het beoordelingskader inclusief instructieregels van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ook wel afgekort als etfal).
12/106
Hoofdstuk 2
Beschrijving van het plan en de omgeving
2.1
Huidige situatie
2.1.1
Feitelijke situatie
Omgeving planlocatie De planlocatie ligt in het oostelijke deel van de historische binnenstad van Brielle. In figuur 2.1.1 is de ligging van de planlocatie weergeven.
Figuur 2.1.1 Ligging planlocatie in Brielle Ten westen grenst de planlocatie aan de straat Slagveld. Achter deze straat ligt een van de grachten van Brielle, waarachter woningen staan. Ten noorden van de planlocatie is een woonzorghuis voor ouderen met een zorgindicatie voor somatische zorg. Achter dit woonzorghuis zijn grondgebonden eengezinswoningen te vinden. In de oksel van het gebouw ligt een parkeerplaats. De overige gronden ten oosten en ten zuiden worden getypeerd door grondgebonden eengezinswoningen.
13/106
Figuur 2.1.2 Planlocatie in de omgeving Feitelijke situatie planlocatie In de huidige situatie is de planlocatie gekenmerkt door het (voormalige) stadskantoor. Het stadskantoor is de functie grotendeels verloren door de verplaatsing van de kantoorplaatsen naar het gemeentehuis in Hellevoetsluis. In de huidige situatie wordt het gebouw nog gebruikt als vergaderlocatie en is er een gemeenteloket voor burgerzaken aanwezig. Daarnaast maken er gronden rondom het stadskantoor deel uit van de planlocatie. Stadskantoor Het stadskantoor bestaat hoofdzakelijk uit drie bouwlagen en er is een kleine ruimte op de vierde bouwlaag. De derde bouwlaag onderscheidt zich van de eerste en tweede bouwlaag door een architectonische inspring en een verandering van materiaalkeuze. Daarnaast maakt de kap onderdeel uit van de derde bouwlaag. Bovenop de derde bouwlaag, bij de knik van het gebouw, is een ruimte van circa 15 m² aanwezig. Deze ruimte is net als de andere verdiepingen bereikbaar met de lift. Naast deze ruimte is een antenne aan de liftschacht bevestigd. Onder een deel van het gebouw is ook een ondergrondse kelder aanwezig. De entree van het stadskantoor is aan de zijde van Slagveld. Daarnaast zijn er nog enkele toegangen aan de zijkanten en achterzijde van het gebouw.
14/106
Figuur 2.1.3 Aanzicht planlocatie bezien vanaf de noordwestelijke punt (Slagveld)
Figuur 2.1.4 Aanzicht planlocatie bezien vanaf de zuidwestelijke punt (Slagveld) Overige gronden binnen planlocatie De gronden welke deel uitmaken van de planlocatie en geen onderdeel zijn van het stadskantoor zijn bijna allemaal verhard of hebben een groene inrichting. Aan de achterzijde van het gebouw is gedeeltelijk sprake van een verhoogd 'terras'. Deze ligt op eenzelfde hoogte als het maaiveld aan de voorzijde van het gebouw.
15/106
2.1.2
Mogelijkheden omgevingsplan
Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee Op dit moment staan de regels nog op verschillende plaatsen, te weten in: a. de besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder: 1. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening; 2. een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet; 3. een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij; 4. een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening; b. de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet; c. de bruidsschat (zie artikel 22.1 van de Omgevingswet). Hierna wordt kort ingegaan op de onderdelen uit het omgevingsplan die van belang zijn voor het voorliggende initiatief. In paragraaf 2.3 wordt beschreven met welke regels van het omgevingsplan de ontwikkeling in strijd is. Ad a1. Het bestemmingsplan als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan Vesting dat op 1 februari 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Brielle en geheel onherroepelijk in werking is.
Ter plaatse van de planlocatie zijn de gronden aangewezen met de bestemmingen: Groen, Maatschappelijk en Verkeer. Ook zijn er drie dubbelbestemmingen aanwezig binnen de planlocatie: Waarde - Archeologie - 3, Waarde - Cultuurhistorie - 1 en Waarde - Cultuurhistorie - 2. Verder zijn er nog twee gebiedsaanduidingen ter plaatse van de planlocatie, namelijk geluidzone - industrie en vrijwaringszone molenbiotoop.
Figuur 2.1.5 Uitsnede bestemmingsplan Vesting
16/106
Daarnaast gelden ter plaatse van de planlocatie Paraplubestemmingsplan wonen en kamerverhuur (vastgesteld 27-10-2021 en onherroepelijk) en Parapluherziening Kamerverhuur Voorne aan Zee (vastgesteld 02-07-2024 en onherroepelijk). Ad a2, 3 en 4 verordeningen Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke archeologieverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater, mits de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld. In dit geval zijn de volgende verordeningen van toepassing: Verordening Fysieke Leefomgeving Voorne aan Zee; Verordening aansluitvoorwaarden riolering Voorne aan Zee 2023. Ad b. Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart De bodemkwaliteitskaart, bestaande uit een bodemfunctieklassenkaart, ontgravingskaart en toepassingskaart, is een door de gemeente vastgestelde kaart met daarop de bodemkwaliteit per gebied. De gemeente Voorne aan Zee heeft samen met omliggende gemeenten een Bodemkwaliteitskaart regio Voorne-Putten en een bodemfunctieklassenkaart, deze zijn opgenomen als bijlage 1 in de Nota Bodembeleid Regio Voorne-Putten. Op de bodemkwaliteitskaart ligt de planlocatie in zone A1, oude bebouwing. Op de bodemfunctieklassekaart ligt de planlocatie in een gebied dat de functieklasse 'Wonen' heeft.
De bodemkwaliteitszone van zowel de boven- als de ondergrond van het plangebied betreft eveneens oude bebouwing. Ad c. Bruidsschat In de bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De bruidsschat bevat onder andere voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1 Ontwikkeling Met de beoogde ontwikkeling worden woonactiviteiten, tuintjes en parkeervoorzieningen mogelijk gemaakt. Het gebouw gaat plaats bieden aan maximaal 31 huurwoningen, waarvan minimaal 30% sociaal. De overige woningen betreffen middenhuur woningen. De woningen zijn verdeeld over drie verdiepingen. Tevens wordt de bestaande ondergrondse ruimte in gebruik genomen als bergingen voor de woningen. Begane grond Op de begane grond worden circa 9 huurwoningen mogelijk gemaakt met een BVO van circa 60 m² tot 105 m². De woningen worden richting Slagveld en Zoutziederstraat georiënteerd. De woningen gelegen aan Slagveld krijgen een geveltuintje en de woningen aan de Zoutziederstraat een tuintje aan de binnenzijde van het pand. Daarnaast worden er balkons mogelijk gemaakt voor de woningen aan de kop aan de Zoutziederstraat. In de knik van het gebouw is het centrale stijgpunt naar bovenliggende bouwlagen. Dit centrale stijgpunt bevindt zich in de knik van het gebouw. Dit stijgpunt is te bereiken vanaf Slagveld en vanaf de achterzijde van het gebouw.
17/106
In het plan wordt voorzien in de realisatie van een parkeerkoffer, die zal worden ontsloten via de Warmoezenierstraat. Deze parkeervoorziening wordt deels gesitueerd binnen het bestaande gebouw.
Figuur 2.2.1 Impressie begane grond Eerste verdieping Op de eerste verdieping worden circa 11 huurwoningen mogelijk gemaakt met een BVO van circa 55 m² tot 90 m². De woningen zijn ontsloten door middel van een middengang aan de binnenzijde van het gebouw. De middengang staat in verbinding met het centrale stijgpunt en heeft daarnaast twee trappen aan de uiteinden van de middengang. De woningen op deze verdieping zullen beschikken over een balkon of loggia.
Figuur 2.2.2 Impressie eerste verdieping
18/106
Tweede verdieping De tweede verdieping zal plaats bieden aan circa 11 huurwoningen van circa 55 m² tot 90 m² BVO. De woningen zijn ontsloten door middel van een middengang. Aan de uiteinden van deze middengang zijn inpandige trappenhuizen te vinden. Ook deze woningen krijgen allen een balkon of loggia.
Figuur 2.2.3 Impressie tweede verdieping
2.3
Strijdigheden omgevingsplan
De beoogde ontwikkeling is in strijd met het omgevingsplan. De beoogde ontwikkeling voorziet namelijk in een woonfunctie, terwijl de planlocatie een maatschappelijke functie heeft. Met deze wijziging van het omgevingsplan komen alle ter plaatse geldende regels in het bestemmingsplan voor de locatie in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee te vervallen.
19/106
2.4
Milieueffectrapportage
Algemeen In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob).
Toetsing Kenmerken van het project Het plan omvat het mogelijk maken van 31 appartementen op een locatie waar in de huidige situatie het stadskantoor van Brielle gevestigd is. De ontwikkeling vindt plaats in bestaand stedelijk gebied. Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft de projectlocatie de bestemming 'Maatschappelijk', waar reeds een stedelijke functie is toegestaan. Plaats van het project De planlocatie ligt in stedelijk gebied. In de directe omgeving zijn zowel woningen als een mix aan functies aanwezig. De planlocatie is niet gelegen in een gebied met een beschermde status, zoals een grondwaterbeschermingsgebied of stiltegebied. Ook vormt de projectlocatie geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status (Natura 2000/NNN). Kenmerken potentiële effecten In Hoofdstuk 5 is geconcludeerd dat er geen sprake is van significant negatieve milieueffecten. Zo is bijvoorbeeld in paragraaf 5.6 geconcludeerd dat de geluidbelasting op de gevels de standaardwaarde overschrijden, maar niet de grenswaarde. Daarnaast is er geen sprake van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden en draagt de ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Als gevolg van de beoogde woningen is geen sprake van belangrijk nadelige effecten op het milieu en op de omgeving.
Conclusie Met de beoogde ontwikkeling is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarbij spelen ook de aard van de omgeving (woningen) en het feit dat de transformatie niet leidt tot een grotere impact op de omgeving een rol. Er is daarom geen sprake van een mer-beoordelingsplicht.
20/106
Hoofdstuk 3 3.1
Participatie
Algemeen aanvraagvereiste participatie
De gemeenteraad van de gemeente Voorne aan Zee heeft op 3 oktober 2023 een besluit genomen over het participatiebeleid. In de opvolgende jaren gaat de gemeente het participatiebeleid 'Samen aan zet' uitvoeren. Voor de beoogde ontwikkeling is een participatieaanpak vastgesteld in november 2024. De participatie ten behoeve van de herontwikkeling vindt plaats conform deze participatie aanpak. Zo zijn omwonenden via nieuwsbrieven geïnformeerd en is een informatieavond georganiseerd op 19 november 2025
3.2
Vooroverleg
In het kader van de te doorlopen procedure is het TAM-omgevingsplan voorgelegd aan overlegpartners. In deze paragraaf zijn de reacties van de overlegpartners behandeld. DCMR: Door de DCMR is aangegeven dat zij in kunnen stemmen met het TAM-omgevingsplan, mits de volgende punten verwerkt worden in het plan: Geluid door wegen: Op basis van het geluidbeleid van Brielle moet iedere woning beschikken over ten minste één geluidgevoelige ruimte die aan een geluidluwe gevel is gesitueerd. Deze voorwaarde dient opgenomen te worden in het TAM-IMRO plan. Deze voorwaarde is opgenomen in artikel 7.3.4 Beoordelingsregels bouwen geluidgevoelig gebouw. Ecologie: gebiedsbescherming De conclusie van de AERIUS-berekening is dat het beoogde plan geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar veroorzaakt op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden, en dat negatieve effecten daarmee zijn uitgesloten. Door de DCMR is vastgesteld dat voor de realisatiefase en het beoogde gebruik de emissiebronnen degelijk zijn gemotiveerd en correct gemodelleerd. Het is aannemelijk dat hiermee een goed beeld is gegeven van alle stikstofrelevante emissiebronnen en de effecten op de natuur. Echter is de AERIUS-berekening is uitgevoerd met een verouderde versie van de AERIUS-calculator. Het onderzoek dient te worden aangevuld met een berekening in de meest recente versie AERIUS.
In voorliggend plan is de AERIUS-berekening geactualiseerd naar AERIUS 2025.0.1. Op basis van deze berekening is nog steeds geen sprake van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar. GGD: De GGD concludeert dat het aspect gezondheid beperkt word behandeld in de motivering. Zij geven aan dat in 5.12 Gezondheid de volgende milieuaspecten mist: geluid, lood-in-bodem en hittestress. Na de reactie van de GGD zijn deze aspecten toegevoegd in paragraaf 5.12 Gezondheid.
21/106
Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond: De veiligheidsregio geeft aan akkoord te zijn met de beoogde ontwikkeling. Wel geven zij enkele aandachtspunten voor de uitwerking ten behoeve van de bereikbaarheid van hulpdiensten, bluswatervoorzieningen en waterveiligheid in het kader van klimaatbestendigheid. Bereikbaarheid In paragraaf 5.13 Mobiliteit en parkeren is geconcludeerd dat er sprake is van een verbeterde bereikbaarheid, omdat er een afname is van verkeersgeneratie. Bluswatervoorzieningen In de uitwerking van het ontwerp wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de realisatie van bluswatervoorzieningen, zodat hulpdiensten adequaat kunnen reageren. Waterveiligheid Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling worden passende maatregelen getroffen om wateroverlast te voorkomen. Wijzigingen in omgevingsplan Op basis van de vooroverlegreactie zijn verder geen wijzigingen doorgevoerd in het TAM-omgevingsplan. Provincie Zuid-Holland Het provinciale parkeerbeleid gaat uit van 0,7 parkeerplaats per sociale huurwoning, inclusief bezoekersparkeren. Hiervan kan afgeweken worden als uit lokaal autobezit blijkt dat er een hogere parkeernorm gewenst is. Op de locatie Slagveld 36 geeft lokale data aan dat het autobezit 0,8 auto per woning is en CROW geeft aan dat er 0,1 voor bezoekersparkeren gerekend kan worden.
Er blijft dan sprake van een overschot van 0,2 parkeerplaats per sociale huurwoning. De doelstelling van de betreffende bepaling in de provinciale omgevingsverordening is het voorkomen van een overschot aan parkeerplaatsen, met als doel de realisatiekosten van bouwprojecten te verlagen en zorgvuldig om te gaan met de beschikbare buitenruimte, mede vanuit het oogpunt van klimaatadaptatie en duurzaamheid. In de gemeente Voorne aan Zee zijn inwoners in sterke mate afhankelijk van de auto om volwaardig te kunnen deelnemen aan de maatschappij. Daarom is in dit geval aangesloten bij het gemeentelijke parkeerbeleid en de daarbij behorende kengetallen, in plaats van het provinciale beleid. Er worden niet méér parkeerplaatsen gerealiseerd dan noodzakelijk op basis van de berekende parkeerbehoefte. Ten tijde van de provinciale reactie lag dit anders. Met deze aanpak wordt enerzijds voldaan aan de gemeentelijke beleidskaders, en anderzijds zorgvuldig omgegaan met de beschikbare ruimte, waarbij een overmaat aan parkeerfaciliteiten wordt voorkomen.
22/106
3.3
Zienswijzen
Het ontwerp van het TAM-omgevingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode had iedereen de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Er is in deze periode één zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is samengevat, voorzien van een beantwoording en er is aangegeven welke wijzigingen in het TAM-omgevingsplan zijn doorgevoerd naar aanleiding van deze zienswijze. Daarnaast is toegelicht welke ambtshalve wijziging is doorgevoerd in het TAM-omgevingsplan. De Nota Beantwoording zienswijzen is bijgevoegd als Bijlage 6.
23/106
24/106
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader en toetsing daaraan
Inleiding
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 4.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 4.3. In paragraaf 4.4 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid. Tot slot wordt in paragraaf 4.5 het waterbeheerprogramma behandeld.
4.2
Rijk
4.2.1
Nationale omgevingsvisie
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: a. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; b. Duurzaam economisch groeipotentieel; c. Sterke en gezonde steden en regio's; d. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: a. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; b.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; c. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
25/106
Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de bredere opgave om steden en regio’s te versterken. Na de fusie van de voormalige gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne tot de gemeente Voorne aan Zee, heeft het stadskantoor in Brielle zijn oorspronkelijke functie grotendeels verloren. Tegelijkertijd is er sprake van een duidelijke woningbehoefte in Brielle. Door de herontwikkeling krijgt het voormalige stadskantoor een nieuwe, versterkte functie. Hiermee wordt niet alleen bijgedragen aan de kwalitatieve versterking van de vestingstad, maar ook aan het regionale woningaanbod.
4.3
Provincie
4.3.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerde versie 1 april 2023)
De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. Het beleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie heeft zeven vernieuwingsambities vastgelegd. Met deze zeven ambities maakt de provincie ruimte voor belangrijke ontwikkelingen rond participatie, bereikbaarheid, energie, economie, natuur, woningbouw en gezondheid en veiligheid. De zeven ambities zijn: 1. Samen werken aan Zuid-Holland; 2. Bereikbaar Zuid-Holland; 3. Schone energie voor iedereen; 4. Een concurrerend Zuid-Holland; 5. Versterken natuur in Zuid-Holland; 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland; 7. Gezond en veilig Zuid-Holland. Voor voorliggende ontwikkeling is vooral de uitwerking van de ambitie 'sterke steden en dorpen in Zuid-Holland' van toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe de provincie invulling geeft aan deze ambitie. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland Zuid-Holland staat voor de uitdaging om in het komende decennium 200.000 woningen te bouwen, een toename van meer dan 10% van de huidige woningvoorraad.
De focus ligt daarbij op het creëren van een evenwichtige woningvoorraad, met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op geschikte locaties. Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de vernieuwingsambities 6 en 7 uit de Omgevingsvisie. Het stadskantoor heeft haar functie grotendeels verloren door de fusie van voormalige gemeentes Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne. Met de beoogde ontwikkeling krijgt daarmee een bestaand gebouw een nieuwe invulling, waarmee Brielle als stad versterkt wordt. Daarnaast zullen de woningen voldoen aan de actuele eisen, inclusief hoge duurzaamheids- en comfortsnormen. Hierdoor zal sprake zijn van een goed binnenklimaat. Daarnaast is in hoofdstuk 5 geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en zo wordt er ook invulling gegeven aan vernieuwingsambitie 7.
26/106
Verder is één van de opgaven van de provincie om de woningvoorraad substantieel uit te breiden, zo ook in (sociale) huurwoningen (zie paragraaf 5.9). De beoogde ontwikkeling voorziet volledig in betaalbare, levensloopbestendige huurwoningen. De ontwikkeling draagt dus bij aan de provinciale opgave om de woningvoorraad uit te breiden én past binnen het provinciale beleid.
4.4
Gemeente Voorne aan Zee
4.4.1 Omgevingsvisie Voorne aan Zee 2040 De Omgevingsvisie Voorne aan Zee 2040 is op 17 april 2025 (geamendeerd) vastgesteld. De Omgevingsvisie van Voorne aan Zee beschrijft een langetermijnvisie voor de leefomgeving op hoofdlijnen. De visie bevat veel thema’s die allemaal betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zoals bijvoorbeeld klimaat, energie, natuur en landschap, gezondheid, mobiliteit, recreatie, bedrijvigheid, wonen en maatschappelijke voorzieningen. Ook de relaties tussen deze thema's met het sociale domein worden beschreven. In de visie heeft de gemeente negen centrale thematische opgaven uitgewerkt. Dit zijn de volgende opgaven: 1. Passend wonen voor iedereen; 2. Sociaal en leefbaar; 3. Gezond en veilig; 4. Natuurlijk; 5. Duurzaam en klimaatbestendig; 6. Cultureel en beleefbaar; 7. Recreatief en toeristisch; 8. Ondernemend; 9. Bereikbaar. Voor voorliggende ontwikkeling is de uitwerking van de thematische opgave 'passend voor iedereen' relevant. In de uitwerking van deze opgave is de gemeente onder andere tot de volgende standpunten gekomen: De gemeente heeft een focus op transformatie en verdichting. Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied (transformatie en verdichting) en eventueel in de stads- en dorpsranden heeft de prioriteit. De gemeente zet in op kwantitatieve woningbouw.
De gemeente Voorne aan Zee bouwt tot 2030 4.600 woningen conform de gesloten Woondeal. Daarnaast biedt de omgevingsvisie een gedegen gebiedsindeling met gebiedsgerichte uitwerking, zo ook voor Brielle. Toetsing In de gebiedsgerichte uitwerking voor Brielle is het stadskantoor aangewezen als kansrijke herontwikkelingslocatie. Specifiek wordt benoemd dat er met de herontwikkeling van het stadskantoor kansen liggen voor het huisvesten van ouderen met zorgvoorzieningen. Met de beoogde ontwikkeling worden maximaal 31 levensloopbestendige betaalbare huurwoningen gerealiseerd en wordt op deze potentiële kans uit de omgevingsvisie ingespeeld en wordt invulling gegeven aan opgave 1 en 2.
27/106
Daarnaast wordt ook invulling gegeven aan de opgaven 3, 5 en 9. Zo wordt er in paragraaf 5.12 ingegaan op gezondheid en in heel Hoofdstuk 5 op mogelijke milieueffecten. In paragraaf 5.3 en 5.11 op duurzaamheid en klimaatadaptatie en in paragraaf 5.13 op bereikbaarheid. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de omgevingsvisie van Voorne aan Zee. 4.4.2
Wonen Welzijn Zorgvisie
De gemeente Voorne aan Zee streeft naar een inclusieve samenleving waarin iedere inwoner zelfstandig en passend kan wonen, met toegang tot welzijn en zorg. De Wonen, Welzijn en Zorgvisie 2024–2030 vormt de leidraad voor deze ambitie en legt de nadruk op samenwerking, preventie en maatwerk. Voorne aan Zee wil een samenleving waarin iedereen mee kan doen. Dit betekent wonen in een geschikte en veilige woning, in een leefomgeving die uitnodigt tot ontmoeting en beweging. Ondersteuning en zorg moeten goed georganiseerd zijn, dichtbij en toegankelijk. De gemeente verbindt het sociaal en fysiek domein om deze doelen te realiseren. De visie benoemt specifieke opgaven voor de volgende doelgroepen: Ouderen; Jongeren; Dak- en thuislozen; Statushouders en vluchtelingen; Arbeidsmigranten; en Woonwagenbewoners; Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling worden 31 huurwoningen gerealiseerd. Deze woningen zijn onder andere bestemd voor de doelgroep jongeren, waarmee wordt ingespeeld op de grote behoefte aan betaalbare woonruimte voor starters in Brielle en omgeving. Daarnaast worden de woningen levensloopbestendig ingericht, zodat ook ouderen tot de beoogde doelgroep behoren. Daarmee draagt het plan bij aan een woonprogramma, passend binnen de gemeentelijke woonvisie en het streven naar gemengde wijken met ruimte voor verschillende levensfasen.
4.5
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Het waterschap Hollandse Delta beschikt over het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (vastgesteld 10 november 2021). In het Waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap de doelen die zij tijdens de planperiode 2022-2027 wil bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem en waterketen. Het waterschap zet in op toekomstbestendig waterbeheer. Het zet zich in om verdere klimaatverandering tegen te gaan en de omgeving tijdig aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Dit doet het waterschap door zelf haar eigen werkzaamheden zoveel mogelijk klimaatneutraal uit te voeren, gebieden klimaatbestendig en waterrobuust in te richten en door vergroening en biodiversiteit te stimuleren.
28/106
Het waterschap beschrijft drie ambities voor het waterbeheer: 1. Het beschermen en verbeteren van waterveiligheid Het waterschap biedt blijvende bescherming tegen overstromingen voor de burgers in haar gebied. Dit gebeurt robuust waar het moet, natuurlijk waar het kan en slim waar het loont. Het waterschap realiseert meerwaarde waar dat mogelijk is, maar doet hierbij geen concessies aan de veiligheid. 2. Het bieden van voldoende en schoon water Het waterschap zorgt voor genoeg water; niet te veel en niet te weinig. Ook zorgt het waterschap voor gezond water, dat bruist van leven. Water verbindt en is van meerwaarde voor natuur en mens, voor stad en platteland. 3. Het beschermen en verbeteren van de waterketen. Het waterschap draagt samen met de omgeving bij aan een circulaire waterketen met als doel een gezonde en duurzame leefomgeving. Toetsing en conclusie Het waterbeheerprogramma geeft sturing aan grote ontwikkelingen in het gebied. Voorliggende ontwikkeling is relatief klein. Hiermee ligt de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten van het waterbeheerprogramma. In paragraaf 5.3 is verder ingegaan op het aspect water en zo ook op verharding in de planlocatie.
29/106
30/106
Hoofdstuk 5 5.1
Beoordelingsregels waaronder instructieregels
Inleiding
Voor het beoordelen van de ontwikkeling in voorliggende motivering voor het besluit gelden verschillende beoordelingsregels. In dit hoofdstuk worden de instructieregels van het Rijk en de provincie behandeld. De instructieregels van het Rijk staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregels van de provincie staan in de provinciale omgevingsverordening. In onderstaande tabellen zijn alle instructieregels geanalyseerd en is aangegeven welke artikelen voor de ontwikkeling relevant zijn. In de paragrafen 5.2 tot en met 5.15 zijn de relevante instructieregels en de daarbijhorende omgevingsaspecten en andere thema's uitgewerkt. Tabel 5.1 Instructieregels Bkl Afdelingen en paragrafen (de ontwikkeling is op artikelniveau getoetst)
Relevant voor de ontwikkeling Ja of Nee
Afdeling 5.1 Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid
Ja, zie paragraaf 5.2 Waarborgen van de veiligheid
§ 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen
Ja, zie paragraaf 5.3 Beschermen van de waterbelangen
§ 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht
Ja, zie paragraaf 5.4 Kwaliteit van de buitenlucht
§ 5.1.4.2. Geluid door activiteiten
Nee, er is geen sprake van geluid door activiteiten in de omgeving van de planlocatie.
§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Ja, zie paragraaf 5.6 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
§ 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens
Nee, er zijn geen luchthavens aanwezig in de omgeving van de planlocatie.
§ 5.1.4.4. Trillingen
Nee, er zijn geen trilling veroorzakende activiteiten in de omgeving aanwezig.
§ 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines
Nee, er zijn geen windturbines in de omgeving aanwezig.
§ 5.1.4.5. Bodemkwaliteit
Ja, zie paragraaf 5.7 Bodemkwaliteit
§ 5.1.4.6. Geur
Nee, er zijn geen geurveroorzakende activiteiten in de omgeving aanwezig.
§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
Ja, zie paragraaf 5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
§ 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking
Ja, zie paragraaf 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking
31/106
§ 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies
Nee, er zijn geen reserveringen binnen de planlocatie opgenomen ten behoeve van behoud van ruimte voor toekomstige functies.
§ 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten
Nee, er zijn geen voorzieningen of infrastructuur aanwezig in de planlocatie.
§ 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken
Ja, zie paragraaf 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking
§ 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen
Ja, zie paragraaf 2.2.1 Ontwikkeling
Afdeling 5.2. Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving Artikel 5.163 voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen
Nee, geen hoofdspoorweginfrastructuur of rijkswegen aanwezig.
Artikel 5.164 lokale spoorwegen binnen vervoerregio's
Nee, geen lokale spoorwegen aanwezig.
Artikel 5.165 lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool
Nee, niet van toepassing.
Artikel 5.165a bebouwingscontour jacht
Nee, planlocatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied.
Artikel 5.165b bebouwingscontour houtkap
Nee, planlocatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied.
Afdeling 5.3. Ontheffing Artikelen opnemen waarvan ontheffing wordt verleend.
Nee, niet van toepassing
Tabel 5.2 Instructieregels Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Afdelingen en paragrafen (de ontwikkeling wordt op artikelniveau getoetst)
Relevant voor de ontwikkeling Ja of Nee
§ 7.3.2.1 Risicogebieden externe veiligheid
Nee
§ 7.3.2.2 Groepsrisicobenadering
Ja, zie paragraaf 5.2 Waarborgen van de veiligheid
§ 7.3.2.3 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas
Nee
§ 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes
Nee
§ 7.3.4 Waterkeringen
Nee
§ 7.3.5 Grondwaterkwaliteit
Ja, zie paragraaf 5.7 Bodemkwaliteit
§ 7.3.6 LiB-5 contour Schiphol
Nee
§ 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen
Ja, zie paragraaf 5.11 Duurzaamheid
§ 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit
Ja, zie paragraaf 5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
§ 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen
Ja, zie paragraaf 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking en paragraaf 5.13 Mobiliteit
32/106
en parkeren § 7.3.8a Wonen
Ja, zie paragraaf 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking
§ 7.3.9 Detailhandel
Nee
§ 7.3.10 Kantoren
Nee
§ 7.3.11 Bedrijven
Nee
§ 7.3.12 Glastuinbouwgebied
Nee
§ 7.3.13 Boom- en sierteeltgebied
Nee
§ 7.3.14 Bollenteeltgebied
Nee
§ 7.3.15 Agrarische bedrijven
Nee
§ 7.3.16 Natuurnetwerk Nederland
Nee
§ 7.3.17 Werelderfgoed
Nee
§ 7.3.18 Archeologie
Ja, zie paragraaf 5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
§ 7.3.19 Traditionele windmolens
Ja, zie paragraaf 5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
§ 7.3.20 Landgoederen en kastelen
Nee
§ 7.3.21 Energie
Nee
§ 7.3.22 Provinciale vaarwegen
Nee
§ 7.3.23 Recreatietoervaartnet
Nee
§7.3.23a Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden
Nee
§ 7.3.24 Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur)
Nee
§ 7.3.25 Ontheffing en afwijken
Nee
Tabel 5.3 Thema's in het kader van ETFAL Thema
Wettelijk kader
Relevant voor de ontwikkeling Ja of Nee
Gezondheid
§ 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's in het kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig.
Ja, zie paragraaf 5.12 Gezondheid
Gezondheidsrisico's vanwege veehouderijen
Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.
Nee
Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen
Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.
Nee
Mobiliteit en parkeren
Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.
Ja, zie paragraaf 5.13 Mobiliteit en parkeren
Natuurbescherming NNN
Afdeling 7.3 van het Bal.
Nee
33/106
Ecologie: gebiedsbescherming
Afdeling 11.1 van het Bal.
Ja,zie paragraaf 5.14 Ecologie: gebiedsbescherming
Ecologie: soortenbescherming
Afdeling 11.2 van het Bal.
Ja, zie paragraaf 5.15 Ecologie: soortenbescherming
Ecologie: houtopstanden
Afdeling 11.3 van het Bal.
Nee
Bezonning / schaduwhinder
Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.
Nee
Windhinder
Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.
Nee
Lichthinder
Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.
Nee
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.
Ja, zie paragraaf 5.11 Duurzaamheid.
5.2
Waarborgen van de veiligheid
Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.2. instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid. Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden met het belang van: Het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; De mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; De geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Omgevingsverordening Zuid-Holland In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland is in artikel 7.18 een specifieke instructieregel opgenomen ten behoeve van het waarborgen van de veiligheid. Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico) 1. In aanvulling op artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden voor een aandachtsgebied met verhoogd groepsrisico de volgende overwegingen betrokken in het omgevingsplan: a. mogelijkheden om de ruimtelijke ontwikkeling plaats te laten vinden buiten het aandachtsgebied; b. alternatieven met een lager groepsrisico; c. waardering van al bestaande bescherming, waaronder: 1°. in de wet- en regelgeving voorgeschreven basisvoorzieningen; 2°.
andere in het verleden getroffen maatregelen die gedeeltelijk of geheel bescherming bieden;
34/106
d. mogelijkheden tot aanvullende bescherming, waaronder: 1°. binnen het aandachtsgebied afstand houden tot de risicobron; 2°. aanvullende risicocommunicatie; 3°. beperking van personendichtheden in de omgeving van de risicobron; 4°. vlucht- en schuilmogelijkheden binnen het aandachtsgebied; 5°. treffen van omgevingsmaatregelen tussen de risicobron en bebouwde omgeving; 6°. aanvullende bouwmaatregelen; e. mogelijkheden om aan de risicobron maatregelen te treffen; f. door de veiligheidsregio geadviseerde maatregelen op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid; g. de aanwijzing van een brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied als brandvoorschriftengebied respectievelijk explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan wordt gemotiveerd op welke wijze de onderdelen, bedoeld in het eerste lid, zijn betrokken. Beoordeling De ontwikkeling is relevant voor omgevingsveiligheid, omdat het plan voorziet in het toelaten van woningen. Woningen zijn gedefinieerd als kwetsbare gebouwen als bedoeld in Bijlage VI bij het Bkl. Binnen de planlocatie worden geen activiteiten mogelijk gemaakt met een extern veiligheidsrisico. Gifwolkaandachtsgebied C. Steinweg Handelsveem B.V., Pier I.
De locatie ligt binnen gifwolkaandachtsgebieden van meerdere bedrijven vanuit Europoort. Binnen aandachtsgebieden moet de gemeente in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico (artikel 5.15 van het Bkl). Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Het RIVM heeft het handboek omgevingsveiligheid opgesteld met daarin een stappenplan besluitvorming groepsrisico. Dit stappenplan licht toe welke stappen het bevoegd gezag kan nemen in het bestuurlijke afwegingsproces om mens en milieu binnen aandachtsgebieden te beschermen en geeft daarmee invulling aan lid 2 van artikel 5.15, onderstaand loopt deze stappen langs. Afstand houden van het aandachtsgebied Het is niet mogelijk de beoogde ontwikkeling buiten het aandachtsgebied te plaatsen. Het verminderen van het aantal aanwezige personen is niet wenselijk vanuit stedenbouwkundige en financieel economische overwegingen. Aanpassing aan de plaatsing van het pand binnen de plangrenzen zal geen effect hebben op het verminderen van het groepsrisico. Waarderen al bestaande bescherming Het gifwolkaandachstgebied heeft een straal van 1,5 kilometer. De planlocatie ligt aan de rand van het gifwolkaandachtsgebied. De wet- en regelgeving voorgeschreven basisvoorzieningen, o.a.
de organisatie van hulpdiensten en risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's), zijn al op orde.
35/106
Overwegen aanvullende bescherming Conform het Bbl bestaat de verplichting tot mechanische ventilatie en dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Bbl). Bij het ontwerp van de nieuwbouw is hier dan ook nadrukkelijk rekening mee gehouden. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk. De aanbeveling luidt om woningen te voorzien van mechanische ventilatie zodat de luchttoevoer bij een toxische wolk kan worden geminimaliseerd. De standaard risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's) biedt mensen in een aandachtsgebied onvoldoende bescherming tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. Door actief te communiceren over risico's zal de zelfredzaamheid namelijk worden vergroot. Het advies luidt op een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied (brandweer en veiligheidsregio). In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico's wordt gecommuniceerd. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract kunnen bewoners op de (externe) veiligheidsrisico's gewezen worden.
Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De veiligheidsregio legt belang bij de constructie van het gebouw; construeer het gebouw zodanig dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform artikel 4.124 lid 4 van het Bbl). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen. Voorgaande stappen tonen dat het groepsrisico voldoende is verantwoord. De genoemde maatregelen kunnen de omvang en effecten van mogelijke incidenten reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht. Aanvullende (bouw)maatregelen of planregels worden niet noodzakelijk geacht. Overige aandachtsgebieden en PR-contouren De locatie bevindt zich niet binnen de contouren van het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden (brand- en explosieaandachtsgebieden) van activiteiten met een extern veiligheidsrisico (opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen), noch in een belemmeringengebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen risicovolle activiteiten gerealiseerd. Gelet hierop zijn de instructieregels in § 5.1.2.2 e.v.
van het Bkl niet van toepassing. Verder bevindt de planlocatie zich niet in een van de aandachtsgebieden van de niet-basisnetwegen zoals bepaald in artikel 7.3.2.4. van de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland. De veiligheidsregio wordt in de gelegenheid gesteld om op het plan te reageren. Eventuele opmerkingen of aanvullingen vanuit de veiligheidsregio worden meegenomen in de verdere planvorming en – waar relevant – verwerkt voorafgaand aan de definitieve vaststelling van het plan. In de onderstaande paragrafen wordt op basis van ervaringen uit vergelijkbare planontwikkelingen en eerder uitgebrachte adviezen een eerste opzet gegeven van de te verwachten aandachtspunten. Deze vormen een voorlopige basis en zullen, indien nodig, worden aangevuld op basis van de formele reactie van de veiligheidsregio.
36/106
De veiligheidsregio attendeert op het aspect waterveiligheid in het kader van klimaatbestendig bouwen. De volgende maatregelen dienen te worden overwogen een aangepaste drempelhoogte en/of het hoger plaatsen van de aansluitingen voor elektriciteit. Met in achtneming van deze maatregelen zijn de gevolgen, in het kader van veiligheid, aanvaardbaar. Voor deze wijziging van het omgevingsplan zijn wel de algemene bepalingen in § 5.1.2.1 van het Bkl van belang. Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van: Het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Deze instructieregel is 'vertaald' in de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat). Deze artikelen bevatten regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid die een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen waarborgen. Met deze verantwoording van het groepsrisico wordt er voldaan aan de instructieregel artikel 5.15 van het Bkl.
Om zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden dient er te worden voldaan aan de eisen en voorwaarden van het regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel van het Bkl, omdat uit de beoordeling blijkt dat de veiligheid op de planlocatie is gewaarborgd. De veiligheidsregio wordt in de gelegenheid gesteld om op het plan te reageren. Eventuele opmerkingen of aanvullingen worden meegenomen en, waar relevant, verwerkt in het plan voorafgaand aan de definitieve vaststelling. Er hoeven geen aanvullende regels te worden opgenomen om te voldoen aan de instructieregels en ETFAL.
37/106
5.3
Beschermen van de waterbelangen
Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. In een plan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken (artikel 5.37, eerste lid, van het Bkl). Omgevingsverordening Zuid-Holland In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.6a instructieregels opgenomen met betrekking tot toekomstbestendig bouwen en ontwikkelingen. Uit deze paragraaf is artikel 7.41a van toepassing op de ontwikkeling. Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering) In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: Wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s. Beoordeling Huidige situatie Het plangebied is in de huidige situatie volledig verhard.
Veiligheid en waterkeringen Aan de hand van de legger blijkt dat er geen waterkeringen in of nabij de planlocatie zijn gelegen. Waterkwantiteit Aan de hand van de legger blijkt dat binnen de planlocatie geen watergangen zijn gelegen. De dichtstbijzijnde watergang ligt ten westen op een afstand van circa 12 meter en betreft een boezemwater in beheer van het waterschap. Voor dit boezemwater geldt een beschermingszone van 5 meter aan weerszijde. Watersysteem en ecologie Binnen de planlocatie of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van de planlocatie.
38/106
Gevolgen klimaat verandering Klimaatadaptatie richt zich op het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering, zoals extreme neerslag, hittestress, droogte en overstromingen. Aan de hand van kaarten en gegevens van de klimaateffectatlas blijkt dat de locatie een stedelijk hitte stress kent van 0.4 tot 0.6 Celsius. Bij extreme neerslag is sprake van een waterdiepte van >30cm nabij de planlocatie. Het plaatsgebonden overstromingsrisico is getypeerd als zeer klein, met een kans van 1/3.000 tot 1/30.000 per jaar. Op basis van de kaarten van de klimaateffectatlas kan gesteld worden dat er geen sprake is van bodemdaling door droogte binnen de planlocatie. Toekomstige situatie De ontwikkeling betreft een transformatie van het voormalig stadskantoor naar maximaal 31 huurwoningen. Er worden met het voorliggende plan balkons, kleine tuinen en parkeerplaatsen mogelijk gemaakt. Veiligheid en waterkeringen Aan de hand van de legger blijkt dat de planlocatie zich niet in een beschermingszone van een waterkering bevindt. Waterkwantiteit Waterschap Hollandse Delta hanteert als eis dat bij een toename van verhard oppervlak groter dan 500 m², 5% van die toename gecompenseerd moet worden. In het kader van de beoogde ontwikkeling worden groenstroken, waaronder tuinen, en parkeerplaatsen gerealiseerd.
De netto toename in verharding bedraagt circa 100 m² en blijft daarmee ruim onder de grenswaarde van 500 m². Dit betekent dat er geen aanleiding is om watercompensatie te treffen. Ten aanzien van het nabij gelegen boezemwater dient de beschermingszone van 5 meter in acht te worden genomen. Er worden geen werkzaamheden binnen deze beschermingszone uitgevoerd. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreiniging van water en bodem is het belangrijk om tijdens zowel de bouw- als gebruiksfase duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen toe te passen. Op de locatie is een zinken dak aanwezig dat behouden blijft. Hoewel zink in bepaalde omstandigheden kan uitlogen, is het dak reeds langdurig in gebruik en vormt het geen nieuwe bron van verontreiniging. Gezien het bestaande karakter en de beperkte milieuhygiënische impact, bestaat er geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen ten aanzien van dit dak. Klimaatadaptatie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de huidige situatie op het gebied van hittestress, wateroverlast, overstromingskans of droogteproblematiek. Gezien de kleinschaligheid van het project zijn grootschalige klimaatadaptieve maatregelen niet haalbaar.
Wel kunnen bij de verbouw diverse klimaatadaptieve maatregelen worden overwogen om droogte en bodemdaling te beperken. Essentieel hierbij is goed waterbeheer, zoals regenwateropslag, infiltratievoorzieningen en waterdoorlatende bestrating. Groene daken en gevels dragen bij aan waterbuffering en verminderen hittestress. Daarnaast kunnen waterbesparende installaties en een grijswatersysteem bijdragen aan duurzaam watergebruik. Deze maatregelen zorgen voor een toekomstbestendige en klimaatrobuuste ontwikkeling.
39/106
Afvalwaterketen en riolering Het afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 1. hemelwater vasthouden voor benutting; 2. (in-) filtratie van afstromend hemelwater; 3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; 4. afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Conclusie Met deze ontwikkeling vindt geen significante toename van verharding plaats en blijft onder de drempelwaarde van 500 m², waardoor compenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. Tevens ligt de planlocatie buiten de beschermingszones van een waterkering. Er hoeven geen regels te worden opgenomen met betrekking tot het aspect water. Gelet op het voorgaande is eveneens rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van de watersystemen en de risico's van klimaatverandering. De ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel 5.37, en 7.41a uit de omgevingsverordening Zuid-Holland; het waterschap wordt in de gelegenheid gesteld om op het plan te reageren. Eventuele opmerkingen of aanvullingen vanuit het waterschap worden meegenomen en, waar relevant, verwerkt in het plan voorafgaand aan de definitieve vaststelling.
5.4
Kwaliteit van de buitenlucht
Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.1 instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de kwaliteit van de buitenlucht. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Het gaat onder andere om het toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen. Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema kwaliteit van de buitenlucht.
In het kader van ETFAL met betrekking tot het beschermen van de gezondheid is onderstaand de luchtkwaliteit ter plaatse wel beoordeeld op aanvaardbaarheid bij de toe te laten activiteit.
40/106
Beoordeling De planlocatie bevindt zich niet in de, artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde, aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Nader onderzoek is niet noodzakelijk en met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is. Maatgevend is het toetspunt aan het Slagveld. Uit de kaart blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2023; 12,9 µg/m³ voor NO2, 15,0 µg/m³ voor PM10 en 7,3 µg/m³ voor PM2,5. De omgevingswaarden blijven daarmee ruimschoots onder de grenswaarden voor luchtkwaliteit uit het Bkl. Conclusie De luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is aanvaardbaar en daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nader onderzoek is niet nodig. Er is geen noodzaak om regels op te nemen met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.