Bijlage 1: Beleidsplan peuteropvang en voorschoolse educatie 2025-2026
Tekst van het document
b
Voor- en Vroegschoolse Educatie 2025-2026 Beleidsplan gemeente Voorne aan Zee
Inhoud
1
Inleiding
4
Resultaatafspraken
2
Kaders
5
Rollen stakeholders
3
Doelgroep, toeleiding en bereik
6
Monitoring en evaluatie
2.1 Kenmerken 2.2 Visie 2.3 Basiskwaliteit 2.4 Toezicht
3.1 Doelgroepdefinitie 3.2 Toeleiding 3.3 Aanbod 3.4 Bereik
5.1 Ouders 5.2 Voor- en vroegschool 5.3 Zorgaanbieders 5.4 CJG 5.5 Gemeente
6.1 Samenwerking 6.2 Monitoring 6.3 Evaluatie
1
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
1.
Inleiding
Gemeenten, kinderopvang en schoolbesturen hebben een gezamenlijke maatschappelijke verantwoordelijkheid om, samen met andere partijen, onderwijsachterstanden tegen te gaan. Volgens de Wet op Primair onderwijs zijn gemeenten verplicht om jaarlijks overleg te voeren met de houders van kinderopvangorganisaties en met schoolbesturen. Dit overleg is gericht op het maken van afspraken en het formuleren van meetbare doelen over de thema’s: - Bestrijden van onderwijsachterstanden - Voorkomen van segregatie - Bevorderen van integratie - Afstemming van toelatings- en inschrijvingsprocedures. In de meeste gemeenten wordt dit vormgegeven in een LEA (lokaal educatieve agenda). Halverwege 2024 is de LEA van de jonge gemeente Voorne aan Zee met de partners opgesteld. Onderwijsachterstanden Een belangrijk instrument ter bestrijding van onderwijsachterstanden is het aanbieden van voorschoolse educatie (in kinderopvang) en vroegschoolse educatie (in groep 1 en 2 van het basisonderwijs). Gemeenten zijn niet alleen verplicht om te overleggen over voor- en vroegschoolse educatie, maar ook verplicht om voldoende aanbod van voorschoolse educatie te realiseren (artikel 159 Wpo) en er een aantal afspraken over te maken (artikel 160 Wpo).
Het doel van voorschoolse educatie op de voorscholen is om kinderen met een verhoogd risico op een onderwijsachterstand een betere start in groep 1 van de bassischool te geven. Gemeenten dienen afspraken te maken over onderwerpen, zoals de doelgroepdefinitie, toeleiding, doorgaande leerlijn en daarvoor is dit beleidsplan voor de gemeente Voorne aan Zee opgesteld. Segregatie Van segregatie is sprake als specifieke groepen of kenmerken (bijvoorbeeld een lage sociaaleconomische status van ouders) in scholen, buurten of wijken zijn oververtegenwoordigd in vergelijking met het gemiddelde van een dorp of wijk. Segregatie in het onderwijs is deels te verklaren door woonsegregatie, maar ook door het keuzegedrag van ouders en leerlingen voor een school. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld in samenspraak met besturen proberen om iedere school een afspiegeling van de wijk te laten zijn (basisonderwijs) of om scholen zo gemengd mogelijk te laten zijn. Dit wordt besproken bij de LEA. Integratie Hiermee wordt het socialisatieproces bedoeld waarbij individuen of groepen worden opgenomen in een (groter) geheel, zoals de Nederlandse samenleving, zonder de eigen identiteit op te geven. Dit wordt besproken bij de LEA.
Afspraken om integratie te bevorderen zijn doorgaans gericht op het samenbrengen van kinderen in het kader van elkaar ontmoeten en leren kennen, vaak gekoppeld aan het onderwijs (bijvoorbeeld gezamenlijke cultuur- en sportactiviteiten) of kinderopvang (groepen inrichten van kinderen met een VVE-indicatie én zonder een VVE-indicatie). Toelating en inschrijving Het gaat erom dat er afspraken worden gemaakt over de procedures rondom inschrijving en toelating voor scholen van het basis- en voortgezet onderwijs. Het is belangrijk dat deze procedures transparant zijn en bekend bij ouders. Gemeenten kunnen in dit kader afspraken maken om te borgen dat er in het toelatingsbeleid geen formele of informele drempels zijn waardoor het ene kind meer kans heeft om op een school te komen dan het andere. Dit wordt besproken bij de LEA. Dit beleidsplan heeft met name betrekking op het eerste punt, de bestrijding van onderwijsachterstanden. Samen met de Kinderkoepel, Humankind en Partou, EduMare, PUSH en CJG Rijnmond is dit nieuwe VE-beleid opgesteld voor de gemeente Voorne aan Zee. De ambities, resultaatafspraken en doelen kunnen in een uitvoeringsprogramma verder uitgewerkt worden.
2
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
2. Kaders In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de kenmerken van VE. Wat is het? Wie is ervoor verantwoordelijk? En waarom is het belangrijk dat dit wordt aangeboden? Vervolgens wordt ingegaan op de algemene visie en wordt toegelicht aan welke voorwaarden de kinderen moeten voldoen, als zij in aanmerking willen komen voor een indicatie voor voor- en vroegschoolse educatie. Ook wordt de minimale kwaliteit die we noodzakelijk achten benoemd en geven wij aan hoe de toeleiding en het bereik verloopt. Tot slot staat een aantal resultaten vermeld waarnaar gestreefd wordt.
2.1 Kenmerken Voor- en vroegschoolse educatie is onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid (OAB-beleid). Het doel is om peuters en kleuters met een (mogelijke) spraak-/of taalachterstand, ook wel ‘VVE kinderen’ genoemd, beter voor te bereiden op de basisschool en ervoor te zorgen dat kleuters zonder achterstand naar groep drie kunnen. De gemeente richt zich in het beleid op de voorschoolse educatie (hierna ‘VE’ genoemd) vanaf een startleeftijd van 2 jaar en 3 maanden. Een VE-programma mag maximaal 6 uur per dag aangeboden worden aan een kind. Kinderen met een risico op een achterstand worden, door de ondersteuning van voorschoolse educatie, taalvaardiger en ontwikkelen een grotere woordenschat. Ze worden gestimuleerd in de sociaal emotionele en motorische vaardigheden en in een brede cognitieve ontwikkeling. Het pre-COOL onderzoek1 laat zien dat vrijwel alle kinderen die aan een voorschoolse voorziening deelnemen, vooruitgaan in hun ontwikkeling. Kinderen met VE gaan echter significant meer vooruit. Wat betreft woordenschat wordt de helft tot twee derde van de achterstand ingelopen. Wat betreft aandacht (onderdeel executieve vaardigheden) lopen de VE-kinderen de helft tot driekwart van de achterstand in. VE is dus duidelijk van toegevoegde waarde.
Voorschoolse Educatie (VE) is voor VE-peuters op de kinderopvang (2½-4 jaar) In de wet is vastgelegd dat de gemeente verantwoordelijk is voor Voorschoolse Educatie en dat dit aan een aantal minimale eisen moet voldoen. Door deze eisen wordt een minimaal kwaliteitsniveau gewaarborgd. De kwaliteitseisen zijn vastgelegd in het ‘Besluit Basisvoorwaarden kwaliteit Voorschoolse Educatie’ (zie bijlage 1). Voor de uitvoering van VE ontvangt de gemeente middelen van het Rijk: het Gemeentelijk Onderwijsachterstanden Budget (GOAB). De gemeente bepaalt welke kinderen in aanmerking komen voor VE middels de zogenaamde doelgroepdefinitie. En daarmee hoe de middelen van het Rijk worden ingezet. Er zijn twee organisaties als toezichthouder betrokken bij het toezicht op de kwaliteit van de kinderopvang en VE. De GGD, die verantwoordelijk is voor het directe en het jaarlijkse toezicht, en de Inspectie van het Onderwijs, die meer op de achtergrond actief is en zogeheten ‘risico gestuurd toezicht’ houdt. Vroegschoolse Educatie is voor VE-kleuters uit groep 1 en 2 (4-6 jaar) Het primair onderwijs is verantwoordelijk voor de Vroegschoolse Educatie. Hierin heeft de gemeente geen rol.
Het primair onderwijs moet samenwerken in de overgang van voornaar vroegschool en afspraken maken over de doorgaande leer- en ontwikkellijn en de beoogde resultaten met de gemeente, maar hoeft over de uitvoering van Vroegschoolse Educatie in principe geen verantwoording aan de gemeente af te leggen. Deze verantwoording legt het primair onderwijs af aan de Inspectie van het Onderwijs. Het primair onderwijs ontvangt net als de gemeente middelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden en is vrij om dit ter bevordering van taalontwikkeling naar eigen inzicht in te zetten (lumpsum-financiering).
1 Leseman, P. en Veen, A. (2016). Ontwikkeling van kinderen en relatie met kwaliteit van voorschoolse instellingen.
Resultaten uit het Pre-Cool cohortonderzoek. Kohnstamm Instituut: Amstelveen
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
2.2 Visie De visie op VE is gezamenlijk opgesteld door de Kinderkoepel, Partou, Humankind, PUSH, EduMare, CJG-Rijnmond en de gemeente Voorne aan Zee voor de komende jaren en luidt: Jonge kinderen krijgen de beste kansen om zich zo te ontwikkelen dat hun start in het onderwijs en de samenleving zo goed mogelijk en ononderbroken is. Het creëren van deze kansen zorgt ervoor dat ieder kind zich kan ontwikkelen tot een waardevolle deelnemer aan onze maatschappij (voor zichzelf en voor de samenleving). En daarvoor is het van belang dat alle samenwerkingspartners vanuit één en dezelfde visie denken en handelen, en vooral intensief met elkaar samenwerken. Dat betekent onder andere dat er structureel overleg tussen het CJG, de voorschool en de vroegschool plaatsvindt (op elke laag), waarbij de indicering, de kwaliteit van VE en mogelijke interventies om de kwaliteit te verhogen vast onderdeel van de agenda zijn. Daarnaast wordt zorggedragen voor collegiale consultatie. Op Voorne aan Zee werken we met een gouden vierkant samen rond het kind (ouders-voorschool-basisschool-CJG). De lijnen zijn hierbij zo kort mogelijk. Uit onderzoek blijkt dat wanneer ouders betrokken worden bij pedagogische en didactische vraagstukken dit de ontwikkeling van de kinderen ten goede komt.
Om de kinderen te helpen in hun ontwikkeling, weten pedagogisch medewerkers, leerkrachten en de jeugdgezondheidszorg (CJG) hoe ze dat proces kunnen vormgeven. Zij maken het verschil en daarmee vervullen zij een regierol in de ontwikkeling van de kinderen. Daartoe wordt een rijke leeromgeving en rijk curriculum aangeboden op de gebieden van kwalificatie, persoonsvorming en socialisatie.
2.3 Basiskwaliteit In de uitvoering van voor- en vroegschoolse educatie moet rekening gehouden worden met landelijke wet- en regelgeving. Zowel de gemeente als de voor- en vroegscholen moeten voldoen aan wettelijke eisen om aan de basiskwaliteit te voldoen. Zo hebben de gemeente en het basisonderwijs te maken met de Wet op het Primair Onderwijs (WPO). De voorscholen (opvangorganisaties) hebben vooral te maken met de Wet kinderopvang, het ‘Besluit Basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie’ en met de Regeling wet kinderopvang. De samenvatting van de wetteksten is weergegeven in bijlage 1. Wet op het primair onderwijs (WPO) Grofweg zijn de richtlijnen waar de gemeente aan moet voldoen in de uitvoering van VE de volgende. • De gemeente zorgt ervoor dat er voldoende locaties zijn (in aantal en spreiding) waar kinderen met een risico op een taalachterstand kunnen deelnemen aan VE. • De gemeente voert jaarlijks overleg met scholen en kinderopvangorganisaties. In dit overleg wordt ten minste het volgende met elkaar besproken: de doelgroepdefinitie, de toeleiding, de doorgaande leer- en ontwikkellijn en de resultaten van voor- en vroegschoolse educatie. • Daarnaast moet de gemeente overleg voeren in het kader van onderwijsachterstanden met het primair onderwijs en de kinderopvangorganisaties.
Dit overleg is met name gericht op het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden. Voor het bestrijden van onderwijsachterstanden ontvangt de gemeente middelen van het Rijk om achterstanden te voorkomen door vroegtijdig VE te organiseren en op basis van lokaal beleid andere interventies in te zetten. Het primair onderwijs ontvangt via de lumpsum middelen voor de aanpak van onderwijsachterstanden.
2.4 Toezicht De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van de uitvoering van voorschoolse educatie (bij kinderen van 2½ tot 4 jaar in de kinderopvang) en de vroegschoolse educatie (bij kinderen uit groep één en twee van het primair onderwijs). Ook houdt de onderwijsinspectie toezicht op de wijze waarop de gemeente de verplichtingen vanuit wet- en regelgeving nakomt. De onderwijsinspectie kijkt naar alle aspecten die relevant zijn voor de kwaliteit van VE, waarbij er onderscheid gemaakt wordt tussen het gemeentelijk niveau en het locatieniveau.
Toezicht Voorschoolse Educatie Gemeentelijk niveau De Inspectie van het Onderwijs maakt bij het toezicht gebruik van het waarderingskader VE. De onderwijsinspectie heeft ten minste jaarlijks overleg met de gemeente, de houders van instellingen met VE en de schoolbesturen. Hierin wordt nagegaan of er afspraken zijn gemaakt over wie de VVE-kinderen zijn, de toeleiding, de doorlopende leer-en ontwikkellijn en de resultaten van de vroegschoolse educatie. De uitkomsten van de analyses van de inspectie, verwerkt in een openbaar rapport, kunnen leiden tot een onderzoek op gemeenteniveau of bijvoorbeeld een gesprek. Locatie niveau Zowel de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) als de Inspectie van het Onderwijs houden toezicht op VE bij voorscholen. De GGD beoordeelt jaarlijks of locaties voldoen aan de basiskwaliteit van VE. Ook de Inspectie van het Onderwijs is bevoegd om toezicht te houden op de basiskwaliteit, maar doet dit alleen in uitzonderlijke gevallen en aanvullend op het onderzoek van de GGD. Naast de basiskwaliteit kan de inspectie op de locaties met gesubsidieerde VE, onderzoek verrichten naar: - Het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid; - De kwaliteit van de educatie; - Ontwikkeling, zorg en begeleiding van de kinderen: - Kwaliteitszorg. De GGD verricht standaard toezicht bij nieuwe locaties met VE.
De Onderwijsinspectie verricht toezicht als er signalen zijn dat de kwaliteit van VE niet helemaal op orde is.
Toezicht Vroegschoolse Educatie De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de kwaliteit van vroegschoolse educatie in de groepen 1 en 2. Het toezicht op de kwaliteit van vroegschoolse educatie is vastgelegd via het 'Onderzoekskader voor het toezicht op de voorschoolse educatie en het primair onderwijs’. Afhankelijk van de situatie strekt het onderzoek op een basisschool zich alleen uit tot de vroegschoolse educatie in de groepen 1 en 2, of maakt dit onderdeel uit van een onderzoek naar de kwaliteit van het onderwijs op de gehele basisschool. In het onderzoekskader worden vijf kwaliteitsgebieden onderscheiden: - Onderwijsproces (krijgen kinderen goed les); - Schoolklimaat (zijn kinderen veilig); - Onderwijsresultaten (leren kinderen genoeg); - Kwaliteitszorg en ambitie; - Financieel beheer. Onder de standaard Onderwijsproces vallen onder meer aspecten die met vroegschoolse educatie te maken hebben. Voorbeelden daarvan zijn de (extra) ondersteuning van kinderen met (risico op) onderwijsachterstand en samenwerking met relevante partners om vroegschoolse educatie vorm te geven.
3
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
3. Doelgroep, toeleiding en bereik 3.1 Doelgroepdefinitie De gemeente bepaalt via de doelgroepdefinitie welke kinderen in aanmerking komen voor VVE. Gekozen is om peuters van 2 jaar en 3 maanden toegang te geven tot VVE. Voldoen deze kinderen aan de doelgroepdefinitie, dan ontvangen ze via de professional van het CJG (Centrum Jeugd en Gezin) een indicatie voor voor- en vroegschoolse educatie. In samenspraak met onze kinderopvang- en onderwijspartners is de doelgroepdefinitie opgesteld. Op grond van de nieuwe doelgroepdefinitie zouden we meer peuters moeten kunnen bereiken dan voorheen, omdat, naast taal en spraak, nu ook lichte gedragsproblematiek meegenomen wordt in de definitie. Voor sommige kinderen is het goed om meer interactie met andere kinderen te hebben. In lijn met artikel 160 van de Wet op het Primair Onderwijs willen wij zoveel mogelijk kinderen die dat nodig hebben gebruik laten maken van de extra ondersteuning vanuit het VE-aanbod. De gemeente Voorne aan Zee ontvangt voor de jaren 2023 t/m 2026 ongeveer 2 miljoen euro per jaar aan onderwijsachterstandenbudget (OAB). Hierbinnen is voldoende ruimte om eventuele uitbreiding van kindplaatsen als gevolg van een ruimere definitie op te vangen. Dit moet echter wel gemonitord worden, omdat het ook voor de opvangorganisaties uitvoerbaar moet zijn in de organisatie van extra groepen en de inzet van personeel.
De hoogte van de financiële middelen van het Rijk wordt bepaald op grond van de indicatoren: - opleidingsniveau ouders; - het land van herkomst van de ouders; - het aantal jaar dat de moeder in Nederland woont; - het gemiddelde opleidingsniveau van de moeder; - of ouders in schuldsanering zitten. Een doelgroepkind is een kind dat voldoet aan één of meerdere van onderstaande criteria: Doelgroepdefinitie Het kind: - scoort negatief op de ontwikkelingsgebieden spraak en taal (geconstateerde achterstand); - scoort negatief op het ontwikkelingsgebied sociaal gedrag (wat naast de CJG-professional ook gesignaleerd kan worden door de voorschool); - groeit op in een taalarme omgeving; - groeit op in armoede én loopt een risico op een spraak- of taalachterstand; - heeft ouders met een niet westerse achtergrond én loopt een risico op een spraak- of taalachterstand; - heeft een ouder zonder startkwalificatie (dus geen havo, vwo, mbo 2 of hoger) én loopt een risico op een spraak- of taalachterstand.
Voor basisschoolkinderen bestaat geen doelgroepdefinitie. Binnen het onderwijs worden deze kinderen niet als een aparte groep gezien, maar wordt hen passend onderwijs gegeven om te voldoen aan de kerndoelen van het basisonderwijs. Dit kan nog verder uitgewerkt worden.
3.2 Toeleiding De jeugdgezondheidszorg (JGZ) van Stichting CJG Rijnmond is de organisatie die de toeleiding naar de VVE verzorgt in Voorne aan Zee. De CJG-professional beoordeelt op grond van haar deskundigheid of een kind daadwerkelijk voldoet aan de doelgroepdefinitie en een indicatie voor VVE ontvangt. Ontvangt een kind een indicatie dan wijst de CJG-professional de ouders op de voordelen van opvang met een voorschools programma. Ook wordt toestemming gevraagd voor het delen van gegevens tussen de kinderopvang en CJG Rijnmond. Zodra het kind is ingeschreven op de kinderopvang, dan geeft deze organisatie dit door aan het CJG. Zo kan worden gemonitord of alle indicaties verzilverd worden. Wanneer de plek langere tijd niet wordt ingenomen (no-show), dan bestaat de mogelijkheid om het contract met de ouders voor hun kind te beëindigen.
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
Of een kind tot de doelgroepdefinitie behoort op basis van bovengenoemde indicatoren bepaalt het CJG aan de hand van JGZ-richtlijnen of met passend onderzoek en observaties. Wanneer de observaties (met behulp van erkende ontwikkelingvolgsystemen) vanuit de kinderopvang lichte achterstanden laten zien op sociaal gedrag, dan wordt dit aangegeven bij het CJG en kan dit leiden tot een indicatie VVE. Bij een tekort aan opvangplekken krijgen kinderen met een spraak- en taalachterstand voorrang om geplaatst te worden. 3.2.1 Uitsluitingscriteria VE is niet geschikt voor elke vorm van taalachterstand en is niet specifiek ontwikkeld voor kinderen met een grote zorgbehoefte. Als kinderen met een spraak- of taalontwikkelingsstoornis of met ernstige gedragsproblemen geplaatst worden in een gemengde VE-groep, dan kan dat leiden tot minder aandacht voor de andere geplaatste kinderen. Soms is een aparte peutergroep passender. Kinderen op een gespecialiseerde opvang, kunnen effectiever worden ondersteund. Daarom is er een aantal uitsluitingscriteria voor kinderen die niet in aanmerking zullen komen voor VVE. Dit zijn: - Spraakstoornis - Taalontwikkelingsstoornis - Ontwikkelingsstoornis - Zware gedragsproblematiek/gezin met ernstige opvoedingsproblemen 3.2.2 Zorg Kinderen met een grote zorgbehoefte hebben andere, gespecialiseerde zorg nodig vanuit de Jeugdwet.
Via het programma Kinderogen (https://kinderogenvpg.nl/) wordt de verbinding gezocht tussen opvang, onderwijs en jeugdhulp en wordt er gewerkt aan een warme overdracht. In het nog op te stellen uitvoeringsprogramma wordt ingegaan op de zorgstructuur en de positie van VE. Voor een peuter met extra zorgbehoefte is er een financiële tegemoetkoming mogelijk aan de VE-aanbieder. Op het moment van schrijven van dit beleidsplan lopen er gesprekken om een Peuter Plusgroep op te zetten, in samenwerking met Ipse de Bruggen, specifiek voor peuters tussen de 2 en 5 jaar voor wie een VE-programma te lastig te volgen is. Het kan bijvoorbeeld gaan om peuters met een grotere ontwikkelachterstand, een vorm van autisme of een licht verstandelijke beperking. Deze doelgroepdefinitie wordt verder uitgewerkt in relatie tot de definitie in dit beleidsplan.
3.3 Aanbod De gemeente is verantwoordelijk voor voldoende aanbod én spreiding van voorschoolse voorzieningen (artikel 166 en 167 van de WPO). Vanuit kansengelijkheid is nabijheid van een voorschools educatief aanbod gewenst. Idealiter zou in elke wijk of kern een VE-locatie gesitueerd moeten zijn, zodat deze voor ieder kind bereikbaar is. Dit moet verder uitgewerkt worden. Binnen de gemeente Voorne aan Zee is momenteel op negen locaties een VE-aanbod aanwezig.
3.4 Bereik Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft een dashboard gemaakt met het te verwachten aantal kinderen met een risico op een achterstand. Dit op grond van de omgevingskenmerken die het ministerie van OCW vastgesteld heeft. Voor 2023 waren dit volgens het CBS 115 peuters in Voorne aan Zee met een risico op een onderwijsachterstand. Dit komt neer op 12% van het totaal aantal peuters in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar. Het daadwerkelijk aantal afgegeven indicaties in 2023 bedroeg 138. Het is van belang om alle peuters met een achterstand te bereiken. Wettelijk is de gemeente verplicht om te voorzien in een kwalitatief en goed dekkend voorschools aanbod voor geïndiceerde peuters, om segregatie te voorkomen, integratie te bevorderen en onderwijsachterstanden te bestrijden. Om dat goed te doen is inzicht nodig in het aantal VE-peuters in de gemeente, in de wijken waar zij wonen, en of VE-geïndiceerde peuters gebruikmaken van één van de beschikbare voorschoolse voorzieningen, et cetera. Om de informatie te bundelen en goed te duiden, wordt vanaf 2025 gebruik gemaakt van de Peutermonitor. Dit is een monitor waarin alle ingevoerde gegevens over de peuters met elkaar vergeleken worden en in anonieme data worden omgezet, die vervolgens beschikbaar worden gesteld in dashboards.
4
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
4. Resultaatafspraken De gemeente, kinderopvang en het onderwijs werken samen aan het verminderen van onderwijsachterstanden. Gemeente en schoolbesturen zijn wettelijk verplicht om met elkaar afspraken te maken over wat de vroegschoolse educatie (4-6 jaar) oplevert (WPO art. 160, lid 1b). Ook met de voorschool (2,5 - 4 jaar) kunnen resultaatafspraken worden geformuleerd. De primaire focus bij VE ligt op het begrip spraak- en taalachterstand. Om resultaten te behalen zijn doelen opgesteld, gekoppeld aan de zogenaamde ‘stakeholders’: alle partijen die een rol spelen bij VE. Deze rollen en doelen komen in het volgende hoofdstuk terug.
Voorschool 1
Bij minstens 80% van de geïndiceerde doelgroeppeuters, die met een achterstand instromen op de voorschool, is deze achterstand op het gebied spraak en taal bij uitstroom naar de basisschool afgenomen met minimaal 10%.
2
100% van de geïndiceerde doelgroeppeuters heeft sinds het eerste meetmoment in de voorschool tot aan het moment van overgang naar de basisschool een aantoonbare inhaalgroei doorgemaakt op het gebied van spraak en taal of op het gebied van sociaal gedrag. Hierbij wordt uitgegaan van de doelen uit het geaccrediteerde observatie instrument.
3
Bij 100% van de peuters met een VVE-indicatie, met een risico op een taalachterstand bij de instroom op de voorschool, maar deze achterstand nog niet heeft, is er ook geen taalachterstand bij uitstroom naar de basisschool.
Vroegschool 4
Bij 100% van de kleuters die voorheen een VVE-indicatie hadden, en met een risico op een taalachterstand instroomt in groep 1, maar nog geen achterstand heeft, is ook geen taalachterstand bij de instroom naar groep 3.
5
Minstens 95% van de kleuters die voorheen een VVE-indicatie hadden, en met een geconstateerde achterstand instroomt, voldoet na afloop van de vroegschoolse periode, bij instroom naar groep 3, aan de SLO-kerndoelen Jonge Kind.
5
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
5. Rollen stakeholders De kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie wordt met name bepaald door degene die hierop invloed kunnen uitoefenen (de stakeholders): ouders, voorscholen, basisonderwijs, het CJG, zorgaanbieders, bibliotheek en gemeente. Elke organisatie heeft een eigen werkwijze en eigen doelen rondom voor- en vroegschoolse educatie. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste stakeholders benoemd en de bijbehorende doelen, die in bijlage 2 schematisch zijn weergegeven.
5.1 Ouders Iedere voorschool/kinderopvangorganisatie is wettelijk verplicht om haar eigen ouderbeleid te hebben. Voorscholen hebben de taak om ouders via individuele contacten voorlichting en informatie te geven, gericht op ontwikkelingsstimulering. Ouders hebben de taak om met hun kind mee te leven, mee te doen, mee te denken en mee te beslissen. Ouderbetrokkenheid zou dus omschreven kunnen worden als ‘alle vormen van belangstellende betrokkenheid van de ouders bij de begeleiding van hun eigen kind, bij de groep waarin hun kind zit en bij de school als geheel.’ Actieve en betrokken ouders dragen enorm bij aan de (taal)ontwikkeling van hun kind. Ouderbetrokkenheid Vanuit de gemeente hebben we geen wettelijke verplichting ten aanzien van ouderbetrokkenheid, maar de Inspectie van het Onderwijs verwacht dit wel. De Inspectie ziet graag dat de gemeente aangeeft welke doelen nagestreefd worden op het vlak van ouderbetrokkenheid, op welke wijze deze doelen behaald worden, welke instellingen hierbij betrokken zijn en welke concrete resultaten verwacht worden. De doelen zijn in dit beleidsdocument opgenomen, maar de uitwerking daarvan volgt in het uitvoeringsprogramma.
Aangezien uit onderzoek blijkt dat ouderbetrokkenheid thuis de beste voorspeller is van leerresultaten van kinderen, heeft de gemeente Voorne aan Zee de afgelopen jaren ingezet op ondersteuning van ouders thuis, onder andere via de VoorleesExpress. Hier ondersteunen vrijwilligers van de bibliotheek de ouders met taalspelletjes en (voor)lezen. Ook vanuit het welzijnswerk wordt de interactie tussen ouder en kind spelenderwijs gestimuleerd door ouderbijeenkomsten en het coachen van ouders. Maar niet alleen de gemeente investeert in ouderbetrokkenheid. Ouderbetrokkenheid start al op het moment dat het CJG een indicatie afgeeft voor VVE. En ook bij de intake op de opvanglocatie worden ouders geïnformeerd en gestimuleerd om thuis ontwikkelingsstimulerende activiteiten te doen. Ouders kunnen hiervoor thuis of op de voorschool ondersteuning krijgen, met het aanbod van materialen en begeleiding, zoals de programma’s Instapje of Opstapje. Er zijn themabijeenkomsten en ouders worden regelmatig geïnformeerd over de voortgang van de ontwikkeling van hun kind, maar ook over het beleid en het ambitieniveau van de voorschool waar hun kind naartoe gaat. De bibliotheek en de welzijnsorganisatie worden voor deze ondersteunende diensten gesubsidieerd vanuit het GOAB (gemeentelijk onderwijs achterstandenbudget).
Doelen 1. Ouders worden door het CJG en de kinderopvang zoveel mogelijk betrokken bij het stimuleren van de ontwikkeling van hun kind(eren). 2. Ouders stimuleren de educatieve ontwikkeling in de thuissituatie. 3. Alle ouders worden mondeling en schriftelijk geïnformeerd door de opvangorganisatie over het VE-programma en de doelen die worden nagestreefd.
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
5.2 Voor- en Vroegschool In deze paragraaf wordt ingegaan op een aantal belangrijke aspecten die invloed uitoefenen op de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie: het integrale programma, de groepen, de doorgaande leer- en ontwikkellijn en de warme overdracht. 5.2.1 Integraal VE-programma Peuters met een indicatie volgen voorschoolse educatie van minimaal 960 uur, verspreid over 1½ jaar, namelijk tussen de leeftijd van 2½ tot 4 jaar. Voorscholen dienen op grond van artikel 5 van het ‘Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie’ te werken met een integraal VEprogramma. Dat is een programma waarmee de ontwikkeling van peuters op de vier ontwikkelingsgebieden (taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotioneel) wordt gestimuleerd. In de VE-programma’s zijn elementen gebouwd om ieder geïndiceerd kind een passend aanbod te doen. Als voorscholen niet werken met een integraal VE-programma, moeten ze wel kunnen aantonen dat het aanbod voldoet aan de eisen uit artikel 5 van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit VE. Dit kan betekenen dat verschillende programma’s worden ingezet voor de afzonderlijke ontwikkelingsgebieden. De kwaliteitseisen die aan de medewerkers gesteld worden vanuit de wet zijn in bijlage 1 te lezen. Doel 4. Voorscholen werken met een programma dat voldoet aan artikel 5 van het ‘Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie’.
5.2.2 Groepen Kinderen die een VE-programma volgen, zitten in een gemengde groep. Dit betekent dat zij deel uitmaken van een groep, waarin zowel kinderen mét als kinderen zónder een (taal)achterstand zitten. Gestreefd wordt naar een evenredige verdeling van 50/50 in groepen van maximaal 16 peuters. Uit onderzoek2 is gebleken dat kinderen het meest profiteren van voor- en vroegschoolse educatie als zij deel uitmaken van een gemengde groep. Deze zijn er ook bij de kinderopvangorganisaties in onze gemeente. Als het gaat om dagopvang (dagdelen langer dan 5,5 uur), dan kunnen doelgroeppeuters momenteel alleen bij Partou gebruik maken van de dagopvang mét VE. Wanneer er meer dan 50% doelgroeppeuters in een groep deelnemen is extra financiële ondersteuning vanuit de gemeente mogelijk om maatwerk te kunnen bieden. Doelen 5. Kinderen die een VE-programma volgen zitten in een gemengde groep.
5.2.3 Doorgaande leer- en ontwikkellijn Het is van essentieel belang dat de organisaties werken vanuit één visie en dat inhoudelijke keuzes gemaakt worden op basis van die visie. Een belangrijk onderdeel van VE is dat het, wanneer er sprake is van een gezamenlijke visie en aanpak, ook bijdraagt aan de doorgaande leer- en ontwikkellijn tussen de voor- en vroegschool/basisschool. Hiertoe dienen gezamenlijke doelen te worden afgesproken voor de leeftijd van 2,5 tot 6 jaar. Zo kan worden nagegaan of de basisschool met haar aanbod begint, daar waar de voorschool eindigt. Op de voor- en vroegschool dient merkbaar te zijn dat het pedagogisch klimaat en het educatief handelen op elkaar zijn afgestemd. Niet elk kind is precies op 4-jarige leeftijd toe aan de overgang naar de basisschool. De wens is om voor elk kind ruimte te creëren om op het juiste moment de 2
De Haan, A. (2015). Effecten van voor- en vroegschoolse educatie in gemengde groepen. Universiteit Utrecht; Utrecht.
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
eigen overgang te maken. Het VE-aanbod kan, op grond van een onderbouwd advies van een zorgprofessional, doorlopen na het vierde levensjaar. Om taalachterstanden te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat er een doorgaande leer- en ontwikkellijn bestaat tussen de kinderopvang en de basisschool. De opvanglocaties met VE-aanbod werken daarom samen met een basisschool bij hen in de buurt waarnaar gemiddeld de meeste peuters doorstromen. Het streven is om zoveel mogelijk vanuit één integrale visie te werken om daarmee de basis te leggen voor een pedagogisch en didactisch afgestemde doorgaande lijn. Doelen 6. We creëren gelijke kansen voor ieder kind. 7. We realiseren een ononderbroken leer- en ontwikkellijn tussen de vooren vroegschool.
5.2.4 Warme overdracht Om de doorgaande leerlijn te volgen wordt de ontwikkeling van het kind bijgehouden in het kindvolgsysteem. Ouders en pedagogisch medewerkers blijven in gesprek over de ontwikkeling van het kind en de wijze waarop het kind begeleid kan worden. Voor alle doelgroeppeuters geldt dat er een warme overdracht plaatsvindt naar de basisschool. De gegevens over de ontwikkeling van het kind vanuit het kindvolgsysteem worden doorgegeven, waarbij de geldende wet- en regelgeving op het gebied van privacy in acht worden genomen. Wanneer het lukt om de doelgroeppeuters warm over te dragen, dan wordt deze werkwijze uitgebreid naar alle peuters, zoals ook als doelstelling is opgenomen in het programma Kinderogen (https://kinderogenvpg.nl/). De samenwerkingsafspraken en doelstellingen waaraan gewerkt wordt in Kinderogen dienen geborgd te worden in de toekomstige werkwijzen van alle partners. De warme overdracht vindt (zoveel mogelijk) in een gezamenlijk gesprek met ouders en basisschool plaats, eventueel aangevuld met andere betrokken hulpverlener(s). De pedagogisch medewerker neemt het initiatief richting de samenwerkende basisschool en zorgt ervoor dat de benodigde documenten, met akkoord van de ouders, op tijd gedeeld worden. De VE-locatie en de samenwerkende bassischool nemen de termijn waarop de overdracht plaatsvindt op in de zorgstructuur en/of de samenwerkingsafspraken.
5.2.5 Ontwikkeling en ondersteuning De pedagogische professionals volgen de ontwikkelingen die nodig zijn om een goed aanbod op het ontwikkelgebied spraak/taal te kunnen blijven uitvoeren. Deelnemende partners en de gemeente maken het mogelijk om medewerkers/leerkrachten voldoende te scholen via trainingen of informatieve bijeenkomsten. Daarnaast wordt de (wettelijke verplichte) VE coach/ beleidsmedewerker ingezet op de VE-groepen. De VE-coach ondersteunt de ontwikkeling van pedagogisch medewerkers en zorgt voor een verbinding tussen de verschillende organisaties die zich bezig houden met het VE-aanbod. De gemeente kan voor de VE-coach of certificering van personeel, via de subsidieverordening, een financiële bijdrage leveren aan de opvangorganisatie.
Doelen 8. Ouders, voorschool en vroegschool werken nauw samen en sluiten op deze manier zo goed mogelijk aan op de behoeften van het kind. 9. Er vindt minimaal drie keer in de voorschoolse periode een gesprek plaats met de ouders waarin de ontwikkeling van een kind wordt besproken. 10. Voor iedere doelgroeppeuter vindt er een warme overdracht van voorschool naar vroegschool plaats. 11. Het denken en handelen van de professionals komt overeen met het belang van de ontwikkeling van het kind. 12. De afspraken in relatie tot de pedagogisch beleidsmedewerker c.q. VE-coach worden jaarlijks gemonitord en geëvalueerd.
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
5.3 Zorgaanbieders Als de kinderopvangorganisatie of de basisschool denkt dat er meer nodig is qua ondersteuning voor het kind in de thuissituatie dan geven ze dit signaal, na bespreking en met toestemming van de ouders, door aan het (voor)schoolmaatschappelijk werker (VSMW) of aan JGZ-professional. Uit de onderbouwing blijkt welke inzet de school zelf pleegt en welke verwachting men heeft daarvan. Het SMW en de JGZ zijn de ‘linking pin’, de schakel, voor hulp en ondersteuning uit het sociale gebiedsteam van de gemeente. Op die manier kan er andere hulpverlening bij betrokken worden. Tijdens het intakegesprek met ouders en kind wordt er een plan opgesteld voor de ondersteuning. De ouders bepalen zelf welke terugkoppeling zij geven aan de voor- en vroegschool over de ondersteuning. Vanuit de basis- en extra ondersteuning op de basisscholen wordt samengewerkt met de kinderopvang, het maatschappelijk werk, de jeugdgezondheidszorg en de jeugdhulp. Dit zijn de ketenpartners. In overleg met de voorschool, de ouders en de ketenpartners worden de onderwijsbehoeften in kaart gebracht. Samen wordt vastgesteld wat er aan ondersteuning nodig is, en hoe de peuter het beste de stap naar het basisonderwijs kan maken. Een goede overdracht vanuit de voorschoolse voorzieningen naar het basisonderwijs is noodzakelijk voor een ononderbroken ontwikkeling van leerlingen.
Zo is er meer tijd om een goede overgang voor te bereiden en wordt de kinderopvang extra ondersteund om de ontwikkeling van deze kinderen nog beter te stimuleren.
Doelen 13. Voor elk kind is een best passende plek gecreëerd. 14. We hebben 100% zicht op kinderen met een ondersteuningsbehoefte in de overgang van voorschool naar vroegschool. 15. Kinderen met een ondersteuningsbehoefte zijn vóór de leeftijd van drie jaar in beeld. 16. (V)SMW is beschikbaar voor alle kinderen op de voor- en vroegschool.
5.4 Centrum voor Jeugd en Gezin De jeugdgezondheidszorg (JGZ) van het CJG (Centrum voor Jeugd en Gezin) is, zoals al eerder beschreven, de organisatie die de toeleiding naar de VVE verzorgt. De JGZ-professionals ondersteunen ouders bij het zoeken naar en bij het aanmelden bij een voorschool, zodat de doelgroeppeuter gebruik kan gaan maken van het VE-programma. Het CJG vraagt toestemming van ouders om de indicatie te delen met de opvangorganisatie. Tevens monitoren de JGZprofessionals of de aanmelding is gelukt. Als de ouder geen gebruik wil maken van de VE-indicatie gaan de JGZ-professionals het gesprek aan en motiveren de ouders er toch gebruik van te maken. Bij de leeftijd van 2 jaar en 3 maanden wordt de peuter geplaatst in de opvang. De indicatie voor voor- en vroegschoolse educatie wordt in principe afgegeven bij de leeftijd van 2½ jaar, maar nagedacht kan worden over een voorlopige indicatie bij 14 maanden, zodat de opvangorganisaties meer inzicht krijgen in wat er komen gaat. De bibliotheek en de welzijnsorganisatie kunnen dan deze ouders bijstaan via voorlichting en hun ondersteuningsaanbod (zie paragraaf 5.1).
Doelen 17. Het CJG heeft minimaal 95% van alle doelgroepkinderen in beeld. 18. Iedere doelgroeppeuter met een VVE- indicatie volgt een VE-programma bij een voorschool. 19. Ieder doelgroepkind dat het CJG ziet, krijgt een VVE-indicatie.
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
5.5 Gemeente Voor de gemeente zijn vooral het VE-aanbod, de subsidiering en de spreiding van doelgroeppeuters van belang. Ook is er een relatie met het armoedebeleid. De (bijna) gratis kinderopvang die het Rijk misschien wil gaan invoeren, zal hier uiteraard effect op hebben. Wanneer hier meer duidelijkheid over is, zal dit meegenomen worden in het subsidiekader. Subsidie De subsidieverordening zorgt ervoor dat er duidelijkheid is over de subsidiering van de peuteropvang. De voormalige gemeenten Brielle en Westvoorne kenden elk een eigen verordening voor de peuteropvang en in de voormalige gemeente Hellevoetsluis liep de subsidiering van het VE-aanbod via de Asv (algemene subsidieverordening). Tegelijk met het opstellen van dit nieuwe beleidsplan is ook de subsidieverordening geharmoniseerd. Daarbij was het uitgangspunt dat geen enkele opvangorganisatie erop achteruit zou gaan met betrekking tot de uurtarieven. In de nieuwe subsidieverordening wordt onder andere ingegaan op de doelgroeppeuters, de deskundigheidsbevordering van personeel en inzet van een VE-coach in de opvang. Armoede Ouders van kinderen die in armoede leven komen in aanmerking komen voor gratis VE. Het gaat om een inkomensgrens tot 120% van de bijstandsnorm. Ook is in het armoedebeleid opgenomen dat zij geen ouderbijdrage voor de kinderopvang hoeven te bekostigen.
Deze ouders kunnen hiervoor bijzondere bijstand aanvragen bij de gemeente.
Doel 20. Het VE-programma is gratis voor alle ouders van VE-kinderen die in armoede leven.
Aanbod en spreiding Volgens artikel 159, eerste lid van de WPO dienen gemeenten voldoende aanbod voor VE te realiseren (voldoende voorzieningen in aantal en spreidingen). Gezien het belang van een goed verspreid VE-aanbod – ook vanuit kansengelijkheid - is nabijheid wenselijk. Dat betekent dat bijna in iedere wijk en kern een VE-locatie gesitueerd zou moeten zijn, zodat deze voor ieder kind bereikbaar is en een goede doorstroming naar de basisschool gegarandeerd is. De gemeente subsidieert geen reguliere peuteropvang voor ouders met KOT (kinderopvangtoeslag) met peuters zonder VVE. Wel voor de ouders die geen kinderopvangtoeslag ontvangen.
Doel 21. We onderzoeken de haalbaarheid van VE-locaties in de kleine kernen.
6
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
6. Samenwerking, monitoring en evaluatie 6.1 Samenwerking Voor de effectiviteit van VE is het belangrijk dat voor- en vroegschoolse voorzieningen goed met elkaar samenwerken. De lijn die in de voorschoolse periode is ingezet, moet worden voortgezet op de basisscholen. Om deze samenwerking vorm te geven, te bestendigen en te waarborgen worden duidelijke en meetbare samenwerkingsafspraken gemaakt. Onderdeel van deze samenwerkingsafspraken is ook de overlegstructuur en evaluatiemomenten. De kinderopvang (locatie waar VE gegeven wordt) en het basisonderwijs leggen de samenwerkingsafspraken vast. Door middel van een werkgroep vindt regelmatig afstemming plaats over de uitvoering. Hier zitten de pedagogisch medewerkers, schooldirecteuren, CJG-professionals, andere zorgaanbieders en de gemeente aan tafel. De werkgroep werkt aan een uitvoeringsprogramma, waarin de doelen uit dit beleidsdocument verder uitgewerkt worden. Daarin wordt antwoord gegeven op de vragen, zoals: ‘Op welke wijze willen we de doelen behalen en wanneer?’ ‘Welke stakeholders zijn betrokken bij het behalen van die doelen en welke concrete resultaten verwachten wij?’
6.2 Monitoring Om de gemaakte resultaatafspraken en de werkwijze te monitoren is inzicht nodig in gegevens van de doelgroeppeuters. Bovendien wil de Inspectie weten of de gemeente met enige regelmaat de resultaatafspraken monitort. In hoofdstuk 3 is aangegeven dat vanaf 2025 gebruik wordt gemaakt van de Peutermonitor. Dit is een monitor waarin alle ingevoerde gegevens over de peuters in de gemeente met elkaar vergeleken worden en in anonieme data worden omgezet. De informatie is in één oogopslag en op elk gewenst moment beschikbaar. Tevens volgt hieruit het ‘geld volgt kind’-systeem, wat administratieve handelingen voor de kinderopvangorganisaties vergemakkelijkt. Daarnaast kan onderzocht worden of via de Peutermonitor gemeten kan worden of en welke ontwikkeling de kinderen hebben doorgemaakt, waardoor een terugkoppeling vanuit onderwijs naar kinderopvang mogelijk is. Ook de ingezette hulpmiddelen of interventies die bij ouders ingezet zijn, moeten we gaan monitoren. Na ruim een jaar, halverwege 2026, wordt het gebruik van de Peutermonitor geëvalueerd om te besluiten of deze werkwijze wordt doorgezet vanaf 2027 (de nieuwe OAB-periode).
6.3 Evaluatie Gedurende het jaar wordt op verschillende momenten stilgestaan bij de samenwerking en de resultaten. Met elkaar wordt besproken of we nog op de goede weg zijn en waar we tegenaan lopen. Het onderwerp VVE komt terug in het bestuurlijke overleg, de Lokaal Educatieve Agenda (LEA). Dit beleidsplan gaat in per januari 2025 en wordt halverwege 2026 geëvalueerd.
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
Bijlage 1 Samenvatting wettelijk kader
Wet kinderopvang Kinderopvang is een overkoepelende term die wordt gebruikt voor alle opvangmogelijkheden voor kinderen, zoals peuteropvang (voorheen peuterspeelzalen), kinderdagopvang en gastouderopvang. Voor het VVE-beleid zijn met name peuteropvang en kinderdagopvang relevant. De Wet kinderopvang verplicht een kinderopvanglocatie of gastouderbureau te zorgen voor de veiligheid en gezondheid van de kinderen. Ook zijn kinderopvanglocaties en gastouderbureaus verplicht ouders te informeren over het beleid dat op de opvang wordt gevoerd. Alle gastouders, gastouderbureaus en kinderopvanglocaties worden in het landelijk register kinderopvang opgenomen (LRK). Als bij een nieuwe inschrijving de GGD middels onderzoek constateert dat aan alle eisen voldaan wordt, wordt de gastouder, het gastouderbureau of de kinderopvanglocatie in het landelijk register opgenomen. In 2018 is er een aantal extra maatregelen en kwaliteitseisen ingevoerd waaraan kinderopvangorganisaties moeten voldoen. De eisen bestaan uit algemene kwaliteitseisen, zoals het maximum aantal kinderen per groep en kwaliteitseisen aan medewerkers, zoals het opleidings- en taalniveau. De GGD toetst of de voorscholen aan de eisen voldoen. Algemene kwaliteitseisen (ook voor kinderdagopvang) 2.4.1 Er moet minimaal 960 uur VE per kind aangeboden worden, verspreid over 1½ jaar. De uren worden gerekend voor peuters van 2,5 tot vier jaar.
Dit betekent gemiddeld 16 uur per week (minimaal 40 weken). Er is variatie mogelijk in het aantal uren dat de opvangorganisatie per week VE aanbiedt, maar de 960 uur is een vereiste. 2.4.2 Er mag niet meer dan 6 uur per dag VE aangeboden worden. 2.4.3 De groep mag maximaal uit 16 kinderen bestaan. De pedagogisch medewerker- kind ratio is één op acht. Dat betekent dat bij de VE per acht kinderen minimaal één geschoolde beroepskracht aanwezig moet zijn. Zijn er acht kinderen of minder dan moet er dus één geschoolde beroepskracht aanwezig zijn. Zijn er meer dan acht kinderen, dan moeten er dus twee geschoolde beroepskrachten aanwezig zijn. 2.4.4 In het pedagogisch beleidsplan van de opvangorganisatie moet een apart onderdeel worden opgenomen over VE. 2.4.5 Bij de opvangorganisatie moet er gewerkt worden met een integraal voorschools programma. De Voorschool moet een opleidingsplan hebben voor de medewerkers en een pedagogisch beleidsplan. 2.4.6 Een pedagogisch beleidsmedewerker/coach VE moet werkzaam zijn binnen de kinderopvang. Het aantal uren is wettelijk vastgelegd en afhankelijk van het aantal geïndiceerde kinderen. Kwaliteitseisen aan de medewerkers Zowel in het Besluit Basisvoorwaarden kwaliteit VE als in de wet Kinderopvang staan kwaliteitseisen aan medewerkers.
De medewerkers van de voorschool moeten minimaal een Mbo-vakopleiding hebben afgerond die gericht is op pedagogische vaardigheden. Hierbij hebben zij tenminste één module afgerond die gericht is op VVE. Als de medewerker geen passende mbo-opleiding heeft gedaan, moet deze kunnen aantonen op een andere manier de kennis en vaardigheden te hebben opgedaan. Bovendien moet de medewerker minimaal taalniveau 3F hebben. Naast de kwaliteitseisen die specifiek zijn voor VVE, zijn ook de kwaliteitseisen voor de kinderopvang van toepassing op de medewerkers in de Voorschool. Vanuit de wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang is de verplichting om op alle kinderopvanggroepen (regulier én VE) een professional op Mbo 4- of Hbo-niveau in te zetten als pedagogisch beleidsmedewerker. Daarnaast zijn per 2022 alle Nederlandse gemeenten verplicht om hbo’ers in te zetten bij de voorschoolse educatie.
VVE-Beleid Voorne aan Zee 2025-2026
Bijlage 2 Overzicht doelen per stakeholder Ouders
CJG
Gemeente
17. Het CJG heeft minimaal 95% van de doelgroepkinderen in beeld.
20. Het VE-programma is gratis voor alle ouders van VE-kinderen die in armoede leven.
2. Ouders stimuleren de 5. Kinderen die een 9. Er vindt minimaal 14. We hebben 100% 18. Iedere doelgroepeducatieve ontwikkeling VE-programma volgen drie keer in de zicht op kinderen met peuter met een VVEin de thuissituatie. zitten in een gemengde voorschoolse periode een ondersteuningsindicatie volgt een VEgroep. een gesprek plaats met behoefte in de overgang programma bij een de ouders waarin de van de voorschool naar voorschool. ontwikkeling van het de vroegschool. kind wordt besproken.
21. We onderzoeken de haalbaarheid van VE-locaties in de kleine kernen.
Voor- en Vroegschoolse aanbieders
Zorgaanbieders
1. Ouders worden door 4. Voorscholen 8. Ouders, voorschool 13. Voor elk kind is een het CJG en de werken met een VEen vroegschool werken best passende plek kinderopvang zoveel programma dat voldoet nauw samen en sluiten gecreëerd. mogelijk betrokken bij aan artikel 5 van het zo goed mogelijk aan het stimuleren van de ‘Besluit op de behoeften van ontwikkeling van hun basisvoorwaarden het kind. kind(eren). kwaliteit voorschoolse educatie’.
3. Alle ouders worden 6. We creëren gelijke 10. Voor iedere doel15. Kinderen met een 19. Ieder doelgroepkind mondeling en schriftelijk kansen voor ieder kind. groeppeuter vindt er ondersteuningsdat het CJG ziet, krijgt geïnformeerd door de een warme overdracht behoefte zijn vóór een VVE-indicatie. opvangorganisatie over van de voorschool naar de leeftijd van drie jaar in het VE-programma en de vroegschool plaats. beeld. de doelen die worden nagestreefd.
7. We realiseren een 11. Het denken en 16. (V)SMW is ononderbroken leer- en handelen van de Beschikbaar voor alle ontwikkellijn tussen professionals komt kinderen op de voor- en voor- en vroegschool. overeen met het belang vroegschool. van de ontwikkeling van het kind. . 12. De afspraken in relatie tot de pedagogisch beleidsmedewerker c.q. VE-coach worden jaarlijks gemonitord en geëvalueerd.