CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Twee Getuigen Toelichting Bijlage 9 Verkennend bodemonderzoek woonwagenstandplaatsen

Commissie Ruimte 14 september 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Twee Getuigen - Kloosterbos.19.494 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l

<0,9 <0,2 <0,2 <0,2

µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l

<1,6 <0,2 <0,2

<0,2 <0,1 <0,2

GSSD

Index

<0,1 -0 <0,1 -0,03 <0,1 -0,01 <0,21 0 <0,1 <0,1 <0,1 -0,02 <0,77(2,14)

<0,1 <0,1 <0,42

-0

<0,14

0,01 0,01

0,42

µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l

<0,1 <0,1 <0,1 <0,2 <0,2

<0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1

µg/l

<0,2

<0,1(14)

µg/l

<0,1

<0,1

0,01

µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l

<0,2 <0,2 <0,2 <0,1 <0,1 <0,2 <0,1 <0,1

<0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1 <0,1

-0,01 -0,02

METALEN Kobalt Nikkel Koper Zink Molybdeen Cadmium Barium Kwik Lood

µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l

4,9 5,7 2,1 11 2,2 <0,2 23 <0,05 <2

4,9 5,7 2,1 11 2,2 <0,1 23 <0,04 <1

-0,19 -0,16 -0,22 -0,07 -0,01 -0,05 -0,05 -0,06 -0,23

OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie C10 - C12

µg/l

<10

7(6)

Projectcode: N210277

0 -0,01

0 0 -0,05 0 0,01

Watermonster Datum Filterdiepte (m -mv) Datum van toetsing Monsterconclusie Minerale olie C10 - C40 Minerale olie C12 - C16 Minerale olie C16 - C21 Minerale olie C21 - C30 Minerale olie C30 - C35 Minerale olie C35 - C40

µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l

PAK Naftaleen PAK 10 VROM

µg/l -

< 8,88 8,88 >T 8,88 11 14 2 6 # GSSD Index

01-1-1 17-12-2021 1,40 - 2,40 3-1-2022 Voldoet aan Streefwaarde <50 <35 <10 7(6) <10 7(6) <15 11(6) <10 7(6) <10 7(6)

<0,02

-0,03

<0,01 <0,00020(11)

0

: kleiner dan de detectielimiet : <= Streefwaarde : > Streefwaarde : Groter dan Tussenwaarde : > Interventiewaarde : Enkele parameters ontbreken in de berekening van de somfractie : Streefwaarde ontbreekt zorgplicht van toepassing : Enkele parameters ontbreken in de som : Heeft geen normwaarde : verhoogde rapportagegrens : Gestandaardiseerde meetwaarde : (GSSD - S) / (I - S) - Getoetst via de BoToVa service, versie 3.1.0 -

Tabel 5: Normwaarden conform de Wet Bodembescherming S AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) Styreen (Vinylbenzeen) Som 16 Aromatische oplosmiddelen

µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l

0,2 4 7 0,2 6

GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN Dichloorpropaan cis + trans-1,2-Dichlooretheen 1,1-Dichlooretheen Dichloormethaan Trichloormethaan (Chloroform) Tribroommethaan (bromoform) Tetrachloormethaan (Tetra) 1,1-Dichloorethaan 1,2-Dichloorethaan 1,1,1-Trichloorethaan 1,1,2-Trichloorethaan Trichlooretheen (Tri) Tetrachlooretheen (Per) Vinylchloride

µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l

0,8 0,01 0,01 0,01 6 0,01 7 7 0,01 0,01 24 0,01 0,01

METALEN Kobalt Nikkel Koper Zink

µg/l µg/l µg/l µg/l

20 15 15 65

Projectcode: N210277

S Diep

Indicatief

I

30 150 1000 70 300 150

80 20 10 1000 400 630 10 900 400 300 130 500 40 5 0,7 2,1 1,3 24

100 75 75 800

Molybdeen Cadmium Barium Kwik Lood

µg/l µg/l µg/l µg/l µg/l

S 5 0,4 50 0,05 15

OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie C10 - C40

µg/l

50

600

PAK Naftaleen

µg/l

0,01

70

Projectcode: N210277

S Diep 3,6 0,06 200 0,01 1,7

Indicatief

I 300 6 625 0,3 75

Bijlage 7

20211209_113155.jpg

20211209_113240.jpg

Projectcode: N210277

20211209_113252.jpg

20211209_113300.jpg

Projectcode: N210277

20211209_113325.jpg

Projectcode: N210277

Bijlage 8

RAPPORT VERKENNEND (ASBEST) BODEMONDERZOEK DE RIK TE BRIELLE (PLANGEBIED 2) Gemeente Brielle, sectie C nummers 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578 (deels) PROJECT: 15990

VERANTWOORDING Titel

VERKENNEND (ASBEST) BODEMONDERZOEK DE RIK TE BRIELLE (PLANGEBIED 2)

Opdrachtgever

ABB ontwikkeling BV Postbus 88 3360 AB Sliedrecht

Rapportnummer

15990 2

Datum

Projectleider

Mevrouw J.P.E.E. van Kempen Autorisatie

31 oktober 2017

de heer J.B.P. van der Stroom

Mesterom

handtekening

Boormeester(s)

handtekening

de heer H.H. Wolters (Envita)

de heer R. Reinders

de heer R. Reinders

de heer M.C.M. Verhoeven

de heer M.C.M. Verhoeven

handtekening

handtekening

NIPA milieutechniek b.v. Landweerstraat – Zuid 109 5349 AK Oss

tel. +31 (0)412 – 65 50 58 fax. +31 (0)412 – 65 29 98 www.nipamilieu.nl info@nipamilieu.nl

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/2

INHOUDSOPGAVE VERANTWOORDING ________________________________________________________________ 2 1

INLEIDING ____________________________________________________________________ 5

2

LOCATIEGEGEVENS _____________________________________________________________ 6 2.1

ALGEMEEN _________________________________________________________________ 6

2.2

VOORONDERZOEK_____________________________________________________________ 6

2.2.1

Omgeving_____________________________________________________________ 6

2.2.2

Voormalig bodemgebruik ________________________________________________ 6

2.2.3

Huidig bodemgebruik ___________________________________________________ 7

2.2.4

Bodemopbouw en geohydrologie __________________________________________ 7

2.2.5

Financieel juridische situatie _____________________________________________ 8

2.3 3

DOELSTELLING EN HYPOTHESE _____________________________________________________ 8

UITGEVOERD BODEMONDERZOEK ________________________________________________ 9 3.1

ALGEMEEN _________________________________________________________________ 9

3.2

VELDWERKZAAMHEDEN ________________________________________________________ 10

3.3

LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN ________________________________________________ 10

4

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ______________________________________ 11

5

RESULTATEN _________________________________________________________________ 14

6

5.1

ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ___________________________________________________ 14

5.2

VELDMETINGEN GRONDWATER ___________________________________________________ 14

5.3

MONSTERSELECTIE ___________________________________________________________ 15

5.4

ANALYSERESULTATEN EN BODEMKWALITEIT ___________________________________________ 17

5.5

INTERPRETATIE ______________________________________________________________ 18

5.6

ANALYSERESULTATEN ASFALTONDERZOEK ____________________________________________ 20

RESULTATEN VERKENNEND ASBEST IN GROND ONDERZOEK __________________________ 22 6.1

ALGEMEEN ________________________________________________________________ 22

6.2

ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN EN ANALYSERESULTATEN __________________________________ 22

7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ________________________________________________ 25

8

REFERENTIES _________________________________________________________________ 27

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/3

Bijlage 1 2 3 4 5 6 7 8 9

Situering in de regio Kadastrale gegevens Locatieoverzicht Boorprofielbeschrijvingen Analysecertificaten grond en grondwater Toetsingstabellen Asbestcalculatie Fotobijlage Gegevens vooronderzoek

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/4

1

INLEIDING ABB ontwikkeling BV te Sliedrecht heeft, in verband met een bestemmingswijziging voor de realisatie van een woningbouwproject, aan NIPA milieutechniek b.v. te Oss opdracht gegeven voor het uitvoe ren van een verkennend (asbest) bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een asfaltonderzoek in het plangebied De Rik te Brielle. NIPA milieutechniek b.v. te Oss is een ISO 9001:2008 gecertificeerd onderzoeksbureau. Tevens is NIPA milieutechniek b.v. op grond van artikel 12 van het Besluit bodemkwaliteit erkend voor de werkzaamheid “Veldwerk”. Deze erkenning geldt voor de volgende protocollen: 2001 – Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen 2002 – Het nemen van grondwatermonsters 2003 – Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek 2018 – Locatie inspectie en monsterneming van asbest in bodem NIPA milieutechniek b.v. verklaart dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen. Het asfalt onderzoek is uit gevoerd conform de eisen van de CROW210 versie 1 van 13 juli 2013. De contactpersoon van de opdrachtgever is mevrouw L. van Zummeren. De werkzaamheden bij NIPA milieutechniek b.v. zijn gecoördineerd door mevrouw J.P.E.E. van Kempen Mesterom.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/5

2

LOCATIEGEGEVENS 2.1

Algemeen

De onderzoekslocatie betreft het plangebied De Rik te Brielle en staat kadastraal bekend als gemeen te Brielle, sectie C, nummers 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578 (deels). Het toekomstige plange bied is gesitueerd op en in de omgeving van De Rik 18B en 18F. De huidige woningen en schuren worden in de nabije toekomst gesloopt. Het voornemen bestaat om in het plangebied circa 52 grondgebonden woningen met parkeervoorzieningen te realiseren. Het perceel heeft een oppervlak te van circa 20.000 m². De situering van de onderzoekslocatie in de regio is weergegeven in bijlage 1. Het locatieoverzicht is opgenomen als bijlage 3. 2.2

Vooronderzoek

Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd conform hoofdstuk 6 van de NEN 5725. In bijlage 8 zijn de relevante kopieën vanuit het vooronderzoek opgenomen. 2.2.1 Omgeving De onderzoekslocatie is gelegen in het buitengebied ten zuiden van Brielle. De directe omgeving van de locatie bestaat uit: Noordzijde: openbare weg de Rik, Bedevaartskerk, basisschool en een grasveld Oostzijde: woonwijk en een school Zuidzijde: woonwijk en agrarisch gebied Westzijde: volkstuinencomplex en woonwagens 2.2.2 Voormalig bodemgebruik Voor zover bekend zijn op of nabij de onderzoekslocatie geen tanks aanwezig of aanwezig geweest. In juli 2011 is café Twee getuigen welke aanwezig was op de locatie volledig afgebrand. Voor zover bekend zijn hierbij geen schadelijke stoffen vrijgekomen welke de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem beïnvloed heeft. Met uitzondering van de brand hebben zich geen calamiteiten voorgedaan die een mogelijke bodemverontreiniging hebben veroorzaakt.

In het verre verleden heeft op de locatie een kloostergebouw gestaan waardoor historische bebou wingsresten in de bodem zijn achtergebleven. Ook waren er op het terreindeel ten noordwesten van de toegangsweg afvalkuilen aanwezig. De huidige bebouwing dateert uit de jaren 40 van de vorige

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/6

eeuw. Volgens informatie van de Milieudienst Rijnmond is de locatie in het verleden in gebruik ge weest als bloemenkwekerij. 2.2.3 Huidig bodemgebruik Op de locatie zijn momenteel 2 woningen, een aantal schuren/ stallen en watergangen (sloten) aan wezig. Op diverse opstallen is een asbestverdacht dak aanwezig zonder goot. Op het noordoostelijk terreindeel, grenzend aan De Rik, is een asfaltverharding aanwezig. De oppervlakte van de asfaltver harding bedraagt circa 750 m2. De toegangsweg en het erf tussen de stallen en de woning 18F is voorzien van een puinverharding. Gelet op het bouwjaar van de panden bestaat de mogelijkheid dat het puinpad asbest bevat.

Bij de gemeente, de opdrachtgever en in ons eigen archief zijn geen bodemonderzoeksgegevens bekend met betrekking tot de onderzoekslocatie.

In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken uitge voerd. Op de locatie Margrietstraat 3 zijn in 2002 door MOS Grondmechanica (rapportnummer GOB801059, d.d. 27 03 2002) en in 2013 door Lankelma (rapportnummer 66005, d.d. 17 01 2013) verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. Uit de resultaten van de betreffende onderzoeken blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met lood, PAK en minerale olie. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehaltes ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met chroom. Op de betreffende locatie zou ook een ondergrondse tank aanwezig zijn (geweest). Bij de Milieudienst Rijnmond is geen aanvullende informatie bekend met betrekking tot de tank. De huidige onderzoekslocatie ligt op meer dan 20 meter afstand waardoor invloed op de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem te verwaarlozen valt.

Op de locatie De Rik 22 zijn door Oranjewoud in 1996 een tweetal verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd (rapportnummer GOB/802441, d.d. 02 08 1996 en rapportnummer WM402913, d.d. 01 07 1996). Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met cryseen en PAK. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehaltes ten opzichte van de toenmalige A waarde aangetroffen. Het grondwater was matig verontreinigd met arseen en licht verontreinigd met zink, tolueen en xyle nen. 2.2.4 Bodemopbouw en geohydrologie Voor de bodemopbouw en de geohydrologische informatie is gebruik gemaakt van de Grondwater kaart van Nederland van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO. Hierin zijn de volgende regionale gegevens samengevat.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/7

Tabel 1: bodemopbouw Diepte (meter mv)

Formatie

Lithologie

0–2

Naaldwijk

zeer fijn, zwak siltig zand en leemlagen

2–4

Nieuwkoop, Hollandveen laagpakket

veen

4 19

Nieuwkoop, laagpakket van Wormer

kleiig zwak siltig zand, klei en leemlagen

2.2.5 Financieel juridische situatie De kadastrale gegevens zijn opgenomen als bijlage 2 van deze rapportage. 2.3

Doelstelling en hypothese

Het onderzoek heeft tot doel vast te stellen of op de locatie bodemverontreiniging aanwezig is, waardoor sprake kan zijn van beperkingen of belemmeringen ten aanzien van het huidige of toekom stige gebruik van het terrein.

Op basis van de beschikbare gegevens is de hypothese gesteld dat de onderzoekslocatie, met uitzon dering van het eventueel voorkomen van asbest in de bodem, beschouwd kan worden als onver dacht met betrekking tot het voorkomen van bodemverontreiniging.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/8

3

UITGEVOERD BODEMONDERZOEK 3.1

Algemeen

Milieukundig onderzoek Verdeeld over de onderzoekslocatie met een oppervlakte van circa 20.000 m² zijn, conform de stra tegie voor een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van bodemverontreiniging van de NEN 5740, de volgende boringen verricht:

* 21 boringen tot 0,5 à 1,0 meter mv (boringen 2, 3, 4, 6, 7, 9, 11, 12, 13, 15, 16, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 26, 27, 28 en 30). * 5 boringen tot 2,0 meter mv (boringen 1, 8, 14, 21 en 29). * 5 boringen tot 1,5 meter onder het grondwaterniveau en afgewerkt met peilbuis (boringen 5, 10, 17 en 25).

Opgemerkt dient te worden dat vanwege het aantreffen van een zwakke olie waterreactie in boring 17 besloten is om de betreffende boring door te zetten tot 1,5 meter onder het grondwaterniveau en af te werken met een peilbuis. Ook dient te worden opgemerkt dat boring 15 gestaakt is op een ui terst slakhoudende laag en boring 19 is gestaakt op een baksteenhoudende laag. Vanwege de aan wezigheid van een puinverharding zijn de boringen 16 t/m 19 omgezet in proefgaten van 0,3 x 0,3 m.

Vier bovengrond en drie ondergrondmengmonsters zijn geanalyseerd op de parameters uit het standaardpakket voor grond. Vanwege het aantreffen van een matig koolhoudende laag in boring 14 is één grondmonster extra geanalyseerd op de parameters uit het standaardpakket voor grond. Ook is vanwege een zwakke olie waterreactie in boring 17 één grondmonster extra geanalyseerd op minerale olie en BTEXN.

Voor het berekenen van de gestandaardiseerde meetwaarden zijn van de grondmengmonsters te vens de percentages aan lutum en organisch stof bepaald. De grondwatermonsters zijn geanalyseerd op de parameters uit het standaardpakket voor grondwater.

Asfaltonderzoek Op de locatie is een asfaltverharding aanwezig waarvan de herkomst onbekend is. In verband met de voorgenomen ontwikkelingen op de locatie waarbij het asfalt verwijderd gaat worden, dienen de hergebruikmogelijkheden van het asfalt te worden bepaald.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/9

Verdeeld over de asfaltverharding met een oppervlakte van circa 750 m² zijn, conform de CROW210 versie 1 van 13 juli 2015, zijn 3 kernboringen verricht. De vrijkomende kernen zijn met behulp van een PAK marker onderzocht op teerhoudendheid. Uitgaande van een asfaltdikte van circa 15 centi meter en een soortelijk gewicht van 2,5 kg/dm³ zal in totaal circa 350 ton asfalt vrijkomen. Dit houdt in dat er op 2 kernen een DLC analyse is uitgevoerd. 3.2

Veldwerkzaamheden

De veldwerkzaamheden, te weten het uitvoeren van de (asfalt) boringen, het plaatsen van de peil buis, het bemonsteren van de grond en van het grondwater en de zintuiglijke beoordeling van de grond en grondwatermonsters, zijn uitgevoerd volgens de methoden zoals aangegeven in de rele vante NPR en NEN normen zoals beschreven in de beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij Milieuhygië nisch Bodemonderzoek” [2]. De situering van de boringen is opgenomen in bijlage 3. Alle boringen zijn op met handkracht uitgevoerd. Het grondwater is, na grondig afpompen, op bemonsterd. De pH en de geleidbaarheid (Ec) van het grondwater zijn in het veld bepaald. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat VB 002. De boorwerkzaamheden zijn uitge voerd door de heer H.H. Wolters (Envita). De grondwatermonstername is gedaan door de heer R. Reinders en de heer M.C.M. Verhoeven. 3.3

Laboratoriumwerkzaamheden

De chemische analyses van de grond en grondwatermonsters en kernen zijn uitgevoerd door de Raad voor Accreditatie erkende laboratoriums. Voor de toegepaste analysemethoden wordt verwe zen naar bijlage 5. De monsterrestanten en de niet geanalyseerde grondmonsters zijn opgeslagen in een donkere ruimte, bij een temperatuur van +4 °C.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/10

4

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE Milieukundig onderzoek De verontreinigingssituatie van de vaste bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de geme ten gehaltes aan de achtergrond en interventiewaarde [3 & 4]. De streefwaarden voor grond zijn per 1 oktober 2008 vervangen door de achtergrondwaarden (AW2000), deze zijn vastgesteld in het Rege ling bodemkwaliteit [5]. De achtergrondwaarden zijn landelijk vastgesteld en worden in het Besluit bodemkwaliteit als volgt gedefinieerd: Achtergrondwaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehaltes aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale ver ontreinigingsbronnen. In gemeenten die beschikken over een bodemkwaliteitskaart kan bij een overschrijding van de ach tergrondwaarde getoetst worden aan de P90 waarde. Deze geeft een regionaal vastgestelde ver hoogde achtergrondwaarde aan. Het grondwater wordt getoetst aan de streef en interventiewaarden. De streef en interventiewaar den voor grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2013 [3]. De streefwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembescher mingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de bodem aan.

De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de vaste bodem en het grondwater hebben voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” te spreken dient voor ten minste één stof het gemid delde gehalte van minimaal 25 m³ grond of 100 m³ grondwater hoger te zijn dan de interventiewaar de. In bijzondere situaties, zoals bij volkstuinen en bij kruipruimten, kan reeds bij een geringere omvang en bij gehaltes beneden de interventiewaarden sprake zijn van een geval van ernstige bodemveront reiniging. Op grond van de daadwerkelijk optredende blootstelling aan de verontreiniging dient be keken te worden of onaanvaardbare risico’s voor mensen en/of ecosystemen optreden.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/11

Uit de NEN 5740 [1] kan het volgende worden afgeleid. De interpretatie van de onderzoeksresultaten en de noodzaak tot het uitvoeren van vervolgonderzoek hangen voor een belangrijk deel af van de aanleiding en doelstelling van het onderzoek en de ‘gevoeligheid’ van het gebruik en de bestemming van de locatie. Ook de onderzoeksinspanning van het vervolgonderzoek wordt voor een belangrijk deel hierdoor bepaald. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid te bepalen. De Index bij de toetsing geeft aan in welke mate er een overschrijding is of niet. Deze index wordt op de volgende manier berekend: (GSSD – S) / (I – S) GSSD = Gestandaardiseerde waarde van BoToVa S = Streefwaarde (of Achtergrondwaarde bij Grond) I = Interventiewaarde Wanneer de index:

Index < 0

:

De toetsing zit onder de S of AW

0 < Index <= 0,5

:

De toetsing zit tussen de S of AW en de (oude) Tussenwaarde

0,5 < Index <= 1

:

De toetsing zit tussen de (oude) Tussenwaarde en de Interventiewaarde

Index > 1

:

De interventiewaarde is overschreden

Deze index wordt getoond om op die manier aan te kunnen duiden of een stof de oude Tussenwaar de overschrijdt. Dit is gedaan aangezien BoToVa niet meer aan de Tussenwaarde toetst. In de rappor tage wordt de index op 2 decimalen afgerond. Een minimale overschrijding wordt afgerond als 0 en weergegeven als [ ]. De achtergrond en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum en/of organisch stofgehalte van de bodem. Bij de berekening van de gestandaardiseerde meetwaarden voor de vaste bodem is uitgegaan van gemeten lutum en organisch stofgehaltes. De gestandaardi seerde meetwaarden zijn bepaald met behulp van BoToVa. De gestandaardiseerde meetwaarden en de toetsing aan de achtergrond en interventiewaarden zijn opgenomen in bijlage 6.

Asfaltonderzoek Bij een PAK gehalte van meer dan 250 mg/kg d.s. geeft de PAK marker een positieve uitslag, wat aangeeft dat het asfalt teerhoudend is. Asfalt is herbruikbaar als het PAK gehalte minder is dan 75 mg/kg d.s. Om vast te stellen of het asfalt herbruikbaar is, dient als de PAK marker geen uitsluitsel geeft, aanvullend een DLC of HPLC analyse uitgevoerd te worden.

Het aantal te analyseren monsters is afhankelijk van het af te voeren tonnage. Het tonnage wordt geschat op basis van oppervlakte en te frezen diepte / op te breken dikte. Het aantal te analyseren monsters per partij wordt volgens onderstaande tabel bepaald.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/12

Tabel 2: onderzoeksopzet DLC analyses Tonnage van de te onderzoeken partij

Minimum aantal uit te voeren analyses

0 – 25 25 – 100 100 – 500 500 – 1000 tot elke 1000 ton meer

PAK marker onderzoek voldoet* 1 analyse** 2 analyses** 3 analyses** 1 analyse** extra

* Partij kleiner dan 25 ton (ca. 12 – 15 m³, ca. 1 volle vrachtwagen), afkomstig van één werk en aantoonbaar teervrij (PAK (10 VROM) < 250 mg/kg d.s.). ** DLC en/of HPLC analyse

Hierbij worden mengmonsters van boorkernen samengesteld van gelijksoortige teervrije lagen. Hoe uniformer de constructie is, hoe meer boringen tot één mengmonster kunnen worden samen gevoegd.

.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/13

5

RESULTATEN 5.1

Zintuiglijke waarnemingen

Voor de boorprofielbeschrijvingen wordt verwezen naar bijlage 4. De bodem is vanaf maaiveld tot het diepste punt van de boringen, circa 3,1 meter –mv, opgebouwd uit zwak tot sterk zandige klei. Plaatselijk komt in de onderlaag van de bodem mineraal arm veen of matig fijn, zwak siltig zand voor.

Tijdens de uitvoering van het veldwerk zijn zintuiglijk in de bodemlaag tot 1,0 meter mv van de bo ringen 5 t/m 10, 12, 13, 18 en 20 t/m 30 zwakke tot matige bijmengingen met puin en baksteen aan getroffen. In de bovengrond van boring 14 is een matig koolhoudende laag aangetroffen. In de on dergrond van boring 17 is een zwakke olie waterreactie waargenomen. De boringen 15 en 19 zijn gestaakt vanwege een uiterst slakhoudende laag of een baksteenhoudende laag.

Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op een groot deel van de locatie in de boringen bijmengingen 2

met puin en baksteen aangetroffen. Alleen op het uiterst zuidelijk gelegen terreindeel, circa 2.500 m

zijn geen bijmengingen aangetroffen. Uitgaande van het bovenstaande kan gesteld worden dat op 2

15.750 m sprake is van een heterogene bodemlaag welke mogelijk verdacht is op het voorkomen van asbest. 5.2

Veldmetingen grondwater

De gegevens met betrekking tot de veldmetingen tijdens de watermonstername zijn opgenomen in de onderstaande tabel.

Tabel 3: veldmetingen grondwater Peilbuis

Filterdiepte

grondwaterstand

Zuurgraad

Geleidbaarheid

Troebelheid

(m mv)

(m mv)

Ph

EC (uS/cm2)

(NTU)

05

2,00 – 3,00

0,25

6,86

1300

121

10

2,00 – 3,00

0,30

7,10

664

100

17

2,10 – 3,10

0,30

7,06

1230

75,8

25

2,10 – 3,10

0,90

7,20

644

57,0

De pH en de Ec hebben, voor deze regio, normale waarden. Tijdens de monsterneming van het grondwater is een troebelheid van het grondwater van 57,0 à 121 NTU gemeten. Verondersteld wordt dat het water in de bodem van nature een troebelheid van 0 – 10 NTU heeft. Een troebelheid hoger dan 10 NTU is niet bezwaarlijk maar kan bij de interpretatie van de analyseresultaten worden gebruikt. Een verhoogde NTU kan leiden tot een overschatting van organische parameters en zware metalen. De verhoogde troebelheid hangt waarschijnlijk samen met het feit dat het grondwater

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/14

slecht toestroomt en de aanwezigheid van onoplosbare bestanddelen in het grondwater. Aangezien maximaal licht verhoogde gehaltes (aan anorganische parameters) zijn aangetoond, en de NTU van 10 geen normatieve grens is, bestaat geen aanleiding het grondwater opnieuw te bemonsteren. 5.3

Monsterselectie

In tabel 4 is de monsterselectie opgenomen.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/15

Tabel 4: Monsterselectie Analysemonster MMB1

Traject (m mv) 0,00 0,50

Deelmonsters 05 (0,00 0,50) 06 (0,00 0,50)

Bijmengingen Zwak baksteen en puinhoudend

Analysepakket Standaardpakket incl. lutum en organisch stof

07 (0,00 0,50) 08 (0,00 0,50) 09 (0,00 0,50) 10 (0,00 0,50) 12 (0,00 0,50) 13 (0,30 0,50) MMB2

0,00 0,50

01 (0,00 0,50)

Standaardpakket incl. lutum en organisch stof

02 (0,00 0,50) 03 (0,00 0,50) 04 (0,00 0,50) MMB3

0,00 0,50

21 (0,00 0,50)

Sporen baksteen

Standaardpakket incl. lutum en organisch stof

Sterk puinhoudend en matig baksteen houdend

Standaardpakket incl. lutum en organisch stof

Zwak baksteen houdend

Standaardpakket incl. lutum en organisch stof

22 (0,00 0,50) 23 (0,00 0,50) 24 (0,00 0,50) 25 (0,00 0,50) 26 (0,00 0,50) 27 (0,00 0,50) 30 (0,00 0,50) MMB4

0,00 1,00

13 (0,05 0,10) 17 (0,50 0,80) 20 (0,50 1,00) 28 (0,00 0,30)

MMB5

0,50 1,00

10 (0,50 1,00) 29 (0,50 1,00)

MMB6

0,50 1,50

01 (0,50 1,00) 01 (1,00 1,30)

Standaardpakket incl. lutum en organisch stof

05 (0,50 1,00) 08 (0,50 1,00) 08 (1,00 1,50) 10 (1,00 1,50) 16 (0,50 1,00) MMB7

0,80 2,00

14 (0,80 1,20) 17 (1,30 1,70)

Standaardpakket incl. lutum en organisch stof

25 (1,00 1,50) 25 (1,50 2,00) 29 (1,00 1,50) 29 (1,50 2,00) MM14.1

0,20 0,70

14 (0,20 0,70)

MM17.2

0,80 1,00

17 (0,80 1,00)

Matig koolhoudend Standaardpakket incl. lutum en organisch stof Zwakke olie water Minerale olie en BTEXN reactie

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/16

5.4

Analyseresultaten en bodemkwaliteit

De analyseresultaten van de grond en grondwatermonsters zijn opgenomen in bijlage 5; de analyse en toetsingsresultaten zijn samengevat in de tabellen 5 en 6.

Tabel 5: Toetsingsresultaten grond Analysemonster

Traject (m mv)

> AW (gehalte)

MMB1

0,00 0,50

Koper [Cu] ( )

>T

> I (+index)

Zink [Zn] (0,05) Kwik [Hg] ( ) Lood [Pb] (0,25) PAK 10 VROM (0,1) MMB2

0,00 0,50

Kwik [Hg] ( ) Lood [Pb] (0,09)

MMB3

0,00 0,50

Kwik [Hg] ( ) Lood [Pb] (0,04)

MMB4

0,00 1,00

Minerale (0,14) Kwik [Hg] ( ) Lood [Pb] (0,18) PAK 10 VROM (0,05)

MMB5

0,50 1,00

Koper [Cu] (0,05) Kwik [Hg] ( ) Lood [Pb] (0,27)

MMB6

0,50 1,50

MMB7

0,80 2,00

MM14.1

0,20 0,70

MM17.2

0,80 1,00

> AW >T >I Index

Kwik [Hg] ( )

Minerale olie (0,04) Kobalt [Co] (0,14) Zink [Zn] (0,34) Cadmium [Cd] (0,05) Kwik [Hg] ( ) Lood [Pb] (0,18) PAK 10 VROM (0,15)

Koper [Cu] (0,93)

Minerale olie (0,68)

: > Achtergrondwaarde : > Tussenwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD AW) / (I AW)

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/17

Tabel 6: Toetsingsresultaten grondwater Watermonster

Filterdiepte (m mv)

> S (gehalte)

05

2,00 – 3,00

Barium[Ba] (150) – Molybdeen [Mo] (8,2) Naftaleen (0,034)

10

2,00 – 3,00

Barium[Ba] (93)

17

2,10 – 3,10

25

2,10 – 3,10

>S >T >I Index

5.5

>T

> I (+index)

Barium[Ba] (150)

: > Streefwaarde : > Tussenwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD S) / (I S)

Interpretatie

Grond In het koolhoudende grondmonster van de bovengrond van boring 14 (MM14.1) is een matig ver hoogd gehalte aan koper gemeten en zijn licht verhoogde gehaltes aan minerale olie, kobalt, zink, cadmium, kwik, lood en PAK aangetoond. In de bovengrond van boring 17 (MM17.2) waarin een zwakke olie waterreactie was waargenomen, is een matig verhoogd gehalte aan minerale olie aan getoond. In de baksteenhoudende en puinhoudende bovengrond (MMB1 en MMB3) zijn licht ver hoogde gehaltes aan koper, zink, kwik, lood en PAK gemeten. In de zintuiglijk schone bovengrond zijn licht verhoogde gehaltes aan kwik en lood aangetoond.

In de baksteenhoudende ondergrond zijn licht verhoogde gehaltes koper, kwik en lood gemeten. In de zintuiglijk schone ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan kwik gemeten.

Aanvullend onderzoek koper Om de matige verontreiniging met koper ter plaatse van boring 14zowel horizontaal als verticaal af te perken zijn om de verontreinigde boring op een afstand van 5 meter vier boringen verricht (106 t/m 109). Echter vanwege een ondoordringbare puinlaag is één van de boringen gestaakt. Het betrof de meest noordelijk boring (107) op de grens met de openbare weg.

Uit de resultaten blijkt dat in boring 108, gesitueerd ten zuidwesten van de verontreinigde boring op de grens met de openbare weg, een matige verontreiniging met koper aanwezig is. In boring 109, gesitueerd ten zuiden van de verontreinigde boring, is een lichte verontreiniging met koper gemeten.

In boring 106, gesitueerd ten noordoosten van de verontreinigde boring, is geen verhoogd gehalte aan koper aangetoond. In de bodemlaag onder de verontreinigde laag is evenmin een verhoogd gehalte aan koper aangetoond. In boring 106 en in de bodemlaag onder de verontreinigde laag zijn

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/18

geen bijmengingen met baksteensteen aangetroffen. In de licht tot matig verontreinigde grondlagen zij bijmengingen met bakstee aangetoond, waardoor de verwachting bestaat dat de verontreiniging samenhangt met de aangetroffen bijmengingen met baksteen. Aangezien uit de resultaten blijkt dat de grond hoogstens matig verontreinigd is met koper, is er geen sprake van een geval van ernstig bodemverontreiniging en geld er geen saneringsverplichting. De resultaten zijn opgenomen in tabel 7.

Aanvullend onderzoek minerale olie Om de matige verontreiniging met minerale olie (boring 17) zowel horizontaal als verticaal af te per ken zijn om de verontreinigde boring op een afstand van 5 meter vier boringen verricht (boringen 102 t/m 105). Uit de resultaten blijkt dat in de afperkende boringen hoogstens een licht verhoogd gehalte aan minerale olie is gemeten. In de bodemlaag onder de verontreinigde laag is geen ver hoogde gehalte aan minerale olie aangetoond. Aangezien uit de resultaten blijkt dat de grond plaat selijk hoogstens matig verontreinigd is met minerale olie, is er geen sprake van een geval van ernstig bodemverontreiniging en geld er geen saneringsverplichting. De resultaten zijn samengevat in tabel 8.

Tabel 7: Toetsingsresultaten grond aanvullend onderzoek Analysemonster

Traject (m mv)

> AW (gehalte)

>T

> I (gehalte)

Verontreiniging met koper M106.A

0,20 – 0,60

M108.A

0,30 – 0,60

M109.A

0,50 – 0,60

Koper [Cu] (116,1) Koper [Cu] (47,41)

Verticale afperking M14a.B > AW >T >I Index

0,60 – 1,00 : > Achtergrondwaarde : > Tussenwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD AW) / (I AW)

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/19

Tabel 8: Toetsingsresultaten grond aanvullend onderzoek Analysemonster

Traject (m mv)

> AW (gehalte)

>T

> I (gehalte)

Verontreiniging met minerale olie M102.B

0,80 – 1,00

M103.C

0,80 – 1,00

M104.C

0,80 1,00

M105.C

0,80 – 1,00

Minerale olie (120)

Verticale afperking M101.C > AW >T >I Index

1,00 – 1,50 : > Achtergrondwaarde : > Tussenwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD AW) / (I AW)

Grondwater In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met zware metalen en naftaleen aangetoond. Licht verhoogde gehaltes aan zware metalen kunnen van nature in het grondwater voorkomen en duiden niet op een noemenswaardige verontreiniging. Voor het licht verhoogd gehalte aan naftaleen is geen directe bron / oorzaak bekend. Aangezien het enkel een licht verhoogde gehaltes betreffen bestaat er geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek.

5.6

Analyseresultaten asfaltonderzoek

De analyseresultaten van het asfaltonderzoek zijn weergegeven in de onderstaande tabellen. Tabel 9: Resultaten PAKdetector Monster

Soort verhar ding

Bijzonderhe den

Laagdikte cumula tief mm

(Q) K IP 49a conform RAW 2015 proef 77.1 en 77.2 Bepalen van de constructieopbouw en de laagdikte en het aantonen van PAK met PAKdetector (PAK detectorproef) 13 1 DAB 0/8 29 Penetratielaag 47 13 2 DAB 0/8 39 14 1 DAB 0/8 41 14 2 DAB 0/8 kern volledig 37 Funderingsma in stukken 43 teriaal 14 3 GAB 0/32 kern volledig 34 in stukken 15 1 DAB 0/8 41 DAB 0/8 75 Uitvulling 102

Laagdikte individu eel mm

Fluorescerend gebied mm

29 18 39 41 37 6

geen

34

geen

41 34 27

geen

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

geen geen geen

JvK/15990 2/20

Tabel 10: Resultaten DLC proef Monster Samenstelling Diepte (in mm) (Q) K IP 49b conform RAW 2015 proef 77.3 Aantonen van PAK met dunne laag chromatografie (DLC proef) MM1 kern 13 1 0 47 kern 14 1 0 41 kern 15 1 0 102 MM2 kern 13 2 0 39 kern 14 2 0 43 kern 14 3 0 34

Classificatie PAK

geen fluorescentie

geen fluorescentie

Uit de resultaten blijkt dat het asfalt niet teerhoudend is.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/21

6

RESULTATEN VERKENNEND ASBEST IN GROND ONDERZOEK 6.1

Algemeen

Tijdens de uitvoering is gebleken dat op de locatie diverse opstallen met een asbestverdacht dak zonder goot aanwezig zijn. Tevens is op de locatie een puinpad aangetroffen. Gelet op het bouwjaar van de panden bestaat de mogelijkheid dat het puinpad asbest bevat. Ook zijn tijdens de veldwerk zaamheden van het verkennend bodemonderzoek op een groot deel van de locatie in de boringen bijmengingen met puin en baksteen aangetroffen.

Uit de bovenstaande gegevens is op te maken dat de locatie verdacht is op het voorkomen van as best. Op de locatie zijn de volgende twee deellocaties te onderscheiden namelijk: Deelgebied B agrarisch bedrijf 15.750 m2; Deelgebied C puinpad en erf circa 1.750 m2.

Deelgebied A is aan de overzijde van de weg gelegen. Hiervan is een separaat rapport opgesteld. 6.2

Zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten

Maaiveldinspectie Tijdens de maaiveld inspectie bleek dat deelgebied B (agrarisch bedrijf) volledig begroeid was met gras. Hierdoor was het uitvoeren van een maaiveldinspectie slechts beperkt mogelijk (zie foto’s). Het maaiveld ter plaatse van het puinpad was goed te inspecteren op het voorkomen van asbestverdacht materiaal. De weersomstandigheden tijdens de maaiveldinspectie waren droog en zonnig. Visueel zijn tijdens maaiveldinspectie op beide deellocaties geen asbestverdachte materialen waargenomen.

Actuele contactzone Op deellocatie B (agrarisch bedrijf) zijn conform de strategie voor een niet verdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van een bodemverontreiniging met asbest de volgende inspectiega ten (0,3x0,3x0,5 meter) verricht:

23 inspectiegaten tot 0,5 meter mv waarvan 8 inspectiegaten zijn doorgeboord tot 2,0 meter mv (G27 t/m G49).

Tijdens de uitvoering is in proefgat 31 asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het betreffende mate riaal is verzameld en gebundeld tot een materiaalverzamelmonster. Opgemerkt dient te worden dat proefgat 31 een grotere afmeting heeft dan gebruikelijk is bij een verkennend asbest in grond onder

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/22

zoek (0,3x1,6 meter). Bij de inspectie van het vrijgekomen materiaal van de overige proefgaten is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.

Op deellocatie C (puinpad en erf) zijn conform de strategie voor een niet verdachte locatie (strategie halfverhardingslagen) met betrekking tot de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest de volgende inspectiegaten (0,3x0,3x0,5 meter) verricht:

12 inspectiegaten tot 0,5 meter mv (G15 t/m G26).

Tijdens de uitvoering bleek dat de toegangsweg bestaat uit een volledige puinhoudende laag terwijl de verharding ter plaatse van het erf bestaat uit een matig tot sterk zandige kleilaag met matige tot sterke bijmengingen met puin en baksteen.

Tijdens de uitvoering is in proefgat 20 asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het betreffende mate riaal is verzameld en gebundeld tot een materiaalverzamelmonster. Bij de inspectie van het vrijge komen materiaal van de overige proefgaten is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetrof fen.

Resultaten Op basis van de asbestgehaltes en de gewichten van de asbesthoudende materialen is aan de hand van de formule uit hoofdstuk 4 de asbestconcentratie van proefgat 31 en 20 berekend. De calculatie bladen zijn opgenomen in bijlage 7, in onderstaande tabel is de calculatie per sleuf samengevat. Tabel 11: Asbestgehalte op basis van de grove fractie (> 2 cm) proef M in mg gat Agrarisch bedrijf 296.500 Puinpad 16.400 20

31

asbestpercentage

V (in dm³)

n (in kg/dm³)

E

ds in %

concentratie

12,5% chrysotiel

336

1,7

1

84,81 %

76,51 mg/kg d.s.

12,5% chrysotiel

45

1,7

1

91,62 %

29,25 mg/kg d.s.

Voor de bepaling van de asbestconcentratie in de fijne fractie (Cf: fractie < 16mm) is van de uitge zeefde grond van proefgat 31 een mengmonster (MMA7) samengesteld en geanalyseerd op de aan wezigheid van asbest. Tevens is van de uitgezeefde grond/puin van proefgat 20 een mengmonster (MMA5) samengesteld en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. Van de uitgezeefde grond/ puin van de overige proefgaten zijn vier mengmonsters (MMA4, MMA6, MMA8 en MMA9) samenge steld en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/23

Opgemerkt dient te worden dat in diverse proefgaten geen bijmengingen met bodemvreemd mate riaal zijn aangetroffen waardoor besloten is om 2 mengmonsters minder te analyseren dan geof freerd. Deze bodem wordt niet als asbestverdacht beschouwd. De proefgaten waarin zintuiglijk geen bodemvreemd materiaal is aangetroffen zijn geen mengmonsters van samengesteld.

Uit de analyses blijkt dat in de fijne fractie van het puinpad (MM6) asbest aanwezig is. Het betreft niet hechtgebonden koord dat > 60 % chrysotiel asbest bevat. Het gehalte aan asbest bedraagt 2,3 mg/kg d.s. Dit gehalte overschrijdt de interventiewaarde van 100 mg/kg niet. In de overige meng monsters, van zowel het agrarisch bedrijf als het puinpad, is geen asbest is gedetecteerd.

Uit de resultaten van de grove en fijne fractie blijkt dat ter plaatse van proefgat 31 van het agrarisch bedrijf een gehalte van 76,51 mg/kg d.s. aan asbest in is aangetoond. Dit gehalte overschrijdt de grens voor nader onderzoek van 50 mg/kg d.s waardoor conform de NEN5707 een nader asbest in grond onderzoek dient te worden uitgevoerd.

Het gehalte aan asbest van zowel de grove als fijne fractie in het puinpad bedraagt 31,55 mg/kg d.s. Dit gehalte overschrijdt de grens voor nader onderzoek niet. Een aanvullend onderzoek ter plaatse van de puinverharding is niet noodzakelijk.

Op het overige terreindeel is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/24

7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Milieukundig onderzoek Uit de resultaten van het verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel De Rik te Brielle te Brielle, kadastraal bekend als gemeente Brielle, sectie C, nummers 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578 (deels), blijkt dat:

de vaste bodem ter plaatse van boring 14 matig verontreinigd is met koper. Uit de resultaten van het aanvullend onderzoek blijkt dat in de afperkende boringen hoogstens lichte tot matige ver ontreinigingen met koper aanwezig zijn. Aangezien uit de resultaten blijkt dat de grond hoog stens matig verontreinigd is met koper, is er geen sprake van een geval van ernstig bodemver ontreiniging en geldt er geen saneringsverplichting; de vaste bodem ter plaatse van boring 17 matig verontreinigd is met minerale olie. Uit de resul taten van het aanvullend onderzoek blijkt dat in de afperkende boringen hoogstens lichte ver ontreinigingen met minerale olie aanwezig zijn. Aangezien uit de resultaten blijkt dat de grond hoogstens matig verontreinigd is met minerale olie, is er geen sprake van een geval van ernstig bodemverontreiniging en geldt er geen saneringsverplichting; zowel de boven als ondergrond op het overige terrein niet (noemenswaardig) is verontreinigd met de onderzochte parameters; het grondwater licht verontreinigd is met zware metalen en naftaleen; de bodem ter plaatse van proefgat 31 (agrarisch bedrijf) een gehalte van 76,51 mg/kg d.s. aan asbest bevat. Dit gehalte overschrijdt de grens voor nader onderzoek van 50 mg/kg d.s waardoor conform de NEN5707 een nader asbest in grond onderzoek dient te worden uitgevoerd.

Op het overige terreindeel van het agrarisch bedrijf is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aange toond. het puinpad en erf een gehalte van 31,55 mg/kg d.s. aan asbest bevat. Dit gehalte overschrijdt de grens voor nader onderzoek niet. Een aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. uit de resultaten van het asfalt onderzoek blijkt dat het aanwezige asfalt niet teerhoudend is. Op basis van deze resultaten dient de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe ver worpen te worden. De gevolgde strategie is echter als voldoende te beschouwen. Op basis van het aangetroffen gehalte aan asbest ter plaatse van proefgat 31 dient een nader asbest onderzoek uitgevoerd te worden, teneinde ernst en omvang van de verontreiniging nader in kaart te brengen.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/25

Op het overige terreindeel is op basis van de resultaten het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek, ons inziens, niet noodzakelijk. Opgemerkt wordt dat wij slechts een adviserende taak hebben en dat het bevoegd gezag de noodzaak tot de uitvoering van nader of aanvullend onder zoek vaststelt.

Alhoewel het onderzoek met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opge stelde normen en richtlijnen is uitgevoerd dient opgemerkt te worden dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses wordt uit gevoerd. Niet geheel uitgesloten kan worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is die bij dit onderzoek niet is aangetroffen.

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/26

8

REFERENTIES 1.

NEN 5740, januari 2009. Bodem, bodem landbodem strategie voor het uitvoeren van ver kennend bodemonderzoek onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en grond [13.080.05]. NNI, Delft

2.

Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Beoordelingsrichting voor het SIKB procescertificaat Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek, BRL SIKB 2000, Gouda, 12 december 2013

3.

Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013, 27 juni 2013, Staatscourant 16675

4.

Landelijke referentiewaarden ter onderbouwing van maximale waarden in het bodembeleid, RIVM rapport 711701053

5.

Regeling bodemkwaliteit, Staatscourant nr. 247, 13 december 2007

Verkennend bodemonderzoek De Rik te Brielle, sectie C, nummer 2385, 2384, 1543, 1073, 2383 en 2578

JvK/15990 2/27

Bijlage 1

Ë·¬¬®»µ­»´ Õ¿¼¿­¬®¿´» Õ¿¿®¬

Ë© ®»º»®»²¬·»æ ïëççð

îëéè

ïëìí íðèê

ïè¾

îíèí

îíèì

îíçê îíçé îíçè ïèº

îíèë

ïðéí îè íð íî

íîêè

íì íê íè ìð

ìî ìì ìê ìè ëð ëî

íîëì íîëë

ïç

ëì ëê

îï îí

ëè

íîëê ð³

Ü»¦» µ¿¿®¬ ·­ ²±±®¼¹»®·½¸¬ л®½»»´²«³³»® îë Ø«·­²«³³»® Ê¿­¬¹»­¬»´¼» µ¿¼¿­¬®¿´» ¹®»²­ ʱ±®´±°·¹» µ¿¼¿­¬®¿´» ¹®»²­ ß¼³·²·­¬®¿¬·»ª» µ¿¼¿­¬®¿´» ¹®»²­ Þ»¾±«©·²¹ Ѫ»®·¹» ¬±°±¹®¿º·» ʱ±® »»² »»²­´«·¼»²¼ «·¬¬®»µ­»´ô ß°»´¼±±®²ô ïç ³»· îðïé Ü» ¾»©¿¿®¼»® ª¿² ¸»¬ µ¿¼¿­¬»® »² ¼» ±°»²¾¿®» ®»¹·­¬»®­

ïîíìë

ïð ³

îë

êð êî ëð ³

ͽ¸¿¿´ ïæïððð Õ¿¼¿­¬®¿´» ¹»³»»²¬» Í»½¬·» л®½»»´

ÞÎ×ÛÔÔÛ Ý îíèë

ß¿² ¼·¬ «·¬¬®»µ­»´ µ«²²»² ¹»»² ¾»¬®±«©¾¿®» ³¿¬»² ©±®¼»² ±²¬´»»²¼ò Ü» Ü·»²­¬ ª±±® ¸»¬ µ¿¼¿­¬»® »² ¼» ±°»²¾¿®» ®»¹·­¬»®­ ¾»¸±«¼¬ ¦·½¸ ¼» ·²¬»´´»½¬«»´» »·¹»²¼±³­®»½¸¬»² ª±±®ô ©¿¿®±²¼»® ¸»¬ ¿«¬»«®­®»½¸¬ »² ¸»¬ ¼¿¬¿¾¿²µ»²®»½¸¬ò

ѳ¹»ª·²¹­µ¿¿®¬

Õ´¿²¬®»º»®»²¬·»æ ïëççð

ð³

ïîë ³

Ü»¦» µ¿¿®¬ ·­ ²±±®¼¹»®·½¸¬ò Ø·»® ¾»ª·²¼¬ ¦·½¸ Õ¿¼¿­¬®¿¿´ ±¾¶»½¬ ÞÎ×ÛÔÔÛ Ý îíèë Ü» ηµ ô ÞÎ×ÛÔÔÛ ÝÝóÞÇ Õ¿¼¿­¬»®ò

êîë ³

ͽ¸¿¿´ ïæ ïîëðð

Bijlage 2

Bijlage 3

DATUM

23 september 2021

KENMERK

N15990.001.007/NVV

CONTACTPERSOON

ing. J.A.A. van Vliet

Aan Lodewijck groep BV

TELEFOONNUMMER +31 (0)412 65 50 58

T.a.v. de heer K. Ellenbroek

BIJLAGE

Beechavenue 139

Tekening Certificaat

1198 RB SCHIPHOL-RIJK

boorbeschrijving ONDERWERP

De Rik te Brielle

Geachte heer Ellenbroek,

Hierbij doen wij u de resultaten toekomen van het uitgevoerde aanvullend bodemonderzoek op het plangebied De Rik te Brielle, kadastraal bekend onder de gemeente Brielle, sectie C, nummers 2385, 2384, 1543, 1073 en 2578.

Kwaliteit De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 13 september 2021 onder certificaat VB-002 door de heer R.J. van der Laan.

NIPA milieutechniek b.v. te Oss is een ISO 9001:2015 gecertificeerd onderzoeksbureau. Tevens is NIPA milieutechniek b.v. op grond van artikel 12 van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd als bedoeld in artikel 9 van het Besluit bodemkwaliteit) erkend voor Deze erkenning geldt voor de volgende protocollen:

2001

Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van

grondmonsters en waterpassen 2002 Het nemen van grondwatermonsters 2003 Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek 2018 Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem

NIPA milieutechniek b.v. verklaart dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen.

N15990.001.007/NVV/1

Landweerstraat Zuid 109 5349 AK Oss T +31 (0) 412 65 50 58 E info@nipamilieu.nl I www.nipamilieu.nl IBAN: NL 44 RABO 0121505537 Kamer van Koophandel 16.07.74.86

Algemeen In 2017 is reeds een verkennend (asbest) bodemonderzoek uitgevoerd (NIPA milieutechniek bv, rapportnummer 15990-2) dat ter beoordeling is voorgelegd aan DCMR. Uit de beoordeling (14 augustus 2021, kenmerk 9999237295_99991058997) is onder andere gebleken dat het bodemonderzoek nier volledig voldoet aan NEN 5740 omdat de bodem niet is onderzocht op de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen. Uit de gegevens uit het vooronderzoek is af te leiden dat de locatie in gebruik is geweest voor bloementeelt.

Doelstelling Het onderzoek heeft tot doel vast te stellen of uit te sluiten dat op de locatie bodemverontreiniging aanwezig is door de opslag en/of gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (OCB), die een belemmering vormt voor het voorgenomen gebruik van de bodem of de geplande activiteiten.

Werkzaamheden De werkzaamheden voor het aanvullend bodemonderzoek zijn uitgevoerd in overeenstemming met NEN 5740, strategie VED-HE voor locaties met een heterogeen verdeelde bodemverontreiniging. Verspreid over de locatie met een oppervlakte van 20.000 m 2 zijn in totaal 36 handboringen uitgevoerd tot een diepte van 0,3 meter mv (boring 101-136). De ondergrond en/of het grondwater zijn niet verdacht beschouwd met betrekking tot de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen en zijn in het kader van onderhavig aanvullend bodemonderzoek buiten beschouwing gelaten.

Van de bovengrond zijn in totaal zes grondmengmonsters samengesteld voor een analyse op de aanwezigheid van OCB. Voor de bepaling van de gestandaardiseerde meetwaarden zijn de mengmonsters tevens geanalyseerd op het percentage aan organische stof.

Abusievelijk zijn maximaal zes, in plaats van vier, deelmonsters samengevoegd tot een mengmonster. Dit is een afwijking op de strategie VED-HE van de NEN 5740. Gezien de resultaten van het onderzoek wordt verwacht dat dit geen invloed heeft op de betrouwbaarheid van het onderzoek.

Aanvullend bodemonderzoek De Rik te Brielle Brielle C 2385, 2384, 1543, 1073 en 2578

N15990.001.007/NVV/2

Resultaten De bodem is vanaf maaiveld tot het diepste punt van de boringen, circa 0,3 meter mv, opgebouwd uit zandige klei. Tijdens de uitvoering van het veldwerk is ter plaatse van alle boringen een bijmenging van baksteenresten en/of metsel(puin) aangetroffen.

De analyse- en toetsingsresultaten zijn samengevat in onderstaande tabel. Analysemonster BG-01 BG-02 BG-03 BG-04 BG-05 BG-06 > AW >T >I Index

Deelmonsters

Traject (m -mv)

> AW (+index)

>T

> I (+index)

101, 102, 103, 107, 108, 114 104, 105, 106, 109, 110, 116 115, 120, 121, 128, 135, 136 111, 112, 113, 117, 118, 119 122, 123, 124, 129, 130, 131 125, 126, 127, 132, 133, 134 : > Achtergrondwaarde : > Tussenwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD - AW) / (I - AW)

0,00 - 0,30 0,00 - 0,30 0,00 - 0,30 0,00 - 0,30 0,00 - 0,30 0,00 - 0,30

DDD (0,0) -

-

-

Uit de analyseresultaten blijkt dat in mengmonster BG-04 een zeer licht verhoogd gehalte aan DDD is gemeten. Het aangetoonde gehalte is dermate laag dat de uitvoering van een nader onderzoek niet noodzakelijk is.

Geconcludeerd kan worden dat op de locatie geen noemenswaardige bodemverontreiniging aanwezig is met OCB welke is voortgekomen uit de opslag en/of gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Hopende u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

J.A.A. van Vliet

Interne controle

Projectleider

R.J. van der Laan Boormeester

Aanvullend bodemonderzoek De Rik te Brielle Brielle C 2385, 2384, 1543, 1073 en 2578

N15990.001.007/NVV/3

Bijlage 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13080090/2