CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Twee getuigen Toelichting Bijlage 3 Archeologisch onderzoek

Raadsvergadering 3 oktober 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Twee Getuigen - Kloosterbos16.895 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

materiaal aan het oppervlak lag en eenvoudig was te verzamelen. Het artefact van gneiss bestaat uit de helft van een omvangrijk cilindervormig object met sterk geronde zijden. De cilinder heeft bij benadering een diameter van 39 cm en een dikte 21 cm, met een gewicht van ca. 15 kg. Het stuk is duidelijk tot deze vorm bewerkt door middel van opkloppen (bouchaderen) en daardoor voelt de buitenkant nog ruw aan. Waarvoor het precies heeft gediend, is onduidelijk. Een gebruik als bouwmateriaal is het meest voor de hand liggend. Het valt niet uit te sluiten dat het om een halffabrikaat gaat: een onderdeel van een zuil komt dan als eerste in aanmerking. Opmerkelijk is dat het breukvlak op plaatsen licht is afgevlakt. 25 Janse 1986. 26 Heide & Wellinga 1974; Van der Lijn 1963.

40

Sint Andriesklooster Brielle

Dit impliceert dat het object in zijn huidige vorm is benut; waarvoor precies, blijft een raadsel.

Conclusie Ondanks het geringe aantal, heeft bestudering van het natuursteen potentie om informatie op te leveren over gehanteerde bouwmaterialen. Dit is met name van toepassing op de dakleien. Deze zijn relatief goed geconserveerd.

4.3.3 Bot J. Van der Leije Het proefsleuvenonderzoek heeft 24 botfragmenten opgeleverd met een totaalgewicht van 1115,1 g. Alle fragmenten zijn gewaardeerd om de potentie van het materiaal vast te stellen voor de reconstructie van de landbouw- en voedseleconomie (bijlage 4). Eén fragment is verzameld bij de vlakaanleg van put 4, het overige materiaal is afkomstig uit afvalkuilen in dezelfde put (S4.1.1, -4, -5, -7, -10 en -16, zie Figuur 4.11). Het bot is goed tot zeer goed geconserveerd. Het materiaal is in te delen in verweringsstadium 0 tot 2 zoals beschreven in Huisman et al.27 Dit houdt in dat een deel van de botten geen sporen van verwering toont (stadium o). In andere gevallen vertonen de botten enkele barsten die parallel lopen met de vezelstructuur (stadium 1) of is het afbladderen van de buitenste concentrische botlagen in een beginstadium (stadium 2). Tabel 4.2 geeft de fragmentatie van het materiaal weer. Twee derde van de fragmenten zijn voor meer dan 10% bewaard gebleven. Ook dit geeft de goede conservering van het materiaal weer. fragmentatie

aantal

Gewicht (g) aantal te determineren

0-10 %

8

120,1

6

10-75%

13

910,2

4

75-100%

3

84,8

3

Tabel 4.2

Fragmentatie en aantal te determineren faunafragmenten.

Het merendeel van het materiaal bestaat uit zoogdierresten. Kleine zoogdieren zijn niet herkend. Het gaat om resten van (middel)grote zoogdieren. In ieder geval zijn fragmenten van rund herkend. Daarnaast zijn een vissenbot en een fragment van een vogel aanwezig. Tabel 4.3 geeft de aantallen en het gewicht aan per aangetroffen diergroep. Er zijn enkele botten van juveniele dieren herkend. Op vier elementen zijn bewerkingssporen in de vorm van hak- en snijsporen waargenomen. Slechts één fragment is verbrand, het betreft een vogelbotje. diergroep

aantal (N) aantal (%) gewicht (g) gewicht (%)

groot zoogdier

15

62,6

1090,6

97,7

middelgroot zoogdier

4

16,7

18

1,6

zoogdier onbepaald

3

12,5

1,7

0,2

vis

1

4

4,3

0,4

vogel

1

4,2

0,5

0,1

totaal

24

27 Huisman et al. 2006.

1115,1

Tabel 4.3

Faunaresten, ingedeeld naar diergroep.

Sint Andriesklooster Brielle 41

Conclusie Het botmateriaal is goed geconserveerd; meer dan de helft van het materiaal blijkt dan ook te determineren. Bij een eventueel Definitief Onderzoek kan het dierlijk botmateriaal informatie opleveren over aanwezige diersoorten, slachtleeftijden, slachtsporen en pathologieën. De dierlijke component binnen de landbouw en voedseleconomie is hiermee goed te onderzoeken.

42

Sint Andriesklooster Brielle

Sint Andriesklooster Brielle 43

5

Synthese 5.1 Conclusie Bij het proefsleuvenonderzoek zijn in de verwachtingszones van middeleeuwse bebouwing uit het vooronderzoek archeologische resten gevonden uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Het gaat hierbij voornamelijk om bakstenen muren en funderingen. De locatie van het Huis van de Twee Getuigen in het noordoosten van het plangebied is slechts in de randzone aangesneden, ter hoogte van het slooppuin (naar aanleiding van de sanering) van de recente oostelijke aanbouw. Hier zijn geen archeologische resten meer gevonden. Onduidelijk is of er op de rest van deze locatie nog resten van de 16e-eeuwse voorganger in de ondergrond zijn bewaard. Mogelijk zijn ook daar alle resten bij de sloop en sanering van de bodem volledig opgeruimd. Wel is direct ten zuiden van de locatie nog een aantal afvalkuilen uit ca. 1375-1450 aangetroffen. De aangetroffen muurwerken en fundamenten in het midden van het plangebied behoren onder andere tot het Sint Andriesklooster dat mogelijk in 1403 gesticht werd. Langs De Rik in het noorden zijn fundamenten aangesneden die mogelijk een vroegere bewoningsfase vertegenwoordigen. Tijdens het proefsleuvenonderzoek was dit niet met zekerheid vast te stellen. De vindplaats kan informatie verschaffen over het kloosterleven, eetgewoontes, economie en landbouw. Het goed geconserveerde botmateriaal is hier bij uitstek geschikt voor.

Ook analyses van het aardewerk kunnen hieraan bijdragen. Het steenmateriaal kan een goede indruk van de bouwwijze en het uiterlijk van het klooster en de bijgebouwen geven. De (centrale) ruimten tussen de (verwachte) zones met middeleeuwse bebouwing zijn niet onderzocht tijdens het proefsleuvenonderzoek. Deze zijn in het PvE namelijk op grond van de verwachtingen uit het vooronderzoek reeds als zones (met een lage verwachting) buiten beschouwing gelaten. De vindplaats Brielle De Rik is een bijzondere locatie voor de gemeente Brielle, vooral omdat buiten de stad nog weinig archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden.

5.2 Waardering

5.2.1 Het proces van waardering De waardering van de archeologische waarden binnen het plangebied vindt plaats op basis van de door de KNA onderscheiden criteria van beleving, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. Vindplaatsen worden allereerst beoordeeld op hun belevingswaarde, waarna er na de fysieke kwaliteit gekeken wordt. De behoudenswaardigheid van de vindplaats hangt in principe af van deze twee criteria. Als een vindplaats 5 of 6 punten scoort voor de fysieke kwaliteit wordt zij in principe als behoudenswaardig aangemerkt. Bij een lagere score wordt er gekeken naar de inhoudelijke kwaliteit, zodat vindplaatsen van inhoudelijk belang, doch van geringe fysieke kwaliteit, toch behouden blijven. Als de behoudenswaardigheid al in dit stadium positief is vastgesteld wordt toch een score voor inhoudelijke kwaliteit bepaald om de ensemblewaarde en representativiteit vast te stellen. Bij een score van 7 punten of meer op het criterium inhoudelijk kwaliteit wordt de vindplaats behoudenswaardig geacht.

44

Sint Andriesklooster Brielle

70250

70300

70350

434750

434750

434800

70200

434800

70150

Lege zone

Afvalkuilen

434700

434700

Historische bebouwingsresten

434650

Resten kloostergebouw

N

0

70150

50m

70200

70250

70300

70350

Legenda putten met sporen verwachtingszone historische bebouwing met aangetoonde resten: behoudenswaardig verwachtingszone historische bebouwing zonder resten: niet behoudenswaardig geen verwachting historische bebouwing, niet gewaardeerd (conform PvE) bestaande bebouwing ommuring kloosterrein grens plangebied 434600

434600

434650

Resten Rikse straatje en historische bebouwing

Figuur 5.1

Overzicht van de archeologische sporen en waardering van de verschillende zones met het oog op behoud. Uitgangspunt zijn de verwachtingszones uit het Programma van Eisen, gebaseerd op historische gegevens (aanwijzingen voor bebouwing).

Sint Andriesklooster Brielle 45

5.2.2 Waardering van de vindplaats Tabel 5.1 toont de waardering van de vindplaats. Het criterium schoonheid is doorgaans alleen van toepassing op zichtbare monumenten. Aangezien boven de grond niets zichtbaar is, scoort de vindplaats niet op dit criterium. Een archeologische vindplaats heeft vaak geen score op de herinneringswaarde. In dit geval weten de omwoners zelf en mensen uit Brielle wel degelijk wat hier gestaan heeft. Bovendien is ook veel uit historisch bronnen bekend over deze locatie. Daardoor scoort de vindplaats op dit criterium middelhoog. De score van het criterium gaafheid is hoog. De sporen die verwacht werden op basis van historische bronnen, blijken inderdaad aanwezig te zijn. De vindplaats heeft sporen opgeleverd in de vorm van muurresten en afvalkuilen, direct onder de 0,25-0,5 m dikke bouwvoor. De sporen bevinden zich in een stabiele natuurlijke omgeving en de ruimtelijke gaafheid is vrij groot te noemen. Ook is sprake van een intacte stratigrafie (met loopniveau) en een sterke ruimtelijke relatie tussen het vondstmateriaal en de grondsporen. In conservering scoort de vindplaats grotendeels gemiddeld. Het kloostergebouw is uitermate goed geconserveerd. De bebouwing langs de Rik is ook nog aanwezig, maar tegelijkertijd blijkt deze deels gesloopt.

Ook het Rikse straatje was deels nog aanwezig met muurresten van bebouwing, maar ook hier hebben recente graafwerkzaamheden de resten deels verstoord. In het noordoosten bevinden zich afvalkuilen; deze zijn pas op een dieper niveau zichtbaar. Op het criterium zeldzaamheid scoort de vindplaats hoog. Uit historische bronnen is bekend dat Brielle vele kloosters kende. Archeologisch onderzoek naar deze kloosters heeft echter niet of nauwelijks plaats gevonden. Hierdoor scoort de vindplaats ook hoog op de criteria informatiewaarde en ensemblewaarde. De vindplaats kan nieuwe inzichten geven over het kloosterleven in en om Brielle. Ook geeft de vindplaats inzicht in de ontwikkeling van het buitenstedelijke gebied. Ook op het criterium representativiteit scoort de vindplaats hoog. Het kloosterterrein is een gebouw dat typisch hoort bij een middeleeuwse ontwikkeling. De fysieke kwaliteit van andere kloosters in de regio is niet duidelijk. Op de verwachtings- en beleidskaart is het plangebied gekenmerkt als AMK-terrein met een middelhoge verwachting.

Tabel 5.1

Waarden

Criteria

Beleving

Schoonheid

Waardering van vindplaats Brielle - De Rik.

Scores Hoog

Midden Laag geen score

Herinneringswaarde Fysieke kwaliteit

Gaafheid

2 3

Conservering Inhoudelijke kwaliteit

2

Zeldzaamheid

3

Informatiewaarde

3

Ensemblewaarde

3

Representativiteit

3

De vindplaats scoort hiermee ruimschoots boven de norm van 7 en is daarmee als behoudenswaardige vindplaats te bestempelen.

46

Sint Andriesklooster Brielle

5.3 Advies Het proefsleuvenonderzoek heeft niet alleen bekende historische bebouwing opgeleverd zoals het voormalig Sint Andriesklooster. Ook mogelijk oudere bewoningsfasen zijn aangetroffen, in de vorm van bakstenen muurwerken, funderingsresten en afvalkuilen. Bovendien is de conservering van de muurwerken goed tot zeer goed te noemen. Vooral de resten van het klooster zijn uitermate goed bewaard. De vindplaats kan meer informatie verschaffen over de vroegste bewoning langs De Rik en de stichtingsdatum van het klooster. De afvalkuilen kunnen meer informatie geven over de leefwijze, het eetpatroon, etc. van de bewoners van het klooster. Vanwege de voornoemde argumenten en de behoudenswaardigheid van de vindplaats (score 19) wordt behoud in situ geadviseerd. Behoud in situ is mogelijk door inpassing van behoudenswaardige zones, bijvoorbeeld als groenstroken, binnen de bouwplannen. Tevens zijn er tegenwoordig archeologievriendelijke wijze van bouwen binnen dergelijke zones: bijvoorbeeld de bouw op (bovengrondse) ophogingspakketten die de archeologische resten beschermen of op een fundering van heipalen met een beperkte verstoring van deze resten. Een kanttekening bij deze laatste optie is dat de vele bouwresten in de ondergrond een belemmering voor de heiwerkzaamheden kunnen vormen.

De behoudenswaardige zones van het plangebied zijn groen gemarkeerd in Figuur 5.1: het proefsleuvenonderzoek bevestigt hier namelijk de aanwezigheid van de – op grond van historische kaarten– verwachte middeleeuwse bebouwing. Omdat tijdens het proefsleuvenonderzoek de vindplaatsen niet te begrenzen waren, is er voor gekozen om een buffer aan te houden voor de groene zone. Deze ligt ruimschoots rondom de vindplaatsen heen. In enkele zones is de verwachte bebouwing niet aangetroffen; ze bevatten althans geen behoudenswaardige resten (rood gemarkeerd in Figuur 5.1). De verwachte bewoningssporen ontbreken (westen) of blijken verstoord door recente sloop en sanering (oosten). Dit laatste geldt specifiek voor de oostelijke recente aanbouw van het Huis van de Twee getuigen. Onduidelijk is of ook de –niet onderzochte– rest van dit gebouw op een soortgelijke wijze is gesloopt na de brand in 2011. Aangezien onbekend is of eventuele ondergrondse funderingen van de 16e-eeuwse voorganger zijn verstoord, is de rest van het Huis vooralsnog als behoudenswaardig (groen) gemarkeerd. Het bureauonderzoek28 van de historische kaarten heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor bebouwing/bestrating buiten de groen en rood gemarkeerde zones van Figuur 5.1.29 Deze geel gemarkeerde zone in Figuur 5.1 is conform het PvE niet onderzocht met proefsleuven en dus niet gewaardeerd.

Op grond van het onderhavige proefsleuvenonderzoek zijn dan ook geen concrete uitspraken te doen over de behoudenswaardigheid van deze zone. Volgens de beleidskaart gelden sowieso geen vrijstellingswaarden binnen het plangebied (als AMK-terrein): noch in omvang, noch in diepte. Wanneer wordt in situ behoud niet tot de mogelijkheden behoort en vervolgens wordt besloten tot een vervolgonderzoek (behoud ex situ) van de overige, als behoudenswaardige gekwalificeerde groene groen zones (zie verderop) verdient het aanbeveling om bij aanvang eerst een beperkt proefsleuvenonderzoek in de gele zone uit te laten voeren. Alleen op deze wijze is de exacte begrenzing van de behoudenswaardige zones te bepalen. Zodra de begrenzing duidelijk is, kan men in het kader van behoud ex situ overgaan tot een vlakdekkende opgraving van de zones met behoudenswaardige resten. Hierbij geldt nog een kanttekening. Tijdens het proefsleuvenonderzoek 28 Rietkerk 2010. 29 Rietkerk 2010.

Sint Andriesklooster Brielle 47

is slechts een deel van de zones met middeleeuwse bebouwing/bestrating binnen het plangebied onderzocht. Ook onder de huidige bebouwing zijn eventueel archeologisch resten te verwachten. Onduidelijk is of de recente bouw hier tot verstoring van eventuele funderingen van voorgangers heeft gezorgd. Uitgaande van behoud, zowel in situ als ex situ, en de geplaatste kanttekening bij de omvang van de (niet) behoudswaardige zones (geen vrijstelling) en de verschillende vormen van behoud ex situ (heien), is het van belang om de funderingsresten binnen het plangebied zo snel mogelijk eerst verder in kaart te brengen. Enerzijds om de resten te beschermen, anderzijds om de ontwikkelaar inzicht te geven in de aanwezigheid van resten die mogelijk een probleem vormen voor de bouwer. Dit kan bijvoorbeeld door geofysisch onderzoeken die ondergrondse funderingen ’zichtbaar’ maken. Vanwege het puin in de ondergrond en de kleiige bodem is grondradar niet geschikt. Magnetrometisch onderzoek of elektrisch weerstandsonderzoek is waarschijnlijk wel geschikt. Op basis hiervan kan de ontwikkelaar een bouwplan op maast opstellen voor de woningen. Daar waar behoudenswaardige resten niet zijn in te passen in de bouwplannen, dient ter hoogte van de geplande woningen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden, zodat de archeologische resten (zoals muren en afvalkuilen) ex situ bewaard blijven.

Dit kan door middel van een opgraving of een archeologische begeleiding.

5.4 Beantwoording onderzoeksvragen Vragen over de waardering van de aangetroffen resten: •

Bevinden zich binnen het onderzoeksgebied resten van archeologische vindplaatsen?

Binnen het onderzoeksgebied bevinden zich inderdaad resten van archeologische vindplaatsen. •

Wat is de aard, omvang, diepteligging en datering van de archeologische sporen en vondsten?

Het gaat om de muurresten van een klooster, bebouwing langs De Rik, het Rikse straatje en afvalkuilen. De resten zijn in vrijwel alle proefsleuven waargenomen. De diepte varieert van ca. 30 cm (muurresten klooster) tot ca. 1 m (afvalkuilen) onder het maaiveld. •

Komt dit overeen met de archeologische verwachtingszones?

Dit komt inderdaad overeen met de archeologische verwachtingszones. Alleen van het Huis van de Twee Getuigen zijn geen funderingen van een 16e-eeuwse voorganger gevonden. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is echter slechts een deel – de gesloopte oostelijke recente aanbouw– van het voormalige Huis aangesneden. Onduidelijk is of ook de rest van het Huis op een soortgelijke destructieve wijze is gesloopt en gesaneerd. •

Zijn er beerputten of afvalkuilen aanwezig?

Afvalkuilen zijn ter hoogte van put 4 gevonden; beerputten niet, maar hun aanwezigheid ( buiten de proefsleuven) is niet uit te sluiten. •

Wat is de bodemkundige opbouw van het onderzoeksgebied?

De opbouw bestaat uit het huidige (opgehoogde) maaiveld met daaronder een (opgehoogde) puinlaag. Hieronder bevinden zich oeverafzettingen met daaronder geulafzettingen. Het onderliggende Hollandveen is niet bereikt.

48

•

Sint Andriesklooster Brielle

In welke mate is de bodem geërodeerd of verstoord?

Erosie van de bodem heeft niet plaatsgevonden. In enkele profielen is zelfs een oud loopniveau aangetroffen. Het oorspronkelijke maaiveld is lokaal verstoord of afgetopt, maar dit is zeer beperkt.Alleen ter hoogte van de oostelijke aanbouw van het voormalige Huis van de Twee Getuigen is de oorspronkelijke bodemopbouw met oude muren geheel verstoord door recente sloop en sanering. •

Uit het tot nu toe uitgevoerde (boor)onderzoek is de landschappelijke ligging van de kern van de middeleeuwse nederzetting Rugge nog onvoldoende duidelijk. Welke geomorfologische aanwijzingen geven de profielen? Lag het dorp op een kreekrug?

Het kloostergebouw lijkt op een kleine kreekrug te liggen. In enkele profielen is ook de aanzet van een geul aangetoond, vooral in het noordelijke deel. Waarschijnlijk heeft Rugge op een kleine kreekrug gelegen met daaromheen resten van getijdengeulen. •

Welke aanwijzingen zijn er voor gebruik en bewoning van het gebied vóór de 15e eeuw?

Het aardewerk duidt op een vroegste bewoning tussen 1375 en 1400/1450. Ook de muurresten hebben eenzelfde datering, hoewel ook een 15e-eeuwse ouderdom mogelijk is.

Vragen over de mogelijkheden voor fysieke bescherming: •

Wat is in kwalitatieve zin de zettingsgevoeligheid van de aangetroffen resten?

De zettingsgevoeligheid van de resten lijkt mee te vallen. De ondergrond bestaat uit stevige klei en klink van de bodem onder de resten is niet waargenomen. Dit was wel lastig te bepalen, vanwege het grondwater. Daar waar recente sloop en sanering hebben geplaats gevonden (oostelijke aanbouw van het voormalige Huis van de Twee Getuigen), is de ondergrond wel instabiel: de losse structuur van het recente slooppuin maakt de bodem lokaal zeer zettingsgevoelig. •

Wijst de aangetroffen bodemopbouw op de mogelijkheid van differentiële zetting en klink van de archeologische resten en lagen?

Zowel differentiële zetting als klink is niet waargenomen in de bodemopbouw. Waarschijnlijk heeft dit te maken met de bouw van de fundering. Deze is getrapt aangelegd waardoor het gewicht van de muren wordt verdeeld. •

Zijn er goed geconserveerde organische resten bewaard en vanaf welke diepte?

Organische resten in de vorm van botmateriaal zijn gevonden. Deze zijn allemaal afkomstig uit put 4, ter hoogte van de afvalkuilen. Deze waren op ca. 1 m onder het maaiveld zichtbaar. Vanwege de kleiige ondergrond is organisch materiaal ook zeer goed op een hoger niveau te verwachten. •

Welke aanwijzingen zijn er voor grondwaterfluctuaties in het verleden, zoals oxidatieen reductieverschijnselen?

De hoeveelheid reductie valt mee. Op ca 80 cm onder het maaiveld was de klei wat blauw, maar van een duidelijke reductie was geen sprake. Wel bevonden zich op dit niveau wat minerale afzettingen, mogelijk een indicatie voor het oxidatie/ reductieniveau.

Sint Andriesklooster Brielle 49

Vragen over het klooster: •

Zijn er resten van de kloostergebouwen aanwezig?

Deze zijn aanwezig, alleen in put 2 en mogelijk put 3. •

Zijn er bepaalde functies aan de gebouwresten toe te wijzen? Zijn er bijv. aanwijzingen voor een eet- of slaapzaal, keuken, kapel e.d.?

Dit is niet duidelijk geworden. Alleen latere verbouwingen waren zichtbaar, zoals een waterkelder. •

Zijn er binnen kloosterterrein functieverschillen waarneembaar, zoals moes- of kruidentuin of zones met ambachtelijke dan wei agrarische activiteiten?

Deze functies zijn niet aangetoond. •

Zijn er aanwijzingen voor surplusproductie of -handel?

Dit is op dit moment niet vast te stellen, gezien de geringe hoeveelheid vondsten. •

Zijn er aanwijzingen voor verbouwingen of reparaties en met welke functieverandering hangen deze samen?

Het onderzoek van het kloostergebouw heeft meerdere bouwfasen aangetoond. Het is niet duidelijk of de verschillende fasen met functieveranderingen samenhangen. •

Werd in of bij het klooster begraven en zo ja, uitsluitend de kloosterpopulatie of ook anderen, zoals weldoeners en andere niet-kloosterlingen?

Begravingen zijn niet aangetroffen in de proefsleuven. •

In hoeverre onderscheid de materiële cultuur van de nonnen zich van die van de Brielse burgers of van stedelingen elders, dan wel van het omliggende platteland?

Hierin lijkt geen onderscheid te zijn; het aantal vondsten is overigens wel beperkt. De aardewerksoorten die te verwachten zijn in een stad komen ook op deze locatie voor. Dit geldt ook voor het botmateriaal. Door de nabijheid van de stad hadden de nonnen waarschijnlijk wel makkelijk toegang tot de handelsmarkt. Dit is wellicht in tegenstelling tot het omringende platteland. •

Welke uitspraken zijn mogelijk over de sociale status van de kloosterbevolking?

Op basis van het IVO-p zijn hier geen uitspraken over te doen. Het aardewerk en botmateriaal geven hier geen informatie over. Wel valt op dat metaal ontbreekt. Dit is wel te verklaren: het klooster is tijdens de reformatie gesloten en wellicht geplunderd. Hierna werd het een leprozenhuis dat geen grote rijkdom met zich zal hebben meegebracht.

Vragen over huiserven aan De Rik en het Rikse Straatje: •

Zijn er aanwijzingen voor huizen en erven uit de (late) middeleeuwen en de nieuwe tijd?

Langs De Rik zijn in put 1 en 5 resten van middeleeuwse huizen gevonden. Een precieze datering is onduidelijk, mogelijk gaat het om 14e- of 15e-eeuwse bebouwing.

50

•

Sint Andriesklooster Brielle

Zijn er resten toe te schrijven aan dorpsbebouwing voorafgaand aan de stichting van het klooster?

De hierboven genoemde resten hebben mogelijk een vroegere datering dan het kloostergebouw. •

Hoe waren de huiserven ingericht en zijn er daarbij chronologische ontwikkelingen waar te nemen, zoals de plaats van het huis binnen het erf?

Dit is niet te beantwoorden, hiervoor zijn de sleuven te klein. Duidelijke huiserven zijn niet gevonden, wel enkele afvalkuilen in het noordoosten. •

Wat zijn de verschillen tussen de huizen en boerderijen of stadswoningen elders op Voorne of aangrenzende gebieden?

Deze vraag is niet te beantwoorden omdat slechts een klein deel van één of meerdere huizen zijn aangesneden. De complete lay-out is hierdoor niet duidelijk. •

Hoe onderscheiden de bewoners van de erven zich in materiële zin van die van het omliggende platteland, het aangrenzende klooster en van nabije steden en welke sociale en economische betekenis is hieraan te geven?

De hoeveelheden vondstmateriaal zijn beperkt en voornamelijk afkomstig uit afvalkuilen. Het is niet duidelijk waar deze afvalkuilen toe behoren. De vraag is dan ook niet te beantwoorden. •

Zijn er verschillen in status en klasse waar te nemen tussen de verschillende huiserven?

Deze vraag is niet te beantwoorden, omdat niet duidelijk is hoeveel erven zijn gevonden, zie hierboven.

Sint Andriesklooster Brielle 51

6

Samenvatting

Binnen het onderzoeksgebied Brielle De Rik was op basis van het vooronderzoek al duidelijk dat resten van historische bebouwing aanwezig waren. De conservering was alleen niet duidelijk, waardoor besloten is om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek heeft de resten van het voormalige Sint Andriesklooster aangetoond, waarvan de conservering zeer goed was. In de overige sleuven zijn resten het voormalige Rikse straatje aangetoond met resten van de aangrenzende bebouwing. In het noordoostelijke deel zijn afvalkuilen aangetroffen, ten zuiden van het Huis van de Twee Getuigen. Resten van een voorganger van het Huis zijn niet aangetroffen, maar tijdens het proefsleuvenonderzoek is slechts een klein deel van het Huis aangesneden. Langs De Rik zijn werden funderingen van muren gevonden die mogelijk tot de vroegste fase van het terrein horen. Op basis van het aardewerk ligt de vroegste datering van de ingebruikname van het terrein tussen 1375 en 1400/1450. Naast dit aardewerk zijn ook resten van dierlijk botmateriaal en stenen bouwmateriaal gevonden. De conservering van de vindplaats is dan ook als goed te beschouwen.

52

Sint Andriesklooster Brielle

Literatuur Bartels, M. 1999: Steden in scherven. Vondsten uit beerputten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen en Tiel (1250-1900), Zwolle. Bente, D.A., 2012: Programma van Eisen, locatie De Rik te Brielle, Amsterdam. Bitter, P., N.L. Jaspers en S. Ostkamp, 2012: Classificatiesysteem voor (post-) middeleeuws aardewerk en glas = Het Deventer Systeem (sinds 1989), Deel 1: Keramiek. Digitale opzoekschema’s. Carmiggelt, A., 1993: Archeologie in de gemeente Brielle, inventarisatie, waardering en beleid. Boor-rapport 14, Rotterdam. Don, P., 1992: Voorne-Putten, De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst. De Provincie Zuid-Holland, Zwolle. Fruin, R. (ed.), 1876. Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, 1e deel, Leiden. Gouw, J.L van der , 1986: De regulieren van Rugge, Alphen aan den Rijn. Heide, G.D. van der, & W.T.J. Hellinga, 1974: Zwerfstenen, Naarden. Huisman, D.J., R.C.G.M. Lauwerier, M.M.E. Jans, A.G.F.M. Cuijpers & F.J. Laarman 2006, Degradatie en bescherming van archeologisch bot (Praktijkboek Instandhouding Monumenten Deel II – 11 Overige onderwerpen), Den Haag, 14. Janse, H. 1986. Leien op Monumenten. Bosch & Keuning, Baarn / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist. Jordanov, M., 2005: Plangebieden Begijnhofkapel en De Rik te Brielle; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek met veldtoets en een inventariserend veldonderzoek.

RAAP-notitie 1410, Amsterdam. Kars, E., 2001, Natuursteen. In, A.A.A. Verhoeven & O. Brinkkemper, Archeologie in de Betuweroute. Twaalf eeuwen bewoning langs de Linge bij De Kamer in Kerk-Avezaath. Rapportage Archeologische Monumentenzorg 85, 341-362. Lijn, P. van der, 1963. Het Keienboek. Mineralen, gesteenten en fossielen in Nederland, 5e druk, Thieme, Zutphen. Mulder, E.F.J.d., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff & T.E. Wong 2003, De ondergrond van Nederland, Houten. Oosten, R.M.R. van, 2013: Van Bosch tot Nijvelaar: een laatmiddeleeuws aardewerkcomplex met een Bossch karakter in Nijvelaar. In J. van der Leije, Archeologisch onder zoek naar de bewoningsgeschiedenis van Nijvelaar, Proefsleuvenonderzoek en opgraving op locatie Nijvelaar (BZWV-i2) in het kader van de aanleg van het Máximakanaal (gemeente Sint-Michielsgestel). Archol rapport 205, Leiden.

Sint Andriesklooster Brielle 53

Rietkerk , M. , 2010: Plangebied De Rik, gemeente Brielle; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek.RAAP-rapport 1705, Weesp.

Figuren Figuur 1.1 Ligging van het plangebied. Figuur 2.1 Puttenkaart met de locaties van de profielen. Figuur 2.2 Putten geprojecteerd op het kadastrale minuutplan van 1820. Figuur 3.1 Geomorfologische kaart van het plangebied. Figuur 3.2 Bodemkaart van het plangebied. Figuur 3.3 Verwachtingskaart van archeologische resten op basis van het booronderzoek met puttenplan (uit Bente 2012, naar: Rietkerk 2010, figuur 3). Figuur 3.4 Plangebied (met rood kader aangegeven) op de gemeentelijke beleidskaart. Figuur 3.5 Archis-meldingen binnen een straal van 500 m geprojecteerd op de Indicatieve Archeologische WaardeKaart (IKAW). Figuur 3.6 Tijdstabel. Figuur 3.7 Het Sint Andriesklooster (zwart omcirkeld) op de kaart van Van Deventer, ca. 1566 (Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg). Figuur 3.8 Het ommuurde Sint Andriesklooster (boven) op een kaart uit 1619 (Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg). Figuur 3.9 Foto’s genomen in 1959 door de Rijksdienst voor de monumentenzorg. Figuur 4.1 Standaardprofiel van plangebied De Rik (put 4, profiel 2; voor ligging, zie figuur 2.1). Figuur 4.2 Muurwerk S2.1.7 gedocumenteerd in het profiel met een insteek en resten van de sloop. Figuur 4.3 Overzicht van de sporen in put 2, met spoornummers (s2.1.1 t/m -21). Figuur 4.4 Overzicht vanuit het westen op de grote muur van het kloostergebouw.

Let ook op de koude bouwnaad van S2.1.3, rechts van het midden. Figuur 4.5 Fasering van het kloostergebouw met spoornummers. Figuur 4.6 De verschillend gekleurde tegels van de waterkelder. Figuur 4.7 Resten van het Rikse straatje met muurresten. Figuur 4.8 Zicht op de brede muur vanuit het noorden. Figuur 4.9 Overzicht van de sporen in put 3 met spoornummers. Figuur 4.10 Afvalkuilen in put 4. Figuur 4.11 Overzicht van de sporen in put 4 en 6 met spoornummers. Figuur 4.12 Overzicht van sporen in put 1 en 5 met spoornummers. Figuur 4.13 Overzicht muurresten in put 5 en daarachter put 1 Figuur 4.14 Een selectie van het aangetroffen middeleeuws aardewerk. Figuur 4.15 Een selectie van het aangetroffen steenmateriaal. Figuur 5.1 Overzicht van de archeologische sporen en waardering van de verschillende zones met het oog op behoud. Uitgangspunt zijn de verwachtingszones uit het Programma van Eisen, gebaseerd op historische gegevens (aanwijzingen voor bebouwing).

54

Sint Andriesklooster Brielle

Tabellen Tabel 1.1 Administratieve gegevens. Tabel 3.1 Archis-meldingen met beschrijving zoals deze in de buurt van het plangebied. voorkomen (LME= late middeleeuwen, NT= Nieuwe tijd, zie Figuur 3.6). Tabel 4.1 Toelichting codering stratigrafie (van boven naar beneden). Tabel 4.2 Fragmentatie en aantal te determineren faunafragmenten. Tabel 4.3 Faunaresten, ingedeeld naar diergroep. Tabel 5.1 Waardering van vindplaats Brielle - De Rik.

Bijlagen Bijlage 1 Sporenlijst Bijlage 2 Vondstenlijst Bijlage 3 Determinatie aardewerk Bijlage 4 Determinatie dierlijk bot Bijlage 5 Inventarisatie Sint Andriesklooster (1503) Bijlage 6 Begrippenlijst

Sint Andriesklooster Brielle 55

Bijlage 1 Sporenlijst

put vlak spoor type

contour gecoupeerd opmerking

1

1

1

muur

scherp

nee

1

1

2

muurinsteek

scherp

nee

1

1

3

poer

scherp

nee

onderkant fundering, mogelijk poer

1

1

4

stortlaag

scherp

nee

laag met witte mortel, mogelijk gebruikt als mortelkuil?

1

1

5

muur

scherp

nee

1

1

6

muur

scherp

nee

2

1

1

kuil

scherp

nee

2

1

2

natuurlijke verstoring scherp

ja

2

1

3

muur

scherp

nee

S3 en S7 staan koud tegen elkaar

2

1

4

muuruitbraak

scherp

nee

puin door afbraak muur S2.3

2

1

5

paalkuil

scherp

nee

opgfevuld met puin, mogelijk kleine poer

2

1

6

paalkuil

scherp

nee

dgrbr met puin

2

1

7

muur

scherp

nee

oudste fase, S2.3 staat koud tegen S2.7

2

1

8

muur

scherp

nee

één steens muur koud tegen S2.7

2

1

9

muur

scherp

nee

1,5 steens muur koud tegen S2.7

2

1

10

vloer

scherp

nee

waterkelder, gele en groene tegels

2

1

11

vloer

scherp

nee

waterkelder oranje-bruine tegels

2

1

12

puinlaag

scherp

nee

dgrzw, gevuld met puin, waarschijnlijk geen uitbraaksleuf maar onstaan na afbraak muren S2.3/S2.7

2

1

13

poer

scherp

nee

poer, ligt op fundament S2.7

2

1

14

gat in muur

scherp

nee

gat in muur S2.7 uitgekapt, ingekast?

2

1

15

gat in muur

scherp

nee

gat in muur, mogelijk voor dragende houten paal?

2

1

16

trap

scherp

nee

trap van blauwzwart gebakken tegels

2

1

17

muur

scherp

nee

muurtje bovenaan trap, waarschijnlijk 1e traptrede

2

1

18

vloer

scherp

nee

waterkelder met oranje-bruine tegels

2

1

19

muur

scherp

nee

brede (water)keldermuur koud tegen S2.7

2

1

20

muur

scherp

nee

dunne (water)keldermuur tegen S2.7

2

1

21

muur

scherp

nee

koud tegen S2.7, hieronder mogelijk een fundament dat in verband staat met S2.7

3

1

1

goot

scherp

nee

bodem deels basteen, deels tegels

3

1

2

stortkoker

scherp

nee

vermoedelijk stotkoker, jonger dan S1

3

1

3

bestrating

scherp

nee

ijsselsteen, deel hergebruikt, loopt oost-west, geen verband

3

1

4

muur

scherp

nee

muurresten tussen S1 en S2, ijsselsteen

3

1

5

bestrating

scherp

nee

ijsselsteen, noord-zuid

3

1

6

bestrating

scherp

nee

ijsselsteen, mogelijk als watervoer in bestrating

3

1

7

bestrating

scherp

nee

ijsselsteen loopt onder muur huidge schuur door

3

1

8

puinlaag

scherp

nee

puinlaag onder S1

3

1

9

muur

scherp

nee

muur of puinlaag in rand put

3

1

10

poer

scherp

nee

mogelijk restant poer

3

1

11

muur

scherp

nee

restant huisje? Ijsselsteen

3

1

12

muur

scherp

nee

ijsselsteen

3

1

13

muur

scherp

nee

vroegste fase in put 3, mogelijk 15e/16e eeuw

3

1

14

puinlaag

scherp

nee

3

1

999

recent

scherp

nee

4

1

1

kuil

nee

4

1

2

kuil

nee

4

1

3

kuil

ja

4

1

4

kuil

nee

4

1

5

kuil

nee

4

1

6

kuil

nee

4

1

7

kuil

nee

4

1

8

greppel

nee

4

1

9

kuil

nee

4

1

10

kuil

nee

4

1

11

kuil

nee

4

1

12

kuil

nee

4

1

13

kuil

nee

4

1

14

kuil

nee

4

1

15

kuil

nee

4

1

16

kuil

nee

4

1

17

greppel

4

1

999

recent

scherp

nee

5

1

1

muur

scherp

nee

nee

zachte gele mortel, oudste fase proefsleuven

blauwgrijs, doorworteld, hk en puin

greppel of sloot

greppel of sloot ZW-hoek van huisje put 1

56

Sint Andriesklooster Brielle

put vlak spoor type

contour gecoupeerd opmerking

5

1

2

muuruitbraak

scherp

nee

loop door in put 1

5

1

3

muuruitbraak

scherp

nee

gevuld met puin

5

1

4

muur

scherp

nee

5

1

5

vloer

scherp

nee

5

1

6

paalkuil

scherp

ja

5

1

7

paalkuil

scherp

ja

5

1

8

paalkuil

scherp

ja

gr+hk+moterl-spikkels

6

1

1

greppel

scherp

nee

of langwerpige kuil, dgr,+bot+ker+hk

6

1

2

kuil

scherp

nee

dgr+bot+ker+hk

6

1

3

kuil

scherp

nee

of greppel, dgr+bot+ker+hk

6

1

4

greppel

scherp

ja

dgr+bot+ker+hk

6

1

5

kuil

scherp

nee

dgr+bot+ker+hk

vloer van basteentjes, lagen vrij “los” in het vlak

Sint Andriesklooster Brielle 57

Bijlage 2 Vondstenlijst

vondstnr omschrijving

aantal

gewicht (gr) put vlak vak spoor

1

Tegel

1

87,4 2

1

1

Aardewerk middeleeuwen

2

102,2 2

1

2

Aardewerk Nieuwe Tijd

1

107,6 2

1

3

Aardewerk middeleeuwen

8

244,7 4

1

10

3

Steen Leisteen

1

54,8 4

1

10

3

Tegel

2

304,7 4

1

10

3

Dakpan

1

36,2 4

1

10

3

Bot onbepaald

6

436,8 4

1

10

3

Baksteen

3

161,6 4

1

10

4

Steen Leisteen

1

76,4 4

1

5

4

Verbrande klei

1

19,5 4

1

5

4

Bot onbepaald

2

207,1 4

1

5

4

Aardewerk middeleeuwen

4

125,8 4

1

5

Aardewerk middeleeuwen

1

151,2 2

1

6

Aardewerk middeleeuwen

5

595,4 4

1

7

Aardewerk middeleeuwen

1

87,2 4

1

6

7

Bot onbepaald

2

24,1 4

1

6

8

Aardewerk middeleeuwen

5

291,7 4

1

1

8

Bot onbepaald

1

206,3 4

1

1

8

Aardewerk Nieuwe Tijd

7

346,8 4

1

1

9

Aardewerk middeleeuwen

6

203,7 4

1

2

10

Aardewerk middeleeuwen

2

21,4 4

1

3

11

Verbrande klei

1

56,9 4

1

7

11

Bot onbepaald

4

186,6 4

1

7

11

Aardewerk middeleeuwen

8

315 4

1

7

12

Aardewerk middeleeuwen

2

147,3 3

1

6010

13

Bot onbepaald

1

26,2 4

1

16

13

Aardewerk Nieuwe Tijd

2

54,2 4

1

16

13

Verbrande klei

1

20,7 4

1

16

15

Steen onbepaald

1

15000 6

1

4

16

Organisch schelp

9

124,5 3

1

14

17

Tegel

1

4,4 2

1

4

18

Glas

1

2,1 2

1

3

18

Tegel

8

340,8 2

1

3

18

Aardewerk Nieuwe Tijd

1

20,1 2

1

3

19

Aardewerk middeleeuwen

17

979,1 4

1

8

20

Bot onbepaald

8

63,9 4

1

4

20

Dakpan

1

103,9 4

1

4

20

Baksteen

3

145,8 4

1

4

20

Steen Leisteen

2

1200 4

1

4

20

Aardewerk middeleeuwen

15

285 4

1

4

opmerking

7 7 2

5 4

12 3

12

maalsteen

58

Sint Andriesklooster Brielle

put 2 2 2 4 4 4 4 4 4 2 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4

4 4 4 4 4 3 3 4 2 2 2 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4

vondstnr 1 1 2 3 3 3 3 4 4 5 6 6 7 8 8 8 8 8 8 8 8 9 9 10

10 11 11 11 11 12 12 13 17 18 18 19 19 19 19 19 19 20 20 20 20 20 20 Totaal

1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

vlak 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

3 7 7 7 7 6010 6010 16 12 3 7 8 8 8 8 8 8 4 4 4 4 4 4

spoor 7 7 2 10 10 10 10 5 6 12 3 3 6 1 1 1 1 1 1 1 1 2 2 3

2 1 2 3 4 1 2 1 2 1 2 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 6

vsubnr 1 2 1 1 2 3 4 1 2 1 1 2 1 1 2 3 4 5 6 7 8 1 2 1

r r r r r s2 w r teg w teg r r r r r r dkp g s2 r r r

soort r teg r g r r r r r r r r s2 r r r r g r r r r r bks

rand 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 2 1 0 0 1 3 0 0 0 1 1 0 0 0

0 0 0 bakpan 0 2 0 grape 0 1 0 1 0 bakpan 1 pot 0 1 1 0 grape 2 0 0 0 0 0 0

grape

kom

grape

grape

grape

type grape

1 4 1 0 0 0 0 1 1 0 9 0 0 0 5 5 0 1 0 2 9 2 1

wand 1 1 1 0 0 2 3 2 1 0 0 0 0 1 0 1 1 0 0 0 0 4 0 0

Bijlage 3 Determinatie aardewerk per context

0 0 0 1 0 1 1 0 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

bodem 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 1 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1 0 0 0 0

add 0 0 0 1 1 0 1 0 0 1 2 0 0 0 0 0 0 1 0 0 0 0 2 0 1 4 1 1 2 1 1 2 1 1 8 1 1 1 6 5 3 1 1 2 9 2 1 98

totaal 1 1 1 1 3 2 4 2 1 1 4 1 1 2 1 4 1 1 1 1 1 4 2 1 0 0 0 0 1 1 1 1 0 1 0 1 1 1 1 0 1 1 1 1 0 0 0

MAE 1 0 0 1 1 0 0 0 1 0 1 1 1 1 1 3 1 1 0 1 1 0 1 0 17 120 53 42 97 100 45 54 4 20 337 113 157 73 155 211 263 103 61 35 139 18 28 4584

gewicht (g) 101 87 106 118 41 36 47 42 82 151 583 19 87 193 61 89 48 88 77 57 17 66 136 7

versiering spaarzaam blauw dik glazuur

additieven standpoot

gebruikssporen conditie % rand/voet 0 0 0 worstoor 0 spaarzaam verbrand 0 dikke glazuur 0 fel spaarzaam klein worstoor 0 dik glazuur 0 donker spaarzaam 12 fel spaarzaam worstoor 0 fel deels spat/deels smeer 0 fel iets gele slib 0 50 dik glazuur 0 dik glazuur 22 dik glazuur 0 dikke gele glazuur 0 worstoor 0 fel spaarzaam 0 fel spaarzaam dik 5 spaarzaam verbrand 12 spaarzaam dik verbrand 0 spaarzaam dik verbrand 0 ver0 weerd fel geen glazuur 0 fel spaarzaam dik verbrand 0 spaarzaam dik 0 spaarzaam dik 18 spaarzaam dik verbrand 20 geknepen standring 25 binnenzijde gele glazuur standpoot verbrand 0 fel deels spaarzaam 0 wit blauw 0 0 wit blauw 0 spaarzaam dik 17 spaarzaam dik 100 fel spaarzaam dik 5 fel spat 0 dik glazuur iets slib 0 standpoot verbrand 10 fel 0 worstoor 0 0 fel spaarzaam 2x verbrand 0 spaarzaam dik 0 spaarzaam dik; geknepen ringen 0

baksel fel wit

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

diam biz 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

15e eeuw

industrieel

15e eeuw

datering

Sint Andriesklooster Brielle 59

60

Sint Andriesklooster Brielle

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

2

2

2

2

2

3

3

3

3

4

4

7

8

11

11

11

11

13

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

6

16

7

7

7

7

1

5

5

10

10

10

10

4

4

4

4

4

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

kuil

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

aanleg vlak

1

1

1

1

1

1

2

1

1

1

1

1

3

1

3

1

1

2

25,9 groot zoogdier

21,4 groot zoogdier

0,5 vogel

2 middelgroot zoogdier

155,9 groot zoogdier

202,5 groot zoogdier

23,9 groot zoogdier

198,8 groot zoogdier

6,5 middelgroot zoogdier

58,8 groot zoogdier

65,9 groot zoogdier

247,8 groot zoogdier

58,5 groot zoogdier

4,6 middelgroot zoogdier

1,7 zoogdier indet.

4,3 vis

4,9 middelgroot zoogdier

31,2 groot zoogdier

vondstnr put vlak vak spoor type spoor verzamelwijze aantal gewicht (gr) diergroep

Bijlage 4 Determinatie dierlijk bot

ja

nee

nee

ja

ja

nee

ja

ja

ja

nee

ja

ja

ja

nee

nee

ja

nee

te determineren

rund middenhands/ voetsbeen ja

rund kootje

pijpbeen

rib

rund dijbeen

rund atlas

rib

rund scheenbeen

bekken

rund hielbeen

pijpbeen

rund scheenbeen

sprongbeen

rib

pijpbeen

soort element

10-75

75-100

10-75

10-75

10-75

10-75

01-10

10-75

0-10

75-100

10-75

10-75

0-10

75-100

10-75

10-75

10-75

0-10

2 nee

1 nee

1 ja

0 nee

1 nee

2 nee

1 nee

1 nee

0 nee

2 nee

0 nee

1 nee

2 nee

0 nee

0 nee

2 nee

2 nee

0 nee

prox niet vergroeid

haksporen

prox niet vergroeid; diaphyse door midden gehakt

diverse snijsporen

snijsporen

dist niet vergroeid

fragmentatie verwering verbrand opmerkingen

Sint Andriesklooster Brielle 61

62

Sint Andriesklooster Brielle

Sint Andriesklooster Brielle 63

Bijlage 5 Inventarisatie Sint Andriesklooster (1503) Het kloostercomplex lag aan de Rik en het Rikse straatje en was omsloten door een muur en een sloot. In de bepalingen van de insluiting van 1503 worden de volgende locaties genoemd: -

kerk

-

timmermanswerkplaats (tegen de kerk aan)

-

gebouw van de pachters

-

gebouw dat men de school noemt

-

slot (tegen de school aan)

-

binnen gastverblijf

-

het nieuwe gebouw

-

kruidentuin

-

ziekzaal

-

kleine weide (waar de kleren gewassen worden)

-

ruimte van de grote deur beneden de tredmolen en de molen

-

terrein langs de kloostermuur

-

grachten terzijde van de zuidkant van de kerk

-

oostzijde van het terrein langs de kloostermuur

-

terzijde van de noordkant van het huis van de pastoor

Bijlage 6 Begrippenlijst AMK

Archeologische Monumentenkaart

IKAW

Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden

IVO-p

Inventariserend Onderzoek door Proefsleuven

KNA

Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie

mv

maaiveld

NEN

Nederlandse Norm

PvE

Programma van Eisen

rTS

robotic Total Station

WAMZ

Wet Archeologie en Monumentenzorg

64

Sint Andriesklooster Brielle

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13194735/2