CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Twee getuigen Toelichting Bijlage 10 Quickscan flora en fauna

Raadsvergadering 3 oktober 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Twee Getuigen - Kloosterbos6.807 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ABB ONTWIKKELING B.V. T.a.v. dhr. L. Schep Postbus 88 3360 AB Sliedrecht

Datum

6 maart 2020

Kenmerk

BE/2020/115

Uw kenmerk

Email d.d. 14 februari 2020

Auteur(s)

C.J. Blom

Collegiale toets

T.W.D. Schrader

Quickscan Wet natuurbescherming De Rik en Riksestraatje te Brielle Aan De Rik 18b en het Riksestraatje is een voormalig agrarisch bedrijf gesitueerd. Het geheel bestaat uit een woning met bijgebouw, enkele schuren, een hooimijt, erf en weidepercelen. Aan de overzijde van De Rik tegenover deze locatie en naast de Bedevaartskerk (De Rik 5) is een graslandperceel gelegen wat omzoomd wordt door een houtwal. De gemeente Brielle is voornemens om op de locatie 75 grondgebonden woningen te ontwikkelen en heeft hiertoe een tender uitgeschreven waarna de ABB Bouwgroep is geselecteerd. De beoogde ontwikkeling staat planologisch bekend als het project Twee Getuigen (tweegetuigen.nl). Ten aanzien van de beoogde nieuwbouw dient de huidige bebouwing en inrichting te worden verwijderd. Het bestemmingsplan is momenteel ’maatschappelijk’ of ‘horeca’, het beoogde gebruik ‘wonen’ is derhalve strijdig met deze bestemming (Bestemmingsplan Geuzenland, 2012). De beoogde herontwikkeling van de planlocatie heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna, houtopstanden en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna, houtopstanden en gebieden alsmede de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop.

Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. ABB Ontwikkeling B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna aan de hand hiervan te toetsen of de beoogde ontwikkeling leidt tot overtreding van vigerend beleid en natuurwetgeving. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep?

• Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie bestaat uit twee (deel)locaties die gescheiden worden door De Rik, het voormalige agrarisch bedrijf aan De Rik en Riksestraatje (1) en het grasperceel naast de Bedevaartskerk (2) (figuur 1). Het voormalige agrarische bedrijf bestaat uit een bedrijfswoning met bijgebouw en enkele stallen en schuren waarvan het grootste deel in gebruik is als opslaglocatie van diverse goederen. In de weide welke grenst aan de woonwijk Zuurland is een schapenstal gesitueerd. De opstallen hebben diverse bouwjaren, functies, muren en daken en staat van onderhoud. De woning, bijgebouw en twee grootste schuren hebben gemetselde muren, de overige schuren/opslaglocaties hebben uit betonnen, houten en/of stalen wanden. De daken van de bebouwing zijn eveneens gevarieerd, er is sprake van dakpannen, golfplaten, asbest leien en staal. Op het terrein is sprake van een watergang, bomen(rijen), coniferenheg, stalling van materieel, caravans, auto’s en diversen. Het grasperceel naast de Bedevaartskerk bestaat uit een gazon met daaromheen een zoom van opgaande vegetatie waardoor er sprake is luwte en beslotenheid. Het perceel wordt gebruikt door de omgeving als deel van een wandelroute, ter ontspanning en als hondenuitlaatplaats. Derhalve is ook sprake van een bankje en prullenbak.

In figuur 2 en in bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1

2

De planlocatie is gelegen aan De Rik te Brielle (bron afbeelding: GoogleMaps.nl).

De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door de Bedevaartskerk H.H. Martelaren van Gorcum, volkstuincomplex ‘De Rik’, woonwijken van Brielle, glastuinbouwbedrijven, agrarische percelen, infrastructuur enzovoorts.

Figuur 2

Impressie van de planlocatie en omgeving. Foto boven: één van de schuren centraal in deelgebied 2, foto linksmidden: één van de schuren centraal in deelgebied 2, foto rechtsmidden: woning deelgebied 2, foto linksonder: zich op wijk Zuurland en foto rechtsonder: deelgebied 1.

3

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingreep betreft het verwijderen van de huidige opstallen en terreininrichting alsmede het realiseren van 75 grondgebonden woningen bestaande uit twee-onder-één-kap, vrijstaande en rijwoningen (figuur 3). Hieronder volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •

Verwijderen bestaande bebouwing Verwijderen bestaande terreininrichting en groen Bouwrijpmaken braakliggende percelen Aanleg nutsvoorzieningen en infrastructuur Bouw 75 woningen Herinrichting buitenruimte

Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

Figuur 3

Impressie van de beoogde bebouwing en inrichting van de planlocatie door RoosRos Architecten (bron: tweegetuigen.nl).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020 door ing. C.J. Blom. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 8 Celsius en windkracht 3-4 (Bft).

4

Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Vos Wezel Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en de Strategische reservering natuur. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht.

5

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wet nb, art.

4.1, lid a en b): a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten De inrichting van de planlocatie bestaat uit bebouwing, terreinverharding, graspercelen, een kavelsloot, bomen, bomenrijen en enig verruiging. Beide delen van de planlocatie worden intensief/gebruikt. Deelgebied 1 betreft een grasperceel met dominantie door raaigras wat frequent gemaaid wordt (hoog kwaliteitsbeeld) en waar sprake is van spelende kinderen en hondenuitlaatterrein. Het grasperceel wordt omzoomd door een aanplant van els, eik, liguster, taxus met nauwelijks ondergroei. Op sommige plaatsen zijn speenkruid en hedera aangetroffen. Deelgebied 2 betreft een voormalig agrarisch bedrijf waarvan alle schuren en een deel van het buitenterrein worden gebruikt als opslag/stalling. Een ander deel is in gebruik ten behoeve van de functie wonen en als schapenweide.

De bomen, struiken en planten betreffen grotendeels aangeplante, deel inheems en deels gedomesticeerde, soorten. Ter indicatie zijn onder andere de volgende soorten aangetroffen: conifeer, raaigras, gewone braam, wilg, els en riet. Aan de oostzijde van het perceel is sprake van enige verruiging, gedomineerd door gewone braam. In de weide omgeving (5 km) van de planlocatie is de aanwezigheid bekend van de bokkenorchis en glad biggenkruid (NDFF, 2010-2020). Beide planten zijn zeldzaam in Nederland. De soorten worden beide gevonden in en rondom duinen en de daarbij behorende specifieke habitats. De omstandigheden op de planlocatie (voedselrijk, relatief nat, kleigrond, deels beschaduw, intensief onderhoud, stedelijk gebied etc.) zijn ongeschikt voor de bokkenorchis en glad biggenkruid. Het is derhalve uitgesloten dat de soorten een groeiplaats hebben op de planlocatie.

6

De beoogde sloop en nieuwbouw leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie op de planlocatie. Als gevolg van een toename in stikstofdepositie kunnen mogelijk planten of vegetatietypen in Natura2000 gebieden effecten ondervinden van de beoogde ontwikkeling. Deze (eventuele) effecten worden behandeld bij het onderdeel gebiedsbescherming. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Het plangebied bestaat uit voormalige basisschoollocatie in stedelijk gebied. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van de planlocatie in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten (anders dan de kartuizer anjer) wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten als gevolg van de beoogde asbestsanering en ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. Om te beoordelen in hoeverre de planlocatie relevant is voor zoogdieren dient vooral ook inrichting en de ligging ten opzichte van de directe omgeving te worden beoordeeld.

De omgeving van de planlocatie is deels versteend en wordt intensief gebruikt, er zijn veel menselijke activiteiten (figuur 4). De openbare ruimte wordt intensief gebruikt ten behoeve van wonen, werken, spelen, verkeer, verblijven, houden (en uitlaten van) huisdieren et cetera. Op de locatie worden schapen geweid en een pony gehouden.

Figuur 4

De omgeving van de planlocatie is slechts geschikt voor algemeen voorkomende zoogdieren (bron afbeelding: GoogleMaps.nl).

De planlocatie is in vergelijking met de directe omgeving relatief structuurrijk. Deellocatie 1 is omzoomd door een groenstructuur en op deellocatie 2 is sprake van bomenrijen, oppervlaktewater en verruiging (zie eventueel bijlage 1).

7

In de omgeving van de planlocatie (binnen een straal van 2-3km) zijn gevalideerde waarnemingen bekend van bever (NDFF, 2010-2020). Daarnaast kan worden aangenomen dat algemeen voorkomende soorten in de directe omgeving voorkomen, dit zijn onder andere: egel, bunzing , wezel, hermelijn, gewone bosspitsmuis, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, woelrat. De aanwezigheid van geschikt leefgebied voor grote(re) hoefdieren kunnen op basis van verspreiding, ligging en aanwezige ecotopen worden uitgesloten. Voor de bever geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De aanwezigheid van bever kan op basis van ligging van de planlocatie, habitatpreferentie en leefmogelijkheden voor de soort op voorhand worden uitgesloten. Voor de overige grondgebonden zoogdiersoorten die op de planlocatie (kunnen) voorkomen geldt dat er: (a) sprake is van vrijstelling ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen (zie tevens tabel 1), (b) dat de werkzaamheden geen significant negatief effect hebben op de vaste rust- en verblijfplaatsen alsmede functioneel leefgebied van deze soorten en (c) er geen sprake is van een beschermde status (bijv. bruine rat en huismuis).

Mits rekening gehouden wordt met de algemene Zorgplicht is er geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van grondgebonden zoogdiersoorten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. Een aantal vleermuissoorten gebruikt gebouwen als verblijfplaats. De verblijfplaats kan zich bevinden in de spouw, onder daklijsten, in ruimtes achter de gevel, op zolders enzovoorts. Afhankelijk van de soort is een spleet van 1-2 cm al voldoende om vleermuizen toegang te verschaffen tot deze verblijfplaatsen. De verblijfplaats van vleermuizen moet afhankelijk van het type (kraam-, zomer, paar- en/of winterverblijfplaats) voldoen aan bepaalde condities.

Dit betreffen bijvoorbeeld: stabiele temperatuur, geen tocht/luchtstroom, donkerte, stabiele luchtvochtigheid, goede aanvliegbaarheid en nihil predatierisico. De gevels en de dakranden van de bebouwing zijn volledig geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte toegangen voor vleermuizen. Op diverse plaatsen is sprake van openingen in gevels, kierende daklijsten en openingen tussen kantpannen en gevel. In figuur 5 is een impressie weergeven van de potentie van het de gebouwen en bomen voor gebouwbewonende vleermuizen. De bomen op en rond de planlocatie zijn visueel geïnspecteerd op de geschiktheid als verblijfplaats. Hierbij is gelet op de aanwezigheid van (oude) spechtenholen, oude ingerotte of ingescheurde takbreuken, scheuren, loszittend schors en dergelijke. Aangezien de bomen ten tijde van het veldbezoek nog geen blad hadden kon de stam en gesteltakken goed worden geïnspecteerd. In enkele bomen zijn geschikte holtes of andere openingen geconstateerd die mogelijk zouden kunnen fungeren als verblijfplaats (figuur 5). De vleermuissoorten die mogelijk gebruik maken van de slopen opstallen en bomen betreffen gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis. De gebouwen en bomen bieden (potentieel) geschikte kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen voor deze soorten.

De aanwezigheid van een massawinterverblijfplaats wordt niet aannemelijk geacht. Een massawinterverblijfplaats fungeert als verblijfplaats van grote aantallen vleermuizen gedurende een langere periode waarbij de buitentemperatuur onder het vriespunt ligt. De omstandigheden in de verblijfplaats moeten stabiel zijn, indien bijvoorbeeld de buitentemperatuur verder daalt moeten vleermuizen dieper in het gebouw kunnen kruipen. Massawinterverblijfplaatsen worden vaak gevonden in grote gebouwen met veel bouwmassa zoals forten, flatgebouwen en kerken.

8

Ten aanzien van gewone grootoorvleermuis wordt de aanwezigheid niet aannemelijk geacht aangezien de soort gebruikt maakt van (grotere) open ruimtes als verblijfplaats om daar te hangen. Daarnaast zijn in de schuren geen sporen van de soort aangetroffen. Daarnaast foerageert de soort ook vaak in overdekte (kap)schuren en stallen welke niet in de directe omgeving aanwezig zijn. Dit geldt eveneens voor de watervleermuis, deze soort maakt grotendeels gebruik van bomen en soms van gebouwen als verblijfplaats. De soort wordt vrijwel altijd aangetroffen in halfopen tot gesloten, waterrijk en bosrijk landschap. Van zowel de gewone grootoorvleermuis als de watervleermuis wordt de aanwezigheid niet verwacht.

Figuur 5

Enkele van de aanwezige potentiele invliegopeningen voor vleermuizen in de gebouwen en bomen.

In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Bomenrijen of groenstructuren die gebruikt worden als verbinding tussen de verblijfplaats en foerageergebieden moeten worden gedefinieerd als essentieel en zijn beschermd. In de te slopen opstallen zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. De groene inrichting van de planlocatie kunnen vleermuizen gebruiken als foerageergebied en als verbindingen naar andere delen van het territorium. Voor de potentieel aanwezige soorten op de planlocatie heeft het groen een specifieke functie. Voor vleermuizen die elders in Brielle of omgeving een verblijfplaats hebben heeft het groen aannemelijk geen specifieke betekenis omdat de bomen langs de De Rik en de kerk als vliegroute kunnen en zullen worden gebruikt (figuur 5).

Tijdens de werkzaamheden kunnen echter wel negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient, als in de schermperiode of donkerte gewerkt wordt, derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast.

9

Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. In de winterperiode zijn deze soorten niet actief en is het logisch dat er geen activiteit kan worden waargenomen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie (deelgebied 2) en langs beide deelgebieden is sprake van oppervlaktewater. Deze watergangen hebben relatief steile oevers, nauwelijks begroeiing, wordt frequent geschoond (beheer in stedelijk gebied) en hebben een matige tot slechte waterkwaliteit (voedselrijk/eutroof, diverse elementen als gevolg van afspoeling omliggende infrastructuur en zwerfafval).

Figuur 6

Smalle, ondiepe kavelsloot op de planlocatie (links) en sloot tussen kerk en deelgebied 1 (rechts).

Op grotere afstand (5 km) en veelal aan de overzijde van het Hartelkanaal zijn gevalideerde waarnemingen bekend van rugstreeppad (NDFF, 2010-2020). Deze soort stelt specifieke eisen aan het voortplantingswater en leefgebied die op en nabij de planlocatie niet of hoogstens in zeer beperkte mate aanwezig zijn. Als gevolg van de sloop- en bouwwerkzaamheden kan te zijner tijd wel geschikt leefgebied ontstaan voor de rugstreeppad. Echter gelet op de omvang van de ingrepen, de beperkte omvang van de locatie, de tijdelijkheid van de geschikte situatie, de fysieke barrières (stedelijke omgeving) en de afstand waarop de soort is aangetroffen wordt het aannemelijk geacht dat de soort de planlocatie niet zal gaan gebruiken als leefgebied. De watergang op de planlocatie en daarmee de begroeiing en inrichting op de planlocatie zijn in enige mate geschikt voor opportunistische en tolerante soorten zoals gewone pad en bastaard kikker. Deze soorten vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn uitgesloten. Tenslotte kan worden gesteld dat de asbestsanering slechts betrekking heeft op de schuur en een klein deel van het terrein. De potentieel geschikte verblijfplaatsen en foerageergebied worden hierbij niet aangetast.

Vissen In het plangebied en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkelingen is sprake van enkele watergangen (figuur 6). In de omgeving van de planlocatie zijn geen waarnemingen van beschermde zoetwatervissen bekend (NDFF 2010-2020). De watergangen op de planlocatie hebben geen hoge natuurwaarde (o.a. flauwe oevers, hoge waterkwaliteit, afwisseling in bodemprofiel, diverse typen vegetatie (submers/emers), verbinding met min of meer natuurlijke omstandigheden enzovoorts). De watergangen worden hoogstens door algemene soorten zoals: ruisvoorn, blankvoorn, snoek, zeelt, drie- en tiendoornige stekelbaars en brasem gebruikt als leefgebied. De werkzaamheden op de planlocatie sorteren overigens tevens nauwelijks effect op de omliggende watergang (trillingen, waterpeilverandering of vervuiling). Effecten op (beschermde) vissen zijn per definitie uitgesloten.

10

Insecten en andere ongewervelden Op de planlocatie is slechts algemene en gedomesticeerde vegetatie aangetroffen. De inrichting van de locatie is monotoon, geen reliëf, grasland, deels verhard en bebouwd en er ontbreekt geschikt oppervlaktewater. De in Nederland beschermde ongewervelden stellen specifieke eisen aan het leefgebied. Dit betreffen onder andere specifieke waardplanten, oud hout of zure vennetjes. De omstandigheden op de planlocatie zijn dusdanig algemeen dat geen specifiek habitat of onderdelen hiervan kunnen worden onderscheiden voor beschermde ongewervelden. In de wijdere omgeving (ca. 5km) zijn gevalideerde waarnemingen van grote vos en gevlekte witsnuitlibel bekend (NDFF, 2010-2020). De gevlekte witsnuitlibel leeft in en nabij laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen. De grote vos leeft in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Er moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. De bomen rondom deelgebied 1 zouden mogelijk geschikt leefgebied zijn voor de soort, er zijn echter nauwelijks bomen met holtes aanwezig. Daarnaast blijft de boomstructuur, zoals het zich laat aanzien in impressies, behouden. Effecten op beschermde ongewervelden zijn uitgesloten aangezien relevant leefgebied ontbreekt op de sloop- en ontwikkellocatie.

Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: kauw, vink, houtduif, koolmees, zilvermeeuw, waterhoen, wilde eend, merel, verwilderde postduif, zwarte kraai, gaai en merel. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Er zijn gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Aangezien er mogelijk sprake is van geschikt leefgebied of potentiële nestlocaties van een aantal vogelsoorten worden deze onderstaand nader beschreven. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing, en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene planten, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017).

De woning en het bijgebouw hebben een zadeldak met dakpannen en een goot (figuur 7). Voor zover optisch beoordeeld kon worden is de ruimte tussen het dakvlak en de dakpannen toegankelijk voor huismus. Op de oostzijde van het perceel zijn braamstruwelen aanwezig die bij uitstek geschikt zijn als foerageer- en schuilplek van huismussen. Dit geldt overigens ook van de rij coniferen centraal op deelgebied 2. Op de planlocatie zijn verder plekken voor stofbaden en diverse voedselbronnen aanwezig. Geschikt oppervlakte water is aanwezig. De soort kan ook gebruik maken van water in goten, op platte daken of drinkbakken en vijvers in tuinen in de omgeving. Middels aanvullend onderzoek dient te worden vastgesteld of huismus gebruik maakt van de woning en het bijgebouw als nestlocatie en/of de groenstructuren op de locatie derhalve als functioneel leefgebied aangemerkt kunnen worden. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. Een vereiste voor broedmogelijkheid is dat het hoger ligt dan 3 m. Gierzwaluwen kunnen namelijk niet op eigen kracht opstijgen en moeten zich voor het eerste deel van hun vlucht laten vallen om snelheid te vergaren (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).

De soort is een koloniebroeder en is derhalve vaak te vinden in woonwijken waar broedgelegenheid is in meerdere gebouwen. In de gebouwen op de planlocatie zijn geen geschikte (potentiele) nestlocaties voor de gierzwaluw aanwezig. Gierzwaluwen jagen op insecten in diverse luchtlagen. De inrichting van een gebied heeft impact hierop als deze veel of weinig insecten produceert. De planlocatie heeft in relatie tot het beschikbare voedselaanbod voor gierzwaluw geen essentiële functie.

11

Figuur 7

De woning en de schuur bij de woning biedt potentiële nestgelegenheid voor huismus.

De coniferen (deelgebied 2) en eksternesten (deelgebied 1) op de planlocatie zijn geschikt als nesten/of verblijfslocatie van ransuil (figuur 8). De soort komt voor in (half)open cultuurland met bosjes (ook erven) en groot aandeel graslanden. De ransuil maakt zelf geen nest maar gebruikt vaak een oud nest van kraaiachtige (ekster, zwarte kraai), roofvogel (o.a. buizerd, sperwer), blauwe reiger, houtduif of eekhoorn (BIJ12). Het is onbekend of in de coniferen een geschikte nestlocatie aanwezig is, dit kon visueel niet beoordeeld worden. Om vast te stellen of ransuil gebruik maakt van de planlocatie is aanvullend onderzoek nodig.

Figuur 8

12

De coniferenhaag biedt geschikte roestplaats(en) voor ransuil.

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) Tijdens het veldbezoek zijn enkele oude nesten aangetroffen van algemene broedvogels. Het betreft een oud nest van houtduif in een wilg, een merelnest in de schapenstal en eksternesten t.h.v. deelgebied 2. De hagen, struiken en bomen bieden voor algemene stad- en tuinvogels zoals merel, houtduif, Turkse tortel, winterkoning, ekster en lijster geschikt nestgelegenheid. Daarnaast is er voldoende rust-, schuil- en foerageergelegenheid voor deze soorten. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie (zekerheidshalve) voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb omdat het houtopstanden binnen de vastgestelde grenzen van de bebouwde kom en op erven of in tuinen betreft (Wet nb, art. 4.1, lid a en b; tabel 2 deze rapportage). Het gemeentelijk beleid ten aanzien van houtopstanden in is beschreven op de website van de gemeente Brielle. Alvorens ingrepen aan houtopstanden worden verricht dient te worden geraadpleegd of sprake is van een vergunningplicht.

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied, kenmerkende landschapselementen en/of Strategische reservering natuur. Op een afstand van 4,4 km ligt het Natura2000 gebied Voornes Duin (figuur 9). De planlocatie ligt op een afstand van 850m tot het Natuurnetwerk Nederland (figuur 10). Op een afstand van 4 km is het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied gelegen (figuur 11). De beoogde ontwikkeling betreft het verwijderen van alle bestaande bebouwing, terreininrichting en groen alsmede de bouw van 75 grondgebonden woningen en het gebruik hiervan. De locatie ligt te midden van bestaande bebouwing aan de zuidwestzijde van Brielle. Tussen het Natura2000 gebied Voornes Duin en de planlocatie zijn diverse type bebouwing en de kern Oostvoorne gelegen. De sloop-, bouw- en gebruiksactiviteiten leiden derhalve aannemelijk niet tot optische- en geluidsverstoring of verstoring als gevolg van trillingen of plaatselijke ontwatering en dergelijk. De sloop- en bouwwerkzaamheden maar ook het gebruik van de woningen leidt mogelijk tot een verhoging in stikstofemissie. Specifieke habitats in Natura2000 gebieden zijn gevoelig voor te hoge stikstofwaarden.

In het Natura2000 gebied Voornes Duin is onder andere sprake van de volgende habitattypen die gevoelig zijn voor een ongelimiteerde of hoge beschikbaarheid van stikstof: witte duinen, grijze duinen, duindoornstruwelen, kruipwilgstruwelen, duinbossen en vochtige duinvalleien (BIJ12, 2016).Voor veel van deze specifieke habitats in Nederland geldt dat de Kritische Depositie Waarde (KDW) reeds is bereikt of overschreden. Activiteiten die mogelijk leiden tot een verhoging van de stikstofdepositie op deze specifieke habitats dienen hierop te worden getoetst middels het programma AERIUS. Gelet op de aard van de ingrepen en de korte afstand tot het Natura2000 gebied Voornes Duin mar ook andere gebieden met stikstofgevoelige habitats is een negatief effect op voorhand niet uit te sluiten, een AERIUS berekening is noodzakelijk. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en Strategische reservering natuur geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Desondanks worden gelet op het type werkzaamheden overigens geen externe effecten verwacht.

13

Figuur 9

De planlocatie ligt op een afstand van ca. 4,4 km tot het Natura 2000-gebied Voornes Duin (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Figuur 10 De planlocatie ligt op een afstand van ca. 850m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).

14

Figuur 11 De planlocatie ligt op een afstand van ca. 4 km tot Belangrijk weidevogelgebied (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Figuur 12 De planlocatie ligt op een afstand van ca. 6,6 km tot Strategische reservering natuur (bron: pzh.maps.arcgis.com).

15

Conclusies Samenvatting Op de planlocatie aan De Rik te Brielle komen mogelijk beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Een deel van de gebouwen biedt aan vleermuizen potentieel geschikte verblijfplaatsen en aan huismus potentieel geschikte nestlocaties. Een deel van de houtopstanden is eveneens geschikt als verblijfslocatie van vleermuizen, nestlocatie van ransuil en functioneel leefgebied van deze soorten en huismus. Teneinde de aan- dan wel afwezigheid van deze soorten vast te stellen dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd. Ten aanzien van overige beschermde flora en fauna geldt dat de planlocatie aannemelijk geen essentieel onderdeel is van het leefgebied en/of dat er vrijstelling geldt ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. De houtopstanden op de planlocatie vallen niet onder het regime van de Wet natuurbescherming. Het verwijderen hiervan dient te worden getoetst aan het beleid van de gemeente Brielle. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en de Strategische reservering natuur. Tevens is geen sprake van kenmerkende landschapselementen. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is, met voorbehoud ten aanzien van stikstofdepositie, van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake.

Ten aanzien van stikstofdepositie dient een AERIUS berekening te worden uitgevoerd om te bepalen of er effecten optreden ten aanzien van omliggende Natura2000-gebieden.

+

-

-

-

-

n

n

n

+

n

ja1

-

-

Geschikt habitat andere soort

-

+

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ AERIUS

Natura2000

4,4 km

geen

AERIUS2

Natuurnetwerk Nederland

850m

geen

n.v.t.

Belangrijk weidevogelgebied

4 km

geen

n.v.t.

Strategische reservering natuur

6,6 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding Wet nb

Struiken

ja

ja

n.v.t.3

Bomen

ja

ja

n.v.t.3

ja

-

+

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

1

-

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

zoogdieren

- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)

vaatplanten

Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. Legenda

Indien huismus, ransuil en vleermuizen gebruik maken van de planlocatie zal bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen Wet nb art 3.1, lid 2 en 4 alsmede Wet nb art. 3.5, lid 2 en 4. De voorwaarden betreffen: het onderzoek wordt uitgevoerd conform de meest actuele versie van het Kennisdocument Huismus en het vleermuisprotocol (t.a.v. ransuil zijn geen specifieke voorwaarden), er is geen andere bevredigende oplossing (reeds een integrale afweging gemaakt door de gemeente Brielle), er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). 1

16

Indien blijkt dat de beoogde ontwikkeling leidt tot een te hoge stikstofemissie dienen maatregelen te worden getroffen om deze tot een aanvaardbaar niveau terug te dringen. Deze maatregelen betreffen o.a.: andere planuitvoering, machines met een recente bouwjaar (lage uitstoot), emissieloos of -arm bouwen (o.a. prefab of NoNOx van VolkerWessels) en externe saldering (opkopen stikstofrechten). 3 De houtopstanden op de planlocatie maken geen onderdeel uit van een houtopstand zoals beschreven in de Wet natuurbescherming. Mogelijk gelden er specifieke bepalingen ten aanzien van de beoogde kap, hiertoe dient het beleid van de gemeente Brielle te worden gecheckt. 2

Uitvoerbaarheid Mits gewerkt wordt conform de voorwaardelijke maatregelen en vervolgstappen leiden de werkzaamheden niet tot de aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden of er dient er een ontheffing te worden aangevraagd en dienen passende maatregelen te worden getroffen. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde asbestsanering (vrijstellingsbesluit). Conclusie De beoogde sloop van opstallen, kap van bomen en nieuwbouw van woningen aan De Rik te Brielle is uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstap(pen) • Er dient aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van huismus te worden uitgevoerd. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). • Er dient aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger te worden uitgevoerd. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het vleermuisprotocol (NGB, 2017, in 2020 volgt een geactualiseerde versie). • Er dient aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van ransuilen te worden uitgevoerd. • Er dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd om te bepalen of het planvoornemen niet leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie in kwetsbare habitattypen binnen Natura2000 gebieden.

Te treffen maatregelen (algemene Zorgplicht) • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

17

•

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). De werkzaamheden bij voorkeur opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Literatuur BIJ12, 2016. Gebiedsrapportage 2016. Natura 2000 gebied nr. 100 Voornes Duin. PAS-bureau. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5 e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Rijksoverheid, januari 2020. Handreiking woningbouw en AERIUS.

Vaak geraadpleegde websites pzh.maps.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff-ecogrid.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.tweegetuigen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl

18

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. C.J. Blom (auteur)

ir. T.W.D. Schrader (collegiale toets)

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

19

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1 Schuur met asbest leien centraal in deelgebied 1

Figuur 2 De voormalige hooiberg wordt nu gebruikt als opslaglocatie

20

Figuur 3 Het buitenterrein wordt gebruikt als stalling voor caravans en auto’s

Figuur 4 Een opslagschuur in deelgebied 2 met o.a. een tractor, auto en landbouwmaterialen

21

Figuur 5 Een houten opslagschuur op de planlocatie, deelgebied 2

Figuur 6 Een opslagschuur in de schapenweide behorend bij deelgebied 2

22

Figuur 7 Schapenstal op de planlocatie, deelgebied 2

Figuur 8 Het omzoomde grasperceel ten noorden van De Rik vormt planlocatie deel 1

23

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Indien uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Middels onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van EL&I, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

24

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).

Overige soorten

25

Ten aanzien van Overige soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13194718/2