CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

06 (bijlage 5 )Toelichting Bijlage 3 Archeologisch onderzoek

Commissie Ruimte 14 juni 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Bestemminsplan Twee Getuigen - Klooster.16.895 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Het Sint Andriesklooster nabij Brielle Een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven

M.A. Goddijn

Colofon Archol Rapport 239 Het Sint Andriesklooster nabij Brielle Een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven Opdrachtgever:

ABB Ontwikkeling bv

Contactpersoon opdrachtgever:

dhr. J. Korevaar

Directievoerder:

Crevasse Advies dr. R. Isarin

Projectleiding:

drs. T.A. Goossens

Uitvoering veldwerk:

drs. M.E. Hemminga (veldwerkleider)

P. van de Geer MA (veldarcheoloog) M.A. Goddijn MA (veldarcheoloog, specialist middeleeuwen) drs. A. van de Venne (specialist middeleeuwen en stadskern, Kerament)

Auteur:

M.A. Goddijn MA

Met bijdragen van:

drs. A.A. van der Houwen (streekarchief

Voorne-Putten & Rozenburg) dr. S. Knippenberg J. van der Leije MA

Tekstredactie

M. van Zon MA

drs. T.A. Goossens

Beeldmateriaal:

ing. S. Shek

Autorisatie:

drs. T.A. Goossens

Opmaak:

A.J. Allen

Druk:

Haveka, Alblasserdam

ISSN 1569-2396 © Archol, Leiden 2015 Einsteinweg 2 2333 CC Leiden info@archol.nl Tel. 071 527 33 13

Inhoudsopgave

1

2

Inleiding

5

1.1 Aanleiding en doelstelling

5

1.2 Onderzoeksvragen

5

1.3 Onderzoeksgebied

6

1.4 Archeologie en monumentenzorg

6

Methodiek en strategie

9

2.1 Inleiding

9

2.2 Strategie veldwerk

9

2.3 Methodiek veldwerk

9

2.4 Methodiek specialistisch onderzoek

12

2.4.1 Aardewerk

12

2.4.2 Steen

12

2.4.3 Bot

12

3

4

Landschappelijk en archeologisch kader

15

3.1 Landschap

15

3.2 Landschappelijke en archeologische resultaten vooronderzoek

15

3.3 Archeologische en historische context

17

Resultaten

25

4.1 Landschappelijke situatie

25

4.2 Sporen en structuren

26

4.3 Specialistische onderzoeken

36

4.3.1 Aardewerk

36

4.3.2 Steen

38

4.3.3 Bot

40

5

Synthese

43

5.1 Conclusie

43

5.2 Waardering

43

6

5.2.1 Het proces van waardering

43

5.3 Advies

46

5.4 Beantwoording onderzoeksvragen

47

Samenvatting

51

Literatuur

52

Figuren

53

Tabellen

54

Bijlagen

54

Bijlage 1 Sporenlijst

55

Bijlage 2 Vondstenlijst

57

Bijlage 3 Determinatie aardewerk per context

59

Bijlage 4 Determinatie dierlijk bot

61

Bijlage 5 Inventarisatie Sint Andriesklooster (1503)

63

Bijlage 6 Begrippenlijst

63

Sint Andriesklooster Brielle 5

1

Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling ABB Ontwikkeling bv heeft plannen om in plangebied De Rik te Brielle een wijk met 61 woningen te realiseren. Voorgaand archeologisch onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat hier in de late middeleeuwen het Sint Andriesklooster heeft gestaan, een vrouwenconvent. Het Programma van Eisen (PvE) richt zich specifiek op de resten van het klooster.1 Maar er wordt ook rekening gehouden met middeleeuwse resten

die ouder zijn dan dit klooster. Doel van het Inventariserend Veldonderzoek is aan de hand van proefsleuven te bepalen of behoudenswaardige resten van dit klooster en eventuele andere bewoningssporen in de bodem aanwezig zijn en –zo, ja - wat hun waarde is. Op basis van een archeologische waardestelling is een advies te geven over de behoudenswaardigheid van en omgang met de archeologische resten bij de verdere planontwikkeling.

1.2 Onderzoeksvragen In het PvE zijn de onderzoeksvragen als volgt per thema gerangschikt.

Vragen over de waardering van de aangetroffen resten: •

Bevinden zich binnen het onderzoeksgebied resten van archeologische vindplaatsen?

•

Wat is de aard, omvang, diepteligging en datering van de archeologische sporen en vondsten?

•

Komt dit overeen met de archeologische verwachtingszones?

•

Zijn er beerputten of afvalkuilen aanwezig?

•

Wat is de bodemkundige opbouw van het onderzoeksgebied?

•

In welke mate is de bodem geërodeerd of verstoord?

•

Uit het tot nu toe uitgevoerde (boor)onderzoek is de landschappelijke ligging van de kern van de middeleeuwse nederzetting Rugge nog onvoldoende duidelijk. Welke geomorfologische aanwijzingen geven de profielen? Lag het dorp op een kreekrug?

•

Welke aanwijzingen zijn er voor gebruik en bewoning van het gebied vóór de 15e eeuw?

Vragen over de mogelijkheden voor fysieke bescherming: •

Wat is in kwalitatieve zin de zettingsgevoeligheid van de aangetroffen resten?

•

Wijst de aangetroffen bodemopbouw op de mogelijkheid van differentiële zetting en klink van de archeologische resten en lagen?

• •

Zijn er goed geconserveerde organische resten bewaard en vanaf welke diepte? Welke aanwijzingen zijn er voor grondwaterfluctuaties in het verleden, zoals oxidatieen reductieverschijnselen?

1 Bente 2012.

6

Sint Andriesklooster Brielle

Vragen over het klooster: •

Zijn er resten van de kloostergebouwen aanwezig?

•

Zijn er bepaalde functies aan de gebouwresten toe te wijzen? Zijn er bijv. aanwijzingen voor een eet- of slaapzaal, keuken, kapel e.d.?

•

Zijn er binnen kloosterterrein functieverschillen waarneembaar, zoals moes- of kruidentuin of zones met ambachtelijke dan wei agrarische activiteiten?

• •

Zijn er aanwijzingen voor surplusproductie of -handel? Zijn er aanwijzingen voor verbouwingen of reparaties en met welke functieverandering hangen deze samen?

•

Werd in of bij het klooster begraven en zo ja, uitsluitend de kloosterpopulatie of ook anderen, zoals weldoeners en andere niet-kloosterlingen?

•

In hoeverre onderscheid de materiële cultuur van de nonnen zich van die van de Brielse burgers of van stedelingen elders, dan wel van het omliggende platteland?

•

Welke uitspraken zijn mogelijk over de sociale status van de kloosterbevolking?

Vragen over huiserven aan De Rik en het Rikse Straatje: •

Zijn er aanwijzingen voor huizen en erven uit de (late) middeleeuwen en de nieuwe tijd?

•

Zijn er resten toe te schrijven aan dorpsbebouwing voorafgaand aan de stichting van het klooster?

•

Hoe waren de huiserven ingericht en zijn er daarbij chronologische ontwikkelingen waar te nemen, zoals de plaats van het huis binnen het erf?

•

Wat zijn de verschillen tussen de huizen en boerderijen of stadswoningen elders op Voorne of aangrenzende gebieden?

•

Hoe onderscheiden de bewoners van de erven zich in materiële zin van die van het omliggende platteland, het aangrenzende klooster en van nabije steden en welke sociale en economische betekenis is hieraan te geven?

•

Zijn er verschillen in status en klasse waar te nemen tussen de verschillende huiserven?

1.3 Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied ligt ten zuiden van Brielle aan De Rik, een weg die loopt van Brielle richting Rockanje (Figuur 1.1 en Tabel 1.1). In het verleden was er nog een straat, het Rikse straatje. Deze liep parallel aan de Rik en boog haaks af richting de Rik. In het zuiden wordt het plangebied begrensd door een sloot en een woonwijk. In het westen ligt een woonwagenkamp. Tijdens het proefsleuvenonderzoek was het plangebied nog in gebruik en stonden er meerdere gebouwen, zoals schuren en woonhuizen. Ook was er sprake van caravanstalling en andere opslag. Het plangebied heeft een oppervlak van 20.310 m2.

1.4 Archeologie en monumentenzorg Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) van kracht geworden. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, kan door de overheid verplicht worden een rapport te overleggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist: het archeologisch vooronderzoek. Dit vooronderzoek bestaat uit twee fasen: het bureauonderzoek en het Inventariserend Veldonderzoek (IVO).

Sint Andriesklooster Brielle 7 Figuur 1.1

68000

69000

70000

71000

72000

71000

72000

436000 435000

435000

436000

Ligging van het plangebied.

434000

434000

 

0

433000

433000

N

1000m

bron:kadaster 68000

Tabel 1.1

Administratieve gegevens.

69000

70000

Soort onderzoek:

Inventariserend veldonderzoek - proefsleuven (IVO-p)

Projectnaam:

Brielle De Rik

Archol-projectcode:

DRB1419

Uitvoerder:

Archeologisch Onderzoek Leiden bv

Periode van uitvoering veldwerk:

Mei 2013

Periode van uitvoering uitwerking:

Augustus 2013

Provincie:

Zuid-Holland

Gemeente:

Brielle

Plaats:

Brielle

Toponiem:

De Rik

Coördinaten gebied:

x: 70.270 / y: 434.710 (centrum)

Opdrachtgever:

Dhr. J. Korevaar (ABB Ontwikkeling bv.)

Adviseur opdrachtgever: Goedkeuring bevoegd gezag:

Dr. R.F.B. Isarin (Crevasse advies) Mevr. A. van Oers (gemeente Brielle)

ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer

56758

Beheer en plaats van documentatie en vondsten: Provinciaal Archeologisch Depot -provincie Zuid-Holland Geomorfologie:

Bebouwing

Bodem:

Bebouwing

8

Sint Andriesklooster Brielle

Het doel van een bureauonderzoek is het vaststellen of, en zo ja, welke typen archeologische vindplaatsen precies in het plangebied worden verwacht (‘gespecificeerde archeologische verwachting’). Het IVO dient ertoe deze vindplaatsen daadwerkelijk op te sporen (karterende fase) en de omvang en waarde in kaart te brengen (waarderende fase). Proefsleuvenonderzoek is één van de methoden die kan worden toegepast bij een IVO (IVO-p). Het hier gepresenteerde onderzoek betreft een IVO-p, karterende en waarderende fase. Na afronding van dit onderzoek dient de overheid, op basis van het advies van Archol bv, een besluit te nemen over het vervolgtraject. Als geen archeologische waarden worden aangetroffen, kan het besluit inhouden dat het archeologisch onderzoek is afgerond. Als echter blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden tot een aanpassing van de plannen (de vindplaats blijft in de grond behouden), of tot een archeologische opgraving.

Sint Andriesklooster Brielle 9

2

Methodiek en strategie 2.1 Inleiding Archol heeft het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd van 15 t/m 17 mei. Het veldteam bestond uit een veldwerkleider, een veldarcheoloog en een specialist stadskern en bouwhistorie van het bedrijf Kerament.

2.2 Strategie veldwerk De werkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 3.2) en de bepalingen in het PvE.2 In het PvE is bepaald dat er zes proefsleuven op het terrein worden gegraven (zie Figuur 3.3). De locatie van deze sleuven is gebaseerd op de archeologische verwachting van bebouwing uit een archeologisch bureauonderzoek:3 •

Sleuf 1, parallel aan De Rik, dient om eventuele resten van huiserven uit de middeleeuwen tot de 19e eeuw aan te snijden. Dankzij de (noord)oost-(zuid)west oriëntatie kunnen de sleuven eventuele verschillen in bebouwing en ophoging tussen de vroegere percelen inzichtelijke maken. De beoogde lengte van de sleuf bedraagt 50 m, de breedte 2 m.

•

Sleuf 2, gepland over het westelijke deel van het kloosterterrein van Sint Andries, heeft als doel de resten van de kloostergebouwen uit de 15e en 16e eeuw op te sporen en te waarderen. De beoogde lengte van deze sleuf is 25 m, de breedte 4 m.

•

Sleuf 3, gepland over de oostelijke kloosterbebouwing, heeft een beoogde lengte van 20 m en een breedte van 4 m.

•

Sleuf 4, in het oosten, dient om de historische bebouwing aan het Rikse Straatje te onderzoeken. De beoogde sleuf heeft een lengte van 50 m en een breedte van 2 m.

•

Sleuf 5, die sleuf 1 kruist, dient om de diepte van de voornoemde middeleeuwse bebouwing te achterhalen. Deze sleuf heeft een beoogde lengte van 18 m bij een breedte van 2 m.

•

Sleuf 6, haaks op het Rikse Straatje, dient om de diepte van de bebouwing te bepalen. De afmetingen van de sleuf bedragen 18 x 2 m in het PvE.

2.3 Methodiek veldwerk De proefsleuven zijn gegraven op basis van het puttenplan uit het PvE 2013 (Figuur 2.1). Rekening houdend met het huidig gebruik van de percelen is hier om praktische redenen en in overleg op enkele punten van afgeweken: •

Sleuf 1 is aan de oostzijde niet volledig gegraven vanwege de aanwezigheid een bebouwde kavel met leidingen in de ondergrond

•

Sleuf 4 is plaatselijk onderbroken vanwege een hekwerk dat intact moest blijven

•

Sleuf 5 is aan de noordzijde niet volledig gegraven vanwege de aanwezigheid van leidingen in de ondergrond.

•

Sleuf 5 is verder aan de zuidzijde plaatselijk verbreed om het vervolg van een muur uit sleuf vast te stellen.

2 Bente 2012. 3 Rietkerk 2010.

10

Sint Andriesklooster Brielle

70200

70250

70300

Legenda putten (1-6) met profielkolomen (P1-P2) bestaande bebouwing in 2011 afgebrande en gesloopte bebouwing: Huis van deTwee Getuigen met oostelijke recente aanbouw

P1

P3

k Ri e D

434750

434750

grens plangebied

P2

6 P1

 P2

P1

1

4

P1

5  P1 

3

434700

434700

P2

2 P3

P1 P2

N

0

434650

434650

25m

70200

70250

70300

Figuur 2.1

Puttenkaart met de locaties van de profielen.

Sint Andriesklooster Brielle 11

70300

70250

70300

434700

434700

434750

70250

434750

70200

0

434650

434650

N

25m

70200

Figuur 2.2

Putten geprojecteerd op het kadastrale minuutplan van 1820.

Aanleg werkputten In alle proefsleuven is één sporenvlak aangelegd (zie bijlage 1, sporenlijst). De sleuven zijn machinaal verdiept met een graafmachine met gladde bak. Tijdens de aanleg zijn de afdekkende lagen doorzocht met een metaaldetector. Aanlegvondsten zijn verzameld in vakken van 5 x 4 m (of 5 x 2 m in smalle sleuven) en per stratigrafische eenheid (zie bijlage 2, vondstenlijst). Na aanleg zijn de sporen aangekrast en de vlakken gefotografeerd. Vervolgens zijn de vlakken digitaal getekend met een robotic Total Station (rTS).

Aanleg profielen De bodemopbouw is in 29 profielkolommen van 1 m breed gedocumenteerd (Figuur 2.1). De profielkolommen geven een goed beeld van de archeologische resten in relatie tot de stratigrafisch te onderscheiden lagen. Daar waar de bodem lokale veranderingen vertoonde, zoals zones met geulvullingen, is een extra profieldeel gedocumenteerd. Ook ter hoogte van muurwerken zijn extra profielen gezet om de diepteligging in relatie tot de stratigrafie duidelijk in kaart te brengen.

Sporen en structuren Het grootste deel van de sporen bestaat uit muurwerken die tot het klooster hebben behoord. Dit blijkt ook uit de projectie van de putten met sporen op het minuutplan van 1820 (Figuur 2.1). De muurwerken zijn zoveel mogelijk vrijgelegd en schoongemaakt, waarna deze zijn gedocumenteerd. Hierbij is gelet op bouwnaden,

12

Sint Andriesklooster Brielle

hoogte en diepte van de muren, baksteenformaten, kleur van de bakstenen en mortelsoort. De overige sporen bestaan o.a. uit kuilen en paalkuilen. Hiervan is een selectie gecoupeerd en gedocumenteerd in het kader van de waardering. Zoals gebruikelijk bij een proefsleuvenonderzoek zijn de sporen zijn niet afgewerkt met het oog op een eventueel behoud: in situ door aanpassing van de bouwplannen of ex situ door een opgraving.

Bemonstering Vooraf was rekening gehouden met de bemonstering van houtresten of grondsporen met het oog op specialistisch onderzoek naar de datering, identificatie en duiding van een spoor of artefact. In de praktijk zijn geen houtresten of andere geschikte sporen aangetroffen. De (paal)kuilen die doorgaans humeuze, verkoolde dan wel andere ‘kansrijke’ vullingen voor dit doeleind bevatten, bleken in Brielle vrijwel geheel met resten muurwerk en/of aardewerk te zijn opgevuld. Daarom is afgezien van monstername.

2.4 Methodiek specialistisch onderzoek 2.4.1 Aardewerk Het aardewerk is op basis van baksel onderverdeeld, waarbij o.a. gelet is op vorm, versiering en typologie. De scherven zijn geteld en gewogen om de mate van conservering te bepalen. Deze kenmerken zijn in een database ingevoerd waarbij de randfragmenten gebruikt zijn om het Minimum Aantal Exemplaren (MAE) te bepalen (zie bijlage 3, determinatielijst). Omdat (archeologisch) complete exemplaren ontbraken, kon geen onderverdeling gemaakt worden volgens het Deventer systeem. Vervolgens is het aardewerkcomplex gedateerd op grond van alle voornoemde kenmerken4

2.4.2 Steen Het steen is gedetermineerd op basis van uiterlijke en micromorfologische kernmerken. Hierdoor is de steensoort vast te stellen en ook het eventuele herkomstgebied. Daarnaast is getracht om functie en (her)gebruik van de voorwerpen vast te stellen.

2.4.3 Bot De faunaresten zijn ingedeeld in de volgende diergroepen: groot zoogdier (rund, paard, edelhert), middelgroot zoogdier (schaap, geit, varken, hond, bever, das, otter), klein zoogdier (haas, konijn, kleine roofdieren, egel, mol, muis), zoogdier onbekend, vogel, vis en amfibie (zie bijlage 4). Een determinatie op soort niveau heeft niet plaats gevonden. Indien soorten echter direct zijn herkend, is dit wel genoteerd. Botresten zijn als ’te determineren’ aangemerkt indien het mogelijk is soort en skeletelement vast te stellen. Met het oog op de waardering is ook gekeken naar de fragmentatie van het materiaal. Hierbij is het materiaal ingedeeld naar percentage van het volume van het oorspronkelijke bot dat bewaard is gebleven: 0-10%, 10-75% of 75-100%. De

4 Bitter, Jaspers en Ostkamp 2012.

Sint Andriesklooster Brielle 13

fragmenten waarvan minder dan 10% bewaard is gebleven, omvatten voornamelijk niet te determineren botsplinters. De fragmenten ter grootte van 10-75% van het oorspronkelijk botvolume kunnen in veel gevallen nog gedetermineerd worden op soort en skeletelement. De nagenoeg complete botten (75-100% bewaard) kunnen daarnaast in veel gevallen nog informatie opleveren over slachtleeftijd en schofthoogte. De fragmenten groter dan 10% kunnen daarnaast informatie opleveren over bewerkingssporen. Ten slotte is vastgelegd of de botten verbrand zijn.

14

Sint Andriesklooster Brielle

Sint Andriesklooster Brielle 15

3

Landschappelijk en archeologisch kader 3.1 Landschap Het plangebied is, zowel op de bodemkaart als de geomorfologische kaart, niet gekarteerd en ligt binnen de bebouwde kom. Door extrapolatie van de gegevens uit de omgeving valt op te maken dat het plangebied op de geomorfologische kaart in een gebied met getijde-afzettingen ligt (Figuur 3.1). De locatie ligt op een overgang van een gebied met een getij-kreekbedding (2R13) naar een vlakte van getij-afzettingen (2M35). De extrapolatie van het plangebied op de bodemkaart geeft aan dat de locatie op zeekleigronden (Mn15A-V/M) ligt. Dit zijn kalkrijke poldervaaggronden die bestaan uit lichte zavel. Het grondwaterniveau varieert tussen 0,40 m tot 1,2 m –mv.

3.2 Landschappelijke en archeologische resultaten vooronderzoek Het vooronderzoek bestond uit een bureauonderzoek gevolgd door een booronderzoek.5 Tijdens het bureauonderzoek is vastgesteld dat archeologische resten van o.a. het klooster binnen het plangebied te verwachten zijn. Het bureauonderzoek heeft de volgende specifieke archeologische verwachting opgeleverd: •

Resten van het Sint-Andriesklooster (1403) in het zuidoosten met bijbehorende ommuring;

•

Lintbebouwing langs de Rik, mogelijk daterend vanaf de volle middeleeuwen;

•

Resten van het Rikse straatje en lintbebouwing langs deze straat;

•

In het noorden heeft een huis gestaan (Huis van de Twee Getuigen) dat in 2011 door brand is verwoest. Dit 20e-eeuwse huis had een 16e-eeuwse voorganger.

Tijdens het booronderzoek zijn in het zuidwesten van het plangebied vanaf 1,60 m –mv veenlagen aangetroffen. In het noordoosten liggen deze veenlagen op 4,0 m –mv. Bovenop het Hollandveen bevindingen zich (vertand) Duinkerke-III-afzettingen. De Duinkerke-afzettingen bestaan uit een uiterst siltige, lichtbruingrijze tot lichtblauwgrijze klei. Hierboven bevindt zich een antropogene laag die bestaat uit uiterst siltige klei met puinfragmenten, houtskoolspikkels, botfragmenten en aardewerk uit de periode late middeleeuwen-Nieuwe tijd. De laag varieert in dikte van 0,5 m in het zuidoosten tot 2 m in het noordwesten. Onduidelijk was het of hier om een laag met slooppuin van middeleeuwse bebouwing gaat of om een ophogingspakket dat aan de basis van die bebouwing heeft gelegen. Boven deze antropogene laag bevindt zich een recent verstoorde bodem, variërend in dikte van 0,15 m –mv tot 0,70 m –mv. De onderverdeling in Duinkerke-afzettingen en Hollandveen is de afgelopen decennia problematisch gebleken. Deze indeling is namelijk gebaseerd op ouderdom en genese en niet op puur lithologische en stratigrafische verschillen. Nieuwe inzichten hebben hierbij geleid tot een nieuwe lithostratigrafische indeling van de Holocene afzettingen.6 In het kustgebied worden drie formaties onderscheiden die op basis van lithologie van elkaar zijn losgekoppeld.

Binnen de formaties worden laagpakketten en lagen onderscheiden. Het Hollandveen is een laagpakket van de formatie van Nieuwkoop waar al het veen in kust- en rivierengebieden binnen valt. De Duinkerke-afzettingen vallen onder het laagpakket van Walcheren. 5 Jordanov 2005. 6 Mulder et al. 2003.

68000

71000

72000

Legenda oeverwal komafzettingen kreekbedding bebouwing water

435000

435000

436000

70000

436000

69000

437000

Sint Andriesklooster Brielle

437000

16

434000 0

68000

433000

N

433000

434000

1000m

69000

70000

71000

Figuur 3.1

72000

Geomorfologische kaart van het plangebied.

Figuur 3.2

Bodemkaart van het plangebied. 68000

69000

70000

71000

Legenda

72000

436000 435000 434000

$ $

0

68000

433000

N

433000

434000

435000

436000

associaties (akkerland) bebouwing zeekleigronden (akkerland) water

1000m

69000

70000

71000

72000

Sint Andriesklooster Brielle 17 Figuur 3.3

Verwachtingskaart van archeologische resten op basis van het booronderzoek met puttenplan (uit Bente 2012, naar: Rietkerk 2010, figuur 3).

Tijdens het booronderzoek is veel baksteenpuin gevonden, even als een ondoordringbare laag die als muurfundamenten zijn geïnterpreteerd. Hieruit is de conclusie getrokken dat binnen het plangebied in ieder geval archeologische resten in de vorm van muurwerken aanwezig zijn. Op basis van het booronderzoek is geen uitsluitsel te geven over de kwaliteit van de archeologische resten. In combinatie met de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek is een verwachtingkaart gemaakt.7 Op basis van deze kaart is het puttenplan bepaald (Figuur 3.3).

3.3 Archeologische en historische context A.A. van der Houwen en M.A. Goddijn

Plangebied Het plangebied ligt ten zuiden van de historische stad Brielle. De stad ligt in de Maasmonding waar wateroverlast lange tijd een grote rol heeft gespeeld. Vanaf de vroege middeleeuwen (6e of 7e eeuw) zijn nederzettingen in het gebied aanwezig langs de oevers van de Maas (Figuur 3.6).8 Het voormalige eiland Voorne, waar Brielle op ligt, bestaat voornamelijk uit een veengebied met geulen waar de zee vrij spel had. Vanaf de 10e en 11e eeuw kwam daar verandering in: het gebied werd langzaam ontgonnen en men legde dijken aan. Deze ontginningen waren het gevolg van bevolkingsdruk aan de ene kant en stimulans van landheren aan de andere kant. De eerste polders die ontstonden waren Oostvoorne, Rugge, Abbenbroek en Zwartewaal. Langs deze polders vormden zich nieuwe oevergebieden die uiteindelijk ook werden ingepolderd.

7 Rietkerk 2010, figuur 3. 8 Carmiggelt 1993.

18

Sint Andriesklooster Brielle

Gemeente Brielle Archeologische beleidskaart Legenda Beleid Waarde - archeologie 1; geen vrijstelling Waarde - archeologie 2; 30 m2; 30 cm Waarde - archeologie 3; 100 m2; 30 cm Waarde - archeologie 4; 250 m2; 50 cm Waarde - archeologie 4; 250 m2; 50 cm Lage verwachting - geen onderzoek

Topografie Gemeentegrens GBKN Water (GBKN)

Figuur 3.4 Hier ontstonden in de 13e eeuw nieuwe nederzettingen, waaronder Brielle. Vanwege de

Plangebied (met rood kader aangegeven) op de gemeentelijke beleidskaart.

gunstige ligging aan enkele waterwegen groeide de stad uit tot handelsnederzetting. Op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Brielle ligt het plangebied in een zone met een middelhoge verwachting. Het gebied is aangewezen als archeologisch monument (AMK-terrein) vanwege de mogelijke aanwezigheid van restanten van het klooster. Op de gemeentelijke beleidskaart is het dan ook gemarkeerd als een zone, waar geen vrijstellingswaarden voor archeologisch onderzoek gelden (Figuur 3.4). Op de verwachtingskaart staan verschillende Archismeldingen weergegeven.9 De Archis-nummers in de directe omgeving hebben betrekking op de kloosters en de kloosterkerk (Tabel 3.1 en Figuur 3.5). De overige Archis-nummers hebben betrekking op andere archeologische onderzoeken en historische bebouwing in de nabijheid van de stad Brielle. Archisnummer

Datering

Soort onderzoek

Omschrijving

22780

NT

booronderzoek

scherfmateriaal uit de nieuwe tijd, geen vindplaats.

26050

LME

vondstmelding

resten van een oude stadsmuur aan de Jan Mathijssenlaan, afgebroken rond 1700.

26062

LME

vondstmelding

oude melding van een nederzetting of moated site uit de 12e eeuw of ouder.

26063

LME

vondstmelding

melding van het Sint Andriesklooster.

26064

LME

vondstmelding

oude melding van de aanwezigheid van de voormalige parochiekerk in Rugge.

26065

LME

vondstmelding

melding van het regulierenklooster in Rugge.

401994 405722 405724

NT

bureau- en inventariserend onderzoek, archeologische begeleiding en proefsleuven

onderzoek in verband met de aanleg van schoolgebouwen. Op historisch kaartmateriaal staan verschillende gebouwen weergegeven. Bij het onderzoek zijn twee bewoningslagen waargenomen.

9 Bij het schrijven van dit rapport waren alleen de Archis-meldingen bekend. De meldingen van Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam waren niet voor handen.

Tabel 3.1

Archis-meldingen met beschrijving zoals deze in de buurt van het plangebied voorkomen (LME= late middeleeuwen, NT= Nieuwe tijd, zie Figuur 3.6).

Sint Andriesklooster Brielle 19 Figuur 3.5

69800

70000

70200

70400

70600

70800

  

  

435000

435000

Archis-meldingen binnen een straal van 500 m geprojecteerd op de Indicatieve Archeologische WaardeKaart (IKAW).

26,050

22,780

 

        

405,722

405,724

26,065

  

434800

434800

401,994

  

26,064

   

26,062

N

0

69800

70000

IKAW

70200

Indicatieve kaart van archeologische waarden Middelhoge indicatieve waarde Lage indicatieve waarde Bebouwd gebied Water Niet gewaardeerd

70400

434400

427,495

434400

 

434600

434600

26,063

250m

70600

70800

Archis

Met dezelfde begin- en einddatering

 Middeleeuwen 

Overige Archiswaarnemingen

Sint Andriesklooster Het klooster is mogelijk in 1403 gesticht, hoewel de bron niet betrouwbaar is.10 De vroegste schriftelijke vermelding dateert uit 1480. Het klooster is op verschillende historische kaarten aangegeven. De vroegste kaart is gemaakt door Jacob van Deventer (ca. 1566 ).11 Het klooster van de zusters (sorores) ligt hierop tussen De Rik en het Rikse straatje en is aan drie zijden omsloten door een sloot of gracht (Figuur 3.7). Binnen de grenzen staat aan de oostzijde een langwerpig hoog gebouw met torenspits afgebeeld, daartegenaan wat lagere bebouwing, vervolgens tuinen en ten slotte opnieuw lagere bebouwing aan de westzijde langs De Rik. Op een kaart uit 1619, waarin overigens de nadruk ligt op het Regulierenklooster (archisnr. 26064) aan de andere kant van De Rik, is de sloot aan oost- en zuidzijde eveneens te zien (Figuur 3.8, bovenin). Bovendien is daarop het hele terrein omgeven door een muur. De bebouwing lijkt grotendeels verdwenen; er rest slechts een groot gebouw, te midden van bosschages. Dit gebouw, lang bekend als ‘het huys te Rugge’, was een hoog stenen gebouw van twee verdiepingen boven een half onder het maaiveld gelegen keldergewelf.

10 Van de Gouw 1986, 9. 11 Jacob van Deventer kreeg in 1558 opdracht van Filips II om alle (ca. 250) steden in de Nederlanden in kaart te brengen. In 1572 was hij daarmee gereed.

20

Sint Andriesklooster Brielle

Geologische perioden Archeologische perioden

Datering 1650 1500 1250

1150 na Chr.

1050 900 725 525

Vroeg Subatlanticum

450

270 70 na Chr.

0 15 voor Chr.

450 voor Chr.

250 500 800

1100 1800

Subboreaal

2000

3700

Atlanticum Boreaal Preboreaal

Laat Glaciaal

Late Dryas Allerød Vroege Dryas Bølling

Vroeg Midden

Vroeg Glaciaal

Weichselien Pleniglaciaal

Laat

Vroegste Dryas Denekamp Hengelo

Odderade

Saalien I Belvedere/Holsteinien

Elsterien

4200 4900/5300

7300

6450

8700

8640 9700

9700

Ottoons Karolingisch Merovingisch laat

12500 13500

12500 16000

Middeleeuwen

Merovingisch vroeg Laat Midden

Romeinse tijd

Vroeg Laat IJzertijd

Midden Vroeg Laat

Bronstijd

Midden Vroeg Laat Midden

Neolithicum (Nieuwe Steentijd)

Vroeg Laat

Mesolithicum (Midden Steentijd)

Midden Vroeg

11050 11500 12000

Nieuwe tijd

A Laat Vol

Laat

Jong B Jong A

30500

35000

71000

Paleolithicum (Oude Steentijd)

Midden

Brørup

Oostermeeer

Holsteinien

2850

B

60000

Moershoofd

Eemien Saalien II

Glaciaal x

Nieuwste tijd (=Nieuwe tijd C)

Pleistoceen Holoceen Prehistorie

1795

Laat Subatlanticum

Tijdperk

Vroeg

Chronozone

114000 126000 236000 241000 322000

250000

336000 384000

Oud

416000 463000

Uit een beschrijving van 1503 is af te leiden wat er op het terrein moet hebben gestaan (zie bijlage 5): een hoofdgebouw met verschillende zalen en kamers, een kerk, een gastenverblijf, een ziekenzaal en een school. Tegen de kerk was een timmerwerkplaats gebouwd en tegen het schoolgebouw het zogeheten ‘slot’, waarover hieronder meer. Hier buiten lagen een kruidentuin en een kleine weide, waarschijnlijk langs het water. In dit water werden de kleren gewassen. Langs de kloostermuur lag een terrein dat ook tot het eigendom behoorde. Verder is er ook sprake van een gebouw van de pachters, een bakkerij en een tredmolen. Deze laatste twee waren gelegen nabij de ‘ruimte van de grote deur’, waarschijnlijk de toegangspoort, aan het Rikse straatje. Het klooster werd bewoond door zusters. In 1503 kreeg een aantal van hen toestemming om zich te laten insluiten in het klooster. Zij betrokken het bovengenoemde ‘slot’ van het klooster en beloofden het terrein nimmer meer te verlaten. Met het insluiten onttrokken de zusters zich grotendeels aan contact met de buitenwereld. Zij mochten zelfs de kerk niet meer bezoeken, evenmin de timmer-

Figuur 3.6 Tijdstabel.

Sint Andriesklooster Brielle 21 Figuur 3.7

Het Sint Andriesklooster (zwart omcirkeld) op de kaart van Van Deventer, ca. 1566 (Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg).

werkplaats die daarnaast stond. Contact werd niet helemaal onmogelijk gemaakt: het was toegestaan om naar de getraliede vensters van het binnen-gastverblijf te gaan en naar een ander binnenvenster van ’het nieuwe gebouw’, om met anderen te praten. De doorgang naar ‘het voorste venster’ was echter alleen te betreden met toestemming van de moeder-overste. Een bezoek aan het gebouw van de pachters mocht alleen in gezelschap van een of twee niet-ingesloten zusters. De niet-ingesloten zusters mochten ook het terrein oversteken naar de kruidentuin of de ziekenzaal. Ook de kleine weide waar de kleren werden gewassen, was voor hen toegankelijk net als de ruimte van de grote deur beneden de bakkerij (pistrinum) en de (tred)molen (moleffnium). Tijdens hun recreatietijd mochten ze – met instemming van de mater – ook op het terrein langs de kloostermuur komen. De gracht of sloot aan de zuidzijde van de kerk, vanaf de oostzijde van het terrein langs de kloostermuur en terzijde van de noordkant van het huis van de pastoor, mochten zij echter niet oversteken. In 1572 zou het klooster zijn gesloten. Helaas ontbreken gegevens hierover.

Leproos- of ziekenhuis In 1582 kreeg het convent een nieuwe bestemming als ziekenhuis. In augustus 1581 had het stadsbestuur het voormalige Clarissenklooster aan de Langestraat toegewezen aan de schutters. Dit klooster was op dat moment nog in gebruik als leprooshuis. Voor de leprozen of andere zieken had de stad een ander onderkomen in gedachten: ‘de

22

Sint Andriesklooster Brielle

Figuur 3.8 huysinge, daer de buytenzusteren eertijts hebben gewoont’.12 Dat hiermee het klooster van Sint Andries werd bedoeld staat vast; in de rekeningen van het Leprooshuis werden de uitgaven verantwoord voor de ‘timmeragie van Sint Andries convent te Rugge tot een syeckhuys, gedaan in den jaare 1582’.13 Of de stad toen al beschikte over het hele complex is niet bekend, wel dat zij omstreeks mei 1582 voor 40 ponden van Adriane Carels “haer woonplaetze, genaempt Sinte Andriesconvente tot Rugge” kocht.14 De kosten aan het ziekenhuis zullen groot geweest zijn; in 1584 kregen de syeckemeesters toestemming om geld te lenen.15 In 1622 werd overleg gevoerd om iemand in dienst te nemen om het leprooshuis te ‘bewoonen ende waernemen’. In februari van dat jaar werd Jacob Leendertsz. Colvert door de ziekenmeesters aangenomen tegen betaling van 400 gulden.16 Samen met het stadsbestuur werd daarop een instructie opgesteld. Zijn aanstelling was voor drie jaar, gedurende welke tijd hij in het ziekenhuis zou wonen en de ‘laserissen’ te verzorgen. Er werd overeengekomen dat hij in het huis zou wonen en de stallen mocht gebruiken. In 1650 werd het ziekenhuis opgeheven en het huis en erf verkocht aan een particulier.

12 Fruin 1876, mem. 4 augustus 1581. 13 Mededeling van H. van Wijn: zie 2065, Inventaris van Brielle (1772), 42. 14 Rekening van het ziekenhuis, 1581/82, fol. 19v. 15 Mem. 16 juni 1584. 16 Mem. 26 februari 1622 en 13 maart 1622, Jacob heette hier nog Jan Leendertss.

Het ommuurde Sint Andriesklooster (boven) op een kaart uit 1619 (Streekarchief VoornePutten en Rozenburg).

Sint Andriesklooster Brielle 23 Figuur 3.9

Foto’s genomen in 1959 door de Rijksdienst voor de monumentenzorg.

Huys te Rugge Het hoofdgebouw van klooster/ziekenhuis, het eerder genoemde Huys te Rugge, is pas in 1964 afgebroken. In mei 1959 heeft de Rijksdienst voor de Monumentenzorg het gebouw gefotografeerd en is een bouwkundige opname gemaakt (Figuur 3.9). Het pand bestond uit twee delen: het oudste gedeelte werd gedateerd als tweede helft 16e eeuw; het andere deel als eerste helft 17e eeuw. Daaraan waren in latere tijden nog enige delen toegevoegd. Omdat de sloop pas recent heeft plaats gevonden, kunnen huidige bewoners en mensen uit de omgeving de gebouwen zich nog herinneren. Wanneer men deze gegevens combineert met de bekende geschiedenis van het klooster c.q. ziekenhuis, dan ontstaat het volgende beeld: in 1582 werd, nadat het ziekenhuis uit de stad werd verplaatst, het ene gedeelte nieuw gebouwd. Het bestond uit een ruime kelder, waarboven – op ca. 1 m boven het maaiveld – de ziekenzaal was gesitueerd. Een deel van de kelder diende als waterkelder. Boven de hoge ziekenzaal was een grote zolder. Aan weerszijden van de zaal waren drie grote

24

Sint Andriesklooster Brielle

ramen aangebracht, aan de kopse kant de deur en daar tegenover de schouw met schoorsteen. Omstreeks 1620 werd het ziekenhuis vergroot. Aan de ziekenzaal werd een woonhuis toegevoegd. Dit bestond uit een begane grond, een eerste verdieping en – op dezelfde hoogte als in het ziekenhuis – een zolder. In 1622 werd (opnieuw) een contract gesloten met degene die zorg droeg voor de zieken. Daarin was de bepaling opgenomen dat hij in het ziekenhuis zou wonen.

Sint Andriesklooster Brielle 25

4

Resultaten 4.1 Landschappelijke situatie In totaal zijn in de zes proefsleuven inclusief twaalf profielopnamen gedocumenteerd (zie Figuur 2.1). De profielen zijn lithologische beschreven conform NEN-5104 en waar mogelijk zijn de lagen lithogenetisch geïnterpreteerd. Op basis van deze profielopnamen is een goed beeld verkregen van de bovenste anderhalve meter van de bodemopbouw.

Tabel 4.1

Toelichting codering stratigrafie (van boven naar beneden).

Spoornummer

Omschrijving

Interpretatie

5000

Bouwvoor

recente ophoging/gras

5010

Puinlaag

recente ophoging

5020

zandige laag met puin

oud loopniveau

5040

Zavel

oeverafzetting

6000

klei

geulvulling

De bodemopbouw van het plangebied is (van boven naar beneden) als volgt (Tabel 4.1 en Figuur 4.1). De ca. 0,25‐0,5 m dikke bouwvoor (S5000) bestaat uit grasdek en verharding/recente ophoging. Hieronder bevindt zich een kleipakket met bouwpuin van ca. 0,5 m‐0,75 m dikte (lagen S5010‐5020) waarin resten van het kloostergebouw en de huiserven zijn aangetroffen. Binnen dit pakket is een onderscheid aan te brengen. S5020 is waarschijnlijk het oude loopniveau geweest. Bij muurwerken in put 2 was zichtbaar dat de insteek van de muren in deze laag was uitgegraven (Figuur 4.2). S5010 is waarschijnlijk ontstaan bij de sloop van de gebouwen, waarbij puin over het terrein is verspreid.

Figuur 4.1

Standaardprofiel van plangebied De Rik (put 4, profiel 2; voor ligging, zie figuur 2.1).

S5000

S5010

S5020 S5040 S6000

26

Sint Andriesklooster Brielle Figuur 4.2

Muurwerk S2.1.7 gedocumenteerd in het profiel met een insteek en resten van de sloop.

Onder het kleipakket met bouwpuin (S5020) bevinden zich natuurlijke afzettingen: over het algemeen zavelige (oever)afzettingen (S5040). In proefsleuf 1 en 2 (westen), proefsleuf 3 en 4 (oosten), zijn in plaats hiervan geulafzettingen in de ondergrond waargenomen (S6000). Tijdens het booronderzoek zijn op een dieper niveau nog veenlagen waargenomen (Hollandveen), gemiddeld op ruim 3 m –mv.17 Het veen is in de proefsleuven niet aangesneden; de profielen zijn niet tot op deze diepte gezet. De natuurlijke lagen (S5020/S5040/S6000) behoren tot het laagpakket van Walcheren. Uitgaande van de aanwezigheid van een oud loopniveau is de conservering van de bodemopbouw goed te noemen. De archeologische resten bevinden zich direct onder de 0,25‐0,5 m dikke bouwvoor. Bij toekomstige bouwwerkzaamheden dient hiermee rekening te worden gehouden.

4.2 Sporen en structuren Kloostergebouw Put 2 Tijdens het archeologisch onderzoek werd deze werkput als eerste aangelegd omdat op basis van historisch kaartmateriaal de kans op bebouwing hier het grootst was.18 Dit bleek inderdaad te kloppen: restanten van muurwerken waren al snel zichtbaar, ongeveer 30 cm onder het huidige maaiveld (Figuur 4.3 en Figuur 4.2). Op basis van het historische kaartmateriaal gaat het om restanten van het Sint Andriesklooster (zie Figuur 2.2).

17 Jordanov 2005 18 Tijdens het veldwerk is de putnummering van het puttenplan uit het PvE aangehouden.

Sint Andriesklooster Brielle 27

70240

70250

70260

S7 S21

Legenda kuil stortlaag muur natuurlijke verstoring paalkuil puinlaag poer trap vloer

S18

S7 S16

S20 S11

S13

S19

434660

S13

S10

434660

S12

S7

S15 S5 S6 S14

S1

S9

N

S8

S12

S2 S3

S4 70240

Figuur 4.3

Overzicht van de sporen in put 2, met spoornummers (S.1.1 t/m -21).

Figuur 4.4

10m 434650

434650

0

Overzicht vanuit het westen op de grote muur van het kloostergebouw. Let ook op de koude bouwnaad van S2.1.3, rechts van het midden.

70250

70260

28

Sint Andriesklooster Brielle

70240

Figuur 4.5

70250

434660

434660

Fasering van het kloostergebouw met spoornummers.

Put 2

N

Legenda

434650

0

70240

5m

434650

fase 1 fase 1b fase 2

70250

De vroegste fasering (fase 1a) bestaat uit een zwaar gefundeerd gebouw met een lengte van in ieder geval 13 m (S2.1.7, oranje bakstenen met wit-grijze mortel, baksteenformaat 20,5 x 9,5 x 5 cm, 10-lagen maat: 59 cm) (Figuur 4.3 en 4.5). De breedte van het gebouw is niet duidelijk omdat in de proefsleuf slechts een deel is aangesneden. De muurwerken zijn in ieder geval ongeveer 4 m breed. De conservering van de muurwerken is uitzonderlijk goed te noemen. In het profiel was goed te zien dat het opgaand muurwerk ruim 1 m hoog was. De onderkant van het muurwerk heeft tien versnijdingen, waarbij elke keerlaag vertrapt ligt. Hierdoor ontstaat een brede fundering waar de zware muren op staan. De muren zijn bijna 60 cm breed, de funderingen ongeveer 1 m. Uitgaande van de dikte zijn dit dragende muren geweest met daarop een gewelf (zoals op Figuur 3.9 ). Het gaat waarschijnlijk om de kelder van het klooster. De bakstenen liggen kop-strek afgewisseld. Uit historische bronnen is bekend dat de kelder dienst heeft gedaan als waterkelder, mogelijk is dit deel van het kloostergebouw daarom zo diep gefundeerd. De binnenzijde van het gebouw is opgedeeld in twee ruimten, gescheiden door een brede, dragende muur (S2.1.19). De vloer in de zuidwestelijke ruimte is bedekt met groene en gele tegels (afmetingen 22 x 22 x 2,5 cm, Figuur 4.6) die in een verspringend verband zijn gelegd (1/2-steens).

In de noordoostelijke ruimte liggen alleen gele tegels. De wanden van de kelders zijn afgesmeerd met een witte stuclaag. Dit wordt ook bevestigd door de oude foto van de kelder (Figuur 3.9). De kelder was via een trap toegankelijk die in de oosthoek werd aangetroffen (S2.1.16). De traptreden zijn deels bekleed met blauwgrijze natuurstenen plavuizen, maar ook recentere paarse, hard gebakken bakstenen. De trap behoort daarom tot een latere verbouwingsfase of is er later in zijn geheel ingezet.

Sint Andriesklooster Brielle 29 Figuur 4.6

De verschillend gekleurde tegels van de waterkelder.

Aan de buitenzijde van het gebouw zijn enkele poeren gevonden. De bakstenen hiervan lagen in een onregelmatig verband. De poeren zouden tot de vroegste fase kunnen horen, ware het niet dat ze ‘koud’ tegen de grote muurfundamenten. Mogelijk gaat het hier om een latere aanbouw; om die reden zijn ze tot fase 1b gerekend (Figuur 4.5). Tegen het gebouw zijn meerdere muren aangebouwd (koud verband). Deze behoren tot een latere fase (Figuur 4.5). De muurwerken zijn daarom alle tot fase 2 gerekend. Een meer gedetailleerde fasering is niet aan brengen, omdat de muren niet op elkaar aansluiten en het bouwwerk niet is gesloopt (voor diepgaander bouwhistorisch onderzoek). Het bouwwerk is namelijk gespaard met het oog op behoud of een toekomstige opgraving. De muur in het zuidwesten is vrij opvallend (S2.1.3, oranje-rode bakstenen met wit-grijze mortel, baksteenformaat 18 x 8,5 x 4 cm, 5-lagenmaat: 29 cm). Deze is veel minder diep gefundeerd dan het kloostergebouw (Figuur 4.4). Het opgaand muurwerk was nog ruim 40 cm hoog, de onderkant bevond zich op ca. 80 cm –mv. De fundering van deze muur bestaat uit baksteenpuin vermengd met mortel. Het zal daarom niet om een dragende muur gaan. Mogelijk gaat het om de ommuring van het kloosterterrein. De muur staat koud tegen een muurdeel van het kloostergebouw.

Deze zuidwestelijke muur ligt buiten de zwaar gefundeerde muurwerken van het kloostergebouw en is ook minder diep gefundeerd. Waarschijnlijk gaat het om een herbouwfase. Binnen het kloostergebouw is later een dunne muur gezet (S2.1.20), waardoor de kelder in drie ruimten werd onderverdeeld. De muur is op de eerder genoemde tegels gezet. Tegen het noordoostelijke deel staat een zware muur gebouwd (oranje-rode baksteen met wit-grijze mortel, baksteenformaat: 21 x 10 x 5 cm, 5-lagenmaat: 30 cm). De bakstenen zijn wat onregelmatig gemetseld, grofweg kop-kop-strek. De fundering van deze muur ligt enigszins los en is eerder gevleid neergelegd. De muur is duidelijk minder diep gefundeerd dan de vroegste fase, waardoor ongeveer 50 cm opgaand muurwerk is overgebleven. Er zijn slechts twee versnijdingen te zien die per drie lagen baksteen verspringen. Bovenaan heeft de muur een breedte van 50 cm, de fundering is 1 m breed. Omdat deze muur minder diep is gefundeerd, moet het gewicht op de muur ook kleiner zijn geweest.

30

Sint Andriesklooster Brielle Figuur 4.7

Resten van het Rikse straatje met muurresten.

In de westelijke putwand is verder de rand van een grote kuil aangesneden (S2.1.1). Vanwege de ligging van de kuil, grotendeels buiten de putwand, is deze niet verder onderzocht. Het kan om de insteek van een beerput of waterput gaan. Deze sleuf heeft zoals verwacht een deel van het kloostergebouw opgeleverd. De conservering is zeer goed te noemen. In de muurwerken zijn verschillende bouwfasen waargenomen. Op het kadastraal minuutplan van 1820 staat op deze locatie een groot gebouw afgebeeld (zie Figuur 2.2). De aangetoonde bouwfasen wijzen uit dat dit gebouw in verschillende stadia is gegroeid tot het voormalig kloostergebouw op de foto’s (zie Figuur 3.9).

Put 3 Deze put is gegraven om de hier verwachte resten van de kloostergebouwen en het Rikse straatje te onderzoeken. Dit straatje ging hier de hoek om, om vervolgens in noordelijke richting naar de Rik te lopen. Bij het uitgraven van de werkput is inderdaad een straat van gele IJsselsteentjes gevonden (S3.1.3, S3.1.5 en S3.1.6, baksteenformaat 15 x 7 x 4 cm, Figuur 4.7 en Figuur 4.9). Dergelijke steentjes worden pas gebruikt vanaf de tweede helft van de 16e eeuw. Naast de bestrating zijn resten van bebouwing gevonden (S3.1.4, baksteenformaat 18 x 8 x 4 cm). Onder de muur is het restant gevonden van een goot voorzien van plavuizen (S3.1.1). Opvallend genoeg loopt deze goot parallel aan de huidige riolering en kan het een voorganger zijn. De precieze fasering van dit deel is onduidelijk. Van het muurwerk en de goot is namelijk maar een klein deel aangesneden. In het noorden van de put bevond zich een vrij dikke muur van 70 cm die haaks door de put liep (S3.1.13, oranje rode baksteen met witgrijze mortel, baksteenformaat sterk wisselend, 5 lagen maat 30 cm, Figuur 4.8 en Figuur 4.9). Het opgaand muurwerk was ongeveer 1 m hoog maar de muur was duidelijk minder stevig gefundeerd dan de muren van het kloostergebouw. In plaats van het grote aantal versnijdingen bij de grote muren uit put 2 zijn hier vier versnijdingen zichtbaar.

Hierbij moet wel opgemerkt worden dat deze muur minder netjes gemetseld is en onderin toch een vrij brede fundering aanwezig is. De volledige breedte is niet duidelijk, de andere kant is niet

Sint Andriesklooster Brielle 31 Figuur 4.8

Zicht op de brede muur vanuit het noorden.

vrijgelegd vanwege de huidige bebouwing en wateroverlast. Voor deze muur heeft een jonger gebouw gestaan gemaakt van IJsselsteentjes (S3.1.11, baksteenformaat 16 x 7 x 4 cm). Aan de binnenzijde bevond zich een vloertje, eveneens gemaakt van IJsselsteentjes (S3.1.15, baksteenformaat 16 x 7 x 4 cm). In deze sleuf viel verder het grote aantal verstoringen op. Veel recente leidingen en rioleringen zijn op deze locatie gegraven, waardoor een vrij groot deel is verstoord. Dit was ook te zien aan de onderliggende kleibodem: deze bleek als gevolg van de graafwerkzaamheden blauw gekleurd. Door de recente graafwerkzaamheden is de conservering op deze locatie niet goed, maar redelijk te noemen.

Figuur 4.9

Overzicht van de sporen in put 3 met spoornummers. 70280

70290

Legenda

S13

bestrating goot muurinsteek puinlaag poer recent steenconcentratie

434700

434700

70270

S11

S14 S13

S15

S6

S7

S5

S2 S4

S12 N

Put 3

434690

434690

S8 S1 S1

S3

S10 0

10m

S9 70270

70280

70290

32

Sint Andriesklooster Brielle Figuur 4.10

Afvalkuilen in put 4.

In deze sleuf zijn resten van verschillende bouwfasen aanwezig. Op basis van de bakstenen en de mortel lijkt muur S3.1.13 de jongste fase te vertegenwoordigen. Een exacte datering is mogelijk. Zoals verwacht is een deel van het Rikse straatje gevonden; de verstoringen door latere graafwerkzaamheden zijn echter hoog. Op het kadastrale minuutplan van 1820 staat op deze locatie een gebouw weergegeven. Mogelijk gaat het om een ouder kloostergebouw en zijn hiervan delen aangesneden in put 3.

Middeleeuwse bebouwing langs het Rikse straatje Put 4 en 6 Deze twee putten zijn gegraven om mogelijke middeleeuwse bebouwing vast te stellen. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen resten van historische bebouwing gevonden. Ook oudere middeleeuwse sporen van (bij)gebouwen ontbreken. Wel is een groot aantal kuilen gevonden, voornamelijk in put 4 (Figuur 4.10 en Figuur 4.11). Uitgaande van de inhoud gaat het hier om afvalkuilen: ze bevatten verschillende vondstcategorieën, waaronder aardewerk, bot, steen en bouwmateriaal. Verreweg het grootste deel van het aardewerk is afkomstig uit deze kuilen en ook enkele grote leistenen dakpannen waren in de kuilen aanwezig. Op grond van het aardewerk is het afval in deze kuilen tussen 1375 en 1450 te plaatsen (zie §4.3.1). De stratigrafische samenhang van de kuilen en de lagen is lastig te bepalen. De kuilen hebben eenzelfde donkere opvulling als S5010. Waarschijnlijk worden de kuilen door deze laag doorsneden. De diepte van de kuilen varieert sterk van 5 cm tot 50 cm.

Sint Andriesklooster Brielle 33

70260

70270

70280

70290

S17

434750

434750

Put 4

S1

S16

S12

S15

S2 S14 S13

Put 6 S10 S11

434740

434740

S3

S5

S4

S9 S8

S7

434730

434730

S6

Legenda N

S5

greppel kuil recent

S4 S2 S3

0

70260

Figuur 4.11

Overzicht van de sporen in put 4 en 6 met spoornummers.

10m

70270

70280

70290

34

Sint Andriesklooster Brielle

70200

70210

70220

Legenda

S1

S5

S4

S3 434720

434720

stortlaag muurinsteek muuruitbraak paalkuil poer vloer

S2 S3

S4

S6

Put 1 S8

N

Put 5

S5

S6

S5

0

S7 434710

434710

S5 10m

70200

70210

70220

Figuur 4.12 Naast deze kuilen zijn in putten 4 en 6 nog sporen van enkele sloten gevonden. In ieder geval één sloot (in het noorden) is weergegeven op het kadastrale minuutplan van 1820 (S4.1.17 ,Figuur 4.11). Het gaat om de zuidelijke perceleringssloot van Het Huis van de Twee Getuigen (zie Figuur 2.2). Resten van het Huis van de Twee Getuigen zelf zijn niet gevonden, afgezien van het slooppuin van de oostelijke, recente aanbouw (zie Figuur 2.1). Het gehele huis is in 2011 verwoest door brand, waarna het terrein is gesaneerd. Dit laatste was goed zichtbaar in de profielen ter hoogte van de voormalige aanbouw in het noorden van proefsleuf 4: de wanden bestonden geheel uit los puin. Het terrein was ter plekke dusdanig gesaneerd dat geen archeologische resten meer aanwezig zijn. Onduidelijk is of de rest van het Huis ook op deze destructieve wijze is aangepakt.

Middeleeuwse bewoning langs de Rik Put 1 en 5 De putten 1 en 5 zijn aangelegd om vast te stellen of middeleeuwse bebouwing langs De Rik aanwezig zijn. Hier zijn inderdaad middeleeuwse resten gevonden, maar het is niet helemaal duidelijk om wat voor soort structuren het gaat, gezien de beperkte omvang van de proefsleuven (Figuur 4.13). De aangetroffen muurwerken liggen in ieder geval parallel aan De Rik. Ze bevinden zich op ongeveer 40 cm onder de bouwvoor. De conservering van de muurwerken is wisselend en minder goed te noemen dan bij de muren in put 2. In een enkel geval was alleen een uitbraaksleuf zichtbaar (S5.1.2 en S5.1.3). Omdat de aansluiting van de uitbraaksleuf op de muurwerken niet geheel duidelijk werd tijdens het veldwerk, is besloten om een kleine uitbreiding te graven in het noorden van put 5. Hierbij bleek de uitbraaksleuf aan te sluiten op een muur in put 1 (S1.1.6). Desondanks zijn ook enkele muurdelen bewaard gebleven (S1.1.1, S1.1.6 en S5.1.4). Van S5.1.4 was bijvoorbeeld nog 60 cm opgaand muurwerk intact. Enkele muren hebben tegen elkaar gestaan zoals S1.1.6, S5.1.2, S5.1.3 en S1.1.1.

Overzicht van sporen in put 1 en 5 met spoornummers.

Sint Andriesklooster Brielle 35 Figuur 4.13

Overzicht muurresten in put 5 en daarachter put 1.

De muurwerken bestonden alle uit oranje bakstenen. De mortel was geel van kleur en zachter dan de wit-grijze mortel uit put 2. Op basis hiervan dateren deze muurwerken mogelijk vroeger dan het kloostergebouw in put 2. Ook het baksteenformaat wijkt af en is iets groter, ca. 24 x 13 x 6 cm, hoewel ook uitschieters aanwezig zijn van 28 cm. Een 10-lagen maat was niet te nemen, de 5-lagen maat bedroeg ca. 40 cm. De bakstenen zijn over het algemeen kop-strek gemetseld. Aanwijzingen voor een vroegere datering dan het klooster, bijvoorbeeld op basis van aardewerk is er niet. In dit deel zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek geen andere vondsten gedaan. In put 5 zijn ook restanten van een vloer of bestrating, bestaande uit losliggende bakstenen, en enkele paalkuilen gevonden. Dit deel van het proefsleuvenonderzoek heeft enkele opmerkelijke sporen opgeleverd. Op basis van de mortel lijken deze muurwerken vroeger te dateren dan de muurwerken van het klooster. Ook de baksteenformaten zijn groter, maar dit is niet per se een indicatie voor een vroegere datering. Op de kaart van Van Deventer staan op deze locatie langs de Rik enkele huizen getekend (Figuur 3.7) Op het kadastrale minuutplan van 1820 staan deze niet meer weergegeven; de bebouwing was toen al gesloopt.

Overzicht datering Baksteenformaten worden in bouwhistorische beschrijving vaak gebruikt als dateringsindicatoren. De formaten van bakstenen worden in de loop der tijd inderdaad kleiner. Dit is echter een geleidelijk proces en daarom dient men bij baksteendateringen met het volgende rekening te houden:

36

Sint Andriesklooster Brielle

-

baksteen worden lokaal geproduceerd, waardoor afmeting regionaal verschillen;

-

bakstenen kunnen uit andere productiecentra zijn aangevoerd. In Haarlem werd bijvoorbeeld gebruikt gemaakt van bakstenen uit Leiden;

-

in dezelfde periode komen verschillende baksteenformaten voor;

-

bakstenen werden hergebruikt.

Met deze kanttekening in het achterhoofd wordt nu toch geprobeerd om de vindplaats aan de hand van de baksteenformaten te dateren. Het vondstmateriaal is namelijk als complex bekeken: dit geeft een veel nauwkeurige datering. Het merendeel van het vondstmateriaal is zelfs te herleiden tot enkele contexten: put 2 en de afvalkuilen in put 4. De andere putten hebben minder materiaal opgeleverd. Grofweg komen in Brielle-De Rik de volgende baksteenformaten voor:19 -

14e eeuwse bakstenen: ca 28 x 12 x 8 cm, de 14e-eeuwse stadsmuur bestaat uit bakstenen met een formaat van 28 x 13 x 6 cm.20

-

15e eeuwse bakstenen: ca 24/22 x 10 x 5/6 cm

-

16e/17e eeuwse bakstenen: ca 19/18 x 9/8 x 4 cm

-

18e/19e eeuwse bakstenen: ca. 15 x 8/7 x 4 cm.

Deze dateringsmethode is echter wel bij benadering; een scherpere datering is dan ook niet te geven. Voor het kloostergebouw geldt een datering in de 15e eeuw, hoewel een late 14e-eeuwse of begin 16e-eeuwse ouderdom niet is uit te sluiten. De muurwerken die hier tegenaan zijn gezet, dateren ook uit de 15e eeuw of later (16e/17e eeuw). De muurwerken in put 5 waren voorzien van grotere bakstenen. Deze dateren mogelijk ook uit de 15e eeuw of eerder. Het aardewerkcomplex kan beter inzicht geven in de ingebruikname van het terrein (zie volgende paragraaf 4.3.2).

4.3 Specialistische onderzoeken 4.3.1 Aardewerk M.A. Goddijn

Hoeveelheden en baksels Bij de determinatie van het aardewerk zijn alle scherven (N=86) bekeken: ze behoren tot minimaal 29 exemplaren. Het grootste deel van het aardewerk bestaat uit roodbakkend aardewerk (77 scherven, 21 MAE) (Figuur 4.14). Dit aardewerk komt al voor vanaf de 13e eeuw en wordt tot in de 19e eeuw geproduceerd. Aanvankelijk wordt beperkt gebruik gemaakt van glazuur op het aardewerk: glazuur was vrij duur. Vanaf het midden van de 15e eeuw wordt de binnenzijde volledig geglazuurd. Vanaf het eind van de 16e eeuw is ook de buitenzijde volledig geglazuurd.21 De fragmenten roodbakkend aardewerk van de vindplaats Brielle de Rik zijn vrijwel alle spaarzaam geglazuurd. Dit plaatst het aardewerk grofweg kort vóór het midden van de 15e eeuw of eerder. Enkele vormen bevatten meer glazuur en vooral een dikker glazuur dan andere. Dit heeft ook te maken met de kwaliteit van het aardewerk. Meer en dikker glazuur betekende dat een vorm beter was schoon te maken of waterdicht was; maar hierdoor was de prijs ook hoger. 19 Don 1992. 20 Mededeling A.A. van der Houwen. 21 Bartels 1999, 107.

Sint Andriesklooster Brielle 37 Figuur 4.14

Een selectie van het aangetroffen middeleeuws aardewerk.

Een andere indicatie voor een datering kort vóór het midden van de 15e eeuw of vroeger is het uiterlijk van het aardewerk. Het vroege roodbakkende aardewerk bestaat grotendeels uit felle oranjegekleurde vormen. In de loop der tijd werden het aardewerk donkerder geproduceerd. Het felle aardewerk uit Brielle De Rik dateert ongeveer uit de 13e tot 15e eeuw. Ongeveer de helft van de scherven is fel oranje. Een enkel fragment is op basis van de kleur van het glazuur (geel) duidelijk in de 15e eeuw te plaatsen (v.8.4). Behalve roodbakkend aardewerk zijn ook drie fragmenten grijsbakkend aardewerk gevonden. Het gaat om drie worstoren van verschillende potten of kannen. Dit aardewerk is op dezelfde manier geproduceerd als het roodbakkend aardewerk. Het enige verschil is dat het reducerend gebakken is, waardoor het grijs kleurt. Dit bakproces heeft als voordeel dat de vorm beter waterdicht is. Doordat steeds meer glazuur wordt gebruikt, verdwijnt deze aardewerksoort vrij snel. In Utrecht en Dordrecht komt dit aardewerk na 1400 niet meer voor.22 Mogelijk verdwijnt dit aardewerk in Brielle ook rond die periode of zelfs iets eerder. Daarom is het grijsbakkend aardewerk een zeer goede indicator voor de vroegste datering van deze vindplaats. Het aardewerk is nog wel aanwezig, maar in zeer kleine hoeveelheden. De begindatering van de vindplaats ligt daarom vóór het einde van de 14e eeuw.

Het steengoed beslaat slechts een klein deel van het aardewerkcomplex. Het gaat om enkele bodemfragmenten van drinkbekers en kannen. Deze kleine hoeveelheid is vrij normaal op vindplaatsen in West-Nederland. Steengoed wordt geproduceerd in Duitsland en wordt in de regio geïmporteerd. Roodbakkend en grijsbakkend aardewerk wordt lokaal in de grote steden geproduceerd en is daarom beter verkrijgbaar; dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Oost-Nederland. Het steengoed heeft eenzelfde 14e- en 15e-eeuwse datering als het overige materiaal. In totaal zijn slechts twee fragmenten witbakkend aardewerk gevonden, waarvan één van een industriële geproduceerde variant (v. 18 uit S2.1.3, zie Figuur 4.3). Het andere fragment is afkomstig van een grape (kookpot) met eenzelfde 14e- of 15e-eeuwse ouderdom.

22 Mondelinge mededeling dr. R. van Oosten, aardewerkspecialisten middeleeuwen-Nieuwe tijd van de Faculteit der Archeologie (Universiteit Leiden).

38

Sint Andriesklooster Brielle

Datering van het aardewerkcomplex Afgezien van het industriële fragment is het aardewerk in de 14e en 15e eeuw te dateren. Omdat het grijsbakkend aardewerk in zeer geringe hoeveelheden aanwezig is, ligt de datering voor het eind van de 14e eeuw, tussen 1375 en 1400. Deze datering is ongeveer 200 jaar ouder dan bekend uit historische bronnen. Omdat vrij veel fel oranje gekleurde scherven aanwezig zijn en vrijwel al het roodbakkend aardewerk spaarzaam geglazuurd is, ligt de einddatering voor het midden van de 15e eeuw. De datering zou redelijk goed aansluiten bij de mogelijke stichting van het klooster in 1403. Hierbij moet opgemerkt worden dat het aardewerk voornamelijk in de afvalkuilen is gevonden. Het is niet zeker of deze daadwerkelijk tot het klooster behoren.

Conservering Bij aardewerk is het vrij lastig om de mate van conservering te bepalen. Over het algemeen geldt: hoe groter de fragmenten, des te beter de conservering. Nieuwe analyses geven een betere indicatie, zoals onderzoek naar het gemiddelde gewicht per scherf. Zo geldt over het algemeen dat een gemiddelde van 40 gr per scherf een indicatie is voor een goede conservering.23 In het geval van Brielle de Rik komt het

gemiddelde uit op 47 gram per scherf. De conservering is dus zeer goed. 4.3.2 Steen S. Knippenberg

Inleiding Slechts een gering aantal natuursteen is tijdens het archeologisch onderzoek aangetroffen (Figuur 4.15). Het gaat om vijf vondsten, verdeeld over vier vondstnummers.

Leisteen Vier van de vijf vondsten bestaan uit fragmenten van dakbedekkingsplaten, vervaardigd van leisteen. Deze platen komen uit afvalkuilen in put 4, die op grond van het aardewerk tussen 1375 en 1450 dateren (zie Figuur 4.10 en Figuur 4.11). Onder het leisteen zijn twee variëteiten te onderscheiden. Drie stukken zijn van een grijsgroene lei met een zijdeachtig uiterlijk. In de fijnkorrelige matrix zijn dunne parallel georiënteerde donkergroene insluitsels en minuscule glimmers te herkennen. Het vierde fragment, afkomstig uit kuil S4.1, bestaat uit een donkere blauwgrijze lei met grote hoeveelheden minuscule glimmers. Beide leien verschillen van de veel voorkomende donkergrijze tot donkerpaarse lei. De grijsgroene lei komt vaker voor en staat ook wel bekend onder de naam ‘Maasdekking’, vanwege zijn herkomst uit het Maasgebied in België, Luxemburg en Noord-Frankrijk.24 Ook de donkere blauwgrijze lei komt in dit gebied voor. Alleen een petrografische analyse kan een goede herkomstbepaling mogelijk maken; leien van verschillende bronnen kunnen namelijk in uiterlijke kenmerken op elkaar lijken. De drie grijsgroene stukken hebben waarschijnlijk onderdeel uitgemaakt van rechthoekige dakbedekkingplaten. Kuil S4.4 heeft een bijna compleet exemplaar opgeleverd. Daarvan kan met zekerheid gesteld worden dat de breedte 17,0 cm en dikte 0,6 cm bedraagt. De plaat was minstens 33 cm lang.

Een ander exemplaar uit 23 Van Oosten 2013. 24 Janse 1986; Kars 2001.

Sint Andriesklooster Brielle 39 Figuur 4.15

Een selectie van het aangetroffen steenmateriaal.

deze kuil had vermoedelijk precies dezelfde maatvoering, gezien de identieke breedte en dikte. Het gaat om vrij grote rechthoekige platen die men veel tegen komt onder deze leivariant.25 Het derde fragment was vrij klein. Aan de kopse kant zijn de platen schuin afgewerkt. Op één van de exemplaren bevinden zich twee rechthoekige aanhechtingsgaten (0,7 x 0,4 cm) op een van de helften van de plaat Het complete stuk bezit nog meer gaten, sterk variërend in vorm en locatie wat kan duiden op hergebruik (Figuur 4.15). Het fragment van de blauwgrijze variant is te klein om iets over de oorspronkelijke vorm te kunnen zeggen. Wel is duidelijk dat de platen van dit materiaal iets dunner waren: 0,5 cm in plaats van 0,6 cm.

Gneiss Naast deze platen van lei heeft een greppel (S6.4) in put 6 een zeer opmerkelijk stuk natuursteen opgeleverd, gemaakt van een licht metamorfe glimmer gneiss (zie Figuur 4.15). De steen bezit een duidelijk oriëntatie van mineralen, typerend voor metamorfe gesteentes. Sterke laminatie, kenmerkend voor mineralen die zich in mono-kristallijne banderingen hebben gehergroepeerd, ontbreekt echter. Dit laatste is gebruikelijk bij gneissen. Zo lopen er ook enkele kwartsaders door de steen met een duidelijk andere oriëntatie. Gneiss is een veel voorkomend gesteente onder de zwerfstenen die tijdens de voorlaatste ijstijd met het gletsjerijs uit Noord-Duitsland en Scandinavië zijn aangevoerd en binnen het gebied ten noorden van en op de stuwwallen in Nederland zijn achtergelaten.26 Daar vond men dan ook plaatsen waar dit secundaire

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12798690/1