CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

06 (bijlage 13) Bijlage 11 - Veldonderzoeken ecologie

Commissie Ruimte 8 juni 2023, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam.13.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Tot dit beschermingsregime horen o.a. alle vleermuissoorten, de bever, otter, noordse woelmuis, verschillende amfibiesoorten waaronder rugstreeppad en kamsalamander.  Vogelrichtlijnsoorten: Alle vogels zijn in Nederland gelijk beschermd. Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling ook geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien.

Bu js Eco Consult B.V., adviseurs ecologie

19

BIJLAGE 9D

Basisrapport vliegbewegingen vogels Windpark Haringvlietdam Gebiedsgebruik, flux en vlieghoogte van selectie van vogelsoorten

Status uitgave: concept Rapportnummer:

21 060

Projectnummer:

21 0114

Datum u tgave:

30 maart 2021

Project e der: Tweede ezer: Naam en adres opdrachtgever:

dverde Adv es B.V. W emsp e n 2 4 5211AK 's Hertogenbosch

Referent e opdrachtgever:

Orderbon nr./contractnr./br efnr./dd mmm 201x

Akkoord voor u tgave: Team e der Voge eco og e Paraaf:

Graag c teren a s: , 2021. Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam. Geb edsgebru k, ux en v eghoogte van se ect e van voge soorten. Rapport 21.060. Bureau Waardenburg, Cu emborg. Trefwoorden: V eghoogte, v egroutes, Natura 2000 geb eden, w ndpark Bureau Waardenburg bv s n et aansprake jk voor gevo gschade, a smede voor schade we ke voortv oe t u t toepass ngen van de resu taten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Waardenburg bv. Opdrachtgever h erboven aangegeven vr jwaart Bureau Waardenburg bv voor aanspraken van derden n verband met deze toepass ng. © Bureau Waardenburg bv / dVerde Adv es bv D t rapport s vervaard gd op verzoek van opdrachtgever en s z jn e gendom. N ets u t d t rapport mag worden vervee voud gd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokop e, d g ta e kop e of op we ke andere w jze dan ook, zonder voorafgaande schr fte jke toestemm ng van de opdrachtgever h erboven aangegeven en Bureau Waardenburg bv, noch mag het zonder een derge jke toestemm ng worden gebru kt voor en g ander werk dan waarvoor het s vervaard gd. L d van de brancheveren g ng Netwerk Groene Bureaus. Het kwa te tsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg bv s gecert f ceerd door EIK Cert f cer ng overeenkomst g ISO 9001:2015. Bureau Waardenburg bv hanteert a s a gemene voorwaarden de DNR 2011, tenz j schr fte jk anders wordt overeengekomen.

Bureau Waardenburg, Varkensmarkt 9 4101 CK Cu emborg, 0345 51 27 10, nfo@buwa.n , www.buwa.n

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

2

Voorwoord idverde Advies B.V. (kortweg: idVerde) onderzoekt in opdracht van E-Connection de mogelijkheid voor het opschalen van het bestaande Windpark Haringvlietdam waarbij de bestaande zes windturbines worden vervangen door twee moderne windturbines. In het kader van de natuuronderzoeken heeft idVerde aan Bureau Waardenburg de opdracht verleend het aantal aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen in het huidige en toekomstige windpark te berekenen en beoordelen aan de natuurwetgeving. Voorliggend basisrapport zet voor vogels de belangrijkste informatie op een rij die de basis vormt voor de effectbepaling en -beoordeling. Vanuit Bureau Waardenburg is het project uitgevoerd door: Digitaliseren gegevens GIS bewerkingen en kaartmateriaal Projectleiding en rapportage Kwaliteitsborging Genoemde personen zijn door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door hen uitgevoerde werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Bureau Waardenburg. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg is ISO gecertificeerd. Vanuit idVerde wordt het project begeleid door de hem voor de prettige samenwerking.

. Wij danken

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

3

Inhoud Voorwoord

3

1

Inleiding

5

2

Materiaal en methoden

7

2.1

Databronnen

7

2.2

Veldwaarnemingen BEC

7

2.3

Aanvullende informatie

9

3

4

Soortbeschrijvingen

11

3.1

Aalscholver

11

3.2

Lepelaar

15

3.3

Ganzen

17

3.4

Bergeend

19

3.5

Middelste zaagbek

21

3.6

Overige eenden

22

3.7

Scholekster

24

3.8

Grote mantelmeeuw

26

3.9

Kleine mantelmeeuw

27

3.10 Zilvermeeuw

29

3.11 Stormmeeuw

33

3.12 Kokmeeuw

34

3.13 Grote stern

38

3.14 Visdief

41

3.15 Selectie van overige vogelsoorten

43

Slotwoord

48

Literatuur

49

Bijlage I

Vogeltellingen door BEC

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

51

4

1 Inleiding idverde Advies B.V. onderzoekt in opdracht van E-Connection de mogelijkheid voor het opschalen van het bestaande Windpark Haringvlietdam waarbij de bestaande zes windturbines (aan de noordwestzijde van de dam) worden vervangen door twee moderne windturbines (aan de noordoostzijde van de dam). idverde Advies bereidt nu een natuurtoets voor en een aanvraag van vergunning en ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het plangebied ligt in de gemeente Hellevoetsluis in de provincie Zuid-Holland (Figuur 1.1). De Haringvlietdam wordt in het broedseizoen dagelijks gepasseerd door grote aantallen meeuwen en sterns die vanuit de broedkolonies op de Scheelhoekeilanden en Slijkplaat in het Haringvliet uitwisselen met voedselgebieden in de Voordelta (Figuur 1.2). In 2018 en in 2020 is door Buijs Eco Consult (kortweg: BEC) veldonderzoek naar vliegbewegingen en gebiedsgebruik door vogels en vleermuizen uitgevoerd. In het kader van de onderbouwing van de Wnb-vergunning en -ontheffing, heeft idVerde Advies aan Bureau Waardenburg de opdracht verleend het aantal aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen in het huidige en toekomstige windpark te berekenen en beoordelen. Hiertoe heeft Bureau Waardenburg allereerst de bestaande informatie over vogels in het plangebied op een rij gezet. Deze informatie wordt in voorliggende basisrapportage gepresenteerd.

Dit vormt input voor de effectbepaling en -beoordeling in de vervolgfase.

Figuur 1.1

Mogelijke posities van twee windturbines aan de noordoostzijde van de Haringvlietdam (Bron: idverde Advies B.V.). Op de foto zijn ook vier van de zes bestaande windturbines zichtbaar aan overkant van de weg op het buitentalud van de dam.

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

5

2 Materiaal en methoden 2.1

Databronnen Voor het berekenen van aantallen aanvaringsslachtoffers in een nieuw windpark is informatie nodig over o.a. het aanbod vogels per soort (flux) en de ruimtelijke en temporele verdeling van dit aanbod (waar bevinden zich belangrijke vliegroutes, wat is de hoogteverdeling en hoe verandert dit gedurende de dag?). Deze informatie is niet of slechts ten dele te herleiden uit bestaande vogeltelgegevens. In 2018 en 2020 zijn door BEC tweewekelijks of maandelijks gegevens verzameld van vliegbewegingen van vogels over het plangebied en de Haringvlietdam. Deze gegevens zijn voor 2018 gepresenteerd in een rapport (Buijs 2019). De waarnemingen bevatten informatie over vliegroutes en vlieghoogte van een groot aantal vogelsoorten. Deze informatie is door Bureau Waardenburg gedigitaliseerd en in een database omgezet en wordt voor een selectie van vogelsoorten (zie hieronder) in voorliggend basisrapport gepresenteerd. Naast de informatie van BEC uit 2018 en 2020 is ook de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd alsmede bestaande publicaties (zie referenties in de hoofdtekst) om de aanwezigheid en aantallen van vogels in de omgeving van het plangebied te beschrijven. Tenslotte is ook gebruik gemaakt van gegevens van een groot aantal gezenderde grote sterns die door Bureau Waardenburg in het kader van andere projecten zijn verzameld.

2.2

Veldwaarnemingen BEC Digitaliseren veldkaarten Door BEC is het plangebied twee keer per maand bezocht in de periode april 2018 t/m november 2018 en ongeveer maandelijks in de periode eind april 2020 t/m begin februari 2021 (Bijlage 1). Tijdens de bezoeken zijn door een ervaren vogelteller gedurende circa twee à drie uur alle zichtbare vliegbewegingen van vogels over het plangebied en over de Haringvlietdam1 per half uur periode gesommeerd op een kaart ingetekend, waarbij tevens informatie over de vlieghoogte is verzameld. Er is op wisselende momenten gedurende de dag geteld waarbij tijdens een achttal tellingen ook slaaptrek van vogels is meegenomen (Bijlage 1). Bureau Waardenburg heeft alle veldkaarten gedigitaliseerd en omgezet in een database waarin: - De vliegroutes zijn omgezet in pijlen: hiertoe is het plangebied en de gehele Haringvlietdam/sluizen ingedeeld in sectoren van 200 - 250 m en is per sector een pijl loodrecht op de Haringvlietdam getrokken (Figuur 2.1). Tevens zijn enkele pijlen toegevoegd die veelvoorkomende vliegroutes parallel aan of schuin over de dam/ sluizen beschrijven, zoals deze door BEC zijn waargenomen;

1

De waarnemer stond h erb j n het p angeb ed. D t betekent dat passages over het zu de jke dee van de Har ngv etdam moge jk z jn onderschat a s gevo g van detect ever es op derge jke afstand (>1,5 km).

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

7

-

-

-

-

Voor een selectie van soorten is per vliegbeweging de datum en tijd (interval in halve uren), het aantal exemplaren en de vlieghoogte in de database gekoppeld aan een pijl. De selectie van soorten wordt hieronder toegelicht; Alle in het veld op kaart vastgelegde vliegroutes van voornoemde selectie van soorten zijn toegekend aan een pijl die de vliegroute het best beschrijft; In de database is vervolgens een onderscheid gemaakt in passages gedurende het broedseizoen en buiten het broedseizoen, waarbij broedseizoen kortheidshalve voor de gehele selectie van soorten op april t/m augustus is gezet (in maart, wanneer aalscholver al nesten heeft, zijn door BEC geen waarnemingen verzameld); In de database is tevens een onderscheid gemaakt naar vliegroutes (lees: pijlen) over het plangebied (pijlen 1 t/m 8 en pijlen 17, 19 t/m 21 en 23) en buiten het plangebied (alle overige pijlen) (zie Figuur2.1); In de gegevens van BEC is geen vliegrichting aangegeven. Voor de berekening van het aantal slachtoffers in de vervolgstap met zogenoemde ‘Collision Rate Models’ is deze informatie ook niet nodig.

Figuur 2.1

Gehanteerde indeling met pijlen om de vliegroutes over het plangebied van Windpark Haringvlietdam en/of de Haringvlietsluizen te beschrijven. Naast een indeling van dertien pijlen om routes loodrecht over de dam/sluizen te beschrijven zijn ook tien pijlen gebruikt om veelvoorkomende vliegroutes parallel aan of schuin over de dam/ sluizen te beschrijven.

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

8

Soortenselectie Door BEC zijn van een groot aantal soorten vliegbewegingen genoteerd, inclusief soorten die tijdens de veldbezoeken in 2018 en 2020 slechts sporadisch over het plangebied of de Haringvlietsluizen vlogen, zoals vogels op seizoenstrek of toevallige passages van vogels die geen sterke binding hebben met het gebied in Figuur 2.1. Vanwege het gering aantal waargenomen vliegbewegingen is meer dan uiterst incidentele sterfte (ruim minder dan één slachtoffer per jaar in het gehele windpark) in het huidige en toekomstige windpark op voorhand uit te sluiten. Omdat het ook om landelijk algemene soorten (bijvoorbeeld zwarte kraai, spreeuw en lijsters) gaat, zijn effecten op de staat van instandhouding op voorhand uit te sluiten. Dergelijke soorten zijn niet opgenomen in de database en worden in voorliggende rapportage niet of hooguit kort besproken. Over het plangebied van Windpark Haringvlietdam zijn tijdens het veldonderzoek door BEC in 2018 en 2020 vooral veel vliegbewegingen vastgesteld van meeuwen en sterns die in het broedseizoen uitwisselen tussen de foerageergebieden in de Voordelta en kolonies in het Haringvliet (aangewezen als Natura 2000-gebied voor o.a. grote stern en visdief als broedvogel). Daarnaast zijn ook regelmatig passages van aalscholver en lepelaar, die o.a. broeden in Natura 2000-gebied Voornes Duin, over het plangebied waargenomen.

Voorliggende rapportage beperkt zich hoofdzakelijk tot de vogelsoorten (Tabel 2.1) waarvan tijdens het veldonderzoek in 2018 of 2020 in het relevante seizoen (broedseizoen en/of buiten broedseizoen) door BEC regelmatig passages over de Haringvietdam zijn waargenomen én die binding hebben met een of meerdere nabijgelegen Natura 2000-gebieden (bijvoorbeeld broedkolonies of slaapplaatsen in Voornes Duin of Haringvliet). Dit omvat overigens ook vogelsoorten waarvoor die gebieden niet zijn aangewezen als Natura 2000gebied, zoals kokmeeuw. Van de overige door BEC waargenomen soorten wordt in het kort de waarnemingen samengevat in zoverre dit soorten betreft waarvoor nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn aangewezen of die in het kader van de Wnb-ontheffingsaanvraag relevant kunnen zijn. Tenslotte, voor de vervolganalyse is het van belang om onderscheid te maken tussen broedvogels en niet-broedvogels, omdat de additionele sterfte in het windpark aan verschillende (deel)populaties dient te worden getoetst (bijvoorbeeld broedpopulatie in Voornes Duin, regionale/landelijke broedpopulatie en/of niet-broedpopulatie).

2.3

Aanvullende informatie Naast voornoemde veldgegevens van BEC is gebruik gemaakt van aanvullende gegevens verkregen uit de NDFF, uit rapportages van monitoringsgegevens van broedvogels en nietbroedvogels in de omgeving van het plangebied (Sovon.nl, Delta Milieu Projecten in serie) en van eigen onderzoek aan individueel gezenderde grote sterns in de omgeving van het Haringvliet.

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

9

Tabel 2.1

Selectie van vogelsoorten die in de database zijn opgenomen en die in voorliggend basisrapport worden beschreven. Tevens is aangegeven of van de soort vliegbewegingen binnen en/of buiten het broedseizoen zijn geanalyseerd.

Soort

Broedseizoen

Buiten broedseizoen

aa scho ver

X

X

epe aar

X

ganzen (brand-, grauwe -, ko gans)

X

bergeend

X

eenden (krakeend, eend spec.)

X

m dde ste zaagbek

X

scho ekster

X

grote mante meeuw

X

k e ne mante meeuw

X

z vermeeuw

X

X

stormmeeuw

X

X

kokmeeuw

X

X

grote stern

X

v sd ef

X

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

10

3 Soortbeschrijvingen 3.1

Aalscholver

3.1.1

Aalscholver in het broedseizoen Herkomst van aalscholvers in het plangebied De meeste aalscholvers die tijdens het broedseizoen bij de Haringvlietdam worden gezien, zullen afkomstig zijn uit één van de twee kolonies in het aangrenzende Natura 2000-gebied Voornes Duin. Hier broedt de aalscholver in het Breede Water en in het Quackjeswater. Andere kolonies in de Delta liggen op grotere afstand, o.a. aan de noordzijde van de Brouwersdam (Boele et al. 2021, Sovon 2018). De kolonie aalscholvers in het Breede Water vestigde zich in 1984. Het aantal paren nam snel toe tot een maximum in 1998 van 1.510 broedparen (van Rijn 2020). Sindsdien is het aantal paren in Voornes Duin afgenomen en nu ligt het aantal paren net boven de 1.000 (Tabel 3.1). Tabel 3.1

Overzicht van het aantal broedparen van de aalscholver in Natura 2000-gebied Voornes Duin 2014-2018 (Bron: Netwerk Ecologische Monitoring (SOVON RWS CBS provincies); www.sovon.nl).

Vogelsoort

2014

2015

2016

2017

2018

aa scho ver

1.199

1.131

1.417

1.217

1.144

Aalscholvers foerageren in het broedseizoen tot op 70 kilometer afstand van de kolonie (Van der Vliet et al. 2011). De aalscholvers van het Voornes Duin foerageren zowel in de Natura 2000-gebieden Voordelta en Haringvliet als in andere wateren in de omgeving (Dirksen et al. 1989). Onderzoek door Fijn et al. (2014, 2021) aan gezenderde aalscholvers uit de kolonie in het Breede Water laat zien dat deze aalscholvers voornamelijk gebruik maken van foerageergebieden in de Voordelta ten westen van de kolonie en ten noorden van de Tweede Maasvlakte, o.a. in de monding van de Nieuwe-Waterweg. In de dataset uit 2012 van 11 gezenderde aalscholvers komt slechts één track in de nabijheid van het plangebied (Figuur 3.1). Tijdens het veldonderzoek door BEC in 2018 en 2020 zijn daarentegen een groot aantal passages van aalscholvers over en in de omgeving van het plangebied vastgesteld. Dit betrof waarschijnlijk vooral aalscholvers uit de kolonie in het Quackjeswater op minder dan een kilometer van het plangebied.

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

11

Figuur 3.1

Kaart met 264 foerageertochten van 11 gezenderde aalscholvers uit het Breede Water in 2012. Links worden de tochten weergegeven rechts in welke gebieden de meeste GPS-punten liggen (Fijn et al. 2021).

Vliegbewegingen in het broedseizoen Tijdens veldwerk door BEC in het broedseizoen 2018 en 2020 zijn van 651 respectievelijk 596 aalscholvers (totaal 1.247) passages vastgelegd. De meeste vogels vlogen langs de noordzijde van de Haringvlietdam (62%) of langs de noordelijke oever van het Haringvliet (12%) en nauwelijks over de directe omgeving van de twee planlocaties (circa 5%) (Figuur 3.2). Vlieghoogte tijdens het broedseizoen Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is gebruik gemaakt van een selectie van vliegbewegingen die over of dicht langs het plangebied passeerden (zie hoofdstuk 2). De meeste aalscholvers vlogen in het broedseizoen laag over het water of over de dam, meestal op een hoogte van minder dan 40 m (Figuur 3.3). In beide jaren vonden weinig passages (circa 7%) op rotorhoogte (50 – 200 m) plaats.

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

12

3.1.2

Aalscholver buiten het broedseizoen Herkomst van aalscholvers in het plangebied Ook buiten het broedseizoen vormt de monding van het Haringvliet een regionaal belangrijk doortrek- en overwinteringsgebied voor aalscholvers. In de periode 2013-2015 verbleven hier gemiddeld 250-500 vogels (Sovon 2018). Een belangrijke slaapplaats, met een maximum van circa 2.250 exemplaren in de afgelopen vijf jaar, bevindt zich in het Quackjeswater in Voornes Duin. In dezelfde periode bevonden zich kleinere slaapplaatsen met enkele honderden exemplaren langs de zuidrand van Goeree-Overflakkee (Sovon.nl). Vliegbewegingen buiten het broedseizoen Tijdens veldwerk door BEC in 2018 en 2020 zijn in totaal van 1.405 aalscholvers buiten het broedseizoen passages vastgelegd. Figuur 3.4 laat de procentuele verdeling zien. Net als in het broedseizoen volgden de meeste vogels routes langs de noordzijde van de Haringvlietdam (74%) of langs de noordelijke oever van het Haringvliet (12%) en nauwelijks over de directe omgeving van de twee planlocaties (circa 3%).

Figuur 3.4

Procentuele verdeling van de vliegbewegingen van aalscholver buiten het broedseizoen 2018 en 2020 (n= 1.405 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Vlieghoogte buiten het broedseizoen De meeste aalscholvers vlogen ook buiten het broedseizoen laag over het water of over de dam, meestal op een hoogte van minder dan 40 m (Figuur 3.5). In beide jaren vonden weinig passages (circa 4%) op rotorhoogte (50 – 200 m) plaats.

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

14

Vliegbewegingen Tijdens veldwerk door BEC in het broedseizoen 2018 en 2020 zijn van 108 respectievelijk 63 lepelaars (totaal 171) passages vastgelegd. Figuur 3.6 laat de procentuele verdeling zien. De helft (50%) van de vliegbewegingen van lepelaars passeerde langs de noordoever van het Haringvliet, op honderden meters afstand van de twee geplande windturbines. Dit betreft o.a. vogels die foerageren op het Quackgors bij Hellevoetsluis en op de Slijkplaat in het Haringvliet (NDFF 2021). Een andere relatief veel gebruikte route (22% van de vliegbewegingen), vooral van vogels die foerageren op de Kwade Hoek of in de polders nabij Ouddorp op Goeree-Overflakkee, passeerde aan de noordkant van de dam over het water. Tenslotte zijn ook regelmatig passages (18% van de vliegbewegingen) over het zuidelijke deel van de Haringvlietdam gezien; mogelijk betrof dit vogels die uitwisselen tussen foerageergebieden op de Kwade Hoek en op de zuidelijke oever van het Haringvliet of vogels die tussen laatstgenoemde gebied en de kolonie pendelden. Over de directe omgeving van de twee planlocaties van de nieuwe windturbines zijn tijdens het veldonderzoek slechts drie vliegbewegingen (<2%) genoteerd, allen over of nabij de meest oostelijk geplande turbinelocatie (Figuur 3.6).

Figuur 3.6

Procentuele verdeling van de vliegbewegingen van lepelaar in 2018 en 2020 (n= 171 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

16

waarnemingen van brandganzen (n= 202 exemplaren), achttien waarnemingen van grauwe ganzen (n= 174) en éénmaal een passage van een groep van 72 kolganzen. Vliegbewegingen Tijdens veldwerk door BEC in 2018 en 2020 zijn in totaal van 448 ganzen passages vastgelegd. Figuur 3.8 laat de procentuele verdeling zien. In totaal 70% van de vliegbewegingen passeerde de directe omgeving van de twee planlocaties, het resterende deel betrof vooral passages over het zuidelijke deel van de Haringvlietdam.

Figuur 3.8

Procentuele verdeling van de vliegbewegingen van ganzen in 2018 en 2020 (n= 448 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Vlieghoogte Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is alleen gebruik gemaakt van een selectie van vliegbewegingen die over of dicht langs het plangebied passeerden (zie hoofdstuk 2). Ongeveer de helft van deze ganzen (53%) passeerden het plangebied op rotorhoogte (50 – 200 m, zie Figuur 3.9). De ganzen vlogen relatief hoog in vergelijking tot de meeste van de hier beschreven andere soorten. Ook buiten het plangebied (boven het Haringvliet) was dit patroon zichtbaar, oftewel boven water werd niet veel lager gevlogen. Mogelijk duidt dit op uitwisseling tussen verder uit elkaar gelegen gebieden.

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

18

3.5

Middelste zaagbek Herkomst van middelste zaagbek in het plangebied De omgeving van het plangebied is van geringe betekenis voor middelste zaagbek. Tijdens maandelijkse watervogeltellingen in het aangrenzende deel van het Haringvliet wordt de soort gemiddeld met hooguit enkele of een tiental exemplaren vastgesteld (NDFF 2021). De belangrijkste concentraties middelste zaagbekken in de noordelijke Delta bevinden zich in het Grevelingenmeer (Sovon 2018). Dichter bij het plangebied is de monding van het Haringvliet (inclusief de buitenhaven van Stellendam) van betekenis voor de soort. Hier kunnen in het winterhalfjaar enkele honderden middelste zaagbekken verblijven (Hoekstein et al. 2020). Middelste zaagbekken hebben een voorkeur voor getijdenwateren en zoute of brakke meren, in recente jaren is echter een toename zichtbaar in het zoete Haringvliet (Sovon 2018). Vliegbewegingen buiten het broedseizoen Door BEC zijn in 2018 en 2020 met name in het voorjaar en zomer middelste zaagbekken waargenomen. Mogelijk betrof dit in de maanden juni tot en met augustus exemplaren van de kleine broedpopulatie in het Haringvliet en/of overzomeraars. In totaal zijn van 44 middelste zaagbekken passages over de Haringvlietdam vastgelegd. Figuur 3.12 laat de procentuele verdeling zien (hierin zijn alle waarnemingen opgenomen).

Er zijn slechts vijf passages over het plangebied waargenomen, in groepjes van tussen twee en vijf exemplaren (gesommeerd in half uur perioden). Dit betreft 34% van de waargenomen vliegbewegingen van de middelste zaagbek over de Haringvlietdam.

Figuur 3.12

Procentuele verdeling van de vliegbewegingen van middelste zaagbek in 2018 en 2020 (n= 44 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

21

3.7

Scholekster Herkomst van scholekster in het plangebied In de monding van het Haringvliet verblijven in de nazomer, najaar en winter gemiddeld enkele duizenden tot vele duizenden scholeksters (Hoekstein et al. 2020). In het algemeen foerageert de soort hier in het intergetijdengebied in de monding van het Haringvliet, zoals op de Hinderplaat en Kwade Hoek en verblijft bij hoogwater vooral op hoogwatervluchtplaatsen op o.a. de Kwade Hoek, het werkeiland van de Haringvlietsluizen bij Stellendam of de Westplaat bij Oostvoorne. De omgeving van het plangebied is van relatief geringe betekenis voor de scholekster. Door BEC is wel enkele keren vastgesteld dat tijdens hoog water grotere groepen scholeksters (tot 300 exemplaren) in het plangebied zelf foerageren. Dit was uitsluitend tijdens of net na perioden met regenval, wanneer regenwormen beter beschikbaar zijn (Buijs 2019). Tijdens maandelijkse watervogeltellingen in het aangrenzende deel van het Haringvliet zijn gemiddeld hooguit enkele tientallen exemplaren vastgesteld op de noordoever van het Haringvliet (NDFF 2021). De waarnemingen van passages over de Haringvlietdam door BEC omvat vooral waarnemingen in het late voorjaar en zomer van kleine aantallen, mogelijk broedvogels uit de omgeving. In de winter 2020/2021 zijn wel enkele keren passages gezien van groepen scholeksters (maximaal 29 exemplaren in februari 2021).

Vliegbewegingen In totaal zijn van 180 scholeksters passages over de Haringvlietdam vastgelegd, waarvan 116 over het plangebied (65%, zie Figuur 3.16). Meer dan de helft hiervan betrof (gesommeerd over een half uur) 29, 10 en 29 exemplaren op 6 februari 2021. Alle andere waarnemingen betroffen individuen of kleine groepjes tot vijf exemplaren. Vlieghoogte Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is gebruik gemaakt van alle waargenomen vliegbewegingen van scholekster. De soort passeert de Haringvlietdam in voornamelijk op lage hoogte; slechts 16% vloog hierbij op rotorhoogte (50 – 200 m, zie Figuur 3.17).

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

24

3.8

Grote mantelmeeuw Herkomst van grote mantelmeeuw in het plangebied De grote mantelmeeuw is een zeer schaarse broedvogel in Nederland (60-70 broedparen, Sovon 2018), waarvan het merendeel in de Delta broedt. Ondanks waarnemingen in het broedseizoen, zal het merendeel van de waarnemingen om niet-broedvogels gaan. In de nazomer en winterhalfjaar verblijven vele tientallen tot enkele honderden in de monding van de Haringvliet (Sovon 2018). In het zoete deel van de Delta, inclusief het Haringvliet, is de soort veel schaarser. Vliegbewegingen In totaal zijn door BEC in 2018 en 2020 van 168 grote mantelmeeuwen passages over de Haringvlietdam vastgelegd. Het merendeel betrof losse individuen of kleine groepjes tot zes exemplaren. Figuur 3.18 laat de procentuele verdeling zien. Tweemaal is gesommeerd over een half uur een groter aantal waargenomen; 21 exemplaren in september 2018 respectievelijk 15 exemplaren in november 2018. Net als veel andere grote meeuwen (zie hieronder bij kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw) vlogen deze vogels allen op relatief lage hoogte en parallel de noordzijde de Haringvlietdam, mogelijk gebruikmakend van lokale stuwing van wind om zo zonder veel energieverlies de oversteek over het Haringvliet te maken en/of te foerageren bij de sluizen. In totaal circa 40% van de vliegbewegingen passeerde de directe omgeving van de twee planlocaties.

Figuur 3.18

Procentuele verdeling van de vliegbewegingen van grote mantelmeeuw in 2018 en 2020 (n= 168 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

26

Het ging in alle gevallen om losse individuen of kleine groepjes tot maximaal elf exemplaren (gesommeerd over een half uur). Net als hiervoor beschreven bij grote mantelmeeuw vlogen veel kleine mantelmeeuwen parallel aan de Haringvlietdam (meer aan de noordzijde dan aan de zuidzijde) op relatief lage hoogte. In totaal circa 25% van alle vliegbewegingen passeerde de directe omgeving van de twee planlocaties.

Figuur 3.20

Procentuele verdeling van de vliegbewegingen van kleine mantelmeeuw in het broedseizoen 2018 en 2020 (n= 234 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Vlieghoogte tijdens het broedseizoen Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is gebruik gemaakt van een selectie van vliegbewegingen die over of dicht langs het plangebied passeerden (zie hoofdstuk 2). Meer dan de helft van deze kleine mantelmeeuwen vlogen in het broedseizoen laag over het water of over de dam, meestal op een hoogte van minder dan 40 m (Figuur 3.21). In totaal 40% passeerde het plangebied op rotorhoogte (50 – 200 m).

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

28

Net als hiervoor beschreven bij de twee soorten mantelmeeuwen vlogen de meeste zilvermeeuwen parallel aan de Haringvlietdam (meer aan de noordzijde dan aan de zuidzijde) op relatief lage hoogte. Ongeveer 26% van alle vliegbewegingen passeerde de directe omgeving van de twee planlocaties.

Figuur 3.22

Procentuele verdeling van de vliegbewegingen van zilvermeeuw in het broedseizoen 2018 en 2020 (n= 778 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Vlieghoogte tijdens het broedseizoen Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is gebruik gemaakt van een selectie van vliegbewegingen die over of dicht langs het plangebied passeerden (zie hoofdstuk 2). Het merendeel van de zilvermeeuwen vloog in het broedseizoen laag over het water of over de dam, meestal op een hoogte van minder dan 40 m (Figuur 3.23). In totaal 21% passeerde het plangebied op rotorhoogte (50 – 200 m).

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

30

3.11

Stormmeeuw Herkomst van stormmeeuw in het plangebied In de broedtijd zijn door BEC lage aantallen stormmeeuwen waargenomen, in totaal slechts 11 exemplaren in juli en augustus 2018, tegenover 52 exemplaren in het najaar en in de winter van 2018 en 2020. De dichtstbijzijnde broedkolonies liggen op de Hompelvoet en de Slikken van Flakkee-Zuid in het Grevelingenmeer (96 respectievelijk 86 paren in 2019) en op de Maasvlakte (61 paar in 2019) (Lilipaly et al. 2020). In het voorjaar en zomer foerageren enkele honderden stormmeeuwen in de monding van de Haringvliet, vooral in de omgeving van de Hinderplaat en Westplaat. Later in het najaar nemen deze aantallen toe tot enkele duizenden in de winter en wordt ook meer op de Kwade Hoek en op de stranden bij de Kop van Goeree gefoerageerd. Bij de Haringvlietdam verblijven daarentegen in de gehele periode veel lagere aantallen stormmeeuwen, slechts enkele tientallen (Hoekstein et al. 2020). Vliegbewegingen Tijdens veldwerk door BEC in 2018 en 2020 zijn van 63 stormmeeuwen passages over de Haringvlietdam vastgelegd. Figuur 3.26 laat de procentuele verdeling zien, uitgesplitst naar broedseizoen en buiten broedseizoen. In het broedseizoen betrof het in alle gevallen losse individuen die vooral op lage hoogte de Haringvlietdam volgden en daarbij nauwelijks de planlocaties passeerden.

Buiten het broedseizoen, toen stormmeeuwen regelmatig in kleine groepjes samen vlogen (maximale half uur som betrof 7 exemplaren), laten de vliegbewegingen een heel ander patroon zien, dat niet overeenkomt met de vliegpatronen van de andere hiervoor beschreven meeuwensoorten. Het gaat om uitwisseling tussen het Haringvliet en de monding van het Haringvliet met passages loodrecht op de Haringvlietdam, waarbij relatief veel stormmeeuwen (77% van alle vliegbewegingen) het plangebied passeerden. Een belangrijk deel hiervan betrof slaaptrek van of naar slaapplaatsen in of oostelijk van het Haringvliet.

Figuur 3.26

Procentuele verdeling van de vliegbewegingen van stormmeeuw in 2018 en 2020. Links broedseizoen (n= 11 exemplaren) rechts buiten broedseizoen (n= 52 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

33

de Haringvlietdam gaan en slechts een beperkt aandeel (14%) over het noordelijke deel, inclusief het plangebied.

Figuur 3.28

Procentuele verdeling van de vliegbewegingen van kokmeeuw in het broedseizoen 2018 en 2020 (n= 11.555 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Vlieghoogte tijdens het broedseizoen Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is gebruik gemaakt van een selectie van vliegbewegingen die over of dicht langs het plangebied passeerden (zie hoofdstuk 2). Iets minder dan de helft (circa 42%) van de kokmeeuwen vloog in het broedseizoen op rotorhoogte (50 – 200 m) over het plangebied (Figuur 3.29).

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

35

3.13

Grote stern Herkomst van grote stern in het plangebied De grote stern broedt verspreid over het Deltagebied in slechts enkele grote kolonies die geregeld van plaats wisselen. Om die reden is voor de grote stern dan ook een regiodoel opgesteld: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor de populatie van het Deltagebied van ten minste 4.000 paren. Het aantal broedparen van de grote stern in het Deltagebied fluctueert in recente jaren rond de 5.500 paren na een toename in de tweede helft van de jaren negentig. In het noordelijk Deltagebied wordt sinds 2017, in tegenstelling tot voorgaande jaren, niet meer op het eiland Markenje in het Grevelingenmeer gebroed, maar op de Scheelhoekeilanden in het Haringvliet (2.583 paren in 2018, 2.864 paren in 2019 en 995 paren in 2020) en op de Slijkplaat (1.925 paren in 2020) (Lilipaly et al. 2020). Aan de hand van vliegtuigtellingen en onderzoek aan gezenderde grote sterns is vastgesteld dat de vogels tot ver buiten de kolonies foerageren (Fijn et al. 2017). Foerageerlocaties van gezenderde grote sterns van de kolonie op de Scheelhoek zijn in de Voordelta o.a.: De Verklikkerplaat, Bollen van de Ooster, het zeegebied ten noorden van Ouddorp en het gebied rond de Hinderplaat in de monding van het Haringvliet. De sterns foerageren ook buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied Voordelta, o.a.

ver op zee en (ver) ten noorden van de Tweede Maasvlakte (Figuur 3.32).

Figuur 3.32

Meerjarig cumulatief beeld van foerageergebieden grote stern gebaseerd op dichtheid GPS- punten van in totaal 154 foerageervluchten door 21 gezenderde grote sterns uit de broedkolonies in het Haringvliet op Scheelhoekeilanden (zwarte stip) en Slijkplaat (zwart kruis). Gegevens zijn afkomstig van grote sterns gezenderd op de Scheelhoekeilanden in 2012 2013 en 2015 en op Slijkplaat in 2014 (Bron: Fijn et a . 2017).

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

38

Uit onderzoek aan gezenderde grote sterns uit de kolonies op de Scheelhoekeilanden (en op het eiland de Slijkplaat in het Haringvliet in 2014) is gebleken dat broedende grote sterns van deze kolonies dagelijks in grote aantallen de Haringvlietdam passeren. Het merendeel van de foerageervluchten (91% van de vogels gezenderd op de Scheelhoekeilanden) vindt plaats over het zuidelijke deel van de Haringvlietdam, maar er vliegen ook grote sterns uit deze kolonie (9%) over het plangebied (Figuur 3.33).

Figuur 3.33

Cumulatief beeld van vliegroutes (tracks) van gezenderde grote sterns van en naar broedkolonies op Scheelhoekeilanden (oranje) en Slijkplaat (blauw). Op de Scheelhoekeilanden zijn grote sterns gezenderd in 2012 (n= 7) 2013 (n= 5) 2015 (n= 5) 2017 (n= 8) en 2020 (n= 27). Op de Slijkplaat alleen in 2014 (n= 8) (Bron: Bureau Waardenburg).

Vliegbewegingen Grote sterns zijn door BEC vrijwel uitsluitend tijdens het broedseizoen gezien met slechts twee waarnemingen buiten het de periode april – augustus, namelijk op 6 september 2018 (één exemplaar) en 2 september 2020 (179 exemplaren tijdens één uur waarnemen, vrijwel allen op zeer lage hoogte het plangebied passerend). Onderstaande bespreking beperkt Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

39

zich tot het broedseizoen, zodat voornoemde waarnemingen in september 2018 en 2020 buiten beschouwing zijn gelaten. Tijdens veldwerk door BEC in het broedseizoen 2018 en 2020 zijn van 10.247 respectievelijk 1.093 grote sterns passages vastgelegd. Figuur 3.34 laat de procentuele verdeling zien. Maar liefst 90% van alle door BEC in het broedseizoen waargenomen vliegbewegingen van grote sterns passeerde het zuidelijke deel van de Haringvlietdam. Slechts 6% passeerde de directe omgeving van de geplande windturbines. Dit komt, zoals hiervoor beschreven, zeer goed overeen met het patroon dat de gezenderde grote sterns lieten zien (Figuur 3.33).

Figuur 3.34

Procentuele verdeling van de vliegbewegingen van grote stern in het broedseizoen 2018 en 2020 (n= 11.340 exemplaren). Vliegroutes met minder dan 1% van alle vliegbewegingen zijn niet weergegeven.

Vlieghoogte tijdens het broedseizoen Voor het beschrijven van de vlieghoogte over het plangebied is gebruik gemaakt van een selectie van vliegbewegingen die over of dicht langs het plangebied passeerden (zie hoofdstuk 2). Ongeveer de helft van de grote sterns (46%) passeerden het plangebied op rotorhoogte (50 – 200 m). Over het zuidelijke deel van de Haringvlietdam vlogen de sterns daarentegen voornamelijk op (zeer) lage hoogte (72% onder de 50 m, Figuur 3.35), soms rakelings over het wegverkeer (Buijs 2019).

Bas srapport v egbeweg ngen voge s W ndpark Har ngv etdam

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12798416/1