06 (bijlage 1) windturbines A - Regels en toelichting bij het bestemmingsplan
Tekst van het document
Bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
Vastgesteld d.d. ………….
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
Inhoudsopgave
Toelichting
4
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Procedurele context 1.5 Samenvatting lokale normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid 1.6 Leeswijzer
5 5 5 5 6 7 8
Hoofdstuk 2 Beleid 2.1 Mondiaal en Europees beleid 2.2 Rijksbeleid 2.3 Provinciaal beleid 2.4 Gemeentelijk beleid 2.5 Conclusie
9 9 9 15 18 19
Hoofdstuk 3 Huidige situatie 3.1 Functionele structuur 3.2 Landschappelijke structuur
20 20 21
Hoofdstuk 4 Projectbeschrijving 4.1 Keuze opstelling windturbines 4.2 Beschrijving van het plan 4.3 Landschappelijk beeld
22 22 22 26
Hoofdstuk 5 Onderzoek 5.1 Uitgangspunten 5.2 Geluid 5.3 Slagschaduw 5.4 Veiligheid 5.5 Waterveiligheid 5.6 Natuur 5.7 Cultuurhistorie 5.8 Waterhuishouding 5.9 Recreatie en toerisme 5.10 Overige aspecten
34 34 40 48 53 59 61 82 83 86 87
Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving 6.1 Algemeen 6.2 Bestemmingsregels 6.3 Artikelsgewijze toelichting bestemmingsregeling
93 93 93 95
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid 7.1 Kostenverhaal 7.2 Planschade 7.3 Financiële uitvoerbaarheid
97 97 97 97
Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Inleiding 8.2 Procesparticipatie 8.3 (Financiële) participatie en compensatie 8.4 Conclusie
98 98 98 102 102
2
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Memo visualisaties
Bijlage 2
Technisch onderzoek lokale normen
Bijlage 3
Samenvatting technisch onderzoek lokale normen
Bijlage 4
Oplegnotitie technisch onderzoek lokale normen over Shamrock Inn
Bijlage 5
Motivering op te nemen lokale milieunormen in bestemmingsplan
Bijlage 6
Geluid- en slagschaduwonderzoek vergunningaanvraag
Bijlage 7
Externe veiligheidsanalyse
Bijlage 8
Second opinion onderzoeken naar geluid, slagschaduw en externe veiligheid
Bijlage 9
Waterveiligheidsstudie
Bijlage 10
Effecten op vogels en vleermuizen - Beoordeling Wnb
Bijlage 11
Veldonderzoeken ecologie
Bijlage 12
Toetsing soortenbescherming Wnb
Bijlage 13
Verslechteringstoets Wnb met AERIUS-berekening
Bijlage 14
Archeologisch advies
Bijlage 15
Onderzoek economisch effect op toerisme
Bijlage 16
Radarverstoringsonderzoek
Bijlage 17
VVGB Defensie
Bijlage 18
Windturbines en Gezondheid
Bijlage 19
Communicatie- en participatieplan
Bijlage 20
Antwoordnota vooroverleg en zienswijzen
Bijlage 21
Advies (deel 1) klankbordgroep lokale normen en concept ontwerpbestemmingsplan
Bijlage 22
Advies (deel 2) klankbordgroep lokale normen en ontwerpbestemmingsplan
Bijlage 23
Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam
Regels
103
127
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
128 128 133
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4
Bestemmingsregels Bedrijf - Windturbinepark Waterstaat - Waterkering
134 134 137
Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene aanduidingsregels Overige regels
138 138 139 141
Hoofdstuk 4 Artikel 8 Artikel 9
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
142 142 143
Gemeente Voorne aan Zee
3
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
Toelichting
4
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
E-Connection heeft het voornemen om twee nieuwe windturbines te realiseren op de Haringvlietdam in de gemeente Voorne aan Zee in opdracht van Windpark Haringvliet BV. De twee nieuwe windturbines vervangen de bestaande zes windturbines op de Haringvlietdam. De bestaande zes windturbines zijn gebouwd in 1997 en zijn inmiddels aan vervanging toe.
1.2
Ligging plangebied
De Haringvlietdam is gelegen in de provincie Zuid-Holland en ligt tussen de eilanden Voorne-Putten en Goeree-Overflakkee. Over de dam ligt de rijksweg N57. Figuur 1.1 Ligging plangebied
De bestaande zes windturbines staan aan de zeezijde, ten noorden van de N57. De twee nieuwe windturbines mogen in het kader van waterveiligheid niet aan deze 'buitenzijde' van de dam staan. Er is daarom gekozen om de nieuwe windturbines aan de 'binnenzijde' van de Haringvlietdam te realiseren, ten zuiden van de N57. Het plangebied kenmerkt zich als een open gebied waar ruimte is voor recreatie. Door het plangebied ligt een grotendeels onverharde weg. Ten noordwesten van het plangebied loopt de parallelweg Haringvlietweg en de Rijksweg N57. Ten zuidwesten en noordoosten van het plangebied is een parkeerterrein. Ten noordoosten en oosten van het plangebied zijn tevens twee restaurants gevestigd.
1.3
Geldend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Recreatie" van de voormalige gemeente Hellevoetsluis (vastgesteld 12 juni 2014).
Gemeente Voorne aan Zee
5
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) Ter plaatse van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Recreatie - Dagrecreatie'. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor dagrecreatie en dagrecreatieve voorzieningen. Bebouwing is binnen de bestemming slechts toegestaan ter plaatse van specifieke functieaanduidingen. Nabij het plangebied zijn een drietal locaties aangeduid met de functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie - strandpaviljoen'. Ter plaatse is een strandpaviljoen toegestaan in ten hoogste horecacategorie 1, 2 of 3 (bijvoorbeeld cafetaria, café of restaurant). Ook is er een locatie aangewezen tot 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie', hier is een gebouw ten behoeve van dagrecreatieve doeleinden toegestaan. Verder geldt voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Voor de 'Waarde Archeologie - 2' aangewezen gronden geldt een onderzoeksplicht indien de bodemingreep groter is dan 200 m2 en de verstoringsdiepte meer bedraagt dan 0,8 meter beneden het maaiveld. Ten slotte geldt voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Gronden met deze bestemming zijn primair bestemd voor bescherming en onderhoud van de aangewezen waterkering. Bebouwing en werkzaamheden zijn toelaatbaar indien is aangetoond dat er geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de waterkering.
Het realiseren van twee windturbines past niet binnen het geldende bestemmingsplan.
1.4
Procedurele context
Hieronder wordt ingegaan op de procedurele context voor dit plan en samenhang met de procedure van de milieueffectrapportage (m.e.r.). 1.4.1
Bestemmingsplan
Omdat het planvoornemen niet past in het geldende bestemmingsplan is een planologische procedure benodigd om het plan mogelijk te maken. Onderliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van twee windturbines met bijbehorende voorzieningen juridisch-planologisch mogelijk. 1.4.2
Relatie met de milieueffectrapportage
De bouw van een nieuw windturbinepark is aangewezen in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) dat een AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur) is bij de Wet milieubeheer (Wm) als categorie D22.2. Voor windparken met drie of meer, en minder dan tien, windturbines en met een gezamenlijk vermogen van minder dan 15 MW dient door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling (aanmeldingsnotitie) onderbouwd te worden of er al dan niet een formele m.e.r.-(beoordeling) doorlopen dient te worden voor de omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag dient hier vervolgens een besluit over te nemen. Aangezien onderhavig project bestaat uit slechts twee windturbines is er geen sprake van een activiteit als bedoeld in het Besluit m.e.r. en is er geen m.e.r.-beoordeling nodig. Deze is dan ook niet opgesteld. 1.4.3
Bevoegd gezag
Primair is de gemeenteraad op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevoegd gezag voor het vaststellen van een bestemmingsplan. Voor een windpark met een omvang tussen de 5 en 100 MW zijn Provinciale Staten op basis van artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 (Ew 1998) bevoegd gezag voor het vaststellen van een inpassingsplan en het verlenen van de omgevingsvergunning. Artikel 9e lid van de Elektriciteitswet bepaalt: "Provinciale staten zijn bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen." Artikel 9f, Lid 6, sub a bepaalt vervolgens dat Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat het eerste niet van toepassing is op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, indien: "in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de desbetreffende productie-installatie, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van het eerste lid de besluitvorming in betekende mate zal versnellen of dat daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden".
6
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben bij besluit van 18 december 2019 de bevoegdheid te beslissen over windprojecten uit de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) overgedragen aan de gemeente waar het windpark wordt voorzien. De gemeente Hellevoetsluis/Voorne aan Zee treedt dus op als bevoegd gezag.
1.5 Samenvatting lokale normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid Het bevoegd gezag heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak van 30 juni 2021 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (zie paragraaf 5.1.2) besloten lokale milieunormen vast te stellen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid voor windturbines Haringvlietdam. De omgeving is hier ook in betrokken (zie paragraaf 8.2). De vast te stellen normen zijn opgenomen in de planregels van dit bestemmingsplan en zijn het toetsingskader voor windturbines Haringvliet voor de aspecten geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Paragraaf 5.1.3 geeft de motivering van de in dit bestemmingsplan opgenomen lokale milieunormen. Inmiddels is op 12 april 2023 de einduitspraak over windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding gedaan door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.1 De Afdeling heeft geconstateerd dat voor windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding sprake is van voldoende gemotiveerde onderbouwing van de eigen (lokale) milieunormen voor het windpark. Hieronder worden de normen in samenvatting gegeven per milieuaspect zoals deze in Bijlage 5, en in wat beknopter in paragraaf 5.1.3, zijn gemotiveerd. In de paragrafen 5.2, 5.3 en 5.4 wordt vervolgens het onderzoek weergegeven met toetsing aan deze lokale normen.
De gekozen normen zijn grotendeels juridisch-planologisch geborgd in de planregels. Hieronder is ook aangegeven waar borging plaatsvindt. Geluid De jaargemiddelde geluidnorm is maximaal 45 dB Lden op de gevel van geluidgevoelige objecten (allen woningen) en Lnight 39 dB, dit is vastgelegd in de planregels. Aanvullend is de berekende maximaal optredende geluidbelasting (immissiewaarde) op enkele toetspunten van geluidgevoelige objecten (allen woningen) in de planregels vastgelegd. De jaargemiddelde geluidbelasting Lden op de gevel van de volgende adressen mag niet hoger zijn dan: adres gevoelig object (woning)
immissienorm Lden (dB)
Duinweg 21, Hellevoetsluis
42
Duinweg 13, Hellevoetsluis
41
Duinweg 9, Hellevoetsluis
43
Duinweg 10, Hellevoetsluis
40
Duinweg 1, Hellevoetsluis
41
Op de voorgaande twee bepalingen is, als vastgelegd in de planregels, het 'Reken- en meetvoorschrift windturbines' (Bijlage 4 bij de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) van toepassing, zoals dit luidde ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Ter controle van de opgegeven (geluids)waarden door de fabrikant en ter voorkoming van het ontstaan van hinder door als gevolg van tonaal geluid, laagfrequent geluid en piekgeluid moet binnen 6 maanden na oprichting van de windturbines door de vergunninghouder door middel van een bronsterktemeting worden beoordeeld of het bronvermogen van de geplaatste windturbines overeenkomt met de door de fabrikant verstrekte gegevens. Voor uitvoering van de bronsterktemeting wordt de standaard meetmethode als bedoeld in Hoofdstuk 2 van het Rekenen meetvoorschrift windturbines toegepast. Rapportage hierover aan het bevoegd gezag moet uiterlijk 2 maanden na uitvoering van de meting plaatsvinden. Dit wordt allemaal vastgelegd in een (of meerdere) voorschrift(en) in de omgevingsvergunning. Slagschaduw en lichtschittering De slagschaduwduur op ramen binnen de gevel van slagschaduwgevoelige objecten, gelegen binnen 12 maal de rotordiameter van het middelpunt van een windturbine, mag niet meer bedragen dan 6 uur per jaar, en;
Gemeente Voorne aan Zee
7
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
de slagschaduwduur op de gevel van strandpaviljoen Boelies en de gevel van strandpaviljoen Shamrock Inn, mag niet meer bedragen dan 30 minuten per jaar, voor zover deze slagschaduw optreedt gedurende de periode vanaf 1 mei tot en met 15 september tussen 11.00 uur en 22.00 uur, uitgezonderd eventuele dagen dat een strandpaviljoen gesloten is. De windturbines moeten voorzien zijn van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien een slagschaduwduur optreedt die groter is dan de norm toelaat. Ten behoeve van het voorkomen of beperken van lichtschittering moeten de windturbines voorzien zijn van niet reflecterende materialen of coatinglagen op betreffende relevante onderdelen. Deze bepalingen zijn allen vastgelegd in de planregels. Veiligheid Het plaatsgebonden risico voor een kwetsbaar object, veroorzaakt door een of meer windturbines van windproject Haringvlietdam, is niet groter dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico voor een beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een of meer windturbines van windproject Haringvlietdam, is niet groter dan 10-5 per jaar. Plaatsing en in werking hebben van windturbines is alleen toegestaan indien zij voldoen aan de veiligheidseisen opgenomen in NEN-EN-IEC 61400-1.
Een windturbine moet ten minste eenmaal per kalenderjaar worden beoordeeld op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige op het gebied van windturbines. Een windturbine moet door de exploitant onmiddellijk buiten bedrijf worden gesteld en het bevoegd gezag daaromtrent worden geïnformeerd indien wordt geconstateerd of indien het redelijk vermoeden bestaat dat een onderdeel of onderdelen van de windturbine een gebrek bezitten, waardoor de veiligheid voor de omgeving in het geding is. De windturbine wordt eerst weer in bedrijf genomen nadat alle gebreken zijn hersteld. Een windturbine dient te worden voorzien van een ijsdetectiesysteem, tenzij de veiligheid ten aanzien van ijsafworp op andere wijze aantoonbaar geborgd kan worden. Deze bepalingen zijn allen vastgelegd in de planregels. De plaatsgebonden risicocontouren 10 -5 en 10-6 van de windturbines zijn ook vastgelegd op de verbeelding (plankaart).
1.6
Leeswijzer
Dit hoofdstuk geeft de inleiding tot het project. In Hoofdstuk 2 wordt het beleidskader geschetst. In Hoofdstuk 3 komt een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied aan de orde, Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het plan voor de windturbines. In Hoofdstuk 5 worden de resultaten van de onderzoeken behandeld. Hoofdstuk 6 geeft vervolgens een toelichting op het juridische plangedeelte. Ten slotte geeft Hoofdstuk 7 een toelichting op de financieel-economische uitvoerbaarheid en Hoofdstuk 8 op de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
8
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
Hoofdstuk 2
Beleid
Dit hoofdstuk beschrijft beleid en wet- en regelgeving specifiek op het gebied van duurzame (wind)energie en ruimtelijke ordening. Hierbij komen eveneens nut en noodzaak van windenergie aan de orde, waarbij de doelstellingen van Rijk, provincie en gemeente voor duurzame energie en windenergie zijn toegelicht.
2.1
Mondiaal en Europees beleid
2.1.1
Klimaatconferentie Parijs (2015) en Europese doelstelling
In december 2015 zijn (onder auspiciën van de Verenigde Naties) op de eenentwintigste klimaatconferentie in Parijs (COP21)2 195 landen akkoord gegaan met een nieuw klimaatverdrag dat de uitstoot van broeikasgassen moet terugdringen. De Europese Unie heeft dit verdrag ook medeondertekend. Het Europese doel voor 2020 is 20% van het totale energieverbruik duurzaam te realiseren, voor Nederland is dit vertaald in een doel van 14% in 2020. Dit is vastgelegd in de EU-richtlijn 2009/28/EG (2009)3. De Europese Commissie is bezig met de ontwikkeling van beleidsopties voor de periode na 2020. In juni 2011 presenteerde de EU de "Energieroutekaart 2050" 4 als doorkijk naar 2050 en de in tussentijd te nemen stappen om te komen tot een verdere verduurzaming van de energiemarkt en een verdere CO2-reductie (80-95%). De EU-landen hebben in 2014 overeenstemming5 bereikt met betrekking tot een nieuwe duurzame energie doelstelling. In 2030 moet tenminste 32% van het energieverbruik van de Europese Unie duurzaam zijn opgewekt. Deze doelstelling is onderdeel van de energie en klimaatdoelen van de EU voor 2030. Op 14 juni 2018 is er politieke overeenstemming6 bereikt waarin een bindende doelstelling ten aanzien van duurzame energieopwekking is vastgelegd.
2.2
Rijksbeleid
Het rijksbeleid voor duurzame energie, en specifiek voor windenergie, heeft zich in eerste instantie altijd gericht op doelen in 2020. Nu 2020 bereikt is, overigens zonder het halen van bijbehorend doel, komt vooral het doel voor 2030 in beeld. In deze paragraaf worden zowel de doelstellingen voor 2020, als die voor 2030 en daarna behandeld zoals deze chronologisch in tijd zijn gesteld. Want hoewel 2020 al bereikt is zijn de doelen voor 2020 en onderliggende beleidsstukken nog steeds van belang voor de horizon waar nu op gericht wordt. 2.2.1
Energieakkoord voor duurzame groei
De energiesector in Nederland is verantwoordelijk voor meer dan twintig procent van de uitstoot van broeikasgassen. De uitstoot van broeikasgassen als gevolg van de energiebehoefte kan worden beperkt door energiebesparing en door grootschalige inzet van duurzame energiebronnen. Een dergelijke omschakeling in de Nederlandse energievoorziening betekent een forse inspanning. Deze ambities sluiten aan bij in Europees verband geformuleerde doelstellingen waaraan de lidstaten zich gecommitteerd hebben. In 2013 hebben ruim veertig organisaties, waaronder de overheid, werkgevers, vakbeweging, natuuren milieuorganisaties, andere maatschappelijke organisaties en financiële instellingen zich verbonden aan het Energieakkoord voor duurzame groei (hierna: Energieakkoord, 2013) 7. Met het Energieakkoord komt een duurzame energievoorziening een stap dichterbij. In het Energieakkoord is vastgelegd dat in 2020 14% van alle energie duurzaam moet zijn opgewekt met een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023. Het doel van het akkoord is bovendien dat het nieuwe banen oplevert en een positief effect heeft op de energierekening van consumenten. In het akkoord zijn tien pijlers opgenomen die moeten leiden tot een duurzame energieopwekking. Het opschalen van hernieuwbare energieopwekking vormt één van deze pijlers.
Dit vraagt een intensieve inzet op verschillende bronnen van hernieuwbare opwekking, zoals wind op land. Bij wind op land wordt binnen de kaders die met provincies zijn afgesproken, geïnvesteerd om te komen tot 6.000 MW operationeel windenergievermogen in 2020. Voor de periode na 2020 wordt op termijn gezocht naar aanvullend potentieel voor wind op land.
Gemeente Voorne aan Zee
9
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
2.2.2
Energierapport 2016
Het Energierapport 2016 (2016) geeft aan dat Nederland voor de uitdaging staat om de uitstoot van broeikasgassen drastisch terug te brengen, waarbij in de 2e helft van de 21e eeuw, zoals afgesproken in het klimaatakkoord van Parijs (2015) er mondiaal een balans moet zijn tussen de uitstoot en vastlegging van broeikasgassen (ofwel klimaatneutraliteit). Het kabinet houdt dus onverkort vast aan de Europese afspraken voor 2020, 2030 en 2050 en aan de afspraken uit het Energieakkoord die samen met milieuorganisaties, bedrijfsleven en overheden zijn gesloten. Het Energierapport geeft daarom een integrale visie op de toekomstige energievoorziening van Nederland. Het kabinet stelt voor de transitie naar duurzame energie drie uitgangspunten centraal: 1. sturen op CO2-reductie; 2. verzilveren van de economische kansen die de energietransitie biedt; 3. integreren van energie in het ruimtelijk beleid. De Nederlandse energiehuishouding moet duurzamer en minder afhankelijk worden van eindige fossiele brandstoffen. Het kabinet wil onder meer de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met 80-95% terugdringen op Europees niveau. Ten slotte heeft de energietransitie alleen kans van slagen als vroegtijdig en zorgvuldig het gesprek wordt aangegaan met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties over de ruimtelijke inpassing van productie, opslag en transport van energie.
Zoveel als mogelijk moet gezamenlijk de afweging plaatsvinden tussen de bijdrage van een initiatief aan de energievoorziening en de overlast of risico's die dit voor omwonenden met zich meebrengt. Dit wordt de 'energiedialoog' genoemd. 2.2.3
Klimaat en Energieverkenning 2019
De eerste Klimaat en Energieverkenning8 heeft twee boodschappen. De eerste is dat er nog veel moet gebeuren om het kabinetsdoel van 49 procent reductie van broeikasgasemissies in 2030 ten opzichte van 1990 te halen. In 2018 had Nederland een reductie van iets minder dan 15 procent ten opzichte van 1990. In ruim 10 jaar moet er dus nog meer dan twee keer zoveel worden bereikt als in de afgelopen kleine 30 jaar. De tweede hoofdboodschap is dat het daadwerkelijk uitvoeren van beleid in de praktijk moeilijk is; de 2020- doelen voor broeikasgasreductie, besparing en hernieuwbare energie worden daardoor naar verwachting niet of waarschijnlijk niet gehaald. Hernieuwbare energie Het energieverbruik uit hernieuwbare bronnen in Nederland is gestegen van 140 petajoule in 2017 naar 157 petajoule in 2018. De relatieve stijging van 12,5 procent in één jaar zal volgens de raming na 2018 versnellen. In 2020 ligt het verbruik naar verwachting op 239 petajoule en in 2023 op 331 petajoule. Dat correspondeert met een gemiddelde relatieve stijging van 16 procent per jaar voor de jaren 2019 tot en met 2023. In 2020 zal het aandeel naar verwachting zijn gestegen naar 11,4 procent (tussen 10,4 procent - 12,1 procent), waarmee het Europese doel van 14 procent niet gehaald wordt. Het doel uit het Energieakkoord van 16 procent in 2023 wordt net gehaald.
De projectie ligt in deze verkenning op 16,1 procent (14,4 procent -17,0 procent)9. Windturbines Haringvlietdam dragen bij aan (een versnelling van) de groei van het aandeel hernieuwbare energie. Nieuwe monitor Wind op Land 2022 De niuewe Monitor Wind op Land 2022 (mei 2023) laat zien dat de doelstelling van 6.000 MW windenergie op land is gehaald. Dit is de doelstelling uit het verouderde Energieakkoord (2013). Deze is inmiddels vervangen door het Klimaatakkoord. De doelstelling van 6.000 MW is blijven staan. Deze moest eind 2023 gehaald zijn: eind 2022 is er in totaal 6.045 MW aan windvermogen op land. hiervan is 759 MW in 2022 gerealiseerd. met de projecten die nu in aanbouw zijn kan het totale windvermogen eind 2023 oplopen tot 6.880 MW. Volgende stap: doelstellingen Klimaatakkoord halen Het Klimaatakkoord verving in 2019 het Energieakkoord uit 2013. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat we in Nederland in 2030 op land minimaal 35 terrawattuur (TWh) aan duurzame elektriciteit opwekken met grootschalige zonne- en windenergieprojecten (zie paragraaf 2.2.4).
10
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
2.2.4
Nationaal Klimaatakkoord (2019)
Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn afgesproken heeft Nederland gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord, onder regie van het kabinet, maken bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden concrete afspraken over de maatregelen waarmee de CO2-uitstoot in Nederland gehalveerd kan worden. Verschillende sectoren denken mee over concrete plannen. De vijf sectortafels zijn: gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, mobiliteit en elektriciteit. Op 10 juli 2018 is het 'voorstellen voor hoofdlijnen' document gepresenteerd. In december 2018 is het ontwerp van het Klimaatakkoord gepresenteerd. De eerste maanden van 2019 rekende het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de afspraken door. De doorrekeningen van het ontwerp-Klimaatakkoord door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB) toonden aan dat de reductieopgave van 49% gehaald kan worden. Op 28 juni 2019 is het definitieve Klimaatakkoord door het Kabinet gepresenteerd aan de Tweede Kamer. Het centrale doel van het Klimaatakkoord is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met ten minste 49% in 2030 ten opzichte van 1990, de verschillende sectoren (zoals gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, elektriciteit, landbouw en landgebruik) hebben hier hun eigen taak en rol in om dit gezamenlijk te bereiken.
Aan de sectortafel 'elektriciteit' zijn afspraken geformuleerd die ertoe moeten leiden dat in 2030 meer dan 70% van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen komt. Een belangrijk doel is derhalve het vergroten van de productie van hernieuwbare energie. De omschakeling heeft impact op onze leefomgeving. Gemeenten en provincies hebben hierin met de aanpak van de Regionale Energie Strategieën (RES) een belangrijke rol. Daarbij steunt het kabinet de mogelijkheid voor bewoners om te kunnen participeren in lokale energieprojecten. De productie van hernieuwbare energie moet vervijfvoudigen. Concreet wordt hierbij gestreefd naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot 84 TWh (terawattuur). De productie wind op zee moet worden uitgebreid, maar ook de productie zon en wind op land. In de hoofdlijnen staat als doel beschreven dat in 2030 via windenergie en zonne-energie op land 35 TWh wordt gerealiseerd. Tevens wordt benadrukt dat de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk benut moet worden door meervoudig ruimtegebruik. Vraag en aanbod dienen zoveel mogelijk bij elkaar gebracht te worden. Ten slotte is gesteld dat het belangrijk is om te zoeken naar functiecombinaties en aan te sluiten bij specifieke kwaliteiten van het gebied.
De windturbines op de Haringvlietdam dragen bij aan de toename van de productie van duurzame energie in een functiecombinatie van blijvend recreatief grondgebruik en duurzame energieopwekking. 2.2.5
Klimaatwet en Klimaatplan (2019)
In de Klimaatwet zijn de Nederlandse klimaatdoelstellingen wettelijk vastgelegd. Op 27 juni 2018 presenteerden zeven fracties de Klimaatwet aan de Tweede Kamer. De Klimaatwet is op 1 september 2019 in werking getreden. In de Klimaatwet staan drie doelen: een vermindering van 49% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2030; een vermindering van 95% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2050; 100% broeikasgas-neutrale elektriciteit in 2050. Elke vijf jaar komt er een Klimaatplan waarin het klimaatbeleid wordt vastgesteld. Dit Klimaatplan past in de systematiek van de Integrale Nationale Energie-en Klimaatplannen die voor de EU moeten worden opgesteld en het Klimaatakkoord van Parijs. Het eerste Klimaatplan (Klimaatplan 2021-2030) is in april 2020 gepubliceerd10. Over de voortgang van het klimaatbeleid zoals opgenomen in het Klimaatplan zal jaarlijks in oktober worden gerapporteerd in de Klimaatnota. De eerste Klimaatnota is in oktober 2020 uitgebracht11.
Gemeente Voorne aan Zee
11
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
2.2.6
Windenergie ten opzichte van andere duurzame energiebronnen
Volgens het rijksbeleid12 zijn de belangrijkste vormen van hernieuwbare energie in Nederland windenergie, zonne-energie, bio-energie en aardwarmte. Een kleinere rol spelen waterkracht, omgevingswarmte (warmtepompen in woningen) en energie uit potentieel verschil zoet-zout (osmose-energie of 'blue energy'). Hoewel grijze energie uit fossiele energiebronnen in de komende decennia nodig blijft, zal hernieuwbare energie een steeds groter onderdeel gaan uitmaken van de energiemix. Drie duurzame energiebronnen leveren daarbij de belangrijkste bijdrage voor Nederland: bio-energie, wind op land en wind op zee. Geconcludeerd kan worden dat windenergie op land een belangrijk aandeel heeft in het behalen van de Europese taakstelling op het gebied van duurzame energie en CO2-reductie, maar dat deze taakstelling niet gehaald kan worden met windenergie alleen. Er is een energiemix nodig waarbij duurzame energie en windenergie in het bijzonder, een steeds belangrijker aandeel krijgt.
De realisatie van windenergie is interessant vanuit het oogpunt: van ruimtebeslag per vierkante meter: relatief weinig ruimtegebruik per geproduceerde eenheid energie; van het multifunctionele gebruik van de ruimte: het gebied kan bijvoorbeeld tevens gebruikt (blijven) worden als, in deze, recreatief gebied; vanuit het oogpunt van kostprijs13 14 Windenergie op land heeft een belangrijk aandeel in het behalen van de Europese taakstelling op het gebied van duurzame energie, naast bijvoorbeeld ook zonne-energie. De windturbines op de Haringvlietdam dragen ook bij aan de Europese taakstelling. 2.2.7
Regionale energiestrategieën (2020/2021)
De nationale doelen en afspraken vragen om regionaal maatwerk. Hoe passen hernieuwbare opwek, opslag en de infrastructuur voor warmte en elektriciteit in de leefomgeving van mensen en dieren? Zowel boven als onder de grond? Ruimte is schaars. De doelen zijn alleen te halen door samen te werken. Afspraken over bijvoorbeeld grote zonprojecten in de ene gemeente, hebben invloed op een buurgemeente. Ook op regionaal niveau hebben overheden, inwoners, bedrijfsleven, netbeheerders en maatschappelijke organisaties elkaars vakkennis, kunde of wettelijke bevoegdheden nodig. Daarom spraken de overheden in het Interbestuurlijke Programma (februari 2018) af een meerjarige programmatische nationale aanpak uit te werken met landsdekkende regionale energiestrategieën (RES). Daarvoor is Nederland verdeeld in 30 'energieregio's'. De gemeente Voorne aan Zee valt in de energieregio Rotterdam-Den Haag. Afgesproken is dat deze strategieën uiteindelijk ruimtelijk geborgd worden via het omgevingsbeleid van gemeenten, provincies en Rijk en via het beleid van de waterschappen. Elke energieregio geeft invulling aan de afspraken uit het Klimaatakkoord die zijn gemaakt aan de sectortafels voor Elektriciteit en Gebouwde omgeving. Samen met maatschappelijke partners, bedrijfsleven, overheden en inwoners wordt gekomen tot een regionaal gedragen RES.
Deze geeft inzicht in: mogelijkheden voor regionale opwek en besparing; die mogelijkheden vertaald naar keuzes in concrete plekken, projecten en planning; de afstemming omtrent warmtebronnen; de gevolgen voor de energie-infrastructuur; al gerealiseerde projecten en plannen. De RES is daarmee een instrument om de ruimtelijke inpassing van de energietransitie met maatschappelijke betrokkenheid te organiseren. De RES is ook een manier om langjarige samenwerking tussen alle regionale partijen te organiseren, onder andere bij de voorbereiding en de realisatie van projecten. Deze samenwerking tussen provincie, waterschappen, gemeenten, de netbeheerders, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgerinitiatieven, kan gezamenlijk gedragen keuzes bevorderen. Maar ook helpen bij het formuleren en vaststellen van omgevingsbeleid van gemeenten, provincies en Rijk, waarvoor de RES een bouwsteen is. In dat omgevingsbeleid vindt integrale besluitvorming over de fysieke leefomgeving plaats, op grond waarvan vergunningen kunnen worden verleend. Daarmee krijgen bedrijven en burgers meer zekerheid voor het doen van investeringen. Tenslotte is de RES een product. Het is een document waarin elke regio beschrijft welke energiedoelstellingen zij zal halen en op welke termijn. En welke aanpak/strategie de regio hanteert
12
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis om deze energiedoelstellingen te bepalen en te halen. Concept RES Rotterdam Den Haag De Concept RES voor Rotterdam Den Haag is in het voorjaar van 2020 aangeboden aan het Nationaal Programma RES. Op 1 juli 2021 wordt de RES 1.0 opgeleverd. In de Concept RES wordt voorop gesteld dat het opwekken van zonne- en/of windenergie moet passen in het landschap. Hierbij staat de draagkracht van het landschap centraal. Dat betekent dat windmolenparken en zonnevelden op zo’n manier moeten worden gesitueerd en vormgegeven dat de eigenheid en de kwaliteit van het landschap behouden blijven of zelfs versterkt worden. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op het aspect 'landschap'. 2.2.8
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op nationaal niveau is nieuw omgevingsbeleid geformuleerd in de vorm van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI is een structuurvisie onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel met het NOVI, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland op basis van de nieuwe Omgevingswet die er aan komt. Het gaat daarbij om het uitzetten van een koers om opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, in goede banen te leiden. Het streven is daarbij de kwaliteit van de leefomgeving te behouden en zoveel mogelijk te versterken.
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn 'nationale belangen'. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De Nationale omgevingsvisie (NOVI) richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De NOVI noemt duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit als een van de belangrijkste keuzes. Gesteld wordt dat er meer windturbines en meer zonnepanelen nodig zijn. Voor windturbines op land stelt de NOVI "De molens op land clusteren we zoveel mogelijk en passen we zo goed mogelijk in het landschap in. Bijvoorbeeld langs snelwegen. Hierbij zorgen we dat bewoners goed betrokken zijn en waar het kan meeprofiteren in de opbrengsten". Hernieuwbare energie op land In het Klimaatakkoord is afgesproken dat decentrale overheden via Regionale Energie Strategieën (RES'en) aan de lat staan om samen met partijen gebieden voor grootschalige elektriciteitsopwekking aan te wijzen. De RES'en dienen voor 35 TWh hernieuwbare elektriciteitsopwekking op land te voorzien in 2030.
In de Regionale Energie Strategieën (RES'en) zullen de volgende vier ruimtelijke principes in de regionale afweging worden meegenomen (Klimaatakkoord): Streef naar zuinig en (zoveel mogelijk) meervoudig ruimtegebruik; Breng vraag naar en aanbod van hernieuwbaar opgewekte elektriciteit zoveel mogelijk dicht bij elkaar; Combineer opgaven en ga als dat nodig is over tot uitruilen en herbestemmen; Sluit zo goed mogelijk aan bij gebiedsspecifieke ruimtelijke kwaliteit. Bij de keuze voor de locatie voor duurzame opwekking worden tevens de beschikbaarheid, bouwtijd en kosten van netcapaciteit meegewogen (Klimaatakkoord). De Structuurvisie Wind op Land (SWOL) uit 2014 had de doelstelling om zodanige voorwaarden te scheppen dat in 2020 een opwekkingsvermogen van ten minste 6000 megawatt (MW) aan windturbines operationeel is. Met provincies zijn er prestatieafspraken gemaakt over het behalen van de doelstelling van 6000 MW wind op land in 2020. Daarvoor zijn grootschalige windparken en ook
Gemeente Voorne aan Zee
13
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) kleinere windparken nodig. In zoverre de doelstelling niet tijdig wordt gerealiseerd, zal het restant van de opgave verdubbeld worden en meelopen in de Regionale Energie Strategieën (RES'en). Deze verdubbeling zal dan gerealiseerd worden in de periode 2021-2023. De verdubbeling boven de 6000 MW kan bestaan uit de opwekking van windenergie op land, maar mag ook deels met andere vormen van hernieuwbare energie gerealiseerd worden, mits deze additioneel zijn aan het beeld van de Nationale Energieverkenning. Het Programma Energiehoofdstructuur zal de SWOL uiteindelijk opvolgen. De definitieve NOVI met uitvoeringsagenda is op 11 september 2020 vastgesteld door de Ministerraad en naar de Tweede Kamer gestuurd. Uitvoeringsagenda Samen met de NOVI is een Uitvoeringsagenda uitgebracht. Daarin staat hoe uitwerking wordt gegeven aan de NOVI, welke inzet Rijk en regio nu al plegen en welke (gezamenlijke) acties de NOVI daaraan toevoegt. Naast de instrumenten van de Omgevingswet wordt daarbij ook een aantal nieuwe instrumenten ingezet. Ook starten er een aantal nieuwe (nationale) programma's. Voorbeelden hiervan zijn het Programma Energiehoofdstructuur (PES), Programma Gezonde Leefomgeving en Nationaal Programma Landelijk Gebied.
Ook staat beschreven hoe instrumenten zoals de Omgevingsagenda's, NOVI-gebieden en regionale verstedelijkingsstrategieën zorgen voor een doorvertaling van de NOVI naar een regionale aanpak. 2.2.9
Structuurvisie Windenergie op Land
De doelstelling van de Structuurvisie Windenergie op Land (SWOL, 2014) 15 is zodanig ruimtelijke voorwaarden te scheppen dat in 2020 een opwekkingsvermogen van ten minste 6.000 MW operationeel is. Daarvoor worden drie soorten beleid gepresenteerd: Visie: bundeling in gebieden die geschikt zijn voor grootschalige windenergie (windparken met een vermogen groter dan 100 MW) en daarmee andere gebieden vrijhouden van grootschalige windenergie. Bij het ruimtelijk ontwerp van windturbineprojecten aansluiten bij de hoofdkenmerken van het landschap. Aanwijzen van concrete gebieden die geschikt zijn voor grootschalige windturbineparken. Het kabinet zal initiatieven voor windturbineparken met een omvang van ten minste 100 MW toetsen aan deze gebieden. Taakverdeling tussen Rijk en provincies bij het ruimtelijk mogelijk maken van windenergie, en de prestatieafspraken die daarover met het Interprovinciaal Overleg (IPO) zijn gemaakt. Verder wordt ingegaan op beleidsonderwerpen die van groot belang zijn voor het slagen van de doelen voor windenergie, zoals de stimuleringsregeling SDE+ 16 en het landelijke elektriciteitsnet. Het kabinet heeft in de SWOL elf gebieden aangewezen waar grootschalige windturbineparken op land mogen komen. Om de doelstelling van 6.000 MW te halen is het noodzakelijk dat ook buiten deze gebieden ruimte wordt geboden voor kleinere windturbineparken.
Provincies kunnen daarvoor locaties aanwijzen of hebben dit reeds gedaan. Programma Energiehoofdstructuur Het Programma Energiehoofdstructuur zal de SWOL uiteindelijk opvolgen. Het Programma Energiehoofdstructuur is de juridisch-beleidsmatige opvolger van onder meer de structuurvisies Wind op Land. De term 'programma' komt voort uit de Omgevingswet. De ambitie van het Programma Energiehoofdstructuur is tijdig te zorgen voor voldoende ruimte voor de nationale energiehoofdstructuur, op basis van een integrale afweging met andere opgaven en belangen, binnen een (inter)nationale context en waarbij een goede leefomgevingskwaliteit randvoorwaarde is. Het programma heeft betrekking op ruimtelijk beleid op land en de grote wateren en hanteert als tijdshorizon 2030-2050. Het gaat dus over het gehele Nederlandse grondoppervlak, uitgezonderd de Noordzee. Het programma is nog in ontwikkeling.
14
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
2.2.10 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (voorganger NOVI) wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij moet de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling worden aangetoond. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen. Op basis van jurisprudentie17 is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op een windpark omdat dat niet wordt beschouwd als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 2.2.11 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 18 voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken.
Defensieradar Voor een aantal doelstellingen van het ruimtelijke beleid van het Rijk is een algemene regeling opgenomen in het Barro en de daarop gebaseerde Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). In het Barro is onder andere een regeling opgenomen om onaanvaardbare verstoring van de werking van radarposten voor Defensie-inrichtingen te voorkomen. In de Rarro is rondom de radar van Vliegbasis Woensdrecht de radar van Herwijnen een toetsingsgebied aangewezen met een straal van 75 kilometer waarbinnen de mogelijke radarverstoring door windturbines met een tiphoogte van meer dan 113 m +NAP moet worden onderzocht. De projectlocatie is gelegen binnen de toetsingsgebieden. De beoogde tiphoogte van de windturbines bedraagt meer dan 113 meter +NAP. Dat houdt in dat op grond van het Barro en de Rarro een toetsing voor wat betreft het onderwerp radarhinder moet plaatsvinden. Dit onderzoek wordt behandeld in paragraaf 5.10.1.
2.3
Provinciaal beleid
2.3.1
Omgevingsvisie en -verordening basis voor provinciaal beleid
Op 1 augustus 2020 is het omgevingsbeleid voor de provincie Zuid-Holland vastgelegd in de geconsolideerde Omgevingsvisie Zuid-Holland. Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot één Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten om een omgevingsvisie te maken. Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 1 augustus 2020 de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een omgevingsvisie en een omgevingsverordening. Omdat er onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. 2.3.2
Doelstelling voor windenergie
Alle provincies hebben op 31 januari 2013 een akkoord gesloten met het kabinet om ruimte te bieden aan 6.000 MW windenergie op land. De provincies garanderen ruimte voor 6.000 MW windenergie op land, te realiseren voor 2020. Provincies hebben gebieden aangewezen op basis van hun ruimtelijke mogelijkheden en beleid. Vooral de aanwezigheid en benutbaarheid van haven- en industriegebieden, grote wateren, grootschalige cultuurlandschappen en/of infrastructuur (waaronder waterstaatswerken) zijn voor individuele provincies daarbij doorslaggevend. De verdeling van de doelstelling over de provincies betekent voor de provincie Zuid-Holland een taakstellend vermogen van 735,5 MW. Er zijn geen nieuwe doelstellingen vastgesteld voor de periode na 2020.
Gemeente Voorne aan Zee
15
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
2.3.3
Aanwijzing locaties voor windenergie
Het windenergiebeleid van provincie Zuid-Holland is op 30 januari 2013 verankerd in de provinciale structuurvisie en de verordening ruimte (actualisering 2012). Daarmee hebben zij de basis gelegd voor het provinciaal ruimtelijk kader voor de realisatie van de Zuid-Hollandse windenergieopgave: vanuit ruimtelijke kwaliteit wordt gezocht naar een concentratie van windturbines op betekenisvolle plekken in het landschap. Indien mogelijk wordt daarbij aansluiting gezocht bij recent gebouwde bestaande opstellingen en worden windturbines zo geplaatst dat ook eventuele latere uitbreidingen landschappelijk inpasbaar zijn. De provincie heeft daarbij een voorkeur voor locaties die aansluiten bij grootschalige infrastructuur, grote bedrijventerreinen of op grote scheidslijnen tussen land en water. Figuur 2.1 Kaart partiële herziening Visie ruimte en mobiliteit 2014 (locatie Haringvlietdam is rood omcirkeld) [bron: provincie Zuid-Holland]
Voor het overgrote deel van de Zuid-Hollandse opgave van 735,5 MW sloot de provincie convenanten met gemeenten en andere partijen. Zo is er een overeenkomst voor 150 MW in de voormalige stadsregio Rotterdam, 300 MW in het Rotterdams havengebied en 225 MW op Goeree-Overflakkee. Eind 2013 bleek de opgave van 150 MW in de regio Rotterdam niet haalbaar te zijn met de oorspronkelijk aangewezen locaties in het convenant. De gemeenten en de provincie zijn gezamenlijk gaan zoeken naar mogelijkheden om de doelstelling te halen. Dat heeft geleid tot een nieuwe set locaties die ruimtelijk mogelijk worden gemaakt door ze op te nemen in de partiële herziening van de Visie ruimte en mobiliteit (VRM). In deze set zijn ook locaties opgenomen die al conform de vigerende VRM mogelijk zijn. Op 20 december 2017 is er een "Partiële wijziging Verordening ruimte 2014 inzake Windenergie" vastgesteld19 met de herziening van locaties ten einde de doelstellingen te kunnen halen. Ten behoeve van deze herziening is een plan-m.e.r. doorlopen. De locatie Haringvlietdam (locatie G) was al een aangewezen locatie voor windenergie en is opnieuw bekrachtigd in de herziening. De VRM is per 1 april 2019 door Provinciale Staten beleidsneutraal omgezet naar de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
De huidige provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland20 geeft in artikel 6.28 Windenergie aan (lid 1): "Een bestemmingsplan laat nieuwe windturbines alleen toe op gronden binnen de locaties voor windenergie, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 16 in Bijlage II". De locatie Haringvlietdam in de provinciale verordening op kaart 16 opgenomen als locatie voor windenergie, derhalve past ontwikkeling van de locatie in provinciaal beleid.
16
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
Figuur 2.2 Uitsnede kaart 16: Windenergie Omgevingsvisie Zuid-Holland voor locatie Haringvlietdam (in rood) [bron:www.ruimtelijkeplannen.nl]
2.3.4
Gebiedsgericht sturen op ruimtelijke kwaliteit
Gebiedsgericht sturen op ruimtelijke kwaliteit betekent voor de provincie richting en ruimte geven aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Het kwaliteitsbeleid gaat uit van ‘ja, mits’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheidt maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid, hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. In dat licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen: 1.
Inpassing. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap; 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet; 3. Transformatie; Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Doordat er al geruime tijd windturbines op de Haringvlietdam staan is het min of meer onderdeel geworden van het gebied. De windturbines onderstrepen de landschappelijke structuur. De ontwikkeling past daarom binnen het type ontwikkeling 'aanpassing'. Doordat de windturbines nu aan de andere kant van de dam komen te staan is een goede landschappelijke inpassing wel gewenst. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 4.2. Beschermingscategorieën De provincie heeft gebieden aangewezen met verschillende beschermingscategorieën. Het plangebied valt in de 'beschermingscategorie 2'. Dit zijn gebieden met een bijzondere kwaliteit. De provincie wil in deze gebieden een aantal specifieke waarden en gebieden in stand houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. Ruimtelijke
Gemeente Voorne aan Zee
17
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld) ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het instandhouden van de specifieke waarden. Het plangebied heeft kwaliteiten vanwege het openbare recreatiegebied. Het gebied levert een onmisbare bijdrage aan de leef- en vestigingskwaliteit in zowel het stedelijk als het landelijk gebied in de provincie. Het recreatiegebied blijft openbaar toegankelijk na realisatie van de windturbines. In paragraaf 5.9 wordt nader ingegaan op het aspect 'recreatie en toerisme'.
2.4
Gemeentelijk beleid
2.4.1
Structuurvisie Hellevoetsluis 2015+
De Structuurvisie Hellevoetsluis 2015+ geeft de visie en ambities met betrekking tot het gemeentelijk beleid weer. De structuurvisie gaat met name in op de onderwerpen wonen, werken, voorzieningen, landschap en verkeer. Ten aanzien van windenergie wordt benoemd dat het bestaande windmolenpark op de Haringvlietdam zal worden vervangen. 2.4.2
Routekaart Duurzaam Voorne-Putten 2040
De gezamenlijke gemeenten op Voorne-Putten hebben zich in de Routekaart Duurzaam Voorne-Putten 2040 uitgesproken om uiterlijk in 2040 energieneutraal zijn, om dit te bereiken wordt het naast energiebesparing ook ingezet op duurzame energiebronnen. Windenergie is een van die duurzame energiebronnen. De Haringvlietdam is aangewezen als voorbeeld voor een lopend project voor windenergie. 2.4.3
Leidraad windenergie Voorne-Putten
In de Leidraad windenergie Voorne-Putten staan de uitgangspunten en randvoorwaarden die de gezamenlijke gemeenten op Voorne-Putten hanteren bij het beoordelen van plannen met betrekking tot windenergie. Het biedt, naast het wettelijk kader, een afwegingskader dat wordt gehanteerd bij de beoordeling van aanvragen voor het plaatsen van de windturbines. Hoewel iedere gemeente in principe een zelfstandige bevoegdheid en verantwoordelijkheid heeft voor het realiseren van de eigen locatie(s) dienen deze individuele locaties uiteindelijk in samenhang te worden bezien ten aanzien van de totale inzet van Voorne-Putten. De locaties, die in aanmerking komen voor de realisatie van windturbines zijn, mede op basis van een bestuurlijk aanbod van de Voorne-Putten gemeenten opgenomen in de herziening van de Visie Ruimte en Mobiliteit van de provincie Zuid-Holland. Binnen het zoekgebied van de Haringvlietdam moet de voormalige gemeente Hellevoetsluis zorgen voor 12 MW aan windenergie. De gemeenten op Voorne-Putten vinden dat bij alle windprojecten invulling moet worden gegeven aan de volgende randvoorwaarden: participatie in het proces; financiële participatie; leefkwaliteit. Participatie in het proces Er wordt een sterk belang gehecht aan een rol voor omwonenden en omliggende bedrijven.
Het uitgangspunt van de gemeenten is dat de initiatiefnemer de omgeving en stakeholders zorgvuldig betrekken. Door de initiatiefnemer E-Connection is dit ingevuld door meerdere (digitale) informatiesessies te organiseren. Met de direct betrokken ondernemers op het Quackstrand hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden. Tevens zijn in de Windwerkgroep Haringvlietdam belanghebbende organisaties regelmatig geïnformeerd en geconsulteerd. Dit is verder toegelicht in paragraaf 8.2. Financiële participatie Vanuit het project zal een bijdrage aan een gebiedsfonds worden gegeven, waarbij wordt aangesloten bij de systematiek van de landelijke gedragscode van de windsector. De besteding van het gebiedsfonds wordt afgestemd met de directe omgeving van de windturbines, bijvoorbeeld met de ingestelde klankbordgroep. Daarnaast onderzoekt de initiatiefnemer of een vorm van financiële participatie mogelijk is.
18
Gemeente Voorne aan Zee
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis
Leefkwaliteit Hinder voor omwonenden dient zo veel mogelijk te worden beperkt. Er is met de twee windturbines op de Haringvlietdam gestreefd naar een optimale leefkwaliteit voor de omgeving en aansluiting bij het landschap. Er is onderzoek gedaan naar onder andere geluid, slagschaduw, veiligheid, natuur en recreatie. De onderzoeksresultaten zijn te vinden in Hoofdstuk 5. Door middel van maatwerk wordt hinder zo veel als mogelijk beperkt. Tijdens informatiebijeenkomsten zijn aspecten die effect kunnen hebben op de leefkwaliteit toegelicht. In het Communicatie- en participatieplan in Bijlage 19 is uitgewerkt wat is gedaan met betrekking tot het informeren van de omgeving. 2.4.4
Nota Ruimtelijke Kwaliteit
De voormalige gemeente Hellevoetsluis heeft het welstandsbeleid vastgelegd in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. In deze nota zijn de criteria genoemd op basis waarvan de welstandsbeoordeling plaatsvindt. De oorspronkelijke welstandsnota is opgesteld in 2010. In 2019 is deze nota technisch herzien. De nota gaat niet specifiek in op windturbines. In de nota Ruimtelijke Kwaliteit zijn algemene eisen opgenomen en gebiedsgerichte eisen ten aanzien van welstand. Voor de gebiedsgerichte eisen is de gemeente opgedeeld in verschillende deelgebieden. De Haringvlietdam valt onder het 'Buitengebied'. Voor het buitengebied geldt het regulier welstandsregiem (niveau 3). Dit houdt in dat er geen bijzondere eisen worden gesteld aan de ruimtelijke kwaliteit en er wordt dan ook geen expliciet beleid gevoerd. De algemene welstandscriteria liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling. De algemene welstandcriteria bestaan uit: duurzaamheid, architectonische uitstraling, verankering van het gebouw in zijn omgeving en kenmerken van de bebouwing. Op deze aspecten wordt nader ingegaan. Duurzaamheid Een windturbine is een typisch voorbeeld van een duurzaam bouwwerk. Het is zowel duurzaam in functie (opwekking van duurzame energie) als duurzaam in uiterlijk. Het bouwwerk blijft tientallen jaren staan waarbij het uiterlijk niet veranderd door de tijd.
Architectonische uitstraling Wat betreft architectonische uitstraling kent een windturbine een modern en eigentijdse uitstaling. De nieuwe turbines zijn moderner dan de bestaande turbines op de Haringvlietdam. Een windturbine is een seriematig geproduceerde installatie en is als zodanig een bijzonder bouwwerk. Het is niet locatiespecifiek ontworpen, in tegenstelling tot reguliere bouwwerken. Verankering van het gebouw in zijn omgeving De Haringvlietdam kent al sinds 1997 aanwezigheid van windturbines. De windturbines zijn onlosmakelijk verbonden met de Haringvlietdam en ook een logische aanwezigheid op deze locatie, die door veel mensen geassocieerd wordt met windrijke omstandigheden. De windturbines zijn gedurende de tijd verankerd in de omgeving en als zodanig passend. Daarbij is de Haringvlietdam, als onderdeel van de Deltawerken, ook in hoge mate een industrieel bouwwerk. Kenmerken van de bebouwing De twee windturbines krijgen dezelfde uiterlijke kenmerken. Het turbinetype wordt hetzelfde, evenals de afmetingen. De windturbines draaien dezelfde kant op. Het kleur- en materiaalgebruik is voor beide turbines hetzelfde.
2.5
Conclusie
Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis past in het rijksbeleid en provinciaal beleid. De locatie bevindt zich in een aangewezen windenergielocatie en opschaling van de huidige windturbines is aangegeven als mogelijkheid. De windturbines leveren daarnaast een proportionele bijdrage aan de duurzaamheidsambitie van de voormalige gemeente Hellevoetsluis.
Gemeente Voorne aan Zee
19
bestemmingsplan Windturbines Haringvlietdam Hellevoetsluis (vastgesteld)
Hoofdstuk 3 3.1
Huidige situatie
Functionele structuur
Recreatie en horeca Het plangebied en omgeving is aantrekkelijk voor dagrecreatie, zo zijn er grenzend aan de Haringvlietdam twee stranden: het zuidelijk deel van het strand van Rockanje en het Quackstrand bij Hellevoetsluis. Tussen de twee windturbines is een nieuwe botenaanlegsteiger gepland voor recreatief gebruik. Er is recreatieve ontwikkellocatie aangewezen ten oosten van de oostelijke windturbine. De exacte invulling van de ontwikkellocatie is nog onduidelijk. De omgeving van het plangebied wordt onder ander gebruikt voor dagrecreatie zoals wandelen en fietsen. Langs het Quackstrand loopt LF1 Noordzeeroute. Dit is één van de langeafstandsfietsroutes van Nederland. Ook lopen er diverse race-tourroutes in de omgeving van het plangebied. De fietspaden nabij het Quackstrand zijn onderdeel van het Zuid-Hollandse fietsknooppunten routenetwerk. Op het Quackstrand bevinden zich twee vaste strandpaviljoens, namelijk 'Boelies' op een afstand van 330 meter tot de dichtstbijzijnde windturbine en 'The Shamrock Inn'21 op een afstand van 570 meter tot de dichtstbijzijnde geplande windturbine. Verder bevindt zich op het Quackstrand de Catamaranvereniging Hellecat met een eigen clubgebouw.
Op grotere afstand tot het plangebied zijn een meerdere toeristische verblijfslocaties gelegen, waaronder: Molecaten Park Rondeweibos (Rockanje) op een afstand van circa 1.400 meter, EuroParcs Resort Poort van Zeeland op een afstand van circa 1.200 meter, Resort Citta Romana op een afstand van circa 1.800 meter, Camping 't Weergors op een afstand van circa 3.300 meter en Roompot Vakantiepark Cape Helius op een afstand van circa 4.200 meter, allen in de gemeente Voorne aan Zee. Wonen In de omgeving van het plangebied zijn meerdere woningen aanwezig. De dichtstbijzijnde woning is gelegen aan de Duinweg 9 op een afstand van circa 800 meter. Er zijn meerdere verspreid liggende woningen gelegen aan de Duinweg op een afstand van circa 890 meter tot 1.100 meter. Overige verspreid liggende woningen zijn op grotere afstand gelegen. De kern Rockanje ligt op ruim 2,5 kilometer en de kern Hellevoetsluis ligt op een afstand van ruim 3,5 kilometer. In de ruime omgeving van het plangebied (afstand circa twaalf maal de rotordiameter) liggen circa 200 woningen (zie ook Figuur 5.1). Bestaande windturbines In de ruime omgeving van het plangebied zijn meer windturbines aanwezig. Ten zuidoosten van het plangebied is in 2022 windpark Kroningswind gebouwd op ruim 4 kilometer afstand aan de overzijde van het Haringvliet.