Cohortplein_Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan - Toelichting -
Cohortplein Gemeente Voerendaal
Bestemmingsplan Cohortplein Gemeente Voerendaal
Onderdeel:
Toelichting
IDN-nummer:
NL.IMRO.0986.BPcohortplein-VG01
Projectnummer:
M230270
Status:
vastgesteld
Datum:
20 februari 2025
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding
5
Hoofdstuk 2 Plangebied
7
2.1 2.2 2.3 2.4
7 8 8 9
Ligging en begrenzing plangebied Bestaande situatie Beoogde planontwikkeling Ruimtelijk-visuele effecten
Hoofdstuk 3 Planologisch-juridische situatie
11
3.1
11
Bestemmingsplan 'Voerendaal - Kunrade'
Hoofdstuk 4 Beleid
13
4.1 4.2 4.3 4.4
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
13 15 20 23
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten
27
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
27 27 29 29 30
Bodem Geluid Milieuzonering Luchtkwaliteit Externe veiligheid
Hoofdstuk 6 Overige ruimtelijke aspecten
33
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
Archeologie Kabels en leidingen Verkeer en parkeren Waterhuishouding Natuurbescherming Duurzaamheid
33 34 35 35 37 38
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
39
7.1 7.2
39 40
Grondexploitatie Planschade
Hoofdstuk 8 Juridische aspecten
41
8.1 8.2 8.3 8.4
41 43 43 43
Algemene plansystematiek en juridische opbouw Vooroverleg Inspraak Formele procedure
bestemmingsplanCohortplein
3
Toelichting
4
bestemmingsplanCohortplein
Hoofdstuk 1
Inleiding
Gemeente Voerendaal is voornemens om de gronden ter plekke van de locatie Bautseplein ong., 6367 BW te Voerendaal, bekend als het Cohortplein, te kunnen laten gebruiken ten behoeve van woondoeleinden alsook het planologisch mogelijk maken van de bouw van één vrijstaande woning.
Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied
In fase 1 van het project 'Cohortplein' heeft de gemeente Voerendaal het merendeel van de ter plekke van het Cohortplein gelegen gronden verkocht aan de aanwonenden voor het gebruik ervan als tuin. Daarbij is één perceel over gebleven dat zal worden aangeboden in de vrije verkoop als bouwgrond ten behoeve van één vrijstaande woning. Ter plekke van onderhavige locatie aan het Bautseplein ong. te Voerendaal is het bestemmingsplan 'Voerendaal - Kunrade' van toepassing op grond waarvan de bestemming 'Groen' geldt. Binnen deze bestemming is het realiseren van woningbouw, alsook het gebruiken ten behoeve van woondoeleinden, niet mogelijk. Het bestemmingsplan biedt geen binnenplanse afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden om het gewenste gebruik en bebouwing alsnog te faciliteren. Ten behoeve van het voornemen dient een 'postzegelbestemmingsplan' te worden opgesteld, waarin de bestemming 'Woongebied' wordt toegekend. Voorliggend document voorziet in de toelichting op de bijbehorende regels en verbeelding voor de bestemmingsplanwijziging.
bestemmingsplanCohortplein
5
6
bestemmingsplanCohortplein
Hoofdstuk 2
Plangebied
In dit hoofdstuk worden het plangebied, de huidige situatie en het planvoornemen beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de ruimtelijke effecten van het planvoornemen.
2.1
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen aan het Bautseplein ong. te Voerendaal.
Luchtfoto met aanduiding plangebied
Kadastraal is onderhavig plangebied belend als gemeente Voerendaal - sectie F - nummers 3159, 3160, 3161, 3162, 3163, 3166 en 3167.
bestemmingsplanCohortplein
7
Kadastrale kaart met aanduiding plangebied
2.2
Bestaande situatie
Ter plekke van onderhavig plangebied was tot voor kort is sprake van een volledig verhard plein, genaamd het 'Cohortplein'. Het plein was toegankelijk vanuit het Bauteplein; vanuit het plein was een voetverbinding met de Eickhovenstraat aanwezig. Inmiddels is het terrein verkaveld en zijn de verkochte percelen bij de bestaande tuinen van omliggende woningen getrokken. Als gevolg van de verkaveling is de voetverbinding komen te vervallen. Perceelnummer 3167 is niet toegevoegd aan de tuinen van omliggende woningen en ligt momenteel braak. behoudens één braakliggend perceel.
2.3
Beoogde planontwikkeling
Bij besluit d.d. 12 mei 2022 heeft de gemeenteraad van Voerendaal besloten om het Cohortplein te onttrekken aan het openbaar verkeer in de zin van de Wegenwet. Aanleiding daartoe was het verzoek van omwonenden om het plein op te heffen en te herverkavelen met als doel de woningpercelen te vergroten. Na de herverkaveling resteert één perceel met een grootte van 376 m². Het idee is om dit perceel openbaar te verkopen ten behoeve van de bouw van één vrijstaande woning. In onderstaande figuur is een situatieschets opgenomen van het plangebied en de te realiseren nieuwe bouwkavel. De in groen ingetekende gronden zijn herverkaveld en verkocht aan de aanwonenden.
8
bestemmingsplanCohortplein
Situatieschets
Ter plekke van de te realiseren bouwkavel wordt het middels voorliggend bestemmingsplan planologisch-juridisch mogelijk gemaakt om omgevingsvergunning te verkrijgen voor de bouw van één vrijstaande woning. De woning mag uit maximaal één bouwlaag, afgedekt met een plat dak, bestaan. Het bouwvlak waarbinnen de woning dient te worden gesitueerd heeft een oppervlak van 110 m², en is op minimaal 3 meter uit de zijdelingse perceelsgrenzen vastgelegd. De voorgevel van de nieuwe woning dient in lijn te liggen met de aangrenzend gelegen gevellijn voor de woningen aan de Bautseplein 9 en 11. Met binnenplanse afwijking kan afgeweken worden van de voorgeschreven platte afdekking en een kap van minimaal 15 graden worden toegestaan.
2.4
Ruimtelijk-visuele effecten
Ieder ruimtelijk plan dat het mogelijk maakt om nieuwe bebouwing op te richten, gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. De aanvaardbaarheid van deze effecten dient te worden beschouwd. Als gevolg van voorliggende planontwikkeling wordt een momenteel volledig verhard plein heringericht. Daarbij wordt een deel toegevoegd aan de woonpercelen van aanwonenden, en daarbij ingericht als tuin. Voorts wordt de bouw van één nieuwe vrijstaande woning gefaciliteerd. Voorliggende planontwikkeling is geïniteerd vanuit het verzoek van omwonenden van het Cohortplein om het plein te herverkavelen. Van de functie als openbaar plein, en als doorsteek tussen de Bautseplein en Eickhovenstraat, wordt nauwelijks gebruik gemaakt. Het herinrichten van dit terrein ten behoeve van woondoeleinden, en het kunnen realiseren van één woning is vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt een passende ontwikkeling in deze primaire woonomgeving.
bestemmingsplanCohortplein
9
10
bestemmingsplanCohortplein
Hoofdstuk 3 3.1
Planologisch-juridische situatie
Bestemmingsplan 'Voerendaal - Kunrade'
Ter plekke van onderhavig plangebied is het bestemmingsplan 'Voerendaal - Kunrade' van kracht, vastgesteld door de gemeenteraad van Voerendaal op 1 oktober 2015. Op grond van dit bestemmingsplan is onderhavig plangebied bestemd als 'Groen'. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, inclusief speelvoorzieningen. Daarnaast gelden op de locatie de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en de gebiedsaanduiding 'milieuzone - bodembeschermingsgebied'.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan met aanduiding plangebied
Het in gebruik nemen en bebouwen van de gronden ten behoeve van wonen is niet in overeenstemming met de ter plaatse geldende bestemming 'Groen'. In het geldende bestemmingsplan zijn geen binnenplanse afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen om dergelijk gebruik en bebouwing alsnog mogelijk te maken. Voorliggende planontwikkeling is enkel mogelijk middels het doorlopen van een separate bestemmingsplanprocedure.
bestemmingsplanCohortplein
11
12
bestemmingsplanCohortplein
Hoofdstuk 4
Beleid
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor de beschrijving van het provinciale beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI), en de Omgevingsverordening Limburg (OvL). Het gemeentelijke beleid is ontleend aan de Omgevingsvisie Voerendaal 2016-2030.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Voorsorterend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is op 11 september 2021 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 km2 is het belangrijk goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerder nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijke keuzes zijn: De inpassing van duurzame energie(opwekking) met oog voor omgevingskwaliteit. Het bieden van ruimte voor een overgang naar circulaire economie. Woningbouw faciliteren in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans laten zijn met natuurlijke systemen. Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden. Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op onderstaande vier prioriteiten.
Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe de fysieke leefomgeving wordt ingericht. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen. We maken de energie-infrastructuur geschikt voor duurzame energiebronnen en reserveren daarvoor ruimte. We passen duurzame energie in met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windmolens. Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95% gereduceerd, met 55% reductie als beoogd tussendoel in 2030. We zetten in op optimale (inter)nationale bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden in het Stedelijk Netwerk Nederland. Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en bevorderen een aantrekkelijk vestigingsklimaat.
bestemmingsplanCohortplein
13
3. Sterke en gezonde steden en regio's We versterken het Stedelijk Netwerk Nederland door de ontwikkeling van de stedelijke regio's te ondersteunen en te zorgen voor goede onderlinge en externe verbindingen. Verstedelijking koppelen we aan de ontwikkeling van de (ov-) infrastructuur en vindt plaats in de regio's waar er vraag is. Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie. Dit is een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit. Zo kunnen steden zich duurzaam ontwikkelen. Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio. Toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op efficiënte wijze ingepast met oog voor beschikbare ruimte en mobiliteit. Het woningaanbod in de regio's sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse. We richten de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert. We verbeteren de luchtkwaliteit, zodat in 2030 wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio's en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt. We richten steden en regio's klimaatbestendig in.
Het stedelijke mobiliteitssysteem levert een goede bereikbaarheid op. De auto, het ov, fietsen en lopen zijn onderling verknoopt. Het systeem draagt zo bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl. Voor gebieden buiten het Stedelijk Netwerk Nederland, die liggen aan de grens van het land en/of waar vraagstukken rond bevolkingsdaling spelen, ontwikkelen de overheden gezamenlijk een integrale gebiedsgerichte aanpak. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief. Afweging Met betrekking tot het planvoornemen zijn er weinig directe en concrete raakvlakken tussen deze visies en onderhavig plan, anders dan de meer algemene uitgangspunten ten aanzien van een veilige en gezonde leefomgeving, duurzaam ruimtegebruik, etc. Op de eerder genoemde onderwerpen wordt in navolgende paragrafen en hoofdstukken nader ingegaan. In paragraaf 4.1.2 wordt nader ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. 4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De structuurvisie streeft een zorgvuldige en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen na. Hiertoe is in de structuurvisie een ladder voor duurzame verstedelijking ontwikkeld.
De invulling van deze ladder wordt overgelaten aan de gemeenten en provincies. Zolang de ontwikkeling de rijksbeleidsdoeleinden niet frustreert, is er een grote mate van vrijheid voor de decentrale overheden. De zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in
14
bestemmingsplanCohortplein
die behoefte kan worden voorzien. Uitgangspunt voor toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is dat sprake dient te zijn van een stedelijke ontwikkeling. De definitie van een stedelijke ontwikkeling is een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nader verduidelijkt. Een woningbouwproject wordt beoordeeld als een stedelijke ontwikkeling, indien twaalf of meer woningen worden gerealiseerd (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921 en ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:953). Van een dergelijke stedelijke ontwikkeling is bij voorliggende ontwikkeling geen sprake. Onderhavige ontwikkeling is namelijk gericht op het realiseren van een nieuwe woning. De verdere toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet aan de orde. 4.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Navolgende onderwerpen met nationaal belang zijn opgenomen in het Barro en de eerste aanvulling (Stb.
2012, nr. 388): Project Mainportontwikkeling Rotterdam; kustfundament en de daarbuiten gelegen primaire waterkeringen; grote rivieren en rijksvaarwegen en de veiligheid daarom heen; toekomstige rivierverruiming van de Maastakken; Waddenzee en waddengebied, en IJsselmeergebied; verstedelijking in het IJsselmeer; defensie; erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; hoofdwegen en landelijke spoorwegen; elektriciteitsvoorziening; ecologische hoofdstructuur. 4.1.4 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) Naast het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. 4.1.5 Conclusie Rijksbeleid De beoogde planontwikkeling levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie, het Barro en de Rarro. Het Rijksbeleid is niet aan de orde, omdat sprake is van een kleinschalige ontwikkeling en er geen onderwerpen vanuit de NOVI en Barro op het plangebied van toepassing zijn. Ook gelden er vanuit de Rarro geen beperkingen ten aanzien van het planvoornemen.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie Limburg
4.2.1.1 Algemeen Op 15 december 2020 is de Omgevingsvisie vastgesteld door Gedeputeerde Staten, waarna vervolgens Provinciale Staten deze op 1 oktober 2021 hebben vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden.
bestemmingsplanCohortplein
15
In algemene zin is de Omgevingsvisie een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. In de visie worden onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed omschreven. Daarnaast worden tevens de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving - indachtig de Omgevingswet - in de Omgevingsvisie meegenomen. 4.2.1.2 Hoofdopgaven In de omgevingsvisie worden door de provincie drie hoofdopgaven onderscheiden die Limburg-breed spelen. Weliswaar verschillen de accenten per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: 1.
2. 3.
Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving: a. in stedelijk c.q. bebouwd gebied; b. in landelijk gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.
4.2.1.3 Limburgse principes en algemene zonering Bij het maken van afwegingen op het gebied van de fysieke leefomgeving hanteert de provincie de volgende principes: gestreefd wordt naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving; de kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal; meer stad, meer land; zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden, boven- én ondergronds. Voor het toekomstbeeld voor Limburg hanteert de provincie een indicatieve zonering. De verschillende categorieën worden ondergebracht bij drie hoofdtypes: 1.
2.
3.
landelijke gebieden: a. groenblauwe mantel b. Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) c. buitengebied bebouwde gebieden: a. stedelijk gebied b. stedelijk centrum c. landelijke kern d. werklocaties infrastructuren: a. (inter)nationale weg b. provinciale weg c. (inter)nationale spoorweg d. (inter)nationale waterweg e. (lucht)haven f. (inter)nationale leidingstrook
De ter plekke van onderhavige plangebied van toepassing zijnde provinciale zoneringen zijn weergegeven in onderstaande figuur. Gelet op deze zonering is onderhavig plangebied gelegen in de zone ‘landelijke kern’.
16
bestemmingsplanCohortplein
Zoneringen met aanduiding plangebied (witte cirkel)
Landelijke kern Ten aanzien van de landelijke kernen geeft de provincie aan dat de leefbaarheid en vitaliteit van de kernen in het landelijk gebied belangrijk is. Een aantal kernen vervult op sommige terreinen een regionale verzorgende functie met onderwijs, zorg, cultuur, winkels en werklocaties. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hier belangrijke uitgangspunten. 4.2.1.4 Thematische visies De provincie onderscheidt in de omgevingsvisie de volgende thematische visies: wonen en leefomgeving veiligheid en gezondheid cultuur, sport en erfgoed economie werklocaties mobiliteit energie land- en tuinbouw water natuur landschap bodem en ondergrond Per thema beschrijft de provincie in de omgevingsvisie het provinciale belang, de opgave, de ambities en waar de provincie voor kiest. Voor voorliggend plan is sprake van een ontwikkeling gericht op wonen. Daarop wordt in de thematische visie 'Wonen en leefomgeving' ingegaan. Aangegeven wordt dat er op het gebied van wonen een leefomgeving veel uitdagingen en kansen liggen. Zo vermeldt de omgevingsvisie het volgende: 'De woningbehoeften van de Limburgers veranderen. Daarom kiezen wij voor een goed doordacht, flexibel
bestemmingsplanCohortplein
17
beleid op hoofdlijnen. Hiermee spelen we in op de huidige opgaven én de te verwachten uitdagingen in de toekomst. De woonbehoeften van onze inwoners zijn hierbij leidend.' Voorts wordt het volgende aangegeven: 'Wat betreft onze ambitie is het succes van de woningmarkt onlosmakelijk verbonden met de sociaaleconomische- en gezondheidssituatie van de inwoners in de steden en dorpen en het voorkomen van segregatie. Door het in balans brengen van vraag en aanbod kunnen we een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen voorkomen. Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen.' De ontwikkeling op deze plek, het kunnen realiseren van een levensloopbestendige woning past binnen de ambities van de provincie. 4.2.1.5 Gebiedsgerichte visies Naast de thematische visies gaat de provincie in de omgevingsvisie ook in op de gebiedsgerichte visies. Daarbij wordt voor ingegaan op de visie op bovenregionaal niveau, om vervolgens de visies voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg uiteen te zetten. 4.2.2
Omgevingsverordening Limburg
4.2.2.1 Algemeen De Omgevingsvisie Limburg is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van beleid in de POVI, dan gebeurt dit in de omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke bestemmingsplan (Omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke bestemmingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven. regels voor activiteiten die rechtstreeks voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen. 4.2.2.2 Gebiedsaanwijzingen Bij de OvL behoort een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn.
Ter plekke van onderhavig plangebied zijn diverse gebiedsaanwijzingen van toepassing; deze zijn opgenomen in onderstaande figuur.
18
bestemmingsplanCohortplein
Gebiedsaanwijzingen Omgevingsverordening Limburg ter plekke van plangebied
Op de in casu aan de orde zijnde relevante instructieregels wordt hierna ingegaan. 4.2.2.3 Instructieregels beschermingsgebied 'Einstein Telescope' Vooraleerst is de gehele locatie in het beschermingsgebied 'Einstein Telescope' gelegen. Op grond van de instructieregels voor dit beschermingsgebied (Afdeling 16.1 Omgevingsverordening Limburg) zijn specifiek aangewezen activiteiten (zoals bijvoorbeeld de plaatsing van windmolens, of boringen dieper dan 100 meter) verboden. Voorliggende planontwikkeling voorziet niet in een bedoelde verboden activiteit, waardoor geen sprake is van strijdigheid met de regels van het beschermingsgebied 'Einstein Telescope'. 4.2.2.4 Instructieregels planvoorraadnieuwe woningen ('landelijke kernen') In artikel 12.1 van de Omgevingsverordening Limburg is voorgeschreven dat bij de realisatie van één of meerdere woningen in de daartoe op te stellen motivering bij een omgevingsplan beschreven wordt dat: a. b. c.
d. e.
rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio's bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring; realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.
Onderhavige planontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van 1 nieuwe woning. In paragraaf 4.2.1 is
bestemmingsplanCohortplein
19
ingegaan op de omgevingsvisie in relatie tot het plan. Voorts wordt gewezen op het feit dat de gemeenteraad van Voerendaal de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg heeft vastgesteld op 13 oktober 2016. Onderhavig plan voldoet aan het bepaalde in die structuurvisie en de in dat verband vastgestelde beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'. In paragraaf 4.3.2 van voorliggende toelichting wordt daarop ingegaan. Hiermee wordt tevens voldaan aan de provinciale instructieregels. 4.2.2.5 Overstromingskansgebied C Op grond van de provinciale regels geldt, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, voor 'overstromingskansgebied C' een gemiddelde overstromingskans van 1:25 per jaar als omgevingswaarde. Dit betreft een inspanningsverplichting voor het waterschap waaraan uiterlijk in 2035 dient te zijn voldaan. 4.2.2.6 Instructieregels uitsluitingsgebied windturbines In artikel 13.1 van de Omgevingsverordening Limburg is bepaald dat ter plekke van het 'uitsluitingsgebied windturbines' geen plaatsing van een windturbine met een masthoogte van 25 meter of hoger toe wordt gelaten. Daarvan is bij voorliggende planontwikkeling geen sprake. 4.2.3 Conclusie provinciaalbeleid Gelet op de uiteenzetting in deze paragraaf met betrekking tot het provinciale beleid, is voorliggend plan daarmee niet in strijd.
4.3
Regionaal beleid
4.3.1 Structuurvisie Parkstad Limburg De regio Parkstad Limburg heeft een eigen intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad' (2009). De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken. Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren: Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land; Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfsrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten; Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad Centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen; Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via de Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft. De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling.
Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's: Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur Natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren. Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht
20
bestemmingsplanCohortplein
Hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte. Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking Herstructurering gaat voor uitbreiding: het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour. Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid De ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal. De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding.
Binnen de intergemeentelijke structuurvisie is een ontwikkelingskaart opgenomen. Op deze kaart is te zien waar de geformuleerde ambities landen binnen de regio Parkstad Limburg als ontwikkelingen, zones en gebieden.
Uitsnede ontwikkelingskaart Structuurvisie Parkstad Limburg
Afweging Ter plaatse van het plangebied worden geen specifieke ontwikkelingen en uitgangspunten genoemd die in relatie staan met de beoogde woningbouwontwikkeling. 4.3.2 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg Op 13 oktober 2016 heeft de gemeenteraad van Voerendaal ingestemd met de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL). De SVWZL is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de Zuid-Limburgse gemeenten. Op grond van het geldende bestemmingsplan is ter plekke van het projectgebied één wooneenheid toegestaan. In het kader van het geldende woningbouwbeleid, zoals vastgelegd is in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) en deels nader uitgewerkt in de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' (waarop hierna nader wordt ingegaan), betekent onderhavige project een (netto)
bestemmingsplanCohortplein
21
toevoeging van één wooneenheid. Op grond van beleidsafspraak VI van de SVWZL is voor deze netto toevoeging in beginsel compensatie vereist. Deze compensatie kan inhouden: Het onttrekken van een gelijk aantal woningen als netto beoogd is; Het onttrekken van bestaande plancapaciteit (1:1, 1:2 of 1:4) voor de netto toe te voegen woningen; Het leveren van een financiële bijdrage in het subregionale sloopfonds. Van deze compensatie kan echter ontheffing worden verleend als het bouwplan past binnen de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'. 4.3.3 Beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen2021' De gemeenteraad van Voerendaal heeft op 11 februari 2021 de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' vastgesteld. Deze beleidsregel komt in de plaats van de eerder vastgestelde beleidsregel 'Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg'. Op grond van de nieuwe beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd. Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria:
Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties: Aantoonbare verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen; Herstructurering/vervangingsbouw van woningen; Hergebruik van winkels of (ander) bestaand waardevol vastgoed met passende woningbouw; Aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Daarbij wordt aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat.
Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is: Criterium 2a: Het plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte Criterium 2b: Het plan sluit aan bij de kwalitatieve behoefte Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd Het derde criterium betreft subregionale afstemming, zodat gezamenlijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten op subregionaal niveau). De subregio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Woningbouwplannen die concurrerend zijn op regionale schaal (de Zuid-Limburgse woningmarkt), worden ook op Zuid-Limburgse schaal afgestemd. Afweging Onderhavig plan voorziet in het realiseren van één nieuwe woning. Deze nieuwe woning wordt beoogd ter plekke van een volledig verhard plein te midden van een primaire woonomgeving. Van de pleinfunctie wordt
22
bestemmingsplanCohortplein
in de bestaande situatie geen gebruik gemaakt. Met herverkaveling en gebruik en inrichting ten behoeve van woondoeleinden voor de aangrenzende woonpercelen, en invulling met één nieuwe woning, wordt een impuls gegeven aan de leefbaarheid voor de bewoners ter plekke. Daarbij is sprake van een inbreidingslocatie ter plekke van een primaire woonomgeving. De toe te voegen woning betreft een vrijstaande woning naar analogie van de directe omgeving. Vanuit kwantitatief en kwalitatief oogpunt is voldoet deze aan de behoefte. De woningtoevoeging zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de woning worden voorgelegd aan de Bestuurscommissie Wonen & Herstructurering Stadsregio Parkstad-Limburg. 4.3.4 Conclusie regionaal beleid Gelet op het vorenstaande uiteenzetting van het regionaal beleid wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met dit beleid.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Omgevingsvisie Voerendaal 2016-2030 In 2016 is de Omgevingsvisie Voerendaal 2016-2030 opgesteld. De Omgevingsvisie is een langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving. Dat betekent dat de visie niet alleen betrekking heeft op gebouwen, natuur en wegen, maar op alle activiteiten die de fysieke leefomgeving beïnvloeden en dus ook op wonen. In de Omgevingsvisie stelt de gemeente daarom nadrukkelijk het integraal functioneren van de leefomgeving centraal. De gemeente doet dit door in te spelen op de behoeften en benodigdheden per kern, zonder daarbij de samenhang tussen de kernen en de kwaliteit van de gemeente uit het oog te verliezen. Hieronder worden de belangrijkste punten uit de omgevingsvisie besproken: Wonen De vergrijzing speelt binnen de gemeente Voerendaal een belangrijke rol. De verwachting is dat de bevolking afneemt en de groep 75+ de komende jaren steeds groter worde. De gemeente zet in op het behouden en verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Op deze manier wilt de gemeente Voerendaal aantrekkelijk en interessant worden en blijven voor jong en oud. Een van de gesignaleerde kansen is dat de gemeente Voerendaal de ouder wordende inwoner in staat wil stellen zo goed mogelijk zelfstandig te blijven laten wonen.
De voornaamste maatregel om een aantrekkelijk woongebied te worden voor de oudere doelgroep is door onder andere in te zetten op levensloopbestendige woningen. Om de jongere doelgroep aan te trekken zal er ingezet moeten worden op innovatieve en duurzame woonconcepten, bepaalde regelingen voor jongeren en investeren in voorzieningen en de infrastructuur. Door middel van transformatie van huidig woningvoorraad zal er ingespeeld moeten worden op de actuele behoefte. Duurzaamheid, gezondheid en veiligheid De gemeente Voerendaal heeft de ambitie om voor 2040 een volledige transitie van fossiele naar duurzaam opgewekte energie te ondergaan. Hiervoor moet het totale energieverbruik van de gemeente (gebouwen, huishoudens bedrijven, verkeer) met een derde zijn verminderd. De resterende benodigde energie wordt duurzaam en bij voorkeur regionaal opgewekt. Naast de positieve milieueffecten draagt de energietransitie bij aan een aantrekkelijk woongebied, de lokale economie en de werkgelegenheid. 4.4.2 Welstandsnota Op 27 juni 2013 is de Welstandsnota Voerendaal vastgesteld. In deze welstansnota zijn door de gemeente Voerendaal welstandsgebieden met bijbehorende welstandsniveaus bepaald. Aan de hand van deze gebieden worden criteria gesteld voor nieuw- of verbouw van bouwwerken. De gebiedscriteria zijn opgesteld per gebied dat een samenhangend karakter heeft.
De gebieden zijn conform onderstaande kaart ingedeeld.
bestemmingsplanCohortplein
23
Uitsnede van de welstandsnota Voerendaal 2013 (plangebied rode pijl)
Beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning vindt plaats op verschillende schaalniveaus. In onderstaande tabel is aangegeven welke aspecten worden getoetst bij de verschillende welstandsniveaus. Ter plaatse van het plangebied geldt het welstandsniveau 2. Het beoogde bouwplan zal getoetst moeten worden aan de beoordelingsaspecten van de reguliere welstandstoets.
Naast het bestemmingsplan biedt de welstandsnota het kader waarbinnen bouwplannen ontworpen en
24
bestemmingsplanCohortplein
beoordeeld moeten worden. Een bouwplan zal moeten worden beoordeeld door de welstandscommissie en dient te voldoen aan de redelijke eisen van welstand. 4.4.3 Groenstructuurplan Hoofddoel van het Groenstructuurplan (vastgesteld d.d. 27 juni 2013) is het veiligstellen, koesteren en versterken van de groene kwaliteiten van de kernen en het aangrenzende buitengebied van de gemeente Voerendaal, waarbij thema's als karakteristiek, functionaliteit en beheerbaarheid ventraal staat. In het Groenstructuurplan zijn de groene kwaliteiten in de bebouwde kernen en het aangrenzende buitengebied in beeld gebracht. Daarnaast is het gewenste beeld en de uitgangspunten voor inrichting bepaald. Dit is ook voor de kernen Voerendaal en Kunrade gebeurd. Concrete maatregelen en acties voor de groenstructuren worden in het groenstructuurplan en een uitwerkingsplan uitgewerkt. Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke maatregelen of acties benoemd in het groenstructuurplan of het uitvoeringsplan. In de onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied binnen de gewenste groenstructuur voor Voerendaal zichtbaar.
Kaart groenstructuur Kunrade (plangebied rode pijl) 4.4.4 Watertakenplan Voerendaal 2020-2024 Het Watertakenplan Voerendaal 2020-2024 is een beleidsplan dat de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Hiermee legt de gemeente vast wat ze wil bereiken en wat de rol van inwoners en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. In het Watertakenplan Voerendaal 2020-2024 zijn de gezamenlijke ambities en doelen van het in regionaal verband opgestelde ‘Integraal Waterplan’ vertaald naar de lokale situatie. Wettelijke taak art. 3.5 Waterwet De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens
bestemmingsplanCohortplein
25
is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen tevens zorg voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde hemelwater. Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater, en het afvoeren naar een zuiveringstechnisch werk. Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en particuliere terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de perceeleigenaar. Dit betekent dat de eigenaar van een perceel zelf het hemelwater dat op het perceel valt binnen de perceelsgrenzen moet verwerken. Deze primaire verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar geldt vooral in nieuwe situaties. Voorkeursvolgorde omgang met hemelwater Voor een duurzame verwerking van hemelwater wordt de onderstaande voorkeursvolgorde gehanteerd (conform landelijk beleid): Vasthouden; Bergen; Afvoeren.
In lijn met het hemelwaterbeleid van het waterschap wordt in de regio Parkstad gestreefd naar een volledig gescheiden inzameling, hergebruik en verwerking van afval- en hemelwater, indien de lokale situatie dit toelaat. Infiltratie van hemelwater dient bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de plaats waar het valt plaats te vinden (eventueel na tijdelijke berging). Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, wordt het hemelwater na tijdelijke berging geknepen afgevoerd naar het oppervlaktewater. Als tot slot ook afvoer naar het oppervlaktewater niet mogelijk is, wordt het hemelwater getransporteerd naar de RWZI, middels een geknepen constructie met een buffer. In het kader van onderhavig plan zal het hemelwater binnen het plangebied dienen te worden opgevangen. De ontwerpbui voor onderhavige ontwikkeling betreft een bui met een herhalingstijd van eenmaal per 100jaar (gemiddeld klimaatscenario 2050). Voor het heuvelland (waarbinnen onderhavig plangebied is gelegen) geldt in afwijking hiervan bij maatwerk een bui duur van twee uur, zijnde 80 mm. In het heuvelland is een korte bui immers meer bepalend voor de benedenstroomse belasting dan een langdurige bui. Een verdere uiteenzetting ten aanzien van de verwerking van het hemelwater binnen onderhavig plan vindt plaats in paragraaf 6.4.
4.4.5 Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op het vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met dit beleid.
26
bestemmingsplanCohortplein
Hoofdstuk 5
Milieuaspecten
Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening gehouden worden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten onderzocht.
5.1
Bodem
5.1.1 Algemeen Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygienische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is, voor het voorgenomen gebruik. Bij voorliggend planvoornemen vindt een planologische functiewijziging plaats. Tevens zullen ter plekke ten behoeve van realisatie van één nieuwe woning nieuwe verblijfsruimtes worden gecreëerd. Voor voorliggend voornemen is dan ook een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. 5.1.2 Beoordeling Ter plekke van onderhavig plangebied is een verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1. Op grond van het verrichte bodemonderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan: geen van de onderzochte concentraties overschrijden de maximale waarde voor bouwstoffen; de bovengrond is licht verontreinigd met kobalt en nikkel; de ondergrond is blijkens één van de twee mengmonsters licht verontreinigd met nikkel; in geen van de onderzochte asbestmonsters is sprake van verhoogde concentraties asbest; het asfalt is als geheel teervrij bestempeld. Ondanks de licht verhoogde concentraties in de boven- en ondergrond vormen deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmering voor het voorgenomen gebruik ter plekke van onderhavig plangebied.
Er zijn geen aanleiding aanwezig geweest om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Geadviseerd is dat, vanwege de diversiteit in bodemlagen, er rekening mee dient te worden gehouden dat de bodemlagen niet onderling vermengd mogen worden. Bij een tijdelijke uitplaatsing moet de grond na ontgraving in dezelfde volgorde worden herschikt. 5.1.3 Conclusie bodem Het aspect bodem leidt niet tot belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling.
5.2
Geluid
5.2.1 Algemeen Met betrekking tot het aspect geluid (van externe komaf) kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Bij onderhavige ontwikkeling kan sprake zijn van geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai
bestemmingsplanCohortplein
27
5.2.2 Beoordeling Ten aanzien van alle soorten wegen geldt een geluidszone, die ook wettelijk is vastgelegd in de Wet geluidhinder. Voor wegen die buiten de bebouwde kom zijn gelegen, en die bestaan uit één of twee rijstroken, geldt een wettelijk vastgelegde geluidszone van 250 meter aan weerszijden van de weg (gemeten vanuit de wegas). Wegen waarop een maximum snelheid geldt van 30 km/u zijn niet voorzien van geluidszones. Wanneer ontwikkelingen worden gerealiseerd binnen geluidszones van wegen, zal middels een akoestisch onderzoek moeten worden aangetoond dat de gevelbelasting vanwege het wegverkeerslawaai niet zodanig is dat de, in de Wet geluidhinder opgenomen, voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor burgerwoningen wordt overschreden. Is dit wel het geval, dan zal een procedure voor het vaststellen van een Hogere Waarde gevolgd dienen te worden. Onderhavig plangebied is gelegen aan het Bautseplein. Deze weg is gelegen binnen een 30 km/u zone. Dergelijke wegen zijn op basis van de Wet geluidhinder niet gezoneerd. Ook is geen sprake van de ligging binnen de wettelijke geluidzone van overige wegen met een maximum snelheidsregime van 50 km/u of meer.
Uit raadpleging van de Icinity (www.icinity.nl), zijnde een openbare (digitale) kaart waarop alle geluiddata van (onder andere) de gemeente Voerendaal raadpleegbaar zijn, blijkt ook dat sprake is van een lage geluidbelasting ter hoogte van onderhavig plangebied. Blijkens deze kaart ligt het plangebied binnen de Lden contour van 0-45 dB, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Geluidbelastingkaart (www.icinity.nl) met aanduiding plangebied
Het verrichten van een akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting is niet aan de orde. 5.2.3 Conclusie geluid Gelet op vorenstaande vorm het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
28
bestemmingsplanCohortplein
5.3
Milieuzonering
5.3.1 Algemeen Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. 5.3.2 Beoordeling In de (directe) omgeving van het plangebied is geen sprake van bestaande bedrijfsmatige activiteiten die van invloed zijn op het woon- en leefklimaat ter plekke van de nieuw te realiseren woning. Het uitvoeren van een onderzoek naar milieuzonering is derhalve niet aan de orde. 5.3.3 Conclusie milieuzonering Gelet op vorenstaande uiteenzetting wordt geconcludeerd dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen planontwikkeling.
5.4
Luchtkwaliteit
5.4.1 Algemeen De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in de wet Milieubeheer. Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wmb, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.
bestemmingsplanCohortplein
29
5.4.2 Het besluit NIBM Deze Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB) bepaalt wanneer een project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project wordt beschouwd als NIBM als het aannemelijk is dat het een toename van de concentraties veroorzaakt van maximaal 3%. De grens van 3% wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentraties van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Voorliggend plan ziet op het realiseren van een nieuwe woning (bouwgrond vrije verkoop). Deze ontwikkeling kan qua aard en omvang niet worden vergeleken met een plan dat ziet op het realiseren van 1.500 woningen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling NIBM is. NIBM-tool Ook zal het plan niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden.
InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een ‘worst-case’ berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 2.279 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. De extra verkeersgeneratie als gevolg van een woning bedraagt slechts circa 8 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. 5.4.3 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof en stikstofdioxide (m.n. kinderen, ouderen en zieken). Dit besluit is niet van toepassing op het planvoornemen. 5.4.4 Conclusie luchtkwaliteit Gelet op vorenstaande uiteenzetting met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit leidt voorliggende planontwikkeling, binnen de daartoe gestelde wettelijke (onder)grenzen, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
5.5
Externe veiligheid
5.5.1 Algemeen In onderhavig geval is sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object, namelijk één woning. Het beleid is derhalve van toepassing en er is een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van externe veiligheid. 5.5.2 Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het projectgebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee
30
bestemmingsplanCohortplein
soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde, binnen welke contour geen kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken.
Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. 5.5.3
Risicovollebronnen
Met betrekking tot de mogelijke externe veiligheidsrisico's is de Risicokaart Limburg geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.
bestemmingsplanCohortplein
31
Uitsnede Risicokaart met aanduiding plangebied
Risicovolleinrichtingen (Bevi) Sinds 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht, op basis waarvan overheden verplicht zijn afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Op een afstand van circa 1,5 kilometer van het plangebied is een opslagtank propaan gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen het explosieaandachtsgebied van deze opslagtank. Zowel de plaatsgebonden risicocontour als het groepsrisico van deze inrichting vormt geen belemmeringen. Transportroutes (Bevt) In de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden normwaarden gegeven voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Overeenkomstig het Bevt hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op minder dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, dient een berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van de) hoogte van het groepsrisico. Op een afstand van circa 500 meter van het plangebied is de snelweg A76 gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen 200 meter van deze snelweg. Deze transportroute vormt dan ook geen beperking voor het planvoornemen.
Transportleidingen gevaarlijke stoffen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen, zoals aardgas. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan, op grond waarvan de bouw van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten: wordt een waarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten ofwel binnen de PR-contour is de bouw van een kwetsbaar object niet toegestaan; wordt tevens het groepsrisico in het invloedgebied van de buisleiding verantwoord (invloedsgebied: het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van de buisleiding tot de grens waarbinnen de letaliteit van die personen 1% is). De meest nabij gelegen buisleiding is gelegen op circa 540 meter ten oosten van het plangebied. Het betreft een buisleiding in beheer van Gasunie. Het plangebied is niet gelegen binnen de P10-6 risicocontour van deze buisleiding. 5.5.4 Conclusie externe veiligheid Als gevolg van de planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico's in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is.
Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen. Gelet op het vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
32
bestemmingsplanCohortplein
Hoofdstuk 6
Overige ruimtelijke aspecten
Naast de diverse milieuaspecten en de waterhuishouding, zoals uiteengezet in hoofdstuk 5 en 6, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten kabels en leidingen, verkeer en parkeren en duurzaamheid.
6.1
Archeologie
6.1.1 Algemeen Archeologische waarden zijn bij wet beschermd. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma's van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn. Voor (gemeentelijke) bestemmingsplannen betekent dit concreet het volgende: de gemeenteraad dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en monumenten; in een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een vergunningenstelsel worden opgenomen. Zowel de aanvrager van een vergunning, waarbij bodemverstoring plaats vindt, kunnen langs de weg van het bestemmingsplan de verplichting krijgen tot het laten uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek. Zo nodig kunnen aan dergelijke vergunningen regels worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden en monumenten. 6.1.2 Archeologische verwachtingswaarden Op grond van het bestemmingsplan 'Voerendaal-Kunrade' geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'.
Op grond van de regels bij deze dubbelbestemming dient in beginsel archeologisch onderzoek te worden verricht indien sprake is van bodemverstoring dieper dan 40 centimeter of met een groter oppervlak dan 100 m². In uitzondering op vorenstaande onderzoeksplicht wordt in de regels van de dubbelbestemming verwezen naar de kaart 'archeologie' waarop aan de gronden binnen de gemeente verwachtingswaarden zijn toekend. Onderhavig plangebie is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde.
bestemmingsplanCohortplein
33
Uitsnede archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart met aanduiding plangebied (rode pijl)
De regels van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' schrijven voor dat geen archeologisch onderzoek behoeft te worden verricht in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde en waarbij het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m², en waarbij binnen een straal van 50 meter geen archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Bij voorliggende planontwikkeling is geen sprake van een te verstoren oppervlak groter dan 10.000 m² alsook is geen archeologisch vindplaats binnen 50 meter aanwezig. Dientengevolge is voor voorliggende planontwikkeling geen archeologisch onderzoek vereist. 6.1.3 Conclusie archeologie Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1' conform het bestemmingsplan 'Voerendaan-Kunrade' één op één overgenomen.