Bijlage 01 - TVW 1.0 Voerendaal
Tekst van het document
Transitievisie Warmte 1.0 Gemeente Voerendaal
versie 3 november 2021
1
Voorwoord In Nederland is in het Klimaatakkoord afgesproken dat we het gebruik van fossiele energie sterk gaan verminderen. Daarom willen wij in Voerendaal graag, net als de rest van Nederland, in 2050 in onze woningen en bedrijven aardgasvrij koken, douchen en verwarmen. Dat is een grote verandering, want vandaag gebruikt het overgrote deel nog wel aardgas daarvoor. Nodig is het wel, want het is schadelijk voor ons milieu. Bovendien stopt Nederland in 2022 met het winnen van Gronings gas, dan zijn we afhankelijk van kleine Nederlandse bronnen en voor het overgrote deel van import van aardgas uit andere landen. Deze Transitievisie Warmte is een eerste verkenning van de route naar een duurzaam Voerendaal. Daarvoor willen we zo veel mogelijk energiegebruik verminderen en over van fossiele brandstoffen op schone, duurzame energie. Dat is ons doel. Een flinke ambitie; de hele gemeente aardgasvrij maken. Dat willen we slim doen, om het de bewoners van Voerendaal zo gemakkelijk mogelijk te maken. De gemeente werkt samen met woningcorporaties, netbeheerders, energie coöperaties en andere belangrijke stakeholders. In onze gemeente staat duurzaamheid staat hoog op de agenda. Hierin past ook het combineren van het verduurzamen van een buurt of gebied met andere opgaven, zoals de buitenruimte herinrichten en de leefbaarheid verbeteren.
We willen samen de handen ineenslaan en aan de slag gaan met het verduurzamen van onze woningen en bedrijven. Dat zijn we niet alleen aan onszelf verplicht, maar ook aan de generaties na ons. Bij het ontwikkelen van deze en de volgende Transitievisies Warmte informeren en betrekken we de burgers en bedrijven van Voerendaal zodat we samen de keuzes maken. Om zo onze woningen en gebouwen energiezuinig en duurzaam te maken en zo goed mogelijk aan te sluiten bij de natuurlijke momenten waarop dit kan plaatsvinden. Ik hoop dat inwoners en ondernemers hun steentje bijdragen, door de komende tijd samen met ons de schouders onder deze uitdaging te zetten. Als verantwoordelijke bestuurder voor duurzaamheid in Voerendaal
Ruud Braun Wethouder Duurzaamheid en Klimaat Namens het college van Burgemeester en Wethouders
2
Samenvatting Gemeenten zijn volgens het Klimaatakkoord de regisseurs van de warmtetransitie voor de gebouwde omgeving. Vóór eind 2021 moet daarom elke gemeente een Transitievisie Warmte (TVW) vaststellen. Zo’n TVW geeft richting aan de gewenste aanpak en bevat voorstellen om de gebouwde omgeving aardgasvrij te verwarmen. Het TVW-document dat voorligt, geeft inzicht in deze opgave voor de gemeente Voerendaal en laat zien wat er nodig is om tot een wijk-voor-wijkstappenplan te komen dat alle betrokken partijen houvast biedt. Hoofdstuk 1 gaat in op de noodzaak en oorsprong van de TVW. Ook wordt duidelijk gemaakt hoe de TVW past binnen de ontwikkelingen in de Stadsregio Parkstad Limburg. Een belangrijke pijler van de transitievisies binnen Parkstad, en dus ook van de TWV van de gemeente Voerendaal, is dat de TVW uit twee parallelle sporen zal bestaan. Het eerste spoor betreft het ‘aardgasvrij-voorbereid’ maken van gebouwen. Het tweede spoor betreft een gebiedsgerichte aanpak om wijken, gebieden of andere clusters van gebouwen van een duurzame warmtebron onafhankelijk van aardgas te voorzien. Deze zogenaamde ‘TVW 1.0’ verschaft inzicht in het eerste spoor met welke technieken de gemeente Voerendaal in potentie aardgasvrij gemaakt zou kunnen worden.
Vanwege een gebrek aan inzicht over kenmerken van plangebieden, beschikbaarheid van warmtebronnen en kosten zal geen uitspraak worden gedaan over een voorkeursvolgorde van plangebieden. Hiervoor is een extra verdiepingsslag nodig en zodoende zal het tweede spoor wordt verwerkt in de ‘TWV 2.0’ die we in 2022 opleveren. Hoofdstuk 2 gaat over de uitgangspunten voor de warmtetransitie, waarbij de betaalbaarheid, duurzaamheid, en betrouwbaarheid van warmte leidend zullen zijn. Ook zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan technische en sociale koppelkansen, waarmee we kosten en overlast kunnen beperken. Desalniettemin wordt de warmtetransitie een omvangrijk proces. In Hoofdstuk 3 staat de opgave gedetailleerd beschreven. Zo heeft ruim 15% van de 5.759 woningen in de gemeente Voerendaal een energielabel van E of lager. Dat betekent dat een aanzienlijk aantal woningen beter geïsoleerd moet worden om minimaal energielabel D te halen. Naast duurzame elektriciteit en groen gas kunnen ook andere warmtebronnen uitkomst bieden1. Warmtealternatieven op basis van duurzame elektriciteit lijken in eerste instantie het meest geschikt. Warmtealternatieven op basis van groen gas het minst. Voerendaal heeft geen warmtebronnen binnen haar gemeentegrenzen en is aangewezen op andere bronnen binnen en buiten Parkstad.
Hoofdstuk 4 schetst, op basis van een eerste inventarisatie van diverse warmtebronnen, vijf mogelijke strategieën om aardgasvrij te verwarmen. Deze vijf strategieën kunnen worden onderverdeeld op basis van (a) individuele technieken (elektrische of hybride warmtepompen, zonneboilers en infraroodpanelen), (b) collectieve technieken (lagetemperatuur, middentemperatuur en hogetemperatuur warmtenetten) en (c) hernieuwbaar gas. Zowel de beschikbaarheid en temperatuur van restwarmtebronnen als de beschikbaarheid van groen gas biedt drie mogelijke scenario’s voor de warmtetransitie van Voerendaal. Ieder scenario vraagt om een eigen isolatiestrategie en bijbehorende warmtealternatieven voor aardgas. Mogelijke selectiecriteria voor
1
Groen gas is de duurzame variant van aardgas en wordt gemaakt door biogas (uit de vergisting van mest of
3
plangebieden zijn bijvoorbeeld draagvlak onder bewoners, kenmerken van de gebouwde omgeving, koppelkansen en inzichten van stakeholders. Hoofdstuk 5 beschrijft hoe de gemeente Voerendaal van een transitievisie tot uitvoering kan komen. Concrete stappen en de benodigde middelen om tot een TVW 2.0 te komen staan gedetailleerd beschreven. De gemeenteraad zal zich moeten buigen over toewijzing van de benodigde capaciteit en middelen, de selectiecriteria van plangebieden en het vormgeven van een ‘no regret’ isolatiestrategie. Tot slot staan in hoofdstuk 5 de beoogde stappen van uitvoeringsplannen na TVW 2.0 en de gewenste betrokkenheid van de gemeenteraad beschreven.
4
Hoofdstuk 1. Inleiding Het klimaat verandert en de aarde warmt op. De gemiddelde temperatuur is in de afgelopen 130 jaar met ongeveer 0,8° Celsius gestegen. In het meest recente Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) rapport2 wordt de menselijke beïnvloeding van het klimaatsysteem als een vaststaand feit bevestigd. Ook stelt het IPCC-rapport dat de komende 10 jaar de gemiddelde temperatuur zeer waarschijnlijk met meer dan 1,5° Celsius zal stijgen ten opzichte van het begin van de industriële revolutie. In december 2015 is in het Klimaatakkoord van Parijs afgesproken om de opwarming van de aarde tot 2° Celsius te beperken, en zo mogelijk tot 1,5°Celsius. Dit wordt gezien als een uiterste grens. Daarboven kunnen de effecten van klimaatverandering zeer bedreigend zijn. Om klimaatverandering het hoofd te bieden, is op 28 juni 2021 de Europese Klimaatwet aangenomen. Hierin zijn de Europese klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 vastgelegd: de Europese Unie moet in 2030 55% minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990. In 2050 moet de broeikasgasemissie tot nul zijn teruggebracht. Ook op nationaal niveau is besloten om invulling te geven aan de internationale klimaatdoelen. Zodoende legde Nederland in 2019 de afspraken van het Klimaatakkoord van Parijs vast in de Klimaatwet.
Hierin staat dat de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 49% verminderd moet zijn ten opzichte van 1990, en in 2050 met 95%. Om deze doelstelling te realiseren, hebben de overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties in het Nationale Klimaatakkoord inhoudelijke maatregelen afgesproken. Het Nationale Klimaatakkoord bestaat uit verschillende ‘klimaattafels’: industrie, gebouwde omgeving, elektriciteit, mobiliteit en landbouw en landgebruik. Voor de klimaattafel ‘gebouwde omgeving’ is afgesproken om tot 2050 ruim 7 miljoen huizen en 1 miljoen gebouwen op een duurzame manier te verwarmen. Fossiel gasgebruik ter verwarming van gebouwen heeft namelijk een wezenlijk aandeel in klimaatverandering. Bovendien lopen de energiekosten op omdat bestaande energiebronnen schaarser worden. Gasprijzen stijgen waardoor onze energierekening steeds hoger wordt en energiearmoede toeneemt3. Niets doen is dan ook geen optie en zodoende voeren gemeenten de regie in de energietransitie. Hoe een gemeente duurzaam verwarmen gaat oppakken en in welke wijken ze wanneer aan de slag gaat, beschrijft elke gemeente in een eigen Transitievisie Warmte (TVW). Met deze Transitievisie Warmte 1.0 geven we richting aan de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in de gemeente Voerendaal.
Deze TVW 1.0 behelst de belangrijkste uitgangspunten en vormt zo de basis voor de verdere uitwerking naar de Transitievisie Warmte 2.0 en de wijkuitvoeringsplannen. 1.1. De Energietransitie in Parkstad De gemeente Voerendaal wil een voortrekkersrol innemen op het gebied van duurzaamheid. In 2013 zijn we begonnen met de overgang naar een duurzamere energievoorziening. In 2015 hebben de gemeenteraden van Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Nuth, Onderbanken, Simpelveld en Voerendaal het eerste energietransitiebeleid Parkstad Limburg EnergieTransitie (PALET) unaniem vastgesteld. Met PALET heeft Parkstad de ambitie uitgesproken om via energiebesparing en 2
De omvang van de klimaatverandering en de urgentie om te handelen worden bevestigd door het meest recente rapport van het IPCC, ‘Climate Change 2021. The Physical Science Basis’, uit 2021. Het IPCC is het klimaatpanel van de VN en doet zelf geen onderzoek maar analyseert recente wetenschappelijke onderzoeken. 3 Zie ook: Polen, S. van (2020), Ontwikkelingen in de energierekening tot en met 2030. Achtergrondrapport bij de Klimaat- en Energieverkenning 2020, Den Haag: PBL
5
duurzame energieopwekking in 2040 energieneutraal te zijn. Deze ambitie is vertaald naar een regionaal uitvoeringsprogramma. De Parkstadgemeenten werken hierin samen. Om de energietransitie in heel Nederland vorm te geven, zijn afspraken gemaakt tussen Rijksoverheid, gemeenten, provincies en waterschappen. Hiervoor is Nederland onderverdeeld in 30 regio’s. Elke regio stelt een Regionale Energie Strategie (RES) op. De RES is met name gericht op het grootschalig opwekken van hernieuwbare elektriciteit op land (wind- en zonne-energie). Daarnaast worden als onderdeel van de RES in een Regionale Structuur Warmte (RSW) ook de regionale warmtevraag en het warmteaanbod in beeld gebracht en wordt een inzicht gegeven in de bovengemeentelijke warmte-infrastructuur. De Parkstadgemeenten maken onderdeel uit van de RES Zuid-Limburg. De RES 1.0 van Zuid-Limburg is te vinden via https://www.reszuidlimburg.nl/. De overgang naar aardgasvrije gebouwen is een enorme opgave binnen de hele energietransitie. Zo verbruiken de woningen in Voerendaal meer dan vier keer meer aardgas dan elektriciteit. Aardgasgebruik in woningen vormt dan ook het overgrote deel van de energievraag in onze gebouwde omgeving. Hier zullen een duurzame oplossingen voor moeten komen. De TVW versie 1.0 en verdere versies gaan hier invulling aan geven. 1.2.
De Transitievisie Warmte Naast het opstellen van de Regionale Energie Strategie met als onderdeel daarvan de Regionale Structuur Warmte, hebben alle Nederlandse gemeenten van de Rijksoverheid de opdracht gekregen om een Transitievisie Warmte (TVW) te schrijven. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat iedere gemeente uiterlijk eind 2021 een eerste TVW heeft. Hierin beschrijven gemeenten hoe zij samen met stakeholders de warmtevraag in de gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier gaan invullen en in welk tempo. Voor de wijken waarvan de transitie vóór 2030 gepland is, maken de gemeenten ook de potentiële duurzame warmtebronnen en -technieken bekend. De TVW moet minimaal om de vijf jaar worden herijkt, zodat nieuwe inzichten en ontwikkelingen kunnen worden meegenomen en doelen en keuzes tijdig kunnen worden bijgesteld. In het Klimaatakkoord is afgesproken de Transitievisie Warmte te borgen binnen de Omgevingswet. Met de Omgevingswet wil de overheid de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen. De Omgevingswet geeft een gemeente hiervoor nieuwe instrumenten: de TVW moet landen in een ‘omgevingsvisie en/of een ‘omgevingsprogramma’4.
Verder is er in strikt juridische zin geen wetgeving die eisen stelt aan de wijze waarop gemeenten deze plannen vaststellen en aan welke eisen deze plannen moeten voldoen.5 De TVW is daarom enkel een strategisch visiedocument dat een beeld schetst van de warmtetransitie. Het document heeft nog geen juridische status. Een gemeente mag de TVW wel vanuit haar wettelijke bevoegdheden als beleid vaststellen.
4
De nieuwe Omgevingswet gaat naar verwachting in op 1 juli 2022. Dan worden bijvoorbeeld de visie en plannen zoals wij die nu kennen in de wereld van de ruimtelijke ordening, vervangen: zo wordt de huidige Structuurvisie vervangen door een ‘Omgevingsvisie’ en het huidige ‘Bestemmingsplan’ door het ‘Omgevingsplan’ (zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/omgevingswet). 5
https://www.aardgasvrijewijken.nl/themas/regieenorganisatie/transitievisie+warmte2/wat+is+een+transitievis ie+warmte/besluitvorming+transitievisie+warmte/default.aspx
6
1.3. Transitievisie Warmte Voerendaal 1.0 Deze TVW 1.0 verschaft een eerste beeld van hoe Voerendaal in potentie aardgasvrij kan worden. De TVW 1.0 is gemaakt met behulp van de ‘Leidraad’: een hulpmiddel gemaakt door de Rijksoverheid om de gemeenten in Nederland houvast te bieden bij het opstellen van de TVW. De Leidraad bestaat uit twee onderdelen: de Startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de Handreiking voor lokale analyse van het Expertise Centrum Warmte (ECW). De Startanalyse is een technisch-economische analyse op basis van landelijke data, gemaakt in het model Vesta MAIS6. Deze analyse biedt op wijkniveau een eerste beeld van de technischeconomische en duurzaamheidsgevolgen van vijf CO2-neutrale warmtestrategieën. Denk hierbij aan de totale nationale kosten van de warmtevoorzieningen onafhankelijk van aardgas, energievraag en CO2-reductie. Met behulp van de Handreiking voor lokale analyse kunnen gemeenten de Startanalyse verrijken met lokale data van (lokale) stakeholders. Op basis van de Startanalyse geeft deze TVW een eerste beeld van de technieken waarmee de gemeente in potentie aardgasvrij gemaakt kan worden, op het schaalniveau van een wijk op basis van de administratieve CBS-indeling van buurten/wijken. De Startanalyse gaat uit van gemiddelden en meest voorkomende situaties.
Afwijkende gebouwtypes binnen een CBS-wijk, zoals een nieuwbouwcomplex in een wijk uit 1950, zijn slechts beperkt meegenomen in de afwegingen op wijkniveau. Daarnaast geven we een eerste aanzet voor mogelijke selectiecriteria op basis waarvan een voorkeursvolgorde van de wijken of ander cluster van gebouwen gemaakt kan worden. In de wijken in Voerendaal is veel verscheidenheid in bijvoorbeeld gebouwtypes en bouwjaren. In de Startanalyse zijn kenmerken van een gebied die wellicht de buurt- of wijkgrens overschrijden niet in beschouwing genomen en wordt geen inzicht verschaft in de bijbehorende kosten. Redenen voor ons om voor buurten of wijken in de TVW 1.0 nog geen definitieve keuze te maken. Hiervoor is een extra verdiepingsslag nodig, waarbij we op een gedetailleerder niveau naar de gebouwen in de gemeente kijken. Op basis daarvan kunnen we vervolgens meer gefundeerde conclusies trekken over de vraag welke wijken, buurten of andere clusters van gebouwen in Voerendaal we het beste als eerste aardgasvrij kunnen maken. Deze meer gedetailleerde, meer ‘natuurlijke’ dan administratieve analyse, is in het belang van onze inwoners en gebouweigenaren. 1.4 Een opmaat naar Transitievisie Warmte Voerendaal 2.0 Een tweede belangrijke pijler van de TVW 1.0 is het verschaffen van inzicht in wat er nodig is om tot uitvoering te komen.
De transitie richting aardgasvrij in 2050 kent twee parallelle sporen: - Een gemeentebrede aanpak: woningen en andere gebouwen worden voorbereid op een warmtealternatief voor aardgas: het gaat hierbij vooral om isoleren. Dit noemen we het ‘aardgasvrij-voorbereid’ maken van gebouwen. - Een gebiedsgerichte aanpak: het aardgasvrij maken van een wijk, buurt of andere clusters van gebouwen; dus inclusief het daadwerkelijk overschakelen op het warmtealternatief voor aardgas zoals een warmtenet of een ‘all-electric’ oplossing. Schematisch ziet deze aanpak eruit zoals weergegeven in figuur 1.
6
Meer informatie over dit model is te vinden op de website van het PBL: https://www.pbl.nl/modellen/vesta
7
Warmtetransitie Voerendaal
Gemeentebrede aanpak
Aardgasvrij-voorbereid maken van gebouwen All-electric
Gebiedsgerichte aanpak Warmtenet
Figuur 1. Schematische weergave aanpak warmtetransitie in Voerendaal De gemeentebrede aanpak en verdiepende analyse op pandniveau voor een gebiedsgerichte aanpak verwerken we in de TVW 2.0. Mede op basis van dit laatste worden buurten, wijken of ‘gebieden’ geselecteerd die kansrijk zijn om als eerste van het aardgas af te gaan. Deze noemen we vanaf nu ‘plangebieden’. 7Bij het maken van de TWV 2.0 werken we nauw samen met de andere Parkstadgemeenten. Eventuele warmtebronnen en warmtenetten houden immers niet op bij de gemeentegrens. Vanzelfsprekend betrekken we ook onze inwoners en andere partijen zoals woningcorporaties en Enexis erbij. De TVW 2.0 wordt in de loop van 2022 voorgelegd aan de gemeenteraad. De keuzes die we maken in de TVW 2.0 worden verder uitgewerkt in uitvoeringsplannen voor de plangebieden. Denk hierbij aan onderwerpen als de rol van de gemeente in de warmtetransitie, het op basis daarvan inrichten van de uitvoeringsorganisatie, kaders voor participatie en de op te stellen uitvoeringsplannen. Hierbij kijken we wederom samen met betrokken partijen als inwoners, de woningcorporaties en Enexis naar wat haalbaar en wenselijk is om gebouwen van het aardgas af te halen en welk warmtealternatief de voorkeur heeft. Dit is maatwerk.
1.5 Hoe is deze Transitievisie Warmte tot stand gekomen? De gemeente Voerendaal is samen met de Stadsregio Parkstad, de andere parkstadgemeenten en betrokken stakeholders (zoals woningcorporaties, energiecoöperaties, netbeheerder Enexis en WML) aan de slag gegaan met het maken van de TVW. Onder leiding van een regionale warmtecoördinator onderzochten we de toekomstige warmtebronnen en -technieken voor Voerendaal. We hebben aan de hand van de Startanalyse de verschillende warmtealternatieven met elkaar vergeleken. De resultaten van deze analyse leest u in hoofdstuk 4.2. In samenwerking met (lokale) stakeholders bepaalden we de leidende uitgangspunten voor de warmtetransitie en formuleerden we selectiecriteria om de kansrijke wijken en buurten te bepalen. Deze criteria worden uitgebreider beschreven in hoofdstuk 4.3.
7
Een plangebied betreft een wijk of buurt op basis van de administratieve CBS-indeling, maar eveneens een deel of delen van wijken/buurten die naast elkaar liggen en die gezien hun kenmerken als één gebied beschouwd kunnen worden waardoor het logisch is om met dat gebied als geheel aan de slag te gaan.
8
De gemeente, Enexis, WML en de woningcorporaties hebben relevante aanvullende informatie aangeleverd, bijvoorbeeld over (geplande) nieuwbouw of renovaties van het woningbestand en werkzaamheden aan de fysieke infrastructuur in de buurt. In een aantal (digitale) sessies hebben deze partijen, op basis van de duurzame warmte technieken en opgestelde selectiecriteria, meegedacht over mogelijke kansrijke wijken/buurten. Dit heeft, zoals uitgelegd in paragraaf 1.2, nog niet geleid tot het definitief aanwijzen van gebieden. We hebben bewoners in een online enquête gevraagd hoe zij tegen de warmtetransitie aankijken en in welke mate zij bereid zijn zelf actie te ondernemen. In totaal heeft 16,5% van de huishoudens van Voerendaal deelgenomen aan dit onderzoek, grotendeels particuliere woningeigenaren. In bijlage I worden de uitkomsten van dit draagvlakonderzoek met MoVe2030 beschreven. In dit proces is de gemeenteraad op verschillende momenten meegenomen, onder meer door raadsinformatiebrieven en -avonden. 1.6 Leeswijzer De transitie naar een aardgasvrije omgeving gaat niet alleen om aanpassingen in de openbare ruimte, maar ook om aanpassingen ‘achter de voordeur’. De TVW is daarom in de eerste plaats gericht op de inwoners van Voerendaal.
Dit visiedocument biedt echter ook belangrijke aanknopingspunten voor andere betrokken partijen, zoals woningcorporaties, netbeheerders en installatiebedrijven. De transitie naar een aardgasvrije samenleving vraagt namelijk ook iets van hen, zoals investeringen in het woningvastgoed of in de energie-infrastructuur. We trekken daarom vanaf het begin samen op. In bijlage II vindt u een overzicht van de partners die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van deze Transitievisie Warmte 1.0.
9
Hoofdstuk 2. Onze uitgangspunten voor de warmtetransitie Voor de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving zijn enkele belangrijke uitgangspunten geformuleerd. Met deze uitgangspunten als basis kiezen we in welke plangebieden we als eerste aan de slag gaan. De uitgangspunten zijn daarom een richtlijn voor het selecteren van de eerste wijken, buurten of andere clusters van gebouwen. Op basis van de uitgangspunten maken we ook criteria voor de uitvoering van de warmtetransitie in deze gebieden. 2.1 We doen het samen De overgang naar een duurzame aardgasvrije gemeente slaagt alleen als iedereen meedoet. Zeker omdat in onze wijken en buurten zoveel verschillende soorten gebouwen staan. Alleen door samen te werken, kunnen we een aanpak ontwikkelen die zo goed mogelijk aansluit bij een buurt en de gebouwen daarbinnen. Daarbij hebben we iedereen nodig: individuele woningeigenaren, huurders, woningcorporaties en andere verhuurders, maar ook organisaties, instellingen en bedrijven zoals netbeheerder Enexis. Daarom worden al deze partijen betrokken bij de transitie. Niet alleen bij de uitvoering, maar ook bij het maken van de plannen. Nu bij de Transitievisie Warmte en straks bij de uitvoeringsplannen voor de buurten. Gebouweigenaren hebben vooralsnog de keuze om vrijblijvend mee te doen met de gekozen energie-infrastructuur voor hun buurt8.
2.2 We zetten in op energie besparen: ‘aardgasvrij-voorbereid’ In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2030 ongeveer 20% van alle woningen en gebouwen in Nederland aardgasvrij is. Onze ambitie ligt in lijn met die nationale doelstellingen. Maar we moeten meer de diepte in om de doelstellingen voor Voerendaal nader te formuleren, zoals in hoofdstuk 1 aangegeven. Een goede basis is essentieel in de komende jaren om ook na 2030 met de warmtetransitie verder te kunnen. We richten ons daarom parallel en in de hele gemeente ook op energiebesparing. Goede isolatie en ventilatie zijn randvoorwaarden om onze gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier te verwarmen. Daarom kan het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving niet los worden gezien van het stimuleren en ondersteunen van gebouweigenaren bij het ‘aardgasvrij-voorbereid’ maken van hun gebouwen. Kortom: de gemeente zet in op het volledig aardgasvrij maken van wijken waar dit mogelijk is, rekening houdend met de uitgangspunten genoemd in dit hoofdstuk. Tegelijkertijd zetten we gemeentebreed zoveel mogelijk in op energiebesparing. De WoonWijzerWinkel Limburg draagt hieraan bij. Ook gaan we de mogelijkheden verkennen om ontzorgingsprojecten voor energiebesparing te ontwikkelen zoals we dat ook voor het Zonnepanelenproject Parkstad hebben gedaan.
8
Meewerken aan een alternatief is op dit moment nog geheel vrijwillig. Dit gaat de komende jaren wel veranderen. Over een aantal jaren kan de gemeenteraad een besluit nemen om een wijk van het gas af te sluiten als er sprake is van een goed alternatief.
10
2.3 Betaalbaar, duurzaam en betrouwbaar 2.3.1 Betaalbaar In het Klimaatakkoord staat: ‘de duurzame transformatie van de gebouwde omgeving slaagt alleen als iedereen mee kan doen. Daarvoor moet ze ook voor iedereen betaalbaar zijn’9. Kortom: iedereen moet mee kunnen doen aan deze energietransitie. Daarom vinden wij het belangrijk dat de woonlasten van de inwoners betaalbaar blijven. Hierbij kijken we naar zowel de nationale kosten als de eindgebruikerskosten. Nationale kosten zijn de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om in een gebied over te stappen op een andere manier van verwarmen (denk aan de kosten voor productie en distributie). Eindgebruikerskosten zijn de kosten voor de inwoner zelf. Die bestaan uit onder meer de energierekening en de kosten die nodig zijn om over te schakelen op het alternatief voor aardgas (zoals de kosten voor isoleren of een andere warmte-installatie). In de Startanalyse zijn alleen gemiddelde nationale kosten meegenomen. Het warmtealternatief dat volgens de Startanalyse het beste alternatief voor aardgas is, is gebaseerd op deze gemiddelde nationale kosten. Eindgebruikerskosten voor een specifieke individuele huurder of woningeigenaar zijn op dit moment nog niet inzichtelijk. Deze worden waar mogelijk al duidelijker in de nadere verdieping in de Transitievisie 2.0 en moeten volledig inzichtelijk worden in de wijkuitvoeringsplannen.
Het Klimaatakkoord geeft woonlastenneutraliteit als uitgangspunt aan: het gelijk blijven van de maandelijkse lasten die een huishouden betaalt aan energie (gas, elektriciteit, warmte) en hypotheeklast of huur. Dat wil zeggen dat de verlaging van de energierekening van een huishouden minimaal gelijk moet zijn aan de maandelijkse financieringskosten of huurverhoging die de energiebesparende maatregelen met zich meebrengen. Door maatregelen als isolatie verbetert daarnaast vaak ook het wooncomfort en zal de waarde van een woning naar verwachting stijgen. Toch blijkt uit rapporten10 van het Planbureau voor de Leefomgeving dat woonlastenneutraliteit onder het huidige voorgenomen beleid geen vanzelfsprekendheid is. Voor een bestaande woning vraagt elk alternatief een investering. En het is nog onduidelijk wie verantwoordelijk is voor welke kosten en wie er betaalt voor deze woonlastenneutraliteit. Het is daarom nog niet mogelijk om aan te geven hoe en in hoeverre de ambitie van betaalbaarheid gerealiseerd kan worden. We zullen hiervoor alle mogelijkheden van subsidies en financiële en fiscale regelingen moeten onderzoeken en meenemen waar mogelijk. Dit is maatwerk, en moet per uitvoeringsplan uitgewerkt worden, vóórdat gestart wordt met de uitvoering.
Waar we tegen de grenzen aanlopen van wat lokaal/regionaal geregeld kan worden, zal provinciaal of op landelijk niveau geregeld moeten worden. Wat in ieder geval zeker lijkt is dat de energiekosten van huishoudens zullen stijgen. Kijk bijvoorbeeld naar de grote prijsstijgingen van een kuub aardgas medio 2021 en de gevolgen daarvan voor huishoudens. 2.3.2 Duurzaam
9
Rijksoverheid, 2019, Klimaatakkoord, onderdeel C1 Gebouwde Omgeving p. 15. Dignum, M. et al. (2021), Warmtetransitie in de praktijk. Leren van ervaringen bij het aardgasvrij maken van wijken, Den Haag: PBL; Schilder, F., & M. van der Staak (2020), Woonlastenneutraal koopwoningen verduurzamen: verkenning van de effecten van beleids- en financieringsinstrumenten, Den Haag: PBL. 10
11
De gemeente Voerendaal wil in 2040 energieneutraal zijn. We zetten daarom in op duurzame alternatieven voor aardgas. Hybride oplossingen, zoals een warmtepomp met CV-ketel op aardgas, zien we als een tussenoplossing in de transitie. Deze dragen wel bij aan de reductie van CO2, maar niet aan het behalen van de uiteindelijke doelstelling, tenzij er in de toekomst overgeschakeld wordt op groen gas. Het uitgangspunt is in ieder geval om zo duurzaam mogelijke technieken toe te passen. 2.3.3 Betrouwbaar en realistisch Het alternatief voor aardgas moet betrouwbaar zijn. We gaan voor realistische oplossingen voor de lange termijn. We kiezen voor bewezen technieken en een haalbare fasering. Zo zorgen we ervoor dat we stappen kunnen zetten en voorkomen we dat we inwoners, ondernemers en andere partijen overvragen. Er is helaas niet altijd een eenduidige oplossing voor het aardgasvrij maken van gebouwen. Daarom is het belangrijk om betrouwbare en duidelijke informatie aan bewoners te verstrekken en goede begeleiding te bieden. De gemeente communiceert open en transparant over wat er te gebeuren staat en welke keuzes zij maakt, wat bewoners zelf al kunnen doen en welke onzekerheden er nog zijn. Voor onafhankelijk advies kunnen inwoners van Voerendaal terecht bij de WoonWijzerWinkel Limburg.
2.4 Koppelkansen Werk met werk combineren vergroot de haalbaarheid van het aardgasvrij maken van buurten. Het kan voordelig zijn om het aardgasvrij maken van gebouwen of gebieden af te stemmen op eventuele andere grootschalige werkzaamheden in een buurt. Is de riolering of het gasnet aan vervanging of onderhoud toe? Combineer dat dan met bijvoorbeeld het aanleggen van warmteleidingen. Hetzelfde geldt voor geplande grootschalige nieuwbouw of renovatie of bijvoorbeeld veranderingen in de openbare ruimte. Dit zijn natuurlijke momenten om het aardgasvrij maken van gebouwen aan te koppelen. Door slim te koppelen, voorkom je extra kosten en onnodige overlast. De weg hoeft immers maar één keer open in plaats van twee keer. Maatregelen om een woning klaar te maken om van het aardgas af te gaan kunnen ook goed gecombineerd worden met verbouwingen of verhuizingen. Naast technische en bouwkundige koppelkansen is het ook belangrijk om oog te hebben voor sociale koppelkansen. Wat speelt er in een wijk/buurt op maatschappelijk gebied? Welke problematiek is er? Energie-armoede moet worden tegengegaan. Dit is maatwerk en wordt meegenomen bij het samen vormgeven van de wijkuitvoeringsplannen.
12
Hoofdstuk 3. De opgave Voor de gemeente Voerendaal is een nulmeting uitgevoerd, waarbij het energiegebruik in het basisjaar 2017 in kaart is gebracht. Hiermee hanteren we hetzelfde basisjaar als de RES 1.0 ZuidLimburg, waardoor deze twee documenten goed op elkaar aansluiten. Voor het bepalen van het energiegebruik hebben we gebruik gemaakt van de gegevens die zijn opgenomen in de landelijke Klimaatmonitor, waar mogelijk aangevuld met lokale informatie. 3.1. Energiegebruik gemeente Voerendaal De nulmeting geeft een goed overzicht van het energiegebruik in Voerendaal en laat zien in welke sector dit plaatsvindt. In 2017 bedroeg het totale energiegebruik in Voerendaal 900 terajoule (TJ) en de totale CO2-uitstoot 63,8 kiloton (kton). In onderstaand taartdiagram is het totale energiegebruik in Voerendaal verdeeld over de verschillende sectoren: 10 25 Woningen Commerciële dienstverlening 372
Publieke dienstverlening Industrie, energie, afval en water
384
Verkeer en vervoer Landbouw, bosbouw en visserij 27
62
Hernieuwbare warmte
20
Figuur 2: Energiehuishouding gemeente Voerendaal De sectoren binnen de gebouwde omgeving (woningen, publieke en commerciële dienstverlening) zijn met 461 TJ samen verantwoordelijk voor ongeveer 51% van de totale energievraag in Voerendaal. Dat is iets lager dan gemiddeld in Parkstad (54%). In de sector woningen wordt naar verhouding de meeste energie verbruikt (41,3%). Ook de commerciële (6,9%) en publieke dienstverlening (3%) hebben een belangrijk aandeel in de energievraag in Voerendaal. De sector ‘verkeer en vervoer’ heeft met 42,7% ook een relatief hoog energieverbruik. Wanneer we de energievraag voor woningen verder uitsplitsen, zien we dat maar liefst 83% van de totale energievraag bestaat uit energie voor het verwarmen van gebouwen en voor warm tapwater. Slechts 17% van de energievraag van huishoudens in Voerendaal bestaat uit elektriciteit. Net als in de rest van Nederland, zijn de meeste woningen in Voerendaal aangesloten op het aardgas. Daarmee staan we voor een grote opgave in de transitie naar aardgasvrije en duurzame manieren van verwarmen en koken. Hoe groot is het aandeel duurzame warmte in Voerendaal? In figuur 2 wordt het aantal hernieuwbare warmte-oplossingen in Voerendaal weergegeven voor de periode van 2016 tot 2020. In totaal zijn het 94 pelletkachels, 57 warmtepompen, 4 biomassaketels en 8 zonneboilers.
Hiermee wordt ongeveer 3% hernieuwbare warmte opgewekt. Dat is een heel beperkt aandeel, dat in de toekomst nog zal groeien.
13
Figuur 3: Hernieuwbare warmte-oplossingen in Voerendaal o.b.v. ISDE aanvragen. 3.2. Woningen In totaal heeft Voerendaal 5.759 woningen en 1.165 utiliteitsgebouwen (2017), verdeeld over 16 buurten (zie bijlage 3 voor een volledig overzicht). Het totaal aantal woningen is als volgt over de verschillende woningtypes verdeeld:
Vrijstaande woning
1760
2^1 kap
1936
Hoekwoning
602
Rijwoning
723
Flat / Appartement
495 0
500
1000
1500
2000
2500
Voerendaal
Figuur 4: Verdeling woningvoorraad Voerendaal per woningtype Het energiegebruik varieert per woningtype. Zo zijn flats en appartementen energiezuiniger dan grondgebonden woningen. Daarnaast heeft ook de leeftijd van de woning invloed op het energiegebruik van de woning. De leeftijd van de woningen geeft namelijk een indicatie van de bouwkundige kwaliteit. Onderstaande figuur geeft een overzicht van het bouwjaar van de woningen in Voerendaal. Duidelijk zichtbaar is dat een groot deel van de woningen dateert uit de periode tussen 1955 en 1985 (51,5%), toen er bouwtechnisch minder goede woningen werden gebouwd. 14
Veel van deze woningen zijn vanwege hun leeftijd aan renovatie toe, wat kansen biedt voor het treffen van energiemaatregelen.
1400 1200 1000 800 600 400 200 0 1000 tot 1850 tot 1905 tot 1925 tot 1945 tot 1955 tot 1965 tot 1975 tot 1985 tot 1995 tot 2005 tot vanaf 1850 1905 1925 1945 1955 1965 1975 1985 1995 2005 2015 2015
Fig. 5: Verdeling woningvoorraad Voerendaal per bouwjaar11 Een groot deel van de woningvoorraad bestaat uit koopwoningen (68,5%). Verder is 20,6% van de woningen in bezit van een woningcorporatie (met name Wonen Limburg & Vanhier wonen) en is 8,4% particuliere huur. 3.3 Energielabel woningen Het energielabel laat de energieprestatie van een woning zien en geeft richting aan het bepalen van mogelijke energiebesparende maatregelen. De labelklassen voor woningen lopen van A t/m G, oftewel van weinig tot geen besparingsmogelijkheden (label A) tot veel (label G). Bij de verkoop van een woning is het verplicht om een definitief energielabel te overleggen. Nog niet alle woningen in Nederland hebben een definitief energielabel. Op basis van de woningkenmerken is per woning wel een zogenaamd ‘voorlopig (indicatief) energielabel’ vastgesteld. De verdeling van deze indicatieve energielabels voor de gehele woningvoorraad in de gemeente Voerendaal én Nederland is weergegeven in figuur 512.
11 12
CBS, 2017. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), 2021.
15
Figuur 6: Verdeling indicatieve energie labels woningen Voerendaal t.o.v. Nederland Naast woningen, hebben onder andere winkels en kantoorpanden een belangrijk aandeel in het energieverbruik in de gebouwde omgeving. Ook deze gebouwen moeten worden verduurzaamd. 3.4 Verwachte warmtevraag 2030 De toekomstige warmtevraag per woning zal lager zijn dan nu het geval is. Zowel Het EnergieBureau als Innoforte hebben voor de RES 1.0 een inschatting gemaakt van de warmtevraag voor de gebouwde omgeving in Voerendaal in 2030 en 2050 (zie figuur 7). Als gevolg van energiebesparende maatregelen daalt die vraag in de periode van 2017 tot 2030 van ca. 350 TJ tot iets minder dan 280 TJ, een daling van ca. 22%. Tot 2050 zal de warmtevraag naar verwachting verder dalen tot net boven de 200 TJ, tot ongeveer 60% van de warmtevraag in 2017.
Warmtevraag Voerendaal (TJ) 400 350
48
300 35
250 200 150
21 307 242
100
186
50 0 2017
2030
2050
Het Energiebureau
woningen
Innoforte Caldomus
utiliteit
Figuur 7: Verwachte ontwikkeling warmtevraag gebouwde omgeving Voerendaal 2017-2050. De ontwikkeling van de warmtevraag is afhankelijk van een aantal factoren. Zo is de meerderheid van de woningen particulier bezit. Individuele huishoudens zullen dus bewogen moeten worden tot het nemen van de benodigde energiebesparende maatregelen. Daarbij heeft niet iedere woning dezelfde potentie voor isolatie. De WoonWijzerWinkel Limburg kan een belangrijke rol spelen bij het bepalen
16
van de juiste maatregelen voor individuele woningen op basis van het type woning, bouwjaar en bestaande isolatieniveau. De vraag is niet alleen hoevéél warmte er nodig is, maar ook op welke temperatuur deze warmte beschikbaar moet zijn. Hoe beter de woning geïsoleerd is, hoe lager de afgiftetemperatuur van de verwarming kan zijn. De mate van energiebesparing en de daarbij horende afgiftetemperaturen bepalen mede welke alternatieve warmteoplossingen er gekozen kunnen worden. Ook de beschikbaarheid van alternatieve warmtebronnen in de regio zijn bepalend. Als er onvoldoende middentemperatuur (MT) en hogetemperatuur (HT) warmtebronnen in een regio beschikbaar zijn, zijn extra investeringen noodzakelijk om de woning naar een hoger labelniveau te krijgen. In hoofdstuk 3.6 gaan wij dieper in op de beschikbare alternatieven voor aardgas in de regio. 3.5 Warmtebronnen Naast duurzame elektriciteit en gas zijn er ook nieuwe duurzame warmtebronnen nodig. Als wordt gekozen voor een warmtenet, moet er een lokale warmtebron zijn of worden ontwikkeld, of gebruik worden gemaakt van ‘bovengemeentelijke’ bronnen. Warmte kan echter niet over grote afstanden getransporteerd worden, door hoge kosten en transportverliezen. Vandaar dat in algemene zin voor warmte geldt dat het, in tegenstelling tot elektriciteit en gas, bij voorkeur relatief dicht bij de bron ingezet moet worden.
Naast de beschikbaarheid van de warmtebron is ook de temperatuur van de bron van belang. De temperatuur van de bron bepaalt of de warmte direct bruikbaar is (circa 70 graden) of naverwarmd moet worden voor verwarming van de woning of voor warm water (tussen de 18 en 55 graden). Met lagetemperatuurbronnen, zoals een warmte- en koudeopslag (WKO; zie voor een toelichting de tabel in paragraaf 3.6), kan ook koude worden geleverd. Dit is een goede manier om het stroomverbruik voor koeling te verlagen en duurzaam te verwarmen en te koelen. Als gevolg van een betere isolatie van woningen en gebouwen en de temperatuurverhoging door de klimaatverandering zal in de toekomst steeds meer behoefte aan koeling ontstaan. Ook daarmee moeten we rekening houden. Niet alle bronnen in de regio hebben dezelfde bronkwaliteit, beschikbaarheid, levensduur, kostprijs en hetzelfde draagvlak. Daarbij bepaalt zoals aangegeven de afgiftetemperatuur van de warmtebron of de warmte direct bruikbaar is of naverwarmd moet worden. Bij het bepalen van een alternatief voor aardgas zoeken we naar de optimale mix van beschikbare warmtebronnen, passend bij het type woning en de warmtevraag in de verschillende wijken en buurten van Voerendaal.
Daarnaast zijn sommige bronnen, zoals groen gas en waterstof, ook geschikt voor het maken van elektriciteit, of als brandstof voor zwaar transport en verwarmer van industriële processen. Door de beschikbare warmtebronnen zo goed mogelijk met de energie-infrastructuur te verbinden, kunnen we deze in de toekomst zo optimaal mogelijk inzetten. 3.6 Beschikbaarheid warmtebronnen Voor Parkstad Limburg is een inventarisatie uitgevoerd waaruit de beschikbaarheid van warmtebronnen blijkt. Er zijn drie soorten mogelijk beschikbare bronnen13: 1. lokaal beschikbare bronnen met lokale potentie. Dit zijn bijvoorbeeld lokale bedrijven met beperkte hoeveelheden restwarmte of thermische energie uit afvalwater en drinkwater. 2. regionaal beschikbare bronnen met lokale potentie. Dit betreft bijvoorbeeld geothermie of aquathermie (warmte uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater). Deze bronnen hebben vaak een beperkte transporteerbaarheid en zijn daarom vooral lokaal inzetbaar.
13
RES 1.0 Zuid-Limburg, Samen werken aan een duurzame regio, 2021
17
3. lokaal beschikbare bronnen met regionale potentie. Dit betreft met name restwarmtebronnen, maar bijvoorbeeld ook het concept van Mijnwater BV (een buffervat van lagetemperatuurbronnen, om woningen en utiliteiten te verwarmen). Dit kan over meerdere gemeenten worden uitgerold. Het overzicht hieronder geeft een eerste inzicht in de beschikbaarheid en de potentie per warmtebron: Bron Bodemenergie, WKO en bodemwarmtewisselaars
Luchtwarmtepompen
Zonnewarmte
Restwarmte industrie/bedrijven
Biomassa
Beschrijving Bodemenergie is het gebruiken van de bodem om warmte en koude aan te onttrekken en in op te slaan. Men spreekt van bodemenergie tot een maximale diepte van 500 meter. Een warmtepomp waardeert de warmte uit de bodem op tot een voor gebouwen bruikbaar niveau. Voor individuele gebouwen kan dat met een zogenoemde bodemlus; voor grote gebouwen of clusters van gebouwen kan dit met een WKO-systeem. Luchtwarmtepompen onttrekken warmte aan de buitenlucht om de woning te verwarmen, en gebruiken hiervoor elektriciteit. Het is een individuele oplossing, die per woning of per appartementencomplex toegepast kan worden. De standaard luchtwarmtepomp geeft warmte op lage temperatuur. Een woning moet dan – net als voor andere lagetemperatuur-oplossingen – goed geïsoleerd zijn, en er is een passend warmte-afgiftesysteem nodig zoals vloerverwarming of lagetemperatuurradiatoren. Er zijn ook warmtepompen op de markt voor midden- en hoge temperatuur. Deze hebben wel een hoger elektriciteitsverbruik. Warmte uit zonnecollectoren kan zowel op grotere schaal als per woning ingezet worden. Er bestaan gecombineerde panelen die zowel elektriciteit als warmte leveren, de zogeheten PVT-panelen (fotovoltaïschthermisch). Restwarmte is energie die vrijkomt bij energieomzetting in een productieproces en niet meer binnen het bedrijf zelf kan worden gebruikt.
Biomassa is plantaardig en dierlijk materiaal dat gebruikt kan worden als brandstof of grondstof. Dat kan bijvoorbeeld hout zijn, snoeiafval, afval uit de voedingsindustrie, dierlijke mest of olie uit zaden.
Potentie In potentie veelbelovend. Maar voor bestaande bouw zijn de kosten om gebouwen te isoleren naar het vereiste niveau een belemmering.
In potentie in grote delen van Voerendaal inzetbaar
Potentie nog te berekenen. Zal de benodigde ruimte moeten ‘delen’ met panelen die elektriciteit opwekken. Geen lokale restwarmtebronnen bekend in Voerendaal. Potentie zeer beperkt. De beschikbaarheid van biomassa (houtachtig) op het grondgebied van Voerendaal is met 9,5
18
Biogas
Warmte uit het riool
Aquathermie
Aardwarmte (geothermie)
Er is veel discussie over duurzaamheidsaspecten van biomassa. Op termijn zal biomassa in toenemende mate als materiaal en grondstof gaan dienen. Groen gas wordt gemaakt door mest, gft en ander organisch afval in een vat te laten vergisten. Tijdens dit vergistingsproces komt methaan vrij, ook wel biogas genoemd. Biogas heeft een andere samenstelling en kwaliteit dan aardgas. Voor het toegevoegd wordt aan het gasnet, wordt het eerst opgewaardeerd tot groen gas. Het groene gas kan in huis gebruikt worden voor verwarmen en koken. Groen gas zal vooral gebruikt worden in situaties waar weinig andere opties zijn als buitengebieden, historische stadscentra en monumentale panden. Riothermie is het terugwinnen van warmte uit afvalwater. Veel van het afvalwater van huishoudens is warm (bijvoorbeeld van de wasmachine en de douche) en komt in het riool terecht. Warmte (zeer lage temperatuur) uit oppervlaktewater (TEO) en afvalwater (TEA).
Geothermie of aardwarmte ontstaat door de warmte-uitstraling uit de kern van de aarde. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ondiepe geothermie (vanaf 300 meter) en diepe geothermie (500-4.000 meter). Bij diepe geothermie kan water met een hoge temperatuur (ca. 25-140°C) uit de bodem worden gehaald. Bij ondiepe geothermie (300-500 meter) zijn de watertemperaturen relatief laag (ca. 2025°C). Deze temperatuur kan met behulp van warmtepompen verder worden verhoogd.
TJ/jaar zeer beperkt14. Deze bestaat met name uit snoeiafval (8,7 TJ / jaar). De beschikbaarheid van biogas op het grondgebied van Voerendaal is 203,5 TJ / jaar15 Dit betreft ca. 90 TJ / jaar uit reststromen van de akkerbouw en 110 TJ uit gras en groenvoedergewassen. De potentie voor groen gas uit GFT-afval is met ca. 3,8 TJ / jaar beperkt.
Nog te onderzoeken
Potentie nog onduidelijk. Uit een aantal haalbaarheidsonderzoeken blijkt een beperkte potentie en/of rendabiliteit16 De exacte potentie van geothermie is op dit moment nog onduidelijk. In 2021 wordt door TNO/ECN in het onderzoeksprogramma SCAN17 de potentie van geothermie in Provincie Limburg in kaart gebracht18.
14
RVO.nl, www.warmteatlas.nl RVO.nl, www.warmteatlas.nl 16 RES 1.0 Zuid-Limburg paragraaf 8.4.5 17 www.scanaardwarmte.nl 18 In voormalige mijnbouwregio’s (voormalige Oostelijke- en Westelijke Mijnstreek) ontwikkelt Provincie Limburg in samenwerking met gemeenten op dit moment aanvullend beleid en maatregelen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater dat o.m. als drinkwater wordt gebruikt in de regio. Dit beleid kan variëren van boringsvrije zones tot het sterker reguleren van bodemenergie-systemen. De impact hiervan op de potentie en kosten voor bodemwarmte-oplossingen is nog niet duidelijk. 15
19
Waterstof
Waterstof is geen energiebron, maar een energiedrager. Om waterstof te maken wordt tot nu toe meestal elektriciteit gebruikt uit fossiele gas- en kolencentrales (grijze waterstof). Om groene waterstof te produceren heb je een groot overschot aan duurzame energie nodig. Dat is er voorlopig niet. Ook is de technologie om stroom om te zetten naar waterstof niet efficiënt. In de toekomst zou waterstof een deel van de rol van aardgas over kunnen nemen.
Tot 2030 potentie zeer beperkt tot niet beschikbaar voor de gebouwde omgeving.
Binnen de regio Parkstad zijn twintig mogelijke restwarmtebronnen geïdentificeerd. Figuur 8 laat zien welke bronnen dit zijn en in welke gemeenten ze liggen. Naast de bronnen binnen Parkstad Limburg zijn er twee potentiële grotere warmtebronnen in de nabije omgeving geïdentificeerd, namelijk Chemelot in Sittard-Geleen en Energiepark Herzogenrath over de grens bij Landgraaf en Kerkrade. In deze fase hebben we nog onvoldoende zicht op de definitieve beschikbaarheid en werkelijke potentie van de verschillende warmtebronnen in Voerendaal en de regio. De bronneninventarisatie geeft wel belangrijke eerste inzichten waar mogelijkheden liggen. Uit de bronneninventarisatie blijkt dat het aantal beschikbare restwarmtebronnen binnen de regio beperkt is én ongelijk verdeeld is over de gemeenten. Zo zijn er in Voerendaal bijvoorbeeld geen bruikbare lokale restwarmtebronnen. Voor restwarmte moet uitgeweken worden naar bronnen buiten Voerendaal. Daarbij worden ook mogelijkheden over de grens met Duitsland verkend.
Figuur 8: Potentiële warmtebronnen Parkstad Limburg
Uit de beperkte beschikbaarheid van warmte blijkt dat het heel belangrijk is om dit vraagstuk op regionale schaal af te stemmen met de overige gemeenten in Zuid-Limburg, zodat dezelfde bron niet meerdere keren geclaimd wordt. Ook moet de beoogde energie-infrastructuur in een wijk overeenkomen met de beschikbare bronnen. In de TVW 2.0 wordt dit onderdeel verder uitgewerkt.
20
Hoofdstuk 4. De transitie naar aardgasvrij 4.1 De Startanalyse en lokale data Om gemeenten te helpen bij het vinden van een acceptabel alternatief voor het verwarmen van gebouwen met aardgas, heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een Startanalyse gemaakt. Er bestaan verschillende alternatieven voor het verwarmen van gebouwen met een cv-ketel op aardgas19. Voor een CO2-neutrale warmtevoorziening moet de energie afkomstig zijn van duurzame energiebronnen. De meest geschikte warmteoplossing is afhankelijk van de eigenschappen van het gebouw en de omgeving, zoals de mate van isolatie, het type gebouw, de mate van bebouwing in het gebied en de beschikbaarheid van warmtebronnen. De Startanalyse berekent globaal de effecten en kosten van vijf mogelijke alternatieven of ‘strategieën’ voor aardgasvrij verwarmen. 1. 2. 3. 4. 5.
Individuele elektrische warmtepomp (all-electric); Warmtenet met een midden- of hogetemperatuurbron; Warmtenet met een lagetemperatuurbron; Groen gas met een standaard hr-ketel en/of een hybride warmtepomp; Waterstof met een standaard hr-ketel en/of hybride warmtepomp.
De vijf strategieën kunnen worden verdeeld in (a) individuele technieken, (b) collectieve technieken en (c) hernieuwbaar gas. Individuele oplossingen kunnen voor ieder gebouw los worden toegepast. Bij collectieve oplossingen is het een voorwaarde dat meer dan één woning op een bepaalde technologie overstapt. Bij optie (c) kan het bestaande gasnet in de toekomst ingezet worden voor het transport van andere soorten gas dan aardgas. Binnen elke strategie worden verschillende varianten doorgerekend (zie Bijlage IV voor een volledig overzicht). Elk van deze varianten gaat uit van andere technieken om in de warmtevraag van gebouwen te voorzien. Ook bestaat elke strategie uit een combinatie van technische maatregelen: isolatiemaatregelen die zorgen voor energiebesparing en warmtetechnieken die voorzien in de resterende energiebehoefte. De ene techniek vraagt meer aanpassingen aan gebouwen dan de andere. Duidelijk is dat er niet één alternatief is voor aardgas voor heel Voerendaal, maar dat er in de toekomst sprake zal zijn van een mix van individuele en collectieve oplossingen. In onderstaande paragraaf 4.1.1 worden de vijf strategieën kort toegelicht. 4.1.1 Strategie 1: individuele warmtetechnieken Woningen die minder geschikt zijn voor aansluiting op een warmtenet gaan bij voorkeur over op een all-electric systeem.
‘All-electric’ betekent dat er alleen nog een elektriciteitsnet in de wijk of buurt aanwezig is. Dit geldt bijvoorbeeld voor gebieden met relatief weinig woningen op relatief veel grond in het buitengebied, waar het lastig is om een collectief warmtesysteem rendabel te maken en te onderhouden. Bij all-electric oplossingen wordt een gebouw geheel elektrisch verwarmd. Mogelijke oplossingen zijn individuele elektrische warmtepompen (WP), zonneboilers en infraroodpanelen. Ook hybride oplossingen in combinatie met aardgas zijn een optie in afwachting van de toekomstige beschikbaarheid van groen gas. In de Startanalyse zijn voor deze strategie twee varianten doorgerekend: een lucht-WP en een bodem-WP.
19
https://www.expertisecentrumwarmte.nl/themas/de+leidraad/startanalyse/default.aspx
21
Bij all-electric oplossingen gaat het meestal om lagetemperatuur-verwarming. Dit vereist dat de woning goed is geïsoleerd (minimaal Label B). Vaak zijn ook aanpassingen aan het verwarmingssysteem nodig, zoals het aanleggen van vloer- of wandverwarming of het vervangen van radiatoren. Hoewel een deel van de benodigde elektriciteit kan worden opgewekt op het eigen gebouw door middel van zonnepanelen, zal het elektriciteitsnet bij all-electric oplossingen zwaarder worden belast. Wanneer een groot aantal woningen of gebouwen overschakelt naar een all electricoplossing, moet het elektriciteitsnet mogelijk worden verzwaard. Om het elektriciteitsnet zoveel mogelijk te ontlasten, is het dan ook belangrijk om gebouwen goed te isoleren. Voor die woningen waarbij een all-electric oplossing echt niet mogelijk is (bijvoorbeeld voor monumentale en slecht te isoleren gebouwen), zal een andere oplossing worden gezocht. 4.1.2 Strategie 2 & 3: collectieve warmtetechnieken Een collectief systeem (ook wel warmtenet genoemd) brengt de warmte van één of meerdere bronnen naar een cluster van gebouwen. Warmtenetten zijn met name kansrijk in gebieden met een hoge bebouwingsdichtheid. Een warmtenet kan in een hele buurt worden uitgerold, maar bijvoorbeeld ook op straatniveau.
Voorwaarde voor het ontwikkelen van een warmtenet is wel dat er voldoende bronnen beschikbaar zijn, en dat deze betrouwbaar en betaalbaar zijn. Daarbij maken we onderscheid tussen een midden- (MT) of lagetemperatuur (LT) warmtenet. Middentemperatuur (MT) en hogetemperatuur (HT) warmtenet Een MT-warmtenet verwarmt water naar ca. 55-75°C en een HT-warmtenet naar ca. 75-90 °C. Het verwarmen gebeurt door een collectieve warmtebron, zoals geothermie of restwarmte uit de industrie. Het water wordt vervoerd naar de aangesloten gebouwen en de warmte wordt afgegeven aan het CV-systeem. Een warmtenet met deze temperaturen is warm genoeg voor het verwarmen van de huidige radiatoren in woningen en het verzorgen van warm tapwater. In de woningen zelf zijn dus relatief weinig aanpassingen nodig. Wel is het aan te bevelen om gebouwen goed te isoleren om zo de warmtevraag zoveel mogelijk te beperken. In de Startanalyse worden varianten doorgerekend op basis van verschillende warmtebronnen (industriële restwarmte of geothermie) en op basis van de labels B en D. Lagetemperatuur (LT) warmtenet Een LT-warmtenet heeft een temperatuur van tussen de 30 en 55°C. De temperatuur is te laag om direct warm tapwater te maken en ook voor ruimteverwarming zijn aanpassingen nodig.
Bij LTwarmte wordt het water meestal verwarmd met LT-restwarmtebronnen zoals rioolwaterzuiveringsinstallaties, supermarkten en datacenters. Voor het verwarmen van gebouwen met deze temperatuur moet de woning eerst goed geïsoleerd worden. Ook zijn er vaak aanpassingen nodig aan het warmteafgiftesysteem en is naverwarming nodig voor warm tapwater. Dit kan collectief (voor een groep gebouwen) of individueel (in de woning). In de Startanalyse worden varianten doorgerekend op basis van label B (met levering op 30, 50 en 70 graden) en D (met levering op 70 graden). 4.1.3 Strategie 4 & 5: hernieuwbaar gas Bij de laatste twee strategieën wordt het aardgasnet gebruikt voor het transport van andere soorten gas dan aardgas. Het belangrijkste voordeel is dat de huidige gasleidingen en de huidige CV-ketels en radiatoren behouden kunnen blijven. Hierdoor zijn veel minder aanpassingen aan de infrastructuur en woningen nodig. Groen gas (strategie 4) Warmte voor ruimteverwarming en warm tapwater wordt geleverd door een hybride warmtepomp gecombineerd met een standaard HR-ketel óf alleen door een standaard HR-ketel. In het geval dat warmte door een hybride warmtepomp in combinatie met een standaard HR-ketel geleverd wordt, 22
wordt de HR-ketel ingezet als het vermogen van de warmtepomp ontoereikend is. Dit kan bijvoorbeeld in koude maanden nodig zijn. Een hybride warmtepomp maakt gebruik van een buitenunit die is bevestigd aan het gebouw of die dicht bij het gebouw staat. Buitenlucht en gas zijn de belangrijkste energiebronnen. In de Startanalyse worden varianten doorgerekend op basis van de labels B en D. Waterstof (strategie 5) Deze strategie is vergelijkbaar met strategie 4 (groen gas) en werkt ook met een hybride warmtepomp en/of een HR-ketel. In deze variant moeten de warmtepomp en HR-ketel wel geschikt zijn of worden gemaakt voor het gebruik met waterstof. Net als bij groen gas zijn ook voor waterstof varianten doorgerekend op basis van de labels B en D. De huidige beschikbaarheid van groen gas en waterstof is beperkt. Ook is nog onduidelijk hoe de beschikbaarheid zich in de toekomst ontwikkelt. Dit hangt af van het op gang komen van een (internationale) waterstofmarkt, technische ontwikkelingen zoals opschaling en de aanleg van een hoofdinfrastructuur en de vraag vanuit verschillende sectoren zoals de industrie en mobiliteit. Deze strategieën kunnen we daarom het beste reserveren voor plaatsen waar afkoppeling van het aardgasnet lastig is en je liever niet de grond in gaat, bijvoorbeeld bij kwetsbare gebouwen en monumenten.
Ondanks de onzekerheid rondom de beschikbaarheid van groen gas en waterstof, zijn strategie 4 en 5 wel doorgerekend in de analyse van gemeente Voerendaal. Dit is gedaan om nu al in beeld te brengen voor welke buurten duurzame gassen in de toekomst mogelijk een alternatief zijn. 4.2 Resultaten Startanalyse voor Voerendaal Om een richtinggevend beeld te geven van de warmteopties per buurt, hebben wij in Voerendaal het landelijke model aangevuld met lokale data. De gebruikte lokale data is afkomstig van de gemeente en van lokale en regionale stakeholders zoals woningcorporaties en netbeheerder Enexis. Door middel van lokale data worden uitkomsten betrouwbaarder en sluiten zij beter aan bij de lokale situatie in onze gemeenten. In totaal zijn er voor Voerendaal drie scenario’s doorgerekend op basis van de beschikbaarheid van voldoende restwarmte en groen gas tot 2030: Scenario 1: label B of hoger en voldoende restwarmte beschikbaar; Scenario 2: label D of hoger en beperkt restwarmte beschikbaar; Scenario 3: label D of hoger zonder groen gas; De uitkomsten van deze analyse zijn weergegeven in figuur 10. Indien er voldoende restwarmte beschikbaar is (scenario 1), is een warmtenet met MT- of HT-bron gecombineerd met isolatie naar label B in veel buurten het goedkoopste scenario.
Indien er echter onvoldoende restwarmte beschikbaar is, en woningen slechts tot label D geïsoleerd worden (scenario 2), stijgt het aantal buurten waarvoor groen gas het beste alternatief is aanzienlijk. Omdat de hoeveelheid groen gas in de komende jaren slechts beperkt beschikbaar is, is in scenario 3 de optie groen gas buiten beschouwing gelaten. Daarbij komt de optie ‘all-electric’ voor de meeste buurten als voorkeursoplossing uit de Startanalyse.
23
Scenario 1: label B of hoger en voldoende restwarmte beschikbaar
Scenario 2: label D of hoger en beperkte hoeveelheid restwarmte beschikbaar
Scenario 3: label D of hoger, tot 2030 zonder groen gas.
Figuur 9 Warmteopties per buurt op basis van Startanalyse en beschikbaarheid warmtebronnen Noot: Op basis van de nationale kosten in het rekenmodel Vesta-MAIS is waterstof tot 2030 geen realistische optie voor de gebouwde omgeving. Scenario 5 (S5) komt daarom niet zichtbaar terug in bovenstaand figuur.
24
De resultaten uit de drie scenario’s zijn een vertrekpunt voor de verdere uitwerking van de TVW 1.0 naar de Transitievisie 2.0 en voor concrete wijkuitvoeringsplannen. Het onderzoeksbeeld per buurt kan in de loop der jaren nog wijzigen onder invloed van (technologische) ontwikkelingen, de verdere onderzoeken op het gebied van (toekomstige) beschikbaarheid van warmtebronnen, nader pandonderzoek en afwegingen of voorkeuren van gebouweigenaren, bewoners en belangrijke stakeholders. De focus ligt in Voerendaal voorlopig op de buurten waar met een grote mate van zekerheid een logisch en betaalbaar alternatief voor aardgas beschikbaar is in de vorm van individuele oplossingen, een warmtenet of groengas. Gelet op de beperkte beschikbaarheid van hernieuwbaar gas, speelt dit tot 2030 vooralsnog geen rol van betekenis in de wijkplannen. In buurten waar uit de analyse blijkt dat hernieuwbaar gas de laagste nationale kosten heeft, kan worden ingezet op tussenstappen als isolatie en hybride warmtepompen. 4.3 Selectiecriteria voor kansrijke buurt(en) in Voerendaal Voerendaal wordt tussen nu en 2050 aardgasvrij. We kunnen niet overal in de gemeente tegelijk aan de slag. Dat is geen wenselijk scenario en vergt te veel van alle betrokkenen. Bovendien zou daarmee geen ruimte ontstaan voor een leereffect waarmee we opgedane kennis en ervaringen van buurt tot buurt kunnen meenemen.
Het is daarom belangrijk dat we duidelijke keuzes maken om te komen tot kansrijke wijken en een realistisch tijdspad waarin buurten aardgasvrij worden. Om werkzaamheden in de tijd te faseren en om te bepalen in welke volgorde buurten aardgasvrij worden, hebben we de uitgangspunten uit hoofdstuk 2 vertaald naar selectiecriteria die bepalen of een buurt kansrijk is om te starten. De selectiecriteria hieronder zijn tijdens bijeenkomsten op regionaal niveau samen met verschillende stakeholders bepaald. Stakeholders zijn bijvoorbeeld woningcorporaties, netbeheerder Enexis, Waterleiding Maatschappij Limburg (WML) en de Participatiecoalitie.20 De mogelijke selectiecriteria zijn verdeeld in vier hoofdgroepen: 1. Bewoners en participatiegroepen. Een belangrijk vertrekpunt bij de bepaling van kansrijke buurten is het draagvlak onder bewoners en/of initiatieven van bewonersgroepen die er al zijn. De gemeente Voerendaal vindt het belangrijk om de mening, actiebereidheid en wensen van huurders en eigenaren over wonen zonder aardgas mee te nemen bij het maken van de plannen. Daarom werd ieder huishouden in de gemeente uitgenodigd om mee te doen aan het draagvlak-onderzoek MoVe2030. Met de uitkomsten van die draagvlakmonitor (bijlage I) hebben we een eerste beeld over het draagvlak onder de inwoners van Voerendaal over de warmtetransitie.