Vragen - beantwoording - CDA - Vervolgvragen Dossier Cultuurwerf- Bijlage
Tekst van het document
COWENSSIE BEZWAARSCHRIFTEN VLISSINGEN c
t
Advies
van
ingediend
de
B
commissie
bezwaarschriften
Vlissingen
(geanonimiseerd) am
over
het
bezwaarschrift
dat
(geanonimiseerd) n
is
zijn
hoedanigheid als curator in het faillissement van de Stichting Kunst & Cultuur Vlissingen (hierna: bezwaarmaker). Het bezwaarschrift is gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen (hierna: verweerder) van 27 oktober 2023 waarbij de aanvraag voor de toekenning van een bedrag in het kader van schuldsanering is afgewezen.
toorzen (geanonimiseerd) NNN :° De commissie
adviseert in de volgende
1. OVERZICHT
VAN
DE
samenstelli
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
a
PROCEDURE
Op 28 augustus 2023 heeft de stichting Kunst & Cultuur Vlissingen (hierna: de Cultuurwerf)
een aanvraag ingediend voor de toekenning van een bedrag in het kader van schuldsanering. Bij besluit van
27
oktober
2023
heeft verweerder
de
bovengenoemde
subsidieaanvraag
afgewezen. Hierop
is
namens
bovengenoemde
bezwaarmaker
een
pro
forma
besluit van 27 oktober 2023, ontvangen
bezwaar
ingediend
tegen
het
bij e-mailbericht van 6 december
2023.
Vervolgens zijn namens bezwaarmaker de gronden van het bezwaar ingediend.
Namens verweerder is vervolgens een verweerschrift ingediend. Op 29 februari 2024 heeft bezwaarmaker een aanvullend bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op 15 maart 2024 een aanvullend verweerschrift ingediend. De bovengenoemde stukken zijn ter advisering doorgezonden naar de commissie bezwaarschriften.
Op
28
maart
2024
heeft
een
hoorzitting
plaatsgevonden.
Bezwaarmaker
is ter zitting
(geanonimiseerd) Namens verweerder was verschenen, bijgestaan door_ (geanonimiseerd) aanwezig (geanonimiseerd) , beleidsmedewerker, bijgestaan doo Van de hoorzitting is, met toestemming van de aanwezigen, een audio-opname gemaakt.
2. DE ONTVANKELIJKHEID
Alvorens het bezwaarschrift inhoudelijk in behandeling kan worden genomen, is het volgens het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van belang dat bezwaarmaker ontvangen kan worden in haar bezwaren. Daaraan zijn vier wettelijke voorwaarden gesteld: 1.
Het bezwaarschrift moet zijn gericht tegen een appellabel besluit;
2.
De bezwaarmaker moet belanghebbende zijn;
3. 4.
Het bezwaarschrift moet tijdig zijn ingediend, en Het bezwaarschrift moet voldoen aan de daaraan gestelde wettelijke vormvereisten.
Ad 1. Het
bestreden
besluit
artikel 1:3, tweede
betreft
naar
het
oordeel
van
de
commissie
een
besluit
in de
zin van
lid van de Awb en is derhalve vatbaar voor bezwaar. De commissie zal dit
onder de beoordeling van het geschil bij de kwalificatie van het bestreden
besluit nader
toelichten. Ad2.
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit betrokken
is. Bezwaarmaker
is als curator in het faillissement van de Cultuurwerf
aan te
merken als belanghebbende. Ad3.
Op grond van artikel 6:8 van de Awb is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift
aangevangen op 28 oktober 2023. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb betekent dit dat de bezwaartermijn is geëindigd op 8 december 2023. Het pro forma bezwaarschrift is op 6
december 2023 ontvangen en dus tijdig ingediend. Ad 4.
Het (pro forma / aanvullende) bezwaarschrift is voorzien van de naam en het adres van bezwaarmaker, een datum, een omschrijving van het bestreden besluit en de gronden van het bezwaar. Het bezwaarschrift voldoet daarmee aan de in artikel 6:5 van de Awb gestelde eisen.
De commissie concludeert derhalve dat bezwaarmaker ontvankelijk is in haar bezwaar.
3. DE GRONDEN
VAN
HET
BEZWAAR
Bezwaarmaker maakt bezwaar tegen het bestreden besluit en verzoekt primair het bezwaarschrift aan te merken als niet-ontvankelijk en het bestreden besluit te herroepen met inachtneming van de bezwaargronden. Subsidiair verzoekt bezwaarmaker het bestreden besluit te herroepen en alsnog de subsidie toe te kennen. Bezwaarmaker voert daartoe,
samengevat en zakelijk weergegeven, de volgende gronden van bezwaar aan. Bezwaarmaker stelt zich primair op het standpunt dat zijn bezwaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de aanvraag ten onrechte is gekwalificeerd als subsidieaanvraag
waardoor verweerder ook geen besluit in de zin van de Awb kon nemen. Hij voert daartoe aan dat de Cultuurwerf evenementen organiseerde in opdracht van de gemeente Vlissingen.
Er was dus geen sprake van een subsidierelatie, maar sprake van een overeenkomst van opdracht. In het aanvullend bezwaar heeft bezwaarmaker aangevoerd dat het beroep op niet ontvankelijkheid alleen ziet op het tweede deel van het bestreden besluit dat als een afwijzing van een aanvraag om een subsidie moet worden gekwalificeerd.
Verder doet bezwaarmaker een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat er sprake is van een bestuurlijke toezegging op grond waarvan de Cultuurwerf in de gegeven omstandigheden mocht vertrouwen dat verweerder aan haar een bedrag zou toekennen om financiële gaten te dichten.
Mocht er toch sprake zijn van een subsidie en er geen sprake zijn van een gerechtvaardigd beroep op een toezegging, dan doet bezwaarmaker op grond van het evenredigheids-
beginsel in combinatie met de hardheidsclausule een beroep op de gevraagde financiële middelen.
Ten slotte heeft bezwaarmaker eveneens beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en het materieel rechtszekerheidsbeginsel.
4. STANDPUNT
VERWEERDER
Verweerder is van mening dat het bezwaar ontvankelijk en ongegrond is en dat het
bestreden besluit daarom in stand kan blijven. Zij voert daartoe, samengevat en zakelijk weergegeven, het navolgende aan. Verweerder is van mening dat de brief van 27 oktober 2023 wel degelijk dient te worden aangemerkt als appellabel besluit op een aanvraag voor een incidentele subsidie. Het
bezwaar is volgens verweerder daarom wel ontvankelijk te achten. Verder voert verweerder aan dat er wel degelijk sprake is van een subsidierelatie en betwist zij dat er een opdrachtrelatie bestond tussen partijen. Er is jarenlang op verzoek van de
Cultuurwerf subsidie verleend binnen het door de gemeente vastgestelde juridisch kader. Daarbij was de Cultuurwerf zelf verantwoordelijk voor haar organisatie en de organisatie van evenementen.
Verweerder betwist dat er sprake is van toezeggingen aan de curator of de Cultuurwerf.
Volgens verweerder is dat ook niet aannemelijk gemaakt door bezwaarmaker. Er is door de wethouder en ambtenaren gesproken over mogelijke scenario's, er zijn geen (concrete) toezeggingen gedaan. Verder is er uitgesproken dat er een bepaalde inspanning verricht werd, maar ook dat er nog geen bestuurlijke besluitvorming had plaatsgevonden en juist dat geen toezeggingen gedaan konden worden. Verweerder is dan ook van mening dat er geen
sprake is van een gerechtvaardigd vertrouwen over het verkrijgen van subsidie. Daarnaast ziet verweerder in het beroep op de hardheidsclausule uit de Algemene subsidieverordening en het evenredigheidsbeginsel ook geen reden om het bestreden
besluit te herzien. Verweerder
beschouwt
het boedeltekort en het feit dat schuldeisers
vorderingen hebben op bezwaarmaker niet als een bij het bestreden besluit betrokken
belang. Dit weegt voor verweerder dan ook niet mee in de belangenafweging. Verweerder ziet verder niet in hoe mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid van het bestuur van de Cultuurwerf zich, gelet op de bijzondere hoedanigheid en taakstelling van de curator, zou kunnen vertalen naar nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor de curator die een geslaagd beroep van de curator op het evenredigheidsbeginsel kunnen rechtvaardigen. Als blijkt dat er wel sprake is van bij het bestreden besluit betrokken belangen, dan heeft bezwaarmaker naar mening van verweerder onvoldoende aangevoerd waarom het bestreden besluit onevenredig is. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet het tegengaan van nadelige
gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. Een besluit met ‘harde’ gevolgen is daarom volgens de Afdeling niet per definitie een
onevenredig besluit.
5. HET WETTELIJK
KADER
Het wettelijk kader bestaat onder meer uit de Awb, de Algemene subsidieverordening Vlissingen 2018 (hierna: de Verordening 2018), de Algemene subsidieverordening Vlissingen
2023 (hierna: de Verordening 2023) en de Subsidieregels gemeente Vlissingen.
6. DE BEOORDELING
VAN
HET GESCHIL
De commissie ziet zich voor de vraag gesteld of het bestreden besluit al dan niet op goede gronden tot stand is gekomen. Alvorens de beoordeling daarvan, zal de commissie ingaan op het procesbelang en de status van het bestreden besluit. Procesbelang Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van procesbelang, zodat de commissie daar vanuit gaat. Status bestreden besluit
Ten aanzien van de status van de kwalificatie van de subsidieaanvraag en derhalve het besluit van 27 oktober 2023, overweegt de commissie als volgt.
Ingevolge artikel 4:21, eerste lid, van de Awb wordt onder subsidie verstaan de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.
Naar het oordeel van de commissie is daar in het onderhavige geval sprake van. Daarbij acht de commissie van belang dat er tussen verweerder en de Cultuurwerf reeds een langdurige door
het subsidierecht
beheerste
relatie bestaat.
Bezwaarmaker heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat de aanvraag voor de toekenning van een bedrag in het kader van schuldsanering een privaatrechtelijke grondslag had en dat
de aanvraag door verweerder ten onrechte is gekwalificeerd als subsidieaanvraag, maar daarin volgt de commissie bezwaarmaker niet. In de aanvraag voor de financiële bijdrage wordt immers tevens een beroep gedaan op de hardheidsclausule uit de Verordening 2018. Bovendien heeft bezwaarmaker, destijds nog in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de Cultuurwerf, in de zienswijze verzocht om het voorgenomen besluit te heroverwegen en
alsnog een subsidie toe te kennen. Op basis daarvan kon verweerder naar het oordeel van de commissie niet anders concluderen dan dat er in het onderhavige geval sprake is van een subsidieaanvraag. Het besluit van 27 oktober 2023 dient naar het oordeel van de commissie dan ook te worden aangemerkt als appellabel besluit op de betreffende aanvraag voor een incidentele subsidie.
Voor zover bezwaarmaker zich op het standpunt stelt dat er sprake is van een overeenkomst
van opdracht, zal hij zich tot de civiele rechter dienen te wenden. De commissie zal uitsluitend beoordelen of de onderhavige subsidieaanvraag al dan niet terecht is afgewezen. Weigeringsgrond Het bezwaar dat verweerder in het onderhavige geval in redelijkheid geen gebruik heeft
kunnen maken van haar bevoegdheid om de subsidieaanvraag te weigeren op grond van artikel 4:35, tweede lid, sub b Awb, daarin volgt de commissie bezwaarmaker niet. Uit het bestreden besluit volgt naar het oordeel van de commissie dat verweerder voorop heeft gesteld dat zij geen grondslag ziet om de gevraagde bijdrage als subsidie toe te
kennen, aangezien een subsidie is bedoeld met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager en daarvan is volgens verweerder geen sprake als, nadat de evenementen
reeds
zijn uitgevoerd, achteraf nog om een bijdrage door de organisatie wordt gevraagd in het kader van de schuldsanering.
De commissie is met verweerder van oordeel dat, voor zover de subsidieaanvraag al gerelateerd kan worden aan de reeds verrichte activiteiten van de twee festivals, uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat zelfs in dat geval deze weigeringsgrond kan worden ingeroepen. Van een motiveringsgebrek vanwege het ontbreken van een belangenafweging
in het bestreden besluit is naar het oordeel van de commissie ook geen sprake. Verweerder heeft immers aangegeven zich bewust te zijn van de eventuele verstrekkende gevolgen van een afwijzing van de subsidieaanvraag en dit meegenomen in haar belangenafweging. Beroep op het vertrouwensbeginsel
Verder doet bezwaarmaker een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat er sprake is van een bestuurlijke toezegging op grond waarvan de Cultuurwerf in de gegeven omstandigheden mocht vertrouwen dat verweerder aan haar een bedrag zou toekennen om financiële gaten te dichten.
Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel moeten op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ( hierna: de
Afdeling) drie stappen worden doorlopen. De eerste is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Doorgaans zal de uitlating
en/of gedraging door een ambtenaar worden gedaan of worden verricht, maar dit kan ook gebeuren door anderen, bijvoorbeeld een wethouder of derden die door het bestuursorgaan
worden ingeschakeld. Kan die uitlating en/of gedraging worden gekwalificeerd als een toezegging? Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten
worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid. De commissie heeft kennisgenomen van de door bezwaarmaker overgelegde stukken alsook van de door verweerder ter inzage gelegde op de zaak betrekking hebbende stukken. Uit
deze stukken, in het bijzonder het samenstel van de transcripties van de bestuurlijke overleggen in de periode 2022-2023, komt naar het oordeel van de commissie naar voren
dat er sprake is geweest van een vergaande inspanning vanuit bestuurders en ambtenaren, waarbij meegedacht werd over mogelijke scenario’s om de bestaande subsidierelatie te
kunnen voortzetten danwel een oplossing te vinden die voor alle betrokken partijen acceptabel zou zijn. Die positieve grondhouding maakt naar het oordeel van de commissie echter nog niet dat er sprake is geweest van toezeggingen. Tussen partijen is niet in geschil
dat er geen sprake is geweest van een concrete ondubbelzinnige toezegging op een bepaald moment.
Bovendien is nimmer over een concreet bedrag gesproken. Bezwaarmaker bepleit
dat de toezegging moet worden gelezen uit het samenstel van de transcripties. Hoewel uit het samenstel van de transcripties blijkt dat de deelnemers van de overleggen destijds graag samen verder wilden en zich hebben ingespannen om te bezien hoe dat mogelijk kan
worden gemaakt, blijkt uit het samenstel van de transcripties juist ook dat er regelmatig voorbehouden zijn gemaakt van bestuurlijke besluitvorming en de onbevoegdheid van de
wethouder om toezeggingen te doen en dat ook de Cultuurwerf zelf zich bewust was van dat besluitvormingsproces. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt naar het oordeel van de commissie
derhalve niet.
Beroep op het beginsel van materiele rechtszekerheid / gelijkheidsbeginsel Bezwaarmaker heeft tevens een beroep gedaan om het beginsel van materiele rechtszekerheid en het gelijkheidsbeginsel. De gronden die zijn aangevoerd in het kader van
het materiele rechtszekerheidsbeginsel zien op het ontstaan van de Cultuurwerf en de werkwijze in de jarenlange subsidierelatie. Verweerder heeft echter onweersproken gesteld dat van het structureel bijspringen bij financiële tekorten in het verleden al geen sprake was, dat sinds 2014 bovendien een beleidsontwikkeling is ingezet om geen organisaties meer te subsidiëren, maar alleen nog activiteiten en evenementen en dat de afbouw van subsidie
voor de Cultuurwerf naar activiteitensubsidies sinds 2019 een feit is. Mede gelet hierop is naar het oordeel van de commissie derhalve niet gehandeld in strijd met het materiele rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat naar het oordeel van de commissie eveneens niet op. Er is niet, althans onvoldoende, gebleken dat er sprake is van gelijke gevallen. Dat vanuit andere decentrale overheden mogelijk wel middelen zijn
verstrekt aan organisaties van andere bevrijdingsfestivals die met financiële problemen te maken hadden, maakt naar het oordeel van de commissie niet dat de onderhavige
subsidieaanvraag eveneens dient te worden toegewezen.
Beroep op het evenredigheidsbeginsel / hardheidsclausule Ten aanzien van het beroep op het evenredigheidsbeginsel wijst de commissie op de
uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022. De commissie ziet in het onderhavige bestreden besluit geen zodanige onevenredigheid, dat het bestreden besluit herroepen dient te worden. Het bestreden besluit is een beslissing op de aanvraag voor een subsidie.
Verweerder heeft die aanvraag getoetst aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving. Daarbij heeft zij het belang van de Cultuurwerf enerzijds afgewogen tegen de
belangen van de gemeente. Verweerder heeft gemotiveerd dat zij de belangen van de correcte en prudente besteding van gemeenschapsgeleden belangrijker vindt dan het financieel bijstaan van de Cultuurwerf. Het enkele feit dat het bestreden besluit mogelijk
nadelige gevolgen heeft voor het bestuur van de Cultuurwerf en gedupeerde schuldeisers, maakt nog niet dat er sprake is van een onevenredig besluit. het beroep op het
evenredigheidsbeginsel gaat derhalve niet op. Ook het beroep op de toepassing van de hardheidsclausule slaagt niet. Verweerder heeft in de belangenafweging meegewogen dat toepassing van de hardheidsclausule haaks zou staan op het bestaande beleid. Het beleid is immers om nog beperkt activiteiten te subsidiëren. Die activiteiten worden dan niet achteraf gesubsidieerd. Het beroep op de hardheidsclausule maakt naar het oordeel van de commissie niet dat op het bestreden besluit dient te worden
teruggekomen. Conclusie
Gelet op het bovenstaande komt de commissie tot de conclusie dat het bestreden besluit op goed gronden tot stand is gekomen.
7. ADVIES
De commissie
adviseert
het college van
burgemeester
en wethouders
het bezwaarschrift
(geanonimiseerd) in zijn hoedanigheid als curator in het ingediend namens N faillissement van de Stichting Kunst & Cultuur Vlissingen 27 oktober 2023 ontvankelijk en ongegrond te verklaren.
en gericht tegen
Vlissingen, 18 april 2024, Commissie bezwaarschriften Vlissingen
(geanonimiseerd)
(geanonimise rd) VOorzitter
(geanonimiseerd)
(geanonimise rd) secretaris
het besluit van