Vragen - 117. HVD - Bodemverontreiniging Veiligscentrum Zeeland (aanvullende vragen)
Tekst van het document
Aan het college van B&W van de gemeente Vlissingen
Onderwerp: Aanvullende art 34 vragen over verantwoordelijkheid, risico’s en transparantie bij bodemverontreiniging van het Veiligheidscentrum Zeeland (VCZ)
Geacht college, Naar aanleiding van de beantwoording van onze eerdere vragen over de verontreiniging op het terrein van het Veiligheidscentrum Zeeland (VCZ) en verkoop van dit terrein constateert onze fractie dat er nog steeds belangrijke onduidelijkheden zijn. Vooral over wie waarvoor verantwoordelijk is, sinds wanneer de gemeente van de verontreiniging hiervan op de hoogte is, welke juridische en financiële risico’s er zijn bij een mogelijke verkoop en hoe de raad hierover geïnformeerd is. De ernst van de verontreiniging, de mogelijke invloed op de waarde van publieke middelen en het ontbreken van een volledig bodemrapport vragen om aanvullende informatie. Omdat de beantwoording van het college op verschillende punten nog onvoldoende duidelijkheid geeft om volledig inzicht te krijgen in de bestuurlijke, juridische en financiële gevolgen stelt Hart voor de Dorpen de volgende aanvullende vragen: 1. Welke specifieke wet- en regelgeving is van toepassing op de vastgestelde sterke bodem- en grondwaterverontreiniging en welke verplichtingen volgen daaruit voor de grondeigenaar (North Sea Port) en de huurder (VCZ)? Graag toelichting. 2. Wat is in de huurovereenkomst(en) tussen VCZ en North Sea Port opgenomen over aansprakelijkheid, schade, milieuzorgplicht en de financiële verantwoordelijkheid bij verontreiniging door gebruik van verschillende middelen (bijv.
blusmiddelen)? Graag ontvangen wij deze huurovereenkomst. 3. Zijn er aanwijzingen dat de verontreiniging afgelopen jaren verergerd is tijdens het gebruik door VCZ en is VCZ hierover formeel aangesproken? 4. Sinds welke datum beschikt de gemeente over kennis van de ernstige PFAS- en olieverontreiniging op het terrein, en op welke wijze is deze informatie gedeeld binnen de gemeentelijke organisatie en met de VRZ? 5. Kan het college aangeven op welke momenten, zowel recent als in het verleden, de gemeente, schriftelijk of bestuurlijk, contact heeft gehad met VCZ en/of North Sea Port over de verontreiniging, en welke afspraken daarbij zijn gemaakt? Indien er geen contact is geweest: om welke reden(en) is dit onderwerp nooit met VCZ en North Sea Port besproken? Zo ja, kunnen hiervan de verslagen of besluitenlijsten aan de raad worden verstrekt? 6. Waarom is de gemeenteraad niet eerder geïnformeerd over deze ernstige verontreiniging, terwijl deze jaarlijks of driejaarlijks uit onderzoeken bleek (de laatste keer in 2024)?
7. Een bodemrapport is onmisbaar als de gemeente tenminste een transparant openbaar verkoopproces voorstaat. Is het college bereid, samen met VCZ en North Sea Port, te zorgen voor een volledig en actueel bodemrapport vóórdat het verkoopproces verdergaat, zodat sprake kan zijn van een transparant en juridisch zorgvuldig traject? Zo nee, waarom niet? 8. Heeft de gemeente afspraken vastgelegd over financiële compensatie mocht blijken dat de verontreiniging leidt tot een substantieel lagere opbrengst? 9. Is onderzocht of de gemeente bij verkoop alsnog indirect financiële of juridische aansprakelijkheid kan lopen voor historische milieuschade gezien de kennis hierover, en zo ja, welke risico’s zijn daarbij? Welke risico’s zijn hierin benoemd. 10. Welke maatregelen zijn in de afgelopen jaren genomen door de gemeente, VCZ en/of North Sea Port om verdere verontreiniging van het terrein te voorkomen of te beperken, en met welke resultaten? Fractie Hart voor de Dorpen Louise Claessens Joanna Weijermans