rvs Startnotitie ‘Creëren mogelijkheden voor schuurtjes in Bossenburg’ bijlage 4 reactie initiatiefnemers wensen en bedenkingen
Tekst van het document
Reactie initiatiefnemers op wensen en bedenkingen college
De wensen en bedenking van het college zijn als volgt: 1. afwijking van eerdere collegebesluiten aangaande handhaving in Bossenburg en het hieruit voortvloeiende nog lopende handhavingstraject in Bossenburg; 2. precedentwerking ten aanzien van andere gelijksoortige situaties in andere gebieden binnen gemeente Vlissingen; 3. stedenbouwkundige argumenten zoals aantasting van straat- en bebouwingsbeeld; 4. ontbreken capaciteitsraming ambtelijke ondersteuning en product- en proceskosten, die gemoeid zijn met verwezenlijking initiatiefvoorstel.
Ad 1. Het college wordt niet gevraagd om af te wijken van zijn besluiten aangaande handhaving en het hieruit voortvloeiende handhavingstraject: het college wordt niet gevraagd om de handhaving te stoppen en het college wordt ook niet gevraagd om schuurtjes alsnog te legaliseren. De schuurtjes zijn zonder vergunning gebouwd en op basis van de huidige regelgeving kan voor die schuurtjes niet alsnog vergunning worden verleend. Daarover verschillen initiatiefnemers niet van mening met het college.
Wat het college gevraagd wordt is om initiatiefnemers, door middel van ambtelijke ondersteuning, in staat te stellen om parallel aan die handhaving de problemen die bewoners ervaren op te lossen. Door (eerste oplossingsrichting) te onderzoeken of de voorwaarden waaronder door het college vergunningen kunnen worden verleend voor schuurtjes in de voortuin kunnen worden verruimd en bewoners ondersteuning te bieden bij het gezamenlijk, en daarmee zo goedkoop mogelijk, inkopen van materialen en/of het inhuren van vakmensen voor de bouw van die schuurtjes. Door (tweede oplossingsrichting) medewerking te verlenen aan de bewoners voor het creëren van uitgangen van de achtertuinen zodat in de achtertuinen vergunningvrij schuurtjes gebouwd kunnen worden of bestaande schuurtjes gebruikt kunnen worden voor het stallen van fietsen/brommers/scooters/scootmobielen en deze vervoersmiddelen niet steeds door de woning hoeven.
Ad 2. Een precedent is een gebeurtenis waarop men zich kan beroepen en kan eisen in dezelfde omstandigheden dezelfde behandeling te krijgen. Precedentwerking gaat in essentie om gelijkheid, een pijler van democratie en rechtsstaat.
Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is maatwerk. Het benutten en beschermen van de leefomgeving vragen om beoordeling per geval, per plan, per initiatief. Menig bestuursorgaan maakt zich bij maatwerk zorgen om precedentwerking. Gelijke gevallen moeten immers gelijk worden behandeld. Het bieden van maatwerk lijkt daarmee soms op gespannen voet te staan. Maar is dat echt zo? Het antwoord op die vraag is ‘nee’. De praktijk is namelijk dat situaties
zelden gelijk zijn. Een beroep op precedentwerking, dan wel het gelijkheidsbeginsel, slaagt in de juridische praktijk dan ook zelden.
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormt het juridisch kader voor bestuursorganen bij het bieden van maatwerk. De Awb biedt een gereedschapskist waarmee maatwerk kan worden vormgegeven. Een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn daarbij in het bijzonder van belang:
Zorgvuldigheidsbeginsel Het zorgvuldigheidsbeginsel verlangt juist maatwerk van de overheid. Op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel moet de overheid namelijk bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaren. Dit betekent – kort gezegd – dat van bestuursorganen wordt verwacht dat zij informatie verzamelen over het individuele geval. Uit het zorgvuldigheidsbeginsel volgt ook dat als vergaarde feiten en belangen daartoe aanleiding geven, een bestuursorgaan in haar besluitvorming maatwerk moet leveren dat is afgestemd op die individuele feiten en belangen.
Evenredigheidsbeginsel Bestuursorganen moeten bij hun besluitvorming rekening houden met de belangen die spelen. De gevolgen van een besluit mogen voor een belanghebbende niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het evenredigheidsbeginsel vraagt dus van bestuursorganen dat zij bij hun besluitvorming stilstaan bij de vraag of een besluit in de concrete omstandigheden van dat specifieke geval niet leidt tot onevenredige gevolgen in de zin van artikel 3:4, lid 2, van de Awb.
Gelijkheidsbeginsel Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en dat ongelijke gevallen ongelijk worden behandeld in de mate waarin zij verschillen. Vaak wordt gedacht dat het gelijkheidsbeginsel zich tegen de toepassing van maatwerk verzet, omdat het toepassen van maatwerk - vanwege het gelijkheidsbeginsel – zou leiden tot ongewenste precedentwerking. Dat ligt echter genuanceerder. Het toepassen van maatwerk is immers pas aan de orde op het moment dat een geval in onderscheidende mate verschilt van andere gevallen: juist het uitzonderlijke geval vraagt om maatwerk.
Motiveringsbeginsel Een besluit moet gedragen worden door een deugdelijke motivering. Door de individuele omstandigheden van een geval toe te lichten, ontstaat meer ruimte voor het bieden van maatwerk. Ongewenste precedentwerking kan met een uitgebreide en goede motivering worden voorkomen. Als goed kan worden gemotiveerd dat, gelet op de individuele omstandigheden van het geval, maatwerk geboden is, dan kan in andere gevallen geen succesvol beroep kunnen worden gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Er is dan niet snel sprake van ‘een gelijk geval’ zoals door het college gesuggereerd wordt door het vergelijk te maken met Papegaaienburg, Westerzicht en Schoonenburg.
Overigens kan nooit in rechte worden afgedwongen dat voorwaarden waaronder door het college vergunning kan worden verleend worden verruimd. Een burger kan hooguit uitsluitend rechtsmiddelen instellen tegen een weigering van een door hem aangevraagde vergunning en die zal dan aan de voorwaarden die voor verlening van een vergunning binnen die wijk gelden worden getoetst. Die angst van het college is dan ook niet terecht.
Ad 3. Initiatiefnemers zijn geen stedenbouwkundigen. Zij hebben zich daarom laten adviseren door Kuiper Compagnons, een multidisciplinair advies- en ontwerpbureau voor de fysieke leefomgeving dat werkt met een team van stedenbouwers, (landschaps-)architecten, planologen en juristen. Dit bureau heeft zich een goed beeld gevorm van de wijk en diens straat- en bebouwingsbeeld. Dit bureau meent dat de wijk voldoende aanknopingspunten heeft om voor tenminste een groot deel van de wijk voorwaarden te formuleren waaronder vergunning verleend kan worden zonder dat het straat- en bebouwingsbeeld wordt aangetast. Het gaat dan ook nadrukkelijk om verruimde voorwaarden die voorzien in uitvoering van bouw in de stijl en vorm van en met hetzelfde materiaalgebruik als de oorspronkelijk bouw. Ten opzichte van het huidige beeld, bouw in wisselende stijlen, in wisselende vormen en met verschillend (soms goedkoop) materiaal gebruik, leidt dat tot een significante verbetering van het straatbeeld. Hetzelfde geldt voor de groene schuurtjes.
De zorg van het college, dat wanneer het voorstel wordt aangenomen, niet uit te sluiten dat er schadeverzoeken komen omdat er handhavend is opgetreden tegen situaties die met de uitkomsten weer mogelijk worden gemaakt is niet terecht. Om een schadevergoeding door een rechter toegewezen te krijgen is het noodzakelijk dat in rechte vast komt te staan dat het college onterecht handhavend heeft opgetreden. Dat is niet aan de orde want vast staat dat de schuurtjes zonder vergunning zijn gebouwd en dat het college daarom bevoegd, en zelfs verplicht is, om daar tegen op te treden. De schuurtjes die er stonden en/of staan zijn ook niet de schuurtjes waarvoor na verruiming van de voorwaarden vergunning verleend kan worden omdat die niet voldoen aan de vereisten.
Ad 4. Voor de capaciteitsraming ambtelijke ondersteuning en product- en proceskosten wordt verwezen naar het kopje ‘Wat mag het kosten’ van het voorstel.