CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Rvs Ontwikkeling woonzorgcomplex 's Heeren Loo bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing

Commissie Ruimte 6 oktober 2022, gemeente VlissingenBij agendapunt: Rvs Ontwikkelplan ‘s Heerenloo28.022 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Dit omvat de aan‐ of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO‐ proefsleuvenonderzoek (IVO‐P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO‐overig (IVO‐O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen.  De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo‐archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek.  Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen.

 Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie‐advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden.2 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO‐O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch 1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: 4. 2 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: 4‐5.

8

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

onderzoek in de provincie Zeeland 20193 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Daarbij dienen volgende vragen te worden beantwoord:  Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied?  Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld?  Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte?  Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld?  Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling?  Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

1.3

Wettelijk kader en beleid

De zorg voor het (archeologisch) erfgoed wordt in Nederland gereguleerd in de Monumentenwet 1988. In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta door de lidstaten ondertekend. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De drie belangrijkste bepalingen daarbij zijn het behoud in situ, een goede en vroegtijdige inpassing in het ruimtelijke ordening(proces) en het verstoorder betaalt principe. Dit verdrag werd binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg uit 2007. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht die samen met de (in 2022 in werking tredende) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. De Monumentenwet uit 1988 is sinds 1 juli 2016 volledig opgenomen in de Erfgoedwet. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en ‐vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017‐2020.

In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 4 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017‐2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd:  Basale harde gegevens en diachrone datasets  Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen  Uitwerking oud archeologisch onderzoek  Verdronken land en dorpen  Onderzoek naar infrastructuur  Verdedigingswerken in Zeeland  Boerderijen en rurale nederzettingen

3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019. 4 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017.

9

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

 Voedseleconomie van stad en platteland  Religieuze en rituele verschijningsvormen  Scheeps‐ en onderwaterarcheologie  Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 5 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet. De gemeente waarin deze ontgronding gebeurt, is ook bevoegde overheid vanuit de procedure tot het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008, is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening. As gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning. Het gemeentelijke archeologiebeleid is opgesteld door de Walcherse Archeologische Dienst (WAD), een samenwerkingsverband tussen de gemeenten Middelburg, Veere en Vlissingen, en vervolgens door de gemeenteraden vastgesteld.

In 2016 werd de Nota archeologische monumentenzorg Walcheren 2008 geactualiseerd. De basis van deze nota wordt gevormd door de Archeologische verwachtings‐ en waardenkaart op basis waarvan de Beleidsadvieskaart Walcheren 2016 is opgesteld6. In het gemeentelijke archeologiebeleid is tevens een onderzoeksagenda opgenomen met thema’s die richtinggevend kunnen zijn bij het nemen van selectiebesluiten en het bepalen van de randvoorwaarden voor archeologisch (vervolg)onderzoek:  De bewoning in de IJzertijd en de Romeinse tijd in het dynamische veenlandschap van Walcheren dat met regelmaat door de zee overstroomd werd;  De vroegmiddeleeuwse ringwalburgen en de bijbehorende nederzettingen;  De ontwikkelingsgeschiedenis van de Walcherse steden en dorpen in de Middeleeuwen;  Walcheren als belangrijke speler in de kaapvaart, de Verenigde Oost‐Indische Compagnie (VOC), de West Indische Compagnie (WIC) en andere compagnieën;  Walcheren als strategisch bolwerk in de 16e en 17e eeuw, de Franse tijd en de Tweede Wereldoorlog;  Walcheren en haar maritieme archeologie. Het gemeentelijk beleid is meegenomen in de sinds 2007 opgestelde bestemmingsplannen waarbij gebieden met (een) archeologische (verwachtings)waarde een planologische bescherming hebben gekregen. De vrijstellingsgrenzen werden toegekend op basis van de (verwachtings)waarde.

Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Sportparken & Tuin van Vlissingen (2013) dat dateert van voor het opstellen van de geactualiseerde beleidsnota. In de nieuwe nota zijn echter geen wijzigingen die van belang zijn voor het plangebied. Voor het overgrote deel van het plangebied geldt een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische vindplaatsen. Enkel in de noordwestelijke hoek geldt een middelhoge verwachting.

5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

6

Walcherse Archeologische Dienst 2016.

10

ARTEFACT RAPPORT 669

1.4

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming

Het plangebied is gelegen aan de Zuidbeekseweg, ten noordoosten van de rotonde en in gebruik als akker. De zuidzijde van het plangebied grenst aan de Nieuwe Zuidbeekseweg, de westzijde aan de Bossenburghweg. De noord‐ en oostzijde grenzen aan landbouwpercelen. Het plangebied zal worden ingericht met nieuwe zorgpaviljoenen. Voor deze nieuwbouw zijn nog geen concrete bouwplannen bekend. Figuur 3 betreft een schets van de inrichting van het terrein.

Figuur 2 Plangebied op een uitsnede van de satellietfoto van Google Maps (2021). Bron: ESRI Nederland, Beeldbank.nl.

11

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Figuur 3 Schets van de inrichting van het plangebied. Bron: Juust b.v.

12

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methoden

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.7 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1.4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1.3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1.4

Beschrijven historische situatie

LS03

2.3.1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2.3.2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

LS02‐03‐04

2.5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2.2.2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2.4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2.6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd.  (Landelijke en regionale) bodem‐, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten  Paleogeografische kaarten  Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)  (Specialistische) literatuur  Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek  Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet‐gesprongen explosieven  Lucht‐ en satellietfoto’s  Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten  Gemeentelijk en/of provinciaal archief  Archeologische Monumenten Kaart (AMK)  Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis)  Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis  Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS)  Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO)  Gemeentelijke verwachtings‐ en beleidskaarten  Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn  Amateurarcheologen, AWN

en/of heemkundevereniging  Provinciaal depot: archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)

7 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

13

ARTEFACT RAPPORT 669

2.2

Landschap en geologie

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Omdat in beginsel de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen grotendeels te herleiden zijn op de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan geschetst worden aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en de Vries zijn gepubliceerd8. Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar wordt, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op Figuur 4. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (circa 8.400 – 6.950 v. Chr.) steeg de zeespiegel en deed het pleistocene zandlandschap langzaam vernatten. Plantaardig materiaal werd door het stijgende waterniveau niet meer afgebroken.

Eerst in de op de lager gelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap groeide laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei deed zich eerst in het westen van Zeeland, maar de grens verschoof door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op in oostelijke richting. Aan het veenvormingsproces kwam een einde in het Midden tot Laat Atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). 9 Door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking werd de strandbarrière opgeruimd en liep het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstond een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Grote delen van het oude pleistocene landschap werden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die toen gevormd zijn, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden.10 Vanaf het Subboreaal stagneerde de stijging van de zeespiegel in die mate dat de sedimentatie en de stijging elkaar in balans hielden. Er zette zich meer kleiige sedimenten af. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels. Die wortels zijn een indicatie voor het begin van een periode met veenvorming.

Op de hoger opgeslibde kwelders groeide een dichte rietvegetatie het getijdengebied en plaatselijk ging zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het Midden‐Subboreaal (3.100 v. Chr.) een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstond met daarachter een groot veenlandschap dat bestond uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes.11 Geologisch wordt het dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Het veenmilieu veranderde in het Subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof en kon opgroeien tot ruim boven NAP. Omstreeks 500 v. Chr. bereikte het veenkussen zijn maximale omvang. Daarna trad een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zocht zijn weg richting de zee in steeds bredere geulen. Hierdoor werd de mariene invloed op het achterliggende land opnieuw geactiveerd. Tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, op Walcheren, brak de strandwal door en ontstond een sluftergebied met een veelvoud aan smalle geulen die de verbinding tussen het veengebied met de zee versterkten. Het Veerse gat, de inbraakgeul tussen Walcheren en Noord‐ Beveland, is in oorsprong wellicht ook toen ontstaan.12

8 Vos en de Vries 2019. 9 Van Rummelen 1978: 62‐64. 10 Van Rummelen 1978: 53. 11 Vos en Van Heeringen 1997: 28. 12 Vos en van Heeringen 1997 paleogeografische kaart.

14

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

15

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Figuur 4 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: globale ligging van het plangebied. Bron: Vos & de Vries 2019.

16

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Tot in de late ijzertijd werd de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment. Grofweg vanaf de Romeinse tijd ging de antropogene invloed een geleidelijk aan meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap.13 De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteerden in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee kreeg opnieuw vat op het gebied. De eerste tekenen van overstromingen dateren dan ook al uit de 2e helft van de 2e eeuw. Vanaf het Midden‐Subatlanticum (circa 250 n. Chr.) kon de zee ook verder en breder het achterland voorbij de strandwallen instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstond.14 Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf het deze periode resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich hadden ingesneden zijn zandige pakketten afgezet en de hoger gelegen veengronden zijn afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand kwamen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland overal aan het oppervlak.

Ook de omgeving van het plangebied bestond omstreeks 800 n. Chr. grotendeels uit een langzaam opslibbend kweldergebied. De geleidelijk aan droger en stabieler wordende situatie bood nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgenden vond dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt lag hier op schapenteelt en wolproductie. Vanaf dat ogenblik begonnen de bewoners zich ook met dijken tegen het water te beschermen en werden ook nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuw gewonnen land werd naast landbouw ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen kon hoofdzakelijk gebruikt worden bij de productie van zout. Het weggraven van het veen had echter ook een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en een erosie van het leefoppervlak tot gevolg. 15 De degeneratie van het landschap in de Late Middeleeuwen werd bovendien in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken, wat ertoe leidde dat dijkdoorbraken tijdens een stormvloed catastrofale gevolgen kregen, waarbij in grote delen van Zeeland veel land verloren ging. Hoewel Walcheren tijdens verschillende stormvloeden werd getroffen bleef de definitieve schade echter beperkt tot een stuk landverlies in het oosten, bij Oud‐Arnemuiden.16 Sinds de Vroege Middeleeuwen is Walcheren dan ook nog nauwelijks bedekt met mariene sedimenten.

In de vroege middeleeuwen ontstaat ook de Dullaert en de Honte, getijdengeulen die Walcheren scheiden van de Zeeuws‐Vlaamse kust. De grote stormvloeden in de late middeleeuwen hadden echter ook fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland. De hoofdstroom van de Schelde, die tot dat ogenblik steeds via het Kreekrak en de Oosterschelde zijn weg naar de zee had gevonden, verlegde zich zuidwaarts naar de Honte / Westerschelde. Reeds eeuwen drong deze zeearm verder binnen in het land, maar door de plots ontstane ruimte die het water kreeg op de verdronken Bevelanden, kon de Westerschelde de laatste barrière opruimen en zich ontwikkelen tot zijn huidige dimensies. Door de verbinding van de Schelde met de zee worden de Dullaert en de Honte als waterwegen dan ook een belangrijk economisch gegeven in de Middeleeuwen.

2.2.2

Aardkundige waarden

Geologie Op de Geologische overzichtskaart van Nederland17 is het plangebied gelegen in een gebied met code Na7. Binnen deze zone komen zeeklei‐ en zandafzettingen voor, behorende tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk) met resten veen (Formatie van Nieuwkoop). Vanwege de relatieve grofschaligheid van deze kaart is hier geen uitsnede afgebeeld en zijn ook de oudere geologische kaarten van Nederland 18 geraadpleegd. Op de oudere 13 Vos en Van Heeringen: 1997. 14 Vos en Van Heeringen: 1997. 15 Dekker 1971: 20. 16 Kuipers & Van Dierendonck 2004: 75. 17 De Mulder et al 2003. 18 Rummelen 1971.

17

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

geologische kaart van Nederland is ook hier het plangebied gesitueerd in komgebied (Ao.2) waar mariene afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke II) op veen behorende tot het Hollandveen Laagpakket op mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer voorkomen (figuur 5). Ten westen van het plangebied is een brede, oude Duinkerke geul (D0.2) gesitueerd.

Figuur 5 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Bron: van Rummelen 1971.

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Ten behoeve van dit onderzoek zijn ook de boorgegevens uit het DINO‐loket (TNO Geologische Dienst Nederland) geraadpleegd.19 Raadpleging van de ondergrondmodellen in het DINO loket20 (appelboor GeoTop v1.4) leert dat er ter plaatse van het plangebied zeer fijne tot matig grove, lokaal kleiige, schelphoudende zandlagen voorkomen die afgewisseld worden met siltige tot zandige kleilagen. Vanaf 1,50 m ‐mv (2,25 m ‐NAP) wordt de top van het Hollandveen laagpakket verwacht. Het betreft een pakket van circa 1 meter dik. Vanaf 2,50 m ‐mv (3,25 m ‐NAP) komen zeer fijne tot matig grove zandlagen of siltig tot zandige kleilagen voor van het Laagpakket van Wormer.

19 www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen: geraadpleegd op 13‐12‐2021. 20 www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen.

18

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Bodem

Figuur 6 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Bazen & Pleijter 1994.

Op de Bodemkaart van Nederland 21 is het plangebied gesitueerd in een gebied met code Mn86A (figuur 6). Dit betekent dat binnen het plangebied kalkrijke poldervaaggronden voorkomen bestaande uit klei. De diagonale golflijnen wijzen er op dat in de bodem moerig materiaal aanwezig is vanaf circa 80 cm tot dieper dan 120 cm. Tussen 40 en 120 cm is niet geheel gerijpte klei of zavel aanwezig. De pijlen die naar links wijzen, duiden er op dat het terrein geëgaliseerd is. Op de meer gedetailleerde Bodemkundige overzichtskaart door Walcheren van Bennema & Van der Meer (figuur 7) is de geul die ook te zien is op de geologische kaart van Nederland ook duidelijk weergegeven ten westen van het plangebied. Het plangebied is gesitueerd in een gebied bestaande uit lage, oude poelgrond (Mop11), gelijk met de lager gelegen komgebieden op de geologische kaart. Dwars doorheen het plangebied loopt een dunne west‐oost gerichte zone met code Mok3, roestige oude kreekruggrond.

21 Bazen & Pleijter 1994.

19

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Figuur 7 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de bodemkundige overzichtskaart van Walcheren. Bron: Bennema & Van der Meer 1952.

Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie tabel 1). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. Het plangebied ligt in een zone met grondwatertrap IV. Dit betekent dat deze zone minder goed ontwatert was en dus minder geschikt voor landbouw of vestigingsgebied. Tabel 1 Indeling grondwatertrappen.

grondwatertrap

I

II

III

IV

V

VI

VII

GHG in cm ‐mv

(< 20)

(< 40)

< 40

> 40

< 40

40 ‐ 80

> 80

GLG in cm ‐mv

< 50

50‐80

80‐120

80‐120

> 120

> 120

(> 160)

20

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Geomorfologie Op de Geomorfologische Kaart van Nederland22 is het plangebied gelegen in een gebied met code 3L27 met gegolfde lijnen. Binnen dit gebied komen welvingen in plaatselijk gemoerde getijafzettingen. De pijl naar beneden wijst er op dat deze welvingen geëgaliseerd of vergraven zijn en de pijl naar rechts dat het terrein plaatselijk is afgegraven. Het meest zuidelijke deel van het plangebied is binnen een zone met code 3K33 gesitueerd. Dit betekent dat dit deel van het plangebied op een getij‐inversierug is gelegen.

Figuur 8 Uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus en de Lange, 1986.

Eerder uitgevoerd onderzoek in de nabije omgeving van het plangebied Resultaten van eerder uitgevoerd graaf‐ of booronderzoek kunnen de informatie verkregen van de hierboven beschreven kaarten aanvullen en een meer gedetailleerd beeld geven over de bodemgesteldheid van beide deelgebieden. Vrijwel grenzend aan de noordzijde van het plangebied is eerder dit jaar een booronderzoek uitgevoerd. Over het grootste deel van het plangebied zijn vanaf 1,45 m ‐mv (2,03 m ‐NAP) oude getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer aangetroffen. Enkel aan de noordoostelijke rand van het plangebied zijn deze afzettingen deels uitgeschuurd door de bedding van een jongere kreek. Op de afzettingen van het Laagpakket van Wormer is veen aangetroffen van het Hollandveen Laagpakket. In een klein deel van de boringen is het veen intact, geoxideerd en sterk veraard. De top van het veen is in deze boringen aangetroffen tussen 0,75 en 1,50 m ‐mv (1,49 en 2,07 m ‐NAP). Het veen is deels door jongere kreekafzettingen weg geslagen, maar ook als gevolg van moernering. De jongere

22 Brus en De Lange 1986.

21

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

kreekafzettingen, de moernering en poelafzettingen (afgezet boven het intacte veen) worden gerekend tot het Laagpakket van Walcheren. Deze afzettingen komen voor tot aan het maaiveld.23 Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser‐altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in het plangebied. De lager gelegen gebieden hebben een blauwe en groene kleur, de hoger gelegen delen hebben een gele tot rode kleur. Kleine hoogteverschillen kunnen zo visueel worden voorgesteld.

Figuur 9 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DSM).

Figuur 9 toont een bewerkte uitsnede van het AHN waarop duidelijk de geomorfologie van het regionale landschap rond het plangebied is af te lezen. De lager gelegen komgebieden (blauw gekleurd) worden doorsneden door grote en kleine hoger gelegen (geeloranje gekleurde) getij‐inversieruggen (kreekruggen) en oeverwallen. Het plangebied is gesitueerd in lager gelegen komgebied, omringd door grotere en kleinere geulsystemen. Ten westen van het plangebied is de grote, noord – zuid georiënteerde, kreek te zien, die vanuit Vlissingen naar Koudekerke loopt. Vanaf Koudekerke splitst deze geul zich op in meerdere richtingen met kleinere aftakkingen, waarvan één langs de oostzijde van het plangebied. De rand van deze kleinere aftakking is binnen het meest zuidelijke deel van het plangebied gesitueerd.

23 Depuydt & D’hondt 2021: 44.

22

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

De meer ingezoomde kaart (figuur 10) laat niet toe om op basis van analyse van het AHN (subtiele) maaiveldverschillen waar te nemen die wijzen op potentiële aanwezige vindplaatsen. Het maaiveld binnen het plangebied varieert van 1,06 tot 0,62 m ‐NAP in het noordelijke deel van het plangebied naar 0,29 m +NAP in het zuidelijke deel van het plangebied, op de locatie van de kleine aftakking van de kreek.

Figuur 10 Projectie van het plangebied op een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3). Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DSM).

2.3

Historie

2.3.1

Historisch‐geografische ontwikkeling

Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport is gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in het rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die gemaakt werden op de oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18de eeuw wanneer, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief beschouwd worden. Bedijkings‐ en bewoningsgeschiedenis Betrouwbare historische gegevens uit de periode voor de dijkenbouw zijn uitermate schaars. Vlissingen, en daarmee het onderzoeksgebied, is gelegen in de polder Walcheren, met circa 18.832 hectare de grootste polder in het Zeeuws

23

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

en Zuid‐Hollands deltagebied.24 Het is één van de oudste Zeeuwse poldergebieden. De polder wordt dan ook gerekend tot het zogeheten Oudland, een term die wordt gebruikt om land te duiden dat werd bedijkt vóór 1200. De invloed van de zee op Walcheren liet zich voornamelijk in de eerste eeuwen na Chr. gelden. Waar in overige delen van Zeeland de strijd tegen het water in de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd gepaard ging met grootschalige en terugkerende bedijkingen, inundaties, landverliezen en herbedijkingen, heeft dit in de polder Walcheren een beduidend minder sterke rol gespeeld. Ondanks de grote overstromingen in de 16de eeuw bleef de polder grotendeels onaangetast. Illustratief daarvoor is onderstaande kaart van het Schelde estuarium door Christiaan Sgrooten waarop te zien is dat grote delen van de Bevelanden zijn overstroomd maar Walcheren, met uitzondering van het gebied en oosten van Arnemuiden, gespaard blijft. De gele bol geeft globaal de locatie van het plangebied weer. De watersnoodramp uit 1953 heeft slechts weinig impact gehad op de polder Walcheren, dit in tegenstelling tot de inundatie uit 1944 die volgde na de geallieerde bombardementen op de Walcherse dijken om de Duitse bezetter te verdrijven. Het water bleef toen circa 1 jaar staan.

Figuur 11 Uitsnede uit Ostium Scaldis, Kaart van de Nederlanden, door C. Sgrooten, 1573. Bron: Koninklijke Bibliotheek van Brussel: https://uurl.kbr.be/1438256.

Bewoningsgeschiedenis Het plangebied is gesitueerd ten noorden van Vlissingen, ten westen van West‐Souburg en ten zuiden van Koudekerke. West‐Souburg ontwikkelt zich rond het begin van de 11de eeuw rondom de dochterkerk van de Westmonsterkerk te Middelburg. Koudekerke wordt voor het eerst vermeld aan het einde van de 12de eeuw als eigendom van de abdij van Echternach. Vlissingen wordt pas voor het eerst vermeld aan het begin van de 13de eeuw. Op de oudste beschikbare gedetailleerde kaart van het gebied is vervaardigd door Visscher en Roman en dateert uit het midden van de 17de eeuw (figuur 12). Deze kaart kan vrij goed gegeorefeerd worden dankzij het stratenpatroon die ook op de 18de eeuwse kaart van Hattinga (figuur 13) wordt weergegeven. Het plangebied is in onbebouwd gebied gesitueerd. Enkel doorheen de zuidzijde van het plangebied is een weg gelegen met langs de weg verschillende buitenplaatsen, o.a. huis Lammerenburg ten westen van het plangebied en Papegaaienburg ten oosten van het plangebied.

24 Wilderom 1968: 67.

24

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Figuur 12 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de kaart van Visscher‐Roman uit circa 1656. Bron: Beeldbank van de Universiteit van Amsterdam.

Figuur 13 Projectie van het plangebied op de kaart van het eyland Walcheren, het eerste rijkste en meest bevolkte van Zeeland door D.W. C. en A. Hattinga uit 1749‐1750. Bron: Zeeuws Archief.

25

ARTEFACT RAPPORT 669

Figuur 14

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuutkaart, omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.

Op de Kadastrale Minuutkaarten uit het begin van de 19de eeuw is de situatie voor het plangebied volledig hetzelfde dan deze weergegeven op de kaarten die de situatie uit de 17de en 18de eeuw weergeven (figuur 14). Doorheen het zuidelijke deel van het plangebied is de weg gesitueerd waarlangs meerdere buitenplaatsen zijn gesitueerd. Binnen het plangebied wordt geen bebouwing weergegeven. De percelen zijn in gebruik als weiland of bouwland. Figuur 15 toont diverse topografische (militaire) kaarten waarop de evolutie in en rondom het plangebied tijdens de afgelopen 150 jaar gevolgd kan worden. Tot het midden van de vorige eeuw is de situatie volledig hetzelfde dan deze aan het begin van de 19de eeuw. Na 1950 wordt het gebied opnieuw verkaveld en maakt het plangebied deel uit van 1 groot perceel. Rond het einde van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw wordt het gebied ten westen van het plangebied in gebruik genomen voor bewoning. Direct ten westen en zuiden van het plangebied wordt het wegenstelsel uitgebreid en grenst het plangebied aan wegen.

26

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Figuur 15 Projectie van het plangebied (gele polygoon) op topografische (militaire) kaarten tussen 1852 en 1995. Bron: Esri Nederland, Kadaster.

27

ARTEFACT RAPPORT 669

2.3.2

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Verstoringsgeschiedenis

Bodemloket In het bodemloket worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van het bodemloket leert dat binnen het plangebied de bodem voldoende is onderzocht en niet verdacht is op verontreiniging. KLIC De graafmelding (21O707239) laat zien dat binnen het plangebied geen kabels en leidingen aanwezig zijn. Gegevens (gemeente)archief, bouwtekeningen, opdrachtgever Voor het plangebied zijn geen aanvullende gegevens aanwezig in het archief. Het plangebied is tevens nooit bebouwd.

2.4

Archeologische waarden

Figuur 16 Monumenten, onderzoeken en vondstlocaties. Gegevens ontleend aan Archis 3.

Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumenten terreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. (Een deel van) de monumententerreinen werden opgenomen op de gemeentelijke beleidskaarten en benoemd als gemeentelijke vindplaats. De wettelijk beschermde monumenten, waarvoor het rijk bevoegd is, worden enkel op de AMK weergegeven.

28

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Binnen het plangebied zijn er geen terreinen van archeologische waarde gelegen. Eerder uitgevoerd onderzoek en vondstlocaties Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat binnen de grenzen van het plangebied nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden, noch dat er archeologische vondstlocaties bekend zijn. In een straal van 700 m rondom het plangebied zijn binnen verschillende locaties onderzoeken uitgevoerd (Figuur 16). Tabel 2 hieronder geeft een overzicht van de in de omgeving van het plangebied uitgevoerde archeologische onderzoeken. Tabel 2 Overzicht onderzoeksmeldingen binnen of in de directe omgeving van het plangebied.

Nr.

Onderzoeksmelding

Uitvoerder

Aard en resultaten onderzoek

1

20359113100

ArcheoMedia

Archeologisch booronderzoek. Er zijn verder geen gegevens beschikbaar.

2

2389511100

WAD

Archeologisch bureau‐ en booronderzoek in het kader herontwikkeling van Buitenplaats Der Boede te Koudekerke (2005). In verschillende boringen zijn fragmenten middeleeuws aardewerk en puinbrokken vastgesteld.

3

2010138100

ADC Archeoprojecten

Archeologische opgraving (2002): Wegcunet Lammerenburg II, sporen nederzetting LMEA‐LMEB.

4546014100

Walcherse Archeologische Dienst SOB Research

Archeologische opgraving (2017): direct ten zuiden van bovenstaande opgraving. Resten van een middeleeuws erf.

4

2092938100

5

2809083100

Fundering van duiker of brug.

6

2817142100

Vingerring uit de 16de – 17de eeuw aangetroffen in een tuin.

7

5093080100

Artefact

Archeologisch booronderzoek naar aanleiding van de plannen van de Gemeente Vlissingen voor de realisatie van een nieuwe woningbouwlocatie ter plaatse van verwachte volmiddeleeuwse nederzetting Lammerenburg. In het noordwestelijke deel van het plangebied werd ter plaatse van een inversierug archeologische vondsten (kogelpot, weefgewicht) gedaan daterend uit de Late Middeleeuwen.

Archeologisch bureau‐ en booronderzoek in het kader van de realisatie van flexibele huisvesting voor (inter)nationale werknemers. Voor het plangebied geldt een lage verwachting voor het Neolithicum. Voor de late IJzertijd / Romeinse tijd geldt een middelhoge verwachting in die delen waar het veen niet gemoerneerd of geërodeerd is. Voor de late middeleeuwen geldt een hoge verwachting in die delen van het plangebied die op een kreekrug en/of hooggelegen wad‐kwelderafzettingen zijn gesitueerd. Voor de overige delen van het plangebied geldt een lage verwachting voor de middeleeuwen. Voor de Nieuwe tijd geldt eveneens een lage verwachting met de uitzondering van het westelijke deel waar resten van de landschapstuin of vijver van de buitenplaats Noordbeek kunnen verwacht worden.

Uit analyse van de bovenstaande onderzoeksrapporten kunnen geen sluitende conclusies worden getrokken met betrekking tot het plangebied. Er zijn geen meldingen die bevestigen dat binnen het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn.

29

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Overige meldingen Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mail helpdesk archeologie d.d. 3‐12‐2021) heeft geen aanvullende informatie opgeleverd met betrekking tot het plangebied. Luchtfotoanalyse In het kader van dit onderzoek zijn meerdere luchtfoto’s geraadpleegd: 1943‐1947 (RAF foto’s beschikbaar gesteld via Wageningen University & Research), 1959 (Geoloket Provincie Zeeland), 1989 (Foto‐atlas Zeeland), 2003 (Luchtfoto‐ atlas Zeeland) en satellietfoto’s uit 2005 en 2007 t/m 2019 (Esri Nederland, Geoloket Provincie Zeeland). Met name luchtfoto’s van onverhard en onbebouwd terrein kunnen aan de hand van herkenbare soil‐ en of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologisch vindplaatsen in de bodem. Analyse van de luchtfoto’s geeft grotendeels hetzelfde beeld weer van deze verkregen uit de oude topografische (militaire) kaarten vanaf 1900. De luchtfoto’s geven geen aanwijzingen voor archeologische vindplaatsen binnen of grenzend aan het plangebied weer.

2.5

Bouw‐ en cultuurhistorische waarden

Bouwhistorische waarden De Gemeente Vlissingen beschikt niet over een bouwhistorische waardenkaart. Om vast te stellen of er binnen het plangebied waardevolle bouwhistorische elementen voorkomen werd het Geoloket van de Provincie Zeeland geraadpleegd. Op de Cultuurhistorische waardenkaart van het Geoloket worden binnen of ter hoogte van het plangebied geen MIP‐objecten, rijksmonumenten en historische boerderijen weergegeven. Cultuurhistorische waarden Vlissingen kent rond de 730 monumenten en cultuurhistorisch waardevolle panden. Op de Archeologische Beleidsadvieskaart van de gemeente Vlissingen zijn in de omgeving van het plangebied geen vindplaatsen afgebeeld. Het plangebied bevindt zich in een zone met een hoge tot middelhoge archeologische verwachting. Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat binnen, of direct grenzend aan, het plangebied geen militaire relicten worden weergegeven. Het plangebied is gelegen in de linie van de Atlantikwall (1941).

De linie was een gefaseerd uitgebouwde kustverdedigingslinie die door de Duitse bezetter aan de westgrens van het Derde Rijk werd aangelegd om een aanval vanuit het westen af te wenden en zo een gevreesde tweefrontenoorlog te voorkomen.

2.6

Archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van de beschikbare informatie uit het bureauonderzoek komen binnen het plangebied verschillende potentieel archeologische niveaus voor. Per niveau zal de archeologische verwachting besproken worden. Enkel de perioden met een middelhoge of hoge verwachting zijn opgenomen in een verwachtingstabel. Op basis van de gegevens die verzameld zijn tijdens het bureauonderzoek kan gesteld worden dat het plangebied gesitueerd is in komgebied, ten oosten van een grote noord‐zuid georiënteerde geul van het Laagpakket van Walcheren. Binnen het plangebied komen afzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen op mariene kleiafzettingen van het Laagpakket van Wormer voor. Daar waar het Basisveen en pleistoceen dekzand niet geërodeerd is door de jongere getijafzettingen is de top hiervan op een grote diepteligging gelegen waardoor deze verder buiten beschouwing wordt gelaten. Oude getijdelandschap ‐ Laagpakket van Wormer – Formatie van Naaldwijk

30

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

In de loop van het Mesolithicum kwam het onderzoeksgebied binnen bereik van de zee te liggen. Het verdrinkende (en met kustveen overgroeide) pleistocene landschap veranderde in een lagunair gebied, dat vervolgens transformeerde in waddengebied. In die landschappelijke delen die buiten het bereik van de zee lagen, konden in eerste instantie eutrofe rietvenen tot ontwikkeling komen. In het overgrote deel van het lagunaire gebied en in het waddenlandschap overheerste de sedimentatie van onderwater‐kleien en zanden. De wadden, lagunes en kustveenmoerassen vormden zeer weinig aantrekkelijke locaties voor (semi‐permanente) bewoning. Rond het begin van het Neolithicum bereikte het getijdengebied zijn maximale omvang, waarna het begon te verlanden. Het landschap bestond, in plaats van alleen uit wadden, mogelijk ook uit kwelders en geulen met hoger opgeslibde oevers. Hoewel in Zeeland nagenoeg geen vindplaatsen uit deze periode uit het getijdengebied bekend zijn, is het niet ondenkbaar dat in het getijdengebied bewoning heeft plaatsgevonden, zoals op de Zuid‐Hollandse eilanden het geval is. Een dergelijke omgeving bood aanzienlijk meer bestaansmogelijkheden: veeteelt en kleinschalige akkerbouw op de hoger opgeslibde oevers langs de geulen, jacht en visvangst in de lager gelegen moerassen en kreken.

Daarnaast zullen er ook grote delen van het oude getijdenlandschap ongeschikt zijn geweest voor bewoning. In Zeeland werden verder vooralsnog enkel vindplaatsen aangetroffen in het duinen‐ en strandwallengebied, m.u.v. een enkele pijlpunt bij onderzoek aan Den Inkel (gemeente Reimerswaal). De grote diepteligging, de moeilijke opspoorbaarheid, de beperkte grootschalige ontsluitingen en de huidige stand van het onderzoek naar dit niveau maken het moeilijk de verwachting op het aantreffen van vindplaatsen in te schatten. De uiterst zeldzame vondsten op dit niveau wijzen eerder op een gebruik als jachtgebied dan als woongebied. Afzettingen van het Laagpakket van Wormer zijn in veel boor‐ en gravend onderzoek in de omgeving van het plangebied aangetroffen, maar geen van deze onderzoeken heeft archeologische waarden uit het Neolithicum opgeleverd. Op basis hiervan wordt de verwachting voor deze periode naar beneden bijgesteld. Omdat echter niet valt uit te sluiten dat het plangebied zich wellicht leende voor bewoning, wordt de verwachting vooralsnog middelhoog geacht Datering

Neolithicum

Verwachting

Laag

Complextype Soort vindplaats

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, agrarische productie en voedselvoorziening Vindplaatsen met zowel grondsporen als een vondststrooiing

Omvang

Huisplaats: 500‐2.000 m²

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

2,50 meter beneden maaiveld (3,25 meter –NAP)

Locatie

Volledige plangebied

Gaafheid en conservering

Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal

Mogelijke verstoringen

kreekrug

Hollandveen Laagpakket – Formatie van Nieuwkoop Door definitieve sluiting van de kustbarrière rond 4.000 jaar geleden verslechterde de afwatering in het gebied en vond op uitgebreide schaal veengroei plaats. De bewoningsmogelijkheden namen hierdoor af. Dit zich ontwikkelende veenmoeras zal in deze periode (Bronstijd – Midden‐IJzertijd) vrijwel alleen door mensen zijn gebruikt voor activiteiten die van tijdelijke aard waren. Te denken valt aan al of niet rituele deposities of overblijfselen van vervoer (achtergelaten kano, knuppelweg door het veen). De verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de periode Bronstijd‐ 31

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Midden IJzertijd in (de onderzijde van) het veen wordt daarom ook laag geacht. Het zijn bovendien puntlocaties die moeilijk met geijkte onderzoeksmethoden zijn op te sporen waardoor ook de kans op het aantreffen daarvan bijzonder klein wordt geacht. In de loop van de IJzertijd drong de zee via de Honte en Schelde het veengebied binnen, hetgeen in eerste instantie gunstige bewoningscondities creëerde. De geulen, maar ook door de mens gegraven afwateringskanalen (vanaf de Romeinse Tijd) zorgden voor drainage van het omliggende veenmoeras, waardoor de randzones van het veengebied droger en steviger werden dan het verder weg gelegen veen. Voor zover deze randzones later niet zijn geërodeerd door uitbreidende getijdengeulen, geldt voor de randzones van het veengebied een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Late IJzertijd en Romeinse Tijd. Voor zones die verder weg van de geul zijn gesitueerd en minder goed ontwaterd, geldt een middelhoge verwachting. Ongeveer vanaf de 3de eeuw na Chr. is het veen verdronken en afgedekt met mariene afzettingen. De getijdengeulen en kreeksystemen hebben het veenlandschap plaatselijk geërodeerd. In het noordoostelijke deel van het plangebied is een kreekrug gelegen die oudere afzettingen heeft geërodeerd. Voor deze delen geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Late IJzertijd en Romeinse tijd.

Het grootste deel van het plangebied ligt buiten de erosieve invloedssfeer van de kreek. Echter, er zijn sterke aanwijzingen dat het gebied door (laat‐)middeleeuwse moerneringsactiviteiten is aangetast waarmee mogelijke ook eventueel aanwezige vindplaatsen zijn verdwenen. Zeker is dit evenwel niet: bij archeologisch onderzoek in het kader van de aanleg van de Westerscheldetunnel zijn op restanten intact veen te midden van grote moergebieden, de resten van complete boerderijen uit de Romeinse tijd aangetroffen. Mogelijk vormde de aanwezigheid van oudere bewoningsresten op het veen juist een aanleiding voor de middeleeuwse veenwinners om die delen van het veen intact te laten. Om die reden wordt vooralsnog een middelhoge verwachting voor de Late IJzertijd en Romeinse tijd aangehouden. Datering

Bronstijd ‐ Romeinse tijd

Verwachting

Bronstijd: Laag Late IJzertijd – Romeinse tijd: middelhoog

Complextype

Rurale nederzettingen, grafvelden, sporen gerelateerd aan ambachtelijke activiteiten, infrastructuur: grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels) en houten paaltjes in het veen, bodembewerking in functie van de landbouw

Soort vindplaats Omvang

Vindplaatsen met grondsporen; mogelijk vondststrooiing; Off‐site vindplaatsen > 200 m2; de omvang van deze vindplaatsen varieert sterk en is afhankelijk van de aard van de vindplaats

Uiterlijke kenmerken

De archeologische resten zullen zich kenmerken door bewerkt natuursteen (zoals maalstenen), bewerkt organische resten (hout, bot) en aardewerk en bouwkeramiek. Tevens bestaat de mogelijkheid dat er houtskool wordt aangetroffen. Nederzettingsterreinen kunnen zich ook vertalen in een zwak heterogene en/of brokkelige, losse structuur in het veen, soms met bijmenging van klei Zeer laag: < 40 per m²

Vondstdichtheid Diepteligging

De intacte top van het veen kan aangetroffen worden tussen 1,70 en 2,15 meter beneden maaiveld (gemiddeld 0,93 tot 2,78 meter –NAP)

Locatie

Hele plangebied

Gaafheid en conservering

Matig: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal maar mogelijk deels aangetast door moernering en erosie; omdat dit (bij aanvang) een relatief organisch rijk en vochtig niveau betreft en dit naderhand in een vochtig zuurstofarm pakket gelegen is, zal naar verwachting de conservering van organische materialen redelijk goed zijn

Mogelijke verstoringen

Mogelijk (deels) aangetast door moerneringsactiviteiten en/of erosie tijdens de vorming van de Walcherenafzettingen

32

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk Voor de vroege en late middeleeuwen wordt de verwachting op het aantreffen van vindplaatsen op de hoger gelegen inversieruggen als hoog ingeschat. Deze inversieruggen, of kreekruggen, boden gunstige vestigingsmogelijkheden. Gezien het plangebied grotendeels in komgebied is gelegen, geldt voor het plangebied een lage verwachting. En het meest zuidelijke deel van het plangebied is op de rand van een uitloper van een kreek gesitueerd. Voor dit deel van het plangebied geldt een middelhoge verwachting voor de middeleeuwen. Volgens de bodemkaarten zou binnen het plangebied moernering aanwezig zijn, wat zou betekenen dat het plangebied in de middeleeuwen en/of het begin van de Nieuwe tijd gebruikt is voor het winnen van veen. Voor de Nieuwe tijd geldt voor eveneens een lage verwachting. Op de oudste beschikbare, meer gedetailleerde kaarten uit de 17de eeuw is het plangebied in onbebouwd gebied gesitueerd. Enkel de zuidzijde van het plangebied is op een weg gesitueerd. Het plangebied blijft tot op heden onbebouwd. Enkel de weg is verwijderd. Datering

Middeleeuwen – Nieuwe tijd

Verwachting

laag, m.u.v. het meest zuidelijke deel die op de rand van een kreekuitloper is gesitueerd. Voor deze laatste geldt een middelhoge verwachting voor de middeleeuwen.

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning, vestingwerken

Soort vindplaats

Vindplaatsen met grondsporen en bouwresten; mogelijk vondststrooiing; Off‐site vindplaatsen; vindplaatsen met een archeologische laag; Huisplaats: 500‐2.000 m²

Omvang Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, bouwkeramiek, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef‐, cultuur‐ of ophooglagen

Vondstdichtheid

Zeer laag tot hoog: < 40 tot 100 per m².

Diepteligging

Direct onder het maaiveld/verhardingslaag

Locatie

Hele plangebied

Gaafheid en conservering

De verwachte conserveringsgraad van mogelijk aanwezige organische resten is in de kleiige afzettingen naar verwachting goed, hier is het betreffende niveau zuurstofarm en bevindt het niveau van de grondwatertafel zich beneden het archeologische laag

Mogelijke verstoringen

geen

33

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

3

Inventariserend veldonderzoek

3.1

Methoden

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO‐O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO‐O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak25. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan‐ of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen

17

Grid

Gelijkzijdig driehoeksgrid van circa 35 x 35 m, rekening houdend met de aanwezige vindplaatsen (o.a. kroonwerk), bebouwing, dichte begroeiing, kabels en leidingen en verstoringen (o.a. bomkraters)

Dichtheid

8 boringen per hectare (4 boringen voor plangebieden < 5.000 m²).

Plaats‐ en hoogtebepaling

RTK‐GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2 cm)

Boorgegevens

Digitaal vastgelegd op iPad

Gebruikte codelijsten ‐ standaard

(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)

Boordiepte

Maximaal 3 m ‐mv / 3,96 m‐NAP

Gehanteerde boor

Edelmanboor (Ø 7 cm tot circa 1,0 m ‐mv), Gutsboor (Ø 3 cm)

Opsporen indicatoren

In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen

Monstername

Geen

Oppervlaktekartering

Uitgevoerd, geen vondsten aangetroffen

Tijdens het beschrijven van de boringen is verder specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken:  de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment  aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen)  de genese van de laag  bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.)  de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op Figuur 17, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 4.

25 Coppens 2021.

34

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

Figuur 17 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors, 2021.

3.2

Geologie en bodem

Binnen het plangebied zijn 17 boringen gezet die een goed beeld vormen van de aanwezige geologische opbouw. Binnen circa 3 m ‐mv zijn van beneden naar boven de volgende afzettingen aangetroffen: Oude getijdenafzettingen In nagenoeg alle boringen zijn onderin het boorprofiel oude getijdenafzettingen aangeboord, welke geologisch gerekend kunnen worden tot het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Enkel de drie meest zuidelijke boringen (15 tot en met 17) zijn deze afzettingen niet bereikt. De top van deze afzettingen bestaan uit zwak tot uiterst siltige, kalkloze klei met wortels van riet. Naar onder toe worden deze afzettingen vaak zandiger en kalkrijker. De kleur varieert van bruin of grijs aan de bovenzijde naar licht(blauw)grijs. De top van de oude getijdenafzettingen bevindt zich tussen 1,80 en 2,75 m ‐mv (2,84 en 3,67 m ‐NAP). De afzettingen wijzen op een wad‐ en kweldermilieu. In de boringen aan de zuidzijde van het plangebied, waar deze afzettingen niet zijn aangetroffen, zijn deze geërodeerd als gevolg van jongere kreekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Hollandveen De top van het Laagpakket van Wormer wordt afgedekt door een pakket veen. De geleidelijke vernatting van het voormalige oude getijdenlandschap heeft geleid tot de vorming van een veenpakket dat aan de basis steevast uit een

35

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

laag (5 tot 45 cm) matig amorf, mineraalarm, donkerbruin rietveen bestaat. Daar waar het veen nog intact was (4 van de 17 boringen) gaat het rietveen naar boven toe over in mineraalarm, sterk amorf, donkerbruin tot zwartbruin bosveen. In twee van deze boringen (boringen 7 en 11) is de top van het veen veraard. Gezien het veen in de omringende boringen gemoerneerd dan wel geërodeerd is, gaat het mogelijk om veendammetjes tussen de moerneringskuilen. In boring 2, aan de noordwestzijde van het plangebied, is het veen geërodeerd door een jongere, ondiepe kreek. Aan de zuidzijde van het plangebied is het veen volledig weg geërodeerd als gevolg van jongere kreekafzettingen. De top van het veen, daar waar deze intact is, is aangetroffen tussen 0,80 en 1,00 m ‐mv (1,62 en 1,93 m ‐NAP).

Figuur 18 Overzicht van de boringen met de locaties van het intact (veraard), geërodeerd en gemoerneerd veenniveau.

Jonge getijdenafzettingen Het veen wordt afgedekt door een tweede pakket klastische of mariene afzettingen, bestaande uit jonge getijdenafzettingen. Deze afzettingen worden vanaf het maaiveld aangetroffen. Lithostratigrafisch worden de jonge getijdenafzettingen gerekend tot het Laagpakket van Walcheren van de Formatie van Naaldwijk.26 Bij de boringen met een moerneringsprofiel is deze klei heterogeen en brokkelig van structuur en vaak duidelijk vermengd met brokken veen (boringen 1, 4 – 6, 8, 9, 12 – 14). In boringen 12 tot en met 14 zijn in de top van de moernering rode puinspikkels aangetroffen. Mogelijk zijn deze puinspikkels afkomstig van de zuidelijk gelegen weg (ter hoogte van boring 17). Daar waar het veen intact is wordt de top van het veen bedekt door zwak siltige, matig stevige tot stevige, (licht) bruingrijze, kalkrijke kleilagen. Deze lagen maken deel uit van het lager gelegen komgebied. Een uitzondering vormen de stek siltige, matig stevige, grijsbruine, kalkrijke kleilagen in boring 2 die afgewisseld worden met veel dunne 26 Weerts 2003.

36

ARTEFACT RAPPORT 669

VLISSINGEN ZUIDBEEKSEWEG PERCEEL VSG00T1024

zandlagen. Op deze locatie heeft een kleine geul of prieltje gelopen doorheen het komgebied. Aan de zuidzijde van het plangebied, in boringen 15 tot en met 17 komen geulafzettingen voor. Deze bestaan uit zwak siltige, zeer fijne, compacte, lichtgrijze zandlagen voor met een spoor van roestvlekken. In boring 15 worden deze geulafzettingen nog afgedekt door een pakket komafzettingen die bestaan uit zwak siltige, stevige, grijze kleilagen. Deze boring is geplaatst op de overgang van de kreekrug naar het komgebied. In boring 17 zijn in de top van de geulafzettingen, direct onder de bouwvoor, rode puinbrokken aangetroffen. Deze zijn resten van de oude weg, weergegeven vanaf de oudste beschikbare kaarten (vanaf de 17de eeuw). Vanaf het maaiveld is in alle boringen een pakket van 30 tot 50 cm bouwvoor vastgesteld. Deze bouwvoor bestaat uit matig siltige, matig slappe, zwak humeuze, donkergrijs‐bruine, kalkrijke klei.

3.3

Archeologie

Binnen het plangebied is een veldkartering uitgevoerd. Zowel in de boringen als aan het maaiveld werd geen betrouwbaar diagnostisch vondstmateriaal waargenomen. In boringen 12 tot en met 14 zijn in de top van de moernering rode puinspikkels waargenomen. Deze zijn mogelijk afkomstig van de weg, ten zuiden van deze boringen. In boring 17 zijn direct onder de bouwvoor op een diepte van 0,30 m ‐mv (0,57 m ‐NAP) rode puinbrokken vastgesteld. Dit zijn mogelijk resten van de oude weg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11872905/1