Rvs Ontwikkeling woonzorgcomplex 's Heeren Loo bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen Ruimtelijke Onderbouwing Ontwerp adviseurs • ingenieurs • openbare ruimte
COLOFON Documentgegevens Titel Rapportnummer Datum Status IMRO Gemeente
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen 00447 9 september 2022 ontwerp NL.IMRO.0718.OMPG03-ON01 Vlissingen
Opdrachtnemer Naam Adresgegevens Auteur(s) Contactgegevens
Juust Goessestraatweg 17A 4421 AD Kapelle Marik Waterman +31(0)113 405 051
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1 1.2 1.3 1.4
Algemeen Plangebied Doel Leeswijzer
6 6 7 7
Hoofdstuk 2
Het project
8
Beschrijving project Juridische regeling
8 11
Beleidskader
13
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
13 15 16
Kwaliteit van de leefomgeving
19
Inleiding Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geluid Kabels en leidingen Luchtkwaliteit Natuur Niet gesprongen explosieven Verkeer en parkeren Water Milieu Effect Rapportage Conclusie
19 19 22 23 23 26 27 27 29 30 31 32 36 37
Uitvoerbaarheid
38
Financiële uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
38 38
2.1 2.2
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14
Hoofdstuk 5 5.1 5.2
Bijlagen
39
Bijlage 1
Laddertoets
40
Bijlage 2
Archeologisch onderzoek
56
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek
122
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek
184
Bijlage 5
Stikstofberekening
236
Bijlage 6
Quickscan Wet natuurbescherming
245
Bijlage 7
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
278
Juust
2
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Bijlage 8
Verlag informatiebijeenkomst d.d. 28-09-2021
286
Bijlage 9
Verslag informatiebijeenkomst d.d. 28-03-2022
289
Juust
3
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Juust
4
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Toelichting
Juust
5
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Algemeen
Op 20 mei 2019 is de fusie tussen zorgorganisaties Arduin en 's-Heeren Loo officieel bekrachtigd. Sindsdien gaat Arduin verder onder de naam 's-Heeren Loo, regio Zeeland. Zij ondersteunt cliënten het liefst zo lang mogelijk in of dicht bij huis. Wanneer dit niet mogelijk is, biedt men uiteenlopende oplossingen voor woonvragen met (complexe) zorg en ondersteuning. Vrijwel alle huidige woningen zijn te klein en liggen te verspreid om een financieel gezonde en veilige zorg te leveren. Daarom wordt ingezet op wonen in woonkernen. Daarin wordt een aantal woningen geclusterd, maar blijf het gevoel van kleinschaligheid behouden. De zorgverlener 's-Heeren Loo heeft het voornemen om voor 376 cliënten nieuwe woonzorgvoorzieningen te realiseren in 4-6 woonkernen in de regio Goes, Middelburg en Vlissingen. Vanuit nachtzorg wordt gestreefd naar woonkernen met minimaal 8 woningen of 64 cliënten. In de regio Vlissingen is naast de bestaande locatie (Joost de Moorstraat), een nieuwe locatie voorzien voor 80-96 cliënten. Het gaat om de locatie gelegen aan de rand van de stad Vlissingen aan de doorgaande weg op de kruising met de Bossenburghweg en sluit aan op de (Nieuwe) Zuidbeekseweg. Volgens het geldende bestemmingsplan 'Paauwenburg - Groot Lammerenburg' heeft het plangebied een agrarische bestemming. Het realiseren van een woonzorgcomplex past daarmee niet binnen de huidige bestemming.
In september 2020 nam het college een positieve grondhouding aan. De gemeente Vlissingen streeft naar een prettig woon- en leefklimaat in de gemeente. Onderdeel hiervan is een passende woningvoorraad voor specifieke doelgroepen, waaronder de doelgroepen die 's Heeren Loo bedient. De gemeente Vlissingen wenst medewerking te verlenen door met een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan (artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 3 Wabo). Er moet gemotiveerd worden dat de omgevingsvergunningsaanvraag voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De aanvraag moet voorzien zijn van een ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.
1.2
Plangebied
Het plangebied is gelegen aan de (Nieuwe) Zuidbeekseweg, aan de noordkant, van de stad Vlissingen. Het gaat om het kadastrale perceel bekend als VSG00 T 1024 met een oppervlakte van 21.450 m². Het perceel wordt gebruikt voor agrarische doeleinden (zie afbeelding 1).
Juust
6
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens (bron: PDOK, bewerking Juust)
1.3
Doel
Het doel van deze ruimtelijke onderbouwing is om dhete toekomstige woonzorgcomplex planologisch mogelijk te maken. Deze ruimtelijke onderbouwing wordt als bijlage bij de omgevingsvergunning bijgevoegd. Dit document toetst de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling aan de geldende regelgeving. Daarnaast wordt beschreven wat het effect van de voorgenomen ontwikkeling is op de kwaliteit van de leefomgeving.
1.4
Leeswijzer
Deze ruimtelijke onderbouwing bestaat, naast dit inleidend hoofdstuk, uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk twee wordt het initiatief nader toegelicht. Hoofdstuk drie beschrijft het geldende beleidskader en in hoofdstuk vier worden de verschillende milieuaspecten beoordeeld. Tot slot wordt in hoofdstuk vijf ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Juust
7
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving project
2.1.1
Huidige situatie
Het project
Het plangebied bestaat volledig uit agrarische gronden (zie afbeelding 2). Aan de noord, west- en zuidzijde van het plangebied bevinden zich secundaire waterlopen. Aan de overkant van de Bossenburgweg (N288) is de woonwijk Lammerenburg gelegen. Aan de overkant van de (Nieuwe) Zuidbeekseweg is de wijk Bossenburgh gelegen en aan de oostkant van het plangebied een agrarisch hulp- en nevenbedrijf.
Afbeelding 2 | Huidige situatie plangebied - vanaf rotonde Bossenburghweg (bron: Google Maps)
2.1.2
Toekomstige situatie
De zorgorganisatie wil op betreffende locatie een woonzorgcomplex realiseren met 5 gebouwen ten behoeve van groepswoningen en appartementen, een dagbestedingsgebouw en een berging (zie afbeelding 3 en 4).
Juust
8
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Afbeelding 3 | Planuitwerking
Afbeelding 4 | 3D uitwerking plan In totaal worden 96 verblijfseenheden voor cliënten gerealiseerd en 4 verblijfseenheden zijn eigen personeel, bedoeld voor de slaapwacht en/of kantoor. Per gebouw worden 16 (+1) verblijfseenheden gerealiseerd met uitzondering van gebouw nummer 4 en 5 (zie afbeelding 3). In gebouw nummer 4 worden 24 (+1) verblijfseenheden gerealiseerd. In gebouw nummer 5 is een extra bouwlaag voorzien met 8 extra appartementen. De verblijfseenheden worden gebouwd met als verbindende factor een gezamenlijke woon-/leefruimte. De oppervlakte van de gebouwen ten behoeve van de groepswoningen is ongeveer 5.190 m². Daarnaast is een gebouw, ten behoeve van dagbesteding, van circa 975 m² op het terrein voorzien. De gezamenlijke oppervlakte aan bebouwing is ongeveer 6.165 m². Dit betekent een bebouwingspercentage van bijna 30%.
Juust
9
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Het plan is opgezet in de vorm van hofjes met een besloten karakter. Tussen de gebouwen is ruimte voor beleeftuinen, beweegtuinen en moestuinen. Bovendien biedt deze tussenruimtes een ruimte om samen te komen. Deze pleinen worden halfverhard uitgevoerd, maar geschikt voor de rolstoel en verkeersbelasting. De privé stoepen bij de verblijfseenheden worden uitgevoerd als Delftse stoep. De verblijfseenheden krijgen ook een privé terras in de parkruimte. Deze terrassen krijgen dezelfde herkenbare en authentieke verharding als de stoepen in de hofjes. De privé terrassen krijgen een groene scheiding tussen de parkruimte. Het parkeren moet in een groene setting gebeuren. Landschappelijke inpassing Tussen de woonclusters is een extensieve parkruimte beoogd met een koppeling naar de omgeving (zie afbeelding 5). De parkruimte moet een aangenaam wandelgebie worden, heeft een extensief karakter, bloemrijk grasland met solitaire inheemse bomen. Verder is er ruimte voor speelaanleidingen of zitgelegenheid.
Afbeelding 5 | Landschappelijke inpassing (bron: BoschSlabbers landschapsarchitecten) De parkruimte biedt ruimte voor waterberging in de vorm van een verlaagd maaiveld/wadi (soms nat, soms droog). De wadi is ingericht als extensief grasland, als onderdeel van de parkzone. Daarnaast is aan de zuidoostkant van het plangebied een waterpartij beoorgd (zie afbeelding 3). Aan de noord- en oostkant komen beplantingsgroepen van inheemse heesters en meerstammige bomen. Op de overgang naar het aangrenzende landschap worden opgaande beplantingsmassieven aangeplant. Een
Juust
10
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
combinatie van streekeigen inheemse struik- en boomvormers zoals meidoorn, veldesdoorn, els en wilg. De beplanting biedt een schuilplaats aan vogels en trekken met vruchten en bloemen veel vogels en insecten aan.
2.2
Juridische regeling
2.2.1
Geldend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Paauwenburg - Groot Lammerenburg' van de gemeente Vlissingen. Dit bestemmingsplan is op 7 juli 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Agrarisch' (zie afbeelding 6). Op de locatie is geen (agrarisch) bouwvlak gelegen.
Afbeelding 6 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust) Daarnaast geldt het 'Paraplubestemmingsplan parkeernormering'. Op 30 november 2017 heeft de gemeenteraad het parkeerbeleidsplan 'Vlissingen staat niet stil' vastgesteld. Het opstellen van een 'Beleidsnota parkeernormering Vlissingen' is een speerpunt uit dit plan. Op basis van deze beleidsnota zullen bij nieuwbouwplannen of wijzigingen van het gebruik eisen gesteld worden aan het aantal parkeerplaatsen. Met dit paraplubestemmingsplan is de 'Beleidsnota parkeernormering Vlissingen' en diens rechtsopvolger(s) in de geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen ingepast. Een aanvraag omgevingsvergunning moet worden getoetst aan de parkeernormering, wanneer er sprake is van (ver)bouwen en wanneer er sprake is van een gebruikswijziging, die niet in overeenstemming is met het geldend planologisch regime (bestemmingsplan of beheersverordening). Voor de beoordeling, zie 4.11 Verkeer en parkeren.
Juust
11
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
2.2.2
Afwijken bestemmingsplan
Ter plaatse van het projectgebied zijn de gronden uitsluitend bestemd voor agrarische activiteiten. De realisatie van het woonzorgcomplext past niet binnen deze bestemming. Van het bestemmingsplan wordt afgeweken voor het toestaan van de nieuwe maatschappelijke functie in de vorm van zorgpaviljoens. Ook voor het bouwen wordt afgeweken van de toegestane bouwmogelijkheden. Voor de ontwikkeling is een uitgewerkt bouwplan aanwezig, waardoor het mogelijk is om de ontwikkeling via de procedure van een uitgebreide omgevingsvergunning mogelijk te maken (artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 3 Wabo).
Juust
12
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In de NOVI wordt aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie in beeld gebracht. Het Rijk wil sturen op de nationale belangen. De inzet van het Rijk is samengevat in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dit houdt in dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. 2. 3.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en Afwentelen wordt voorkomen.
De beleidsdoorwerking van de NOVI vindt plaats door middel van wet- en regelgeving, NOVI-gebieden, Gebiedsagenda's Grote Wateren en de Omgevingsagenda's. Het beleid heeft derhalve geen directe doorwerking voor dit project. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen en beheersverordeningen, onder andere ten aanzien van de toelichting bij een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is voorgeschreven dat indien een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt, in de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden volgens de systematiek van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.
De ladder is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) en luidt als volgt: ''De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'' In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Voor andere stedelijke ontwikkelingen (naast de functies wonen, winkels, kantoren en bedrijventerrein) als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Bro, in de vorm van een terrein is 'in beginsel' geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m² bedraagt. Toetsing
Juust
13
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Door de aard en omvang van het project in relatie tot de omgeving is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. De locatie is bestemd als 'Agrarisch' waarbinnen grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Op de locatie is geen (agrarisch) bouwvlak gelegen. Er zijn daarom geen bebouwingsmogelijkheden. De gewenste ontwikkeling zorgt daarom voor nieuw beslag op de ruimte die tevens niet is bedoeld voor dergelijke maatschappelijk/zorg gerelateerde functies. De toelichting van een ruimtelijk besluit (bestemmingsplan, uitgebreide omgevingsvergunning e.d.) moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Op 6 september 2022 is door Stec-Groep een Laddertoets uitgevoerd (zie Bijlage 1). Bij de beschrijving van de behoefte aan de woon-zorgeenheden is het noodzakelijk om nader in te zoomen op de afbakening van het ruimtelijk verzorgingsgebied: de marktregio. Er wordt uitgegaan van de primaire marktregio de gemeente Vlissingen en de secundaire marktregio Walcheren.
De (woon)zorgeenheden op deze projectlocatie zijn primair gericht op de huidige cliënt-populatie die nu al op verspreide locaties in Vlissingen woont. Met de actuele Primos2021 bevolkings- en huishoudensprognose, is de institutionele bevolking in beeld gebracht. Inwoners van zorginstellingen vormen circa 90% van deze doelgroep (CBS, 2022). Het volgende valt op ten aanzien van de kwantitatieve vraag naar intramurale zorgwoningen: In de gemeente Vlissingen (de primaire marktregio) neemt het aantal personen met een intramurale zorgvraag de komende tien jaar naar verwachting met 135 toe. In de secundaire marktregio (inclusief Vlissingen) neemt het aantal personen met een intramurale zorgvraag de komende tien jaar naar verwachting met 275 toe. Over een periode van 20 jaar gaat het om 565 personen. Op lange termijn – tot 2042 – houdt de groei van de institutionele bevolking aan. Voor het aanbod van (woon)zorgeenheden is gekeken naar het harde planaanbod binnen de marktregio. Het gaat hierbij om de beschikbare en onbenutte harde plancapaciteit voor intramurale (woon)zorgeenheden. Het principe van een representatieve invulling bij maatschappelijke en gemengde bestemmingen is gehanteerd om de beschikbare harde plancapaciteit te bepalen. Er zijn geen onbenutte harde plannen in Vlissingen, wel achterblijvende locaties.
Binnen de gemeente Vlissingen gaat het om een locatie aan de Schroeweg/Middelburgsestraat voor maximaal 20 eenheden. Een nieuwe locatie in aanbouw aan het Oranjeplein voor circa 110 eenheden en een locatie die in 2022 is opgeleverd aan de Kromwegesingel voor circa 30 eenheden. De verhuizing van 's Heeren Loo in Vlissingen zorgt daarnaast voor vrijkomend (zorg)vastgoed. Het grootste deel van dit vastgoed heeft een woonfunctie of gemengde functie. Twee vrijkomende panden hebben een functie die wonen met zorg mogelijk maakt. Dit zorgt ervoor dat er door de verhuizing van 's Heeren Loo een capaciteit vrijkomt aan circa 70 woonzorgeenheden voor intramurale zorgcliënten. In de secundaire marktregio zijn harde plannen voor circa 90 intramurale zorgwoningen. Circa 65 van de in totaal 90 woonzorgeenheden in harde plannen betreft een vervangingsbehoefte voor huidige zorgcliënten betreft. De netto plancapaciteit komt daarmee neer op 25 zorgwoningen. Op basis van de beschikbare informatie gaat het daarmee om ruimte in harde plancapaciteit voor maximaal 255 (woon)zorgeenheden in Walcheren waarvan 230 in Vlissingen. De ontwikkeling van (woon)zorgeenheden aan de Nieuwe Zuidbeekseweg maakt een netto uitbreiding van 21 (woon)zorgeenheden (96 minus 75 vervanging) mogelijk. In de gemeente Vlissingen bestaat de komende tien jaar een additionele vraag naar 135 intramurale (woon)zorgeenheden.
Tot 2042 neemt de vraag verder toe tot zo'n 270 eenheden. Wanneer we dit confronteren met het beschikbare aanbod (140 eenheden in aanbouw/recent opgeleverd, 20 onbenutte bouwtitels en 70 vrijkomende eenheden) kan daarmee op lange termijn worden voorzien in de vraag woon(zorgeenheden in Vlissingen. Voor de komende 10 jaar is er al veel aanbod beschikbaar. Hierbij dient opgemerkt te worden dat op de achterblijvende liggende locaties niet in de kwaliteit van zorg kan worden voorzien die 's Heeren Loo beoogd. In de secundaire marktregio bestaat de komende tien jaar een additionele vraag naar 275 intramurale (woon)zorgeenheden. Tot 2042 gaat het om een vraag naar 565 (woon)zorgeenheden. Op dit moment is er in
Juust
14
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
de regio Walcheren een potentieel planaanbod van 255 (woon)zorgeenheden. Inclusief de secundaire regio kan de ontwikkeling van Zuidbeek daarmee – zowel voor de komende 10 jaar als in 20 jaar – voorzien in een behoefte. Als de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Bro worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Provincie Zeeland heeft met het Omgevingsplan Zeeland 2018 en de Omgevingsverordening Zeeland 2018 gekozen voor een verbale aanduiding van het bestaand stedelijk gebied en geen op de kaart aangegeven begrenzing. Daarmee wordt ruimte geboden aan lokaal maatwerk en wordt voorkomen dat de provinciale verbeelding slechts een momentopname laat zien die geen recht doet aan wijzigingen die voortdurend optreden in de begrenzing van bestaand stedelijk gebied. Begripsomschrijving bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. In de jurisprudentie is het begrip 'bestaand stedelijk gebied' nader beschreven.
Gronden waarop een agrarische bestemming rust, en die overeenkomstig die bestemming worden gebruikt, vormen geen onderdeel van bestaand stedelijk gebied. Om na te gaan of binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte aan deze ontwikkeling zijn verschillende locaties getoetst aan een aantal criteria. De criteria volgen uit de zorgvisie van 's Heeren Loo die inzet op de clustering van (woon)zorgeenheden. Omvang van de locatie: circa 20.000 m². Ligging van de locatie: aan rand van stedelijk gebied in nabijheid van voorzieningen. Woonomgeving: rustige en prikkelarme omgeving als onderdeel inclusieve maatschappij. Per direct beschikbaar: in verband met continuïteit zorg en financierbaarheid van ontwikkeling. Op basis van informatie van de gemeente Vlissingen, Middelburg en Veere zijn potentiële alternatieven afgewogen voor de primaire marktregio (gemeente Vlissingen) en de secundaire marktregio (Walcheren). Hiervoor zijn – in samenspraak met de gemeente - tientallen locaties binnen bestaand stedelijk gebied geïnventariseerd en afgewogen op basis van de hiervoor genoemde locatie-eisen. Geen van de locaties voldoen aan alle drie de criteria. Er zijn geen beschikbare en geschikte alternatieven binnen bestaand stedelijke gebied in de gemeente Vlissingen en in de regio Walcheren (zie Bijlage 1). Conclusie: Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Er wordt voorzien in lokale (Vlissingen) en regionale (Walcheren) behoefte. De gewenste ontwikkeling ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Binnen bestaand stedelijk gebied, in de primaire en secundaire marktregio, zijn geen mogelijkheden om voor het beoogde concept. Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor het plan.
3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Zeeland De Provincie Zeeland heeft de Zeeuwse Omgevingsvisie op 11 november 2021 vastgesteld. Deze visie benoemd de vier Zeeuwse ambities voor 2050 voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de provincie Zeeland. Deze sluiten aan bij de prioriteiten van de NOVI en geven daar een Zeeuwse invulling aan. De Zeeuwse ambities geven richting aan al het provinciale beleid en de uitvoering daarvan. Deze ambities zijn: 1. 2. 3. 4.
Juust
Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied. Een duurzame en innovatieve economie. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland.
15
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Deze vier Zeeuwse ambities vragen om een goede afweging van keuzes, zowel op regionaal als op lokaal niveau. De drie afwegingsprincipes die het Rijk daarvoor heeft bedacht -zoals aangegeven in de NOVI- zijn in de Omgevingsvisie vertaald naar vier afwegingsfactoren. Deze zijn nodig om een zorgvuldige afweging te kunnen maken bij concrete initiatieven en activiteiten in Zeeland. Deze afwegingsfactoren zijn: 1. 2. 3. 4.
Doe meer met minder grond. Werk samen en deel kosten en baten. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
De vier ambities zijn algemene strategische ambities met 2050 als horizon. Deze moeten ook richting geven aan beleidsdoelstellingen voor de kortere termijn (2030). In de Omgevingsvisie Zeeland is dan ook het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven. Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt waarbij het beleid voor de komende 10 jaar is weergegeven en waarvoor instrumenten, waaronder de Zeeuwse Omgevingsverordening, kunnen worden ingezet. In de Zeeuwse Omgevingsverordening, welke nog vastgesteld moet worden, is het beleid uit de Zeeuwse Omgevingsvisie verankerd. In de Omgevingsvisie Zeeland is het volgende opgenomen over zorg(instellingen): De aanwezigheid van een bereikbaar en toegankelijk winkelbestand en (basis)voorzieningen op gebied van onderwijs, sport, kinderopvang, zorg en cultuur draagt bij aan de leefbaarheid van een gebied voor mensen die daar wonen. Het vormt tegelijkertijd een belangrijke voorwaarde om als gebied aantrekkelijk te zijn en te blijven. Zorginstellingen bieden lokaal kleinschalige en goed toegankelijke voorzieningen aan voor cliënten en omwonenden. Omgevingsverordening Zeeland 2018 De Omgevingsverordening Zeeland 2018 gaat ook over de fysieke leefomgeving van de provincie.
Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen is vooral hoofdstuk 2 welke gaat over het ruimtelijk domein van belang. Er zijn in de omgevingsverordening geen specifieke regels opgenomen die dit plan raken. Zeeuwse zorginstellingen gaan meer samenwerken en bieden specialistische zorg centraal aan, waardoor de relatieve afstanden toenemen. Voor bovenlokale voorzieningen (waar hier sprake van is) geldt dat daarmee een goede bereikbaarheid nog belangrijker is. Bij voorkeur wil de provincie dat deze voorzieningen zich vestigen aan doorgaande wegen en het kernnet openbaar vervoer. Daarnaast als voorzieningen regionaal of zelfs voor heel Zeeland van belang zijn, is afstemming op hoger niveau nodig. De ontwikkeling betreft een bovenlokale voorziening en is gelegen aan de doorgaande weg N288. Afstemming op regionaal niveau heeft in het kader van het behoefteonderzoek (Bijlage 1) plaatsgevonden. Hiermee past de ontwikkeling op deze locatie binnen het provinciaal beleid. Omgevingsverordening Zeeland 2021 (ontwerp) Provinciale Staten moeten op grond van de Omgevingswet één omgevingsverordening vaststellen, waarin alle regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. De invulling hiervan is de Zeeuwse Omgevingsverordening. Provinciale Staten voldoen met vaststelling hiervan aan de wettelijke verplichting vanuit de Omgevingswet.
De ontwerp Omgevingsverordening lag van 8 september tot en met 19 oktober 2021 ter inzage.
3.3
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie 'Vlissingen stad aan zee, een zee aan ruimte' De gemeente heeft in 2009 de structuurvisie 'Vlissingen stad aan zee, een zee aan ruimte' vastgesteld. De structuurvisie beschrijft het kader voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De Structuurvisie gaat uit
Juust
16
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
van het scenario 'Anticiperen en Transformeren'. Door de huidige economische situatie is anticiperen een nog grotere noodzaak geworden. Door op daadkrachtige en inventieve wijze stappen te ondernemen, kan de gemeente inspelen op de gewijzigde (economische) omstandigheden. Voor het plangebied is geen concreet programma in de structuurvisie opgenomen. Het is aangemerkt als bestaand groen gebied. Ten noorden van het plangebied ligt, als afronding van de stad, de geledingszone (zie afbeelding 7). De stadsranden van zowel Vlissingen als Middelburg grenzen aan het Nationaal Landschap. Vanuit beide steden is er een ruimtelijke druk op deze overwegend groene en landelijke zone. De opgave voor deze zogenaamde geledingszone is het handhaven en vormgeven van een scheidende groene zone en het zorgvuldig afronden van de stedelijke gebieden Middelburg en Vlissingen, voor wat betreft ruimtelijke kwaliteit en stedelijk gebruik.
Afbeelding 7 | Structuurvisie Vlissingen 2020 (bron: gemeente Vlissingen) Het plangebied ligt in de nabijheid van het bolwerk Lammerenburg. Het plangebied wordt ingericht met voornamelijk één-laagse berbouwing. Eén gebouw krijgt twee bouwlagen. Door deze laagbouw in een robuuste groene setting (zie 2.1.2 Toekomstige situatie) is de ontwikkeling op deze locatie acceptabel en doet het geen afbreuk aan het bolwerk. Bovendien is de ontwikkeling gelegen in de hoek van de Bossenburghweg en de Nieuwe Zuidbeekseweg, tussen het bedrijf Harthoorn en de Bossenburghweg. Hierdoor vindt er aansluiting bij het bestaand stedelijk gebied. Woonvisie 'Vlissingen stad aan zee - een zee aan woonkwaliteit' Het doel van de woonvisie, eveneens vastgesteld op 17 december 2009 en geactualiseerd op 30 mei 2013, is het formuleren van het beleidskader voor de toekomstige ontwikkelingen op het gebied van wonen. De visie is het toetsingskader voor initiatieven van derden en leidraad voor het handelen van de gemeente Vlissingen. In de woonvisie is een aantal doelstellingen geformuleerd: kwaliteit boven kwantiteit: herstructurering met verdunning en vergroening; nieuwbouw inzetten voor
Juust
17
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
vergroten van de kwalitatieve differentiatie in de woningvoorraad en van de woonmilieus; integrale wijkaanpak: samen met maatschappelijke organisaties en burgers vanuit een fysiek en sociaal perspectief werken aan de leefbaarheid in buurten; doelgroepen aanbod: beschikbaar hebben van voldoende kwalitatief goede huisvesting voor alle doelgroepen (wonen-welzijn-zorg, starters, gezinnen, deeltijdwonen, studenten, CPO/PO/Kluswoningen, arbeidsmigranten); woningvoorraad van morgen: samenstelling van de woningvoorraad en woonmilieus zo goed mogelijk aansluiten op de huidige en veranderende woonbehoeften van de bevolking; wonen boven winkels stimuleren; complementariteit en samenwerking: actief inzetten voor samenwerking in de regio. De gemeente zet zich in voor het in voldoende mate beschikbaar hebben van kwalitatief goede en passende huisvesting voor de diverse onderscheiden doelgroepen door: gebruik te maken van de bestaande woningvoorraad en het ‘natuurlijk verloop’ ervan; het stimuleren van nieuwe initiatieven. De gewenste ontwikkeling draagt bij aan het beschikbaar hebben van voldoende kwalitatief goede huisvesting van de doelgroep 'wonen-welzijn-zorg' als een van de doelen uit de woonvisie. Op dit moment zijn alle zorgwoningen, in bezit van 's-Heeren Loo, te klein en liggen te verspreid om een financieel gezonde en veilige zorg te leveren.
Het kleinschalig clusteren van de zorgwoningen met bijbehorende faciliteiten is de kwalitatieve behoefte. Hierdoor kan de kwantitatieve behoefte ook beter opgevangen worden. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de gewenste ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid.
Juust
18
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Hoofdstuk 4 Kwaliteit leefomgeving 4.1
van
de
Inleiding
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt. Over het gehele plangebied ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie – 3'. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht zodra een bouwplan betrekking heeft op een te verstoren oppervlak van 500 m² of meer en/of waarbij bouwwerken dieper dan 40 cm worden geplaatst. Uit de Nota Archeologische monumentenzorg Walcheren 2016-2022 blijkt dat op een klein deel van het plangebied, vooral in het zuiden, een zone ligt met een hoge archeologische verwachting (zie afbeelding 8). Voor de rest ligt over het plangebied de zone met een middelhoge archeologische verwachting.
Juust
19
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Afbeelding 8 | Uitsnede archeologische waardenkaart (bron: gemeente Vlissingen, bewerking Juust) Op 25 januari 2022 is door Artefact! een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2). Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat: het plangebied gesitueerd is in een gebied waarbij afzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen op kleiafzettingen van het Laagpakket van Wormer kunnen worden aangetroffen; binnen het plangebied voor alle perioden een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen vanaf het Neolithicum in tot en met de Nieuwe tijd. Enkel voor het meest zuidelijke deel van het plangebied geldt een hoge verwachting voor de Nieuwe tijd, meer specifiek op het aantreffen van resten van de oude weg. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat: Initieel werd geadviseerd de dubbelbestemming waarde archeologie enkel voor het zuidelijke deel van het plangebied te behouden (zie afbeelding 9). De bevoegde overheid volgt dit advies niet, omdat een formeel onderzoek naar de oude weg te zwaar is aangezet. Andere vindplaatsen worden niet verwacht en de vraagstelling van dergelijk onderzoek naar oude wegen is immers beperkt. Bovendien maakt onderzoek naar (weg)infrastructuur geen specifiek onderdeel uit van de gemeentelijke onderzoeksagenda.
Zij hebben besloten dat de dubbelbestemming voor het volledige plangebied verwijderd kan worden. Bij graafwerkzaamheden in het zuidelijke deel van het plangebied zal de Walcherse Archeologische Dienst een inspectie uitvoeren waarbij eventuele resten van de oude weg gedocumenteerd zullen worden.
Juust
20
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Afbeelding 9 | Advieskaart archeologie (bron: Artefact!) Ondanks dat er bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid. Met inachtneming van het bovenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Cultuurhistorie Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet 1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden.
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten gelegen. In de nabijheid, aan de noordkant van het plangebied, is groen erfgoed gelegen. Het gaat om 'Beplanting landschapsplan Walcheren' langs de Jacoba van Beierenweg. Daarnaast bevinden zich met name in het noordwesten buiten het plangebied enkele cultuurhistorische elementen. Het gaat om voornamelijk historische stedenbouw (landgoed Buitenplaats Der Boede, landgoed Moesbosch en een aantal rijksmonumenten). Deze cultuurhistorisch waardevolle elementen liggen op ruime afstand van het plangebied waardoor de ontwikkeling hierop geen impact heeft. Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg.
Juust
21
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
4.3
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. De zorginstelling vormt, vanwege de verblijfs/wooneenheden, een gevoelige functie. In de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zijn voor bedrijfsmatige activiteiten richtafstanden opgenomen voor de aspecten geluid, geur, stof en gevaar (Staat van bedrijfsactiviteiten). Deze richtafstanden zijn gekoppeld aan milieucategorieën. Voor het bepalen van de richtafstand bij de milieucategorie wordt onderscheid gemaakt in twee gebieden: rustige woonwijk/ rustig buitengebied en gemengd gebied. In een gemengd gebied wordt meer hinder algemeen aanvaardbaar geacht vanwege de aanwezigheid van een diversiteit van functies of hoofdontsluitingswegen.
De omgeving waarin het plangebied is gelegen is aan te merken als een rustig buitengebied (/rustig woongebied), ondanks enkele agrarische en/of agrarische gerateerde activiteiten en de ligging aan gebiedsontsluitingswegen. Op het perceel Nieuwe Zuidbeekseweg 2 is het agrarisch hulp- en nevenbedrijf Harthoorn Vlissingen gelegen. Op basis van de staat van bedrijfsactiviteiten van de VNG-publicatie 'Bedrijven- en milieuzonering' vallen deze bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3.1 (loonbedrijf> 500 m²) met een daarbij behorende richtafstand van 50 meter (rustig buitengebied). De afstand tussen de grens van het plangebied en de grens van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – 1' (agrarisch hulp- en nevenbedrijf) is ongeveer 70 meter waardoor aan de richtafstand wordt voldaan. Het bouwvlak is bovendien op ruimere afstand gelegen. Desondanks is door middel van akoestisch onderzoek nagegaan of dit bedrijf van invloed is op het woon- en leefklimaat op de planlocatie én of het bedrijf door de ontwikkeling in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt (zie Bijlage 4). Uit de rekenresultaten blijkt dat overal voldaan wordt aan de vigerende geluidnormen en het bedrijf dus niet wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering.
Een belemmering in de bedrijfsvoering is overigens ook niet te verwachten, aangezien de vergunningspunten aan de oost- en zuidzijde liggen en de planontwikkeling aan de westzijde plaats vindt. Daarnaast blijkt uit de rekenresultaten voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximaal geluidniveau dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie en er is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het bedrijf heeft geen negatieve invloed op het verblijfsklimaat ter plaatse van het woonzorgcomplex. Andersom wordt het bedrijf ook niet onevenredig in de bedrijfsvoering geschaad. Verder worden er in de nabijheid van het plangebied geen andere bedrijfsmatige activiteiten uitgevoerd. Een zorgcomplex in het algemeen is niet te classificeren als een bedrijfsactiviteit en vormt daarmee geen belemmering voor de (woon)omgeving in het kader van bedrijven en milieuzonering. Voor het dagbestedingsgebouw ('artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven'), als onderdeel van de zorginstelling, geldt een richtafstand van 10 meter tot gevoelige functies uitgaande van het type rustige woonwijk. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De voorzieningen in het dagbestedingsgebouw zijn bedoeld voor de cliënten en dragen bij aan de leefbaarheid binnen het gebied.
Bovendien wordt de visuele impact vanaf de woonwijken Lammerenburg, Rosenburg en Bossenburgh beperkt door de groene inpassing van het plangebied (zie paragraaf 2.1.2 Toekomstige situatie). Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling.
Juust
22
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
4.4
Bodem
Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Ter plaatse van het plangebied is geen boomgaard aanwezig. De bodem heeft de functieklasse 'overig'. Zowel de ondergrond als de bovengrond heeft de klasse 'achtergrondwaarde'. Beoordeeld moet worden of de milieuhygiënische situatie voldoende is voor de zorg/woonfunctie. Omdat met de vestiging van de zorginstelling personen langdurig in het plangebied verblijven, is er sprake van een gevoeligere functie en dient de geschiktheid van de bodem te worden aangetoond. Een verkennend bodemonderzoek is noodzakelijk. Op 15 oktober 2021 is door SMA een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 3). In zowel de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond met de onderzochte parameters uit het standaardpakket van de NEN 5740. In het grondwater worden van nature verhoogde concentraties voor arseen, barium, chroom en molybdeen aangetoond. Dit is vermoedelijk ook van toepassing ter plaatse van onderhavig onderzoekslocatie. Derhalve is het grondwater niet nader onderzocht. Op basis van de analyseresultaten van het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek.
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
4.5
Externe veiligheid
De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving. In het plangebied of in de directe omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting ligt aan de Jacoba van Beierenweg 54 waar een bovengrondse propaantank, op ongeveer 550 meter afstand, is gelegen. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 12 kilometer vanaf de kerncentrale Borsele. Het valt daarmee binnen de schuilzone (20 km) van de kerncentrale. De eerste maatregel die in aanmerking komt voor de bescherming van de bevolking is het schuilen, dat wil zeggen in een gebouw (liefst van steen) verblijven, waarbij ramen en deuren gesloten zijn en de mechanische ventilatie zo mogelijk uitgeschakeld is. Verder zijn er in de omgeving geen transportroutes gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor aanwezig. Wel is het plangebied gelegen in het invloedsgebied van het vervover van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde (zie afbeelding 10).
Voor de Westerschelde gelden twee invloedsgebieden. Die van ongevallen met brandbare gassen (afstand 2.887 meter) en ongevallen met het vrijkomen van ammoniak (afstand 2.333 meter). De afstand van het plangebied tot de vaarroute van de Westerschelde is circa 2.200 meter. Daarmee ligt het plangebied (net) binnen de afstand van de genoemde invloedsgebieden.
Juust
23
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Afbeelding 10 | Globale ligging invloedsgebied Westerschelde (bron: TNO, rapport 2007-A-R0562/B, eenmalige afweging groepsrisico Westerschelde) In 2003-2004 is door middel van een kwantitatieve risico analyse (QRA) een herberekening van de potentiële risico's van het scheepstransport van gevaarlijke scheepsladingen op de Westerschelde uitgevoerd (Actualisatie Risicoanalyse (Wester)Schelde; Det Norske Veritas, juni 2011). Uit deze QRA blijkt dat het plaatsgebonden risicocontour door de Westerschelde in geen enkel geval over het land is geprojecteerd. Het plaatsgebonden risico vormt zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht voor ruimtelijke plannen indien daardoor het aantal aanwezige personen in het invloedsgebied wordt vergroot. Beperkte verantwoording van het groepsrisico (GR) De GR-contour is verschillend voor vervoer over water, weg en spoor. Bij transport over water is er geen GR-contour. Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar per km transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute in één keer dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval met het vervoer van gevaarlijke stoffen op die transportroute. Het GR is niet genormeerd.
Hiervoor geldt enkel een oriëntatiewaarde waarbinnen een afweging gemaakt moet worden over de aanvaardbaarheid van de risico's. Het GR wordt enkel bepaald voor het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR. De Regeling Basisnet merkt de transportroute over de Westerschelde aan als een zogenaamde rode vaarweg. In de regeling wordt uitgegaan van vastgestelde risicocontouren die vrijwel overeenkomen met de vaarweg zelf. Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van een route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien: het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of, het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt of, de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
Juust
24
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Het plangebied ligt op meer dan 200 meter afstand van de route. Een uitgebreide verantwoording is daarom niet noodzakelijk. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is wel aan de orde indien een (plan)gebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. De inschattingen van het extern risico van transport van gevaarlijke stoffen (dit zijn: toxische en brandbare stoffen) over de Westerschelde wijzen uit dat zowel in de referentieperiode 2004-2008 en de prognosejaren 2015 en 2030 het groepsrisicocurve de oriënterende waarde niet overschrijdt. Op grond van de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid kan worden volstaan met een kwalitatieve analyse van het groepsrisico in de nieuwe situatie. Bij een 'beperkte verantwoording' wordt vooral ingegaan op de zelfredzaamheid en beheersbaarheid. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid De omvang van mogelijke incidenten kan beter beheersbaar worden gemaakt voor hulpverleningsdiensten door maatregelen te treffen met betrekking tot bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen.
Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid”. Uit deze handreiking volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van werkzaamheden of calamiteiten het plangebied bereikbaar is. De mate van zelfredzaamheid van een persoon hangt af van zijn eigen fysieke en psychische mogelijkheden en daarnaast van de omgeving. Een goede ontsluiting, beperking van hoogbouw, de ligging van kwetsbare objecten ten opzichte van de bron en aanvullende maatregelen aan gebouwen kan eraan bijdragen dat de effecten van de ramp beperkt blijven. De voorgestane ontwikkeling heeft een goede verkeersontsluiting. Het plangebied is gelegen aan de doorgaande routes Nieuwe Zuidbeekseweg en de Bossenburghweg (N288). Het plangebied is op die manier langs verschillende kanten te bereiken. Het plangebied wordt ontsloten aan de Nieuwe Zuidbeekseweg. Daarnaast is er nog een calamiteitenroute via de Zuidbeekseweg.
Hulpverleningsdiensten kunnen snel ter plaatse zijn om het potentiële schadegebied snel te ontruimen. Verder zijn er voldoende vluchtmogelijkheden om het gebied te verlaten. Er is ook geen hoogbouw voorzien. Dit komt de zelfredzaamheid en beheersbaarheid bij een calamiteit ten goede. Verder zijn verschillende bluswatervoorzieningen beoogd. Beheersbaarheid Tegen ongevallen met brandbare gassen zijn redelijkerwijs geen (ruimtelijke) maatregelen te nemen. Voor ongevallen waarbij ammoniak vrijkomt gelden de adviezen voor het toxisch scenario (vrijkomen van giftige stoffen). Deze adviezen kunnen ook van toepassing zijn indien er sprake is van een brand in de nabijheid van het complex die leidt tot rookoverlast. Het gaat om de volgende adviezen: Maak het pand luchtdicht afsluitbaar (ramen, deuren en ventilatieroosters moeten gesloten kunnen worden). Essentieel hierbij is dat de mechanische ventilatie met een druk op de knop uitgeschakeld kan worden. Aangezien het om een woonzorgcomplex gaat is het advies om het uitschakelen van de mechanische ventilatie op een centrale plek mogelijk te maken. Neem het handelingsperspectief bij het vrijkomen van giftige stoffen op in het BHV-/ontruimingsplan. Dit betreft: Blijf binnen of ga naar binnen, sluit ramen, deuren en ventilatieroosters, schakel de mechanische ventilatie uit en volg de berichtgeving op de calamiteitenzender.
Conclusie Er zijn geen ruimtelijk relevante maatregelen die getroffen kunnen worden om de zelfredzaamheid en mogelijkheden tot hulpverlening te vergroten. Er zijn echter wel niet-ruimtelijke maatregelen ten behoeve van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid mogelijk. Door deze maatregelen in acht te nemen vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de gewenste ontwikkeling.
Juust
25
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
4.6
Geluid
Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. Een zorginstelling, met verblijfs/wooneenheden, is een geluidsgevoelig gebouw in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). Het plangebied ligt niet binnen een zone industrielawaai. Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een spoorlijn en een krachtens de Wet geluidhinder (Wgh) gezoneerd industrieterrein. Het te ontwikkelen plangebied is echter wel gelegen binnen de zone van: de N288 met een snelheidsregime van 50, 70 en 80 km/h; en de Nieuwe Zuidbeekseweg met een snelheidsregime van 50 km/h.
Een akoestisch onderzoek (wegverkeerslawaai) is derhalve noodzakelijk. Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4). Vanwege de Nieuwe Zuidbeekseweg bedraagt de berekende geluidbelasting op de gevels van de gebouwen van het zorgcomplex ten hoogste 48 dB. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en is onderzoek naar maatregelen om de geluidbelasting te reduceren dus niet noodzakelijk, evenals het aanvragen van een hogere waarde vanwege deze weg. Vanwege de Bossenburghweg blijkt dat de geluidbelasting ten hoogste 61 dB bedraagt op de westgevel van het meest westelijke gebouw (dagbesteding). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden op de deze gevel en op (een gedeelte van) de westgevel, noord- en zuidgevel van het gebouw ten noorden van het dagbestedingsgebouw. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, de maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Uit het maatregelenonderzoek blijkt dat het treffen van bronmaatregelen niet doelmatig is. Overdrachtsmaatregelen zijn het plaatsen van een scherm of het zodanig positioneren van de nieuwbouw dat aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan.
Onderzoek wijst uit dat het plaatsen van een 3 meter hoog geluidscherm (overdrachtsmaatregel) noodzakelijk is om de geluidbelasting op de gevels te reduceren tot ten hoogte 48 dB vanwege de Bossenburghweg. Echter het plaatsen van een drie meter hoog scherm, op korte afstand van de gebouwen stuit in onderhavige situatie op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Daar komt bij dat het meest westelijke gebouw uitsluitend voor dagbesteding wordt gebruikt. Het plaatsen van een dergelijk geluidscherm is voor dat gebouw niet doelmatig. Een geluidsscherm van 2 meter hoog is meer passend. Een scherm van 2 meter hoog plaatsen aan de noordzijde van het perceel, om zodoende de geluidbelasting op de noordgevel van het noordelijke gelegen gebouw te beperken. Daarnaast kan dit gebouw zodanig worden ingericht dat de westelijke (kop) gevel als dove gevel wordt uitgevoerd met daarachter een niet geluidgevoelige ruimte. Door het plaatsen van een geluidscherm van 2 meter hoog op circa 3 meter afstand van de noordgevel van dit gebouw daalt de geluidbelasting op de noordgevel van het gebouw tot ten hoogste 50 dB. Dit is een reductie van 6 dB ten opzichte van de uitgangssituatie. Afhankelijk van de keuze om al dan niet een geluidscherm van 2 meter hoog te plaatsen, dienen (aanvullende) gevelmaatregelen getroffen te worden.
Om te kunnen bepalen welke maatregelen genomen moeten worden, is het noodzakelijk de geluidwering van de gevels te berekenen en deze te toetsen aan het Bouwbesluit. Indien een geluidscherm van 2 meter hoog wordt geplaatst, dient een geluidwering van 19 te worden behaald. Dit is minder dan de minimum eis uit het Bouwbesluit, waardoor automatisch aan de geluidnormen wordt voldaan. Voor het meest westelijke gebouw (dagbesteding) dient nader onderzoek plaats te vinden of aanvullende gevelmaatregelen noodzakelijk zijn. Het voorgestelde geluidscherm is niet van invloed op de geluidbelasting op
Juust
26
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
dit gebouw. Het toepassen van een 2 meter hoog geluidscherm heeft een positief effect op het woon- en leefklimaat bij de betreffende gebouwen. Op basis van het bovenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
4.7
Kabels en leidingen
In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt. In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen.
4.8
Luchtkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht. Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In dit geval is er sprake van een woonzorgcomplex met beperkte verkeersaantrekkende werking. De cliënten verblijven op de locatie voor zowel de huisvesting als de dagbesteding. De verkeersaantrekkende werking bestaat vrijwel uit de mobiliteit van de medewerkers van de zorginstelling (dag- en nachtverzorgers en administratieve ondersteuning), bezoekers van de cliënten en medewerkers van de dagbesteding.
Hiermee is de ontwikkeling fors kleiner dan een ontwikkeling van 1.500 woningen en is daardoor aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het uitvoeren van luchtkwaliteitsonderzoek is niet nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de toename aan NO2 en PM10 inzichtelijk gemaakt aan de hand van de NIBM tool. In paragraaf 4.11 Verkeer en parkeren is de verkeersgeneratie van het project inzichtelijk gemaakt. Deze wordt geschat op gemiddeld 159 motorvoertuigen per etmaal. De NIBM tool laat zien dat deze verkeerstoename niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Juust
27
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
Afbeelding 11 | NIBM-tool (bron: Infomil) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2 , PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt aan de hand van NSL-monitoringstool. In de onderstaande afbeelding zijn de concentraties NO2 , PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven.
Afbeelding 12 | Uitsnede NSL 2020-monitor (bron Rijksoverheid) Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 17,3 µg/m3 (rekenpunt 111), 17,1 µg/m3 en 9,7 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde
Juust
28
Zorgpaviljoens Zuidbeek Vlissingen
grenswaarde voor NO2 , PM10 en PM2,5 wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is afgerond 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De luchtkwaliteitssituatie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling.
4.9
Natuur
De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven. Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Zeeland. Het doel van het natuurnetwerk is het behoud en de versterking van het aantal soorten in het wild voorkomende planten en dieren. De natuurgebieden van het Natuurnetwerk Zeeland dragen ook sterk bij aan de identiteit van Zeeland en aan de kwaliteit van Zeeland als woon- en werkgebied. Het grootste deel van het natuurnetwerk Zeeland is goed toegankelijk en beleefbaar. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het gebied 'Westerschelde en Saeftinghe' en ligt op een afstand van ongeveer 1,9 kilometer. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de AERIUS Calculator moet en kan voor dit plan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. Per 1 juli 2021 is de Wet en het Besluit (Stikstofwet) van kracht. Belangrijk onderdeel van het Besluit is de bouwvrijstelling.
Kort gezegd houdt deze vrijstelling in dat de aanlegfase van ontwikkelingen vrijgesteld is van de vergunningplicht Wet natuurbescherming en dat voor deze fase geen stikstofberekening meer nodig is. De bouwvrijstelling betreft een partiële vrijstelling, omdat deze alleen geldt voor tijdelijke stikstofemissies tijdens sloop, aanleg en bouwactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase. Voor de gebruiksfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie Bijlage 5). De uitkomst is dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig, er geldt ook geen 'aanhaakplicht' in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning. Soortenbescherming Door Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) is in januari 2022 een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie Bijlage 6). Hieronder zijn de resultaten beschreven. De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van boombewonende en gebouwbewonende vleermuizen kan uitgesloten worden. Verder is het zeer onwaarschijnlijk dat het plangebied wordt gebruikt als essentieel foerageergebied, vliegroute of essentiële leefomgeving van deze dieren vanwege de afwezigheid van bomenrijen, andere opgaande vegetatie en brede gangen water.