CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

rvs Financiering toekomst GI-functie in Zeeland

Commissie Algemeen en Sociaal 14 januari 2021, gemeente VlissingenBij agendapunt: Financiering toekomst GI-functie in Zeeland2.584 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Registratiekenmerk: 1272028 Onderwerp: Financiering toekomst GI-functie in Zeeland conceptbesluit De raad besluit; 1. een aanvullende incidentele bijdrage van € 187.641 als Vlissings aandeel beschikbaar te stellen voor de transitieperiode en overgang van cliënten van de GI Intervence; 2. genoemde besluitvorming onder voorbehoud van instemming door de inspecteur artikel 12 en de Provincie als toezichthouder.

Samenvatting Om een oplossing te zoeken voor de structureel verliesgevende financiële situatie van gecertificeerde instelling (G.I.) Intervence heeft een scenario-onderzoek plaats gevonden. Uit dit onderzoek blijkt dat Intervence niet zelfstandig de activiteiten kan blijven uitvoeren, noch is een overnamepartner gevonden die Intervence wil overnemen. Op grond van deze uitkomsten heeft de Bestuurscommissie jeugdhulp besloten het contract van Intervence niet te verlengen en voor 2021 een overgangscontract aan te gaan voor een periode van 6 tot 9 maanden. In deze periode zal een geleidelijk overdracht van jeugdbeschermingsmaatregelen van Intervence naar de andere 3 in Zeeland gecontracteerde GI’s plaatsvinden. Op basis van afspraken met de minister en staatssecretaris wordt hiervoor een Transitieplan opgesteld conform de adviezen van de Inspecties en Jeugdautoriteit. Ten behoeve van gehele transitieoperatie stellen de Zeeuwse gemeenten in 2021 de noodzakelijke middelen beschikbaar.

Inleiding Al lange tijd zijn de Zeeuwse gemeenten en de Intervence in gesprek over de kwaliteit van dienstverlening en de bekostiging. In februari 2019 is daarvoor een bestuursakkoord gesloten met de Raad van Toezicht (RvT), de Zeeuwse gemeenten en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V. In dat bestuursakkoord is afgesproken Intervence gedurende twee jaar (2019 en 2020) een instandhoudingsbijdrage te geven, waarna de organisatie de zorg binnen de gestelde kaders (reguliere p x q bekostiging) zelfstandig zou moeten uitvoeren. Totaal betaalden de Zeeuwse gemeenten in 2 jaar een instandhoudingsbijdrage van € 1.442.000 (€ 838.000 over 2019 en € 604.000 over 2020). Daarnaast zijn in 2019 de tarieven verhoogd. Onderdeel van de afspraken in het bestuursakkoord van 2019 was dat de Zeeuwse gemeenten Intervence structureel gingen bevoorschotten, op basis van toen geldende productiecijfers. De verrekening van de voorschotten met de werkelijke productie wordt dan aan het einde van elk boekjaar door de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland (IJZ) geregeld. Bij de verrekening van 2019 bleek dat Intervence tot en met april 2020 een bedrag van € 1.218.000 te veel bevoorschot was en dit bedrag moet terugbetalen aan de Zeeuwse gemeenten. Dit omdat de geleverde productie afweek van het bevoorschotte bedrag.

Er is de afgelopen maanden intensief over de zorgen rondom Intervence gesproken met de RvT en de directeur-bestuurder van Intervence. Ook het Ministerie van J&V is daarbij betrokken, evenals het Ondersteuningsteam Zorg voor Jeugd (OZJ) van de VNG voor procesbegeleiding. U bent daar op verschillende momenten over geïnformeerd. In november 2020 zijn de resultaten van het scenario-onderzoek gepresenteerd in de Bestuurscommissie Jeugd. Nadere achtergrondinformatie hierover vindt u in de volgende bijlagen: Auteur: A. van der Reest Telefoonnummer: 0118-487308 Datum document: 21-12-2020

Registratienummer nota: 1272021 Beslissingsbevoegdheid: Gemeenteraad

1. Matrix kansen en bedreigingen voor scenario 1, 2, 3a en 3b 2. Matrix ter voorbereiding voor besluitvorming 3. Oplegnotitie met samenvatting van de belangrijkste onderdelen van beide matrixen. Wat willen we bereiken? De Zeeuwse gemeenten zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de instandhouding van een GI-functie in Zeeland en de continuïteit van zorg aan gezinnen en jeugdigen in jeugdbescherming. Echter zijn de gemeenten dat niet voor de instandhouding van een GI-organisatie. Om een duurzame GI-functie te kunnen borgen is in 2020 een scenario onderzoek naar de toekomst van Intervence uitgevoerd. Op grond van dit onderzoek zouden de 13 Zeeuwse gemeenten op basis van de juiste feiten een beslissing kunnen nemen over de contractering van Intervence vanaf 2021. In het onderzoek zijn de volgende scenario’s uitgezocht: 1.

Intervence wordt gecontracteerd vanaf 2021 inzake GI-functies voor de Zeeuwse gemeenten. Intervence voert als zelfstandige GI deze werkzaamheden uit. Dit vindt plaats aan de hand van een helder meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen Intervence en de Zeeuwse gemeenten.

2.

Intervence wordt overgenomen door een andere partij, waarna Intervence (als dochter of werkmaatschappij van een nieuwe eigenaar) de GI-werkzaamheden gaat uitvoeren voor de Zeeuwse gemeenten. Dit vindt plaats aan de hand van een meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen de eigenaar van Intervence en de Zeeuwse gemeenten.

3.

De werkzaamheden van Intervence in Zeeland worden (eventueel stapsgewijs) afgebouwd, waarna de organisatie stopt. De werkzaamheden worden vanaf 2021 uitgevoerd door een andere GI.

Het onderzoek is uitgevoerd door Intervence (scenario 1 en 2) en de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland (directeur in samenwerking met de programmamanager jeugd Zeeland). In de onderzoeken zijn zowel kwaliteit van zorg als financiële situatie van Intervence betrokken. Onderstaand zijn de resultaten van het scenario-onderzoek samengevat: Scenario 1. Uit het onderzoek dat is opgesteld samen met adviesbureau EHdK, blijkt dat het niet haalbaar is om de organisatie Intervence te laten voortbestaan op basis van de gestelde kaders (p x q en zonder instandhoudingsbijdrage) en er geen break-even moment te noemen is. Er zijn te weinig casussen voor Intervence en daarmee is Intervence als zelfstandige organisatie niet levensvatbaar. Naar aanleiding hiervan heeft de Raad van Toezicht van Intervence geconcludeerd dat scenario 1 geen reële optie is. Scenario 2. Er is in het proces aan 6 GI’s gevraagd of zij mogelijkheden zagen voor overname. Voor scenario 2 heeft één landelijke GI op verzoek van de gemeenten onderzoek gedaan, met als doel onderzoeken of het haalbaar was om Intervence in te lijven binnen deze organisatie. Op basis van de businesscase heeft betreffende GI zelf besloten geen aanbod voor overname van de organisatie Intervence te doen aan de Zeeuwse gemeenten en Intervence. Men vond de risico’s te groot voor de eigen organisatie.

Een andere GI heeft, voorafgaand aan het onderzoek een aantal zekerheden gevraagd die voor gemeenten een te hoge drempel opwierpen. Betreffende GI vroeg bijvoorbeeld een garantie vooraf voor het uitvoeren van het onderzoek en een garantie van een hoog bedrag. Dit betekent dat ook scenario 2 niet uitvoerbaar bleek.

Blad 2 behorend bij 1272021

Scenario 3. Voor scenario 3 hebben de drie andere in Zeeland al gecontracteerde GI’s aangegeven dat zij bereid zijn om casussen van Intervence over te nemen en de medewerkers uit het primaire proces van Intervence de kans te willen geven bij hen in dienst te komen. Met dit scenario is de continuïteit van de zorg zoveel mogelijk gegarandeerd. De risico’s voor de Zeeuwse gemeenten zijn minder groot en ook contractueel zijn er minder risico’s. Bij keuze voor uitrol van dit scenario zijn er na afronding geen vier, maar drie GI’s in Zeeland werkzaam, waarmee het aantal casussen onder minder GI’s verdeeld worden. Uit het scenario-onderzoek is dus geconcludeerd dat Intervence de zorg niet binnen de gestelde financiële kaders kan organiseren (scenario 1) en er ook geen overnamepartner voor Intervence is gevonden (scenario 2). Hierdoor blijft scenario 3 over. Dit betekent dat de werkzaamheden van Intervence in Zeeland zullen worden afgebouwd, waarna de organisatie stopt. De werkzaamheden worden overgedragen aan andere GI’s). De hulpverlening die in de betreffende casussen wordt uitgevoerd door andere partijen (zoals bijvoorbeeld Juvent) gaat onverminderd door.

Op basis van de uitkomst van het scenario-onderzoek heeft de Bestuurscommissie Jeugd vanuit haar gedelegeerde bevoegdheid op 26 november 2020 besloten om het contract van Intervence per 2021 te beëindigen en besloten de zorg voor de betrokken gezinnen en jeugdigen in de loop van 2021 over te dragen naar de drie andere reeds voor Zeeland gecontracteerde GI’s. Wat gaan we ervoor doen? Om de zorg voor de gezinnen en jeugdigen te borgen en daarnaast zorgvuldig om te gaan met de werkgelegenheid van de uitvoerende medewerkers is een transitieperiode noodzakelijk. Deze wordt geschat op 6 tot 9 maanden. Contractueel is Intervence verplicht mee te werken aan de overdracht van de casussen en in overleg te gaan met de andere GI’s over de overgang van de medewerkers. Vooral voor de uitvoerende medewerkers (jeugdbeschermers, jeugdreclasseringswerkers en gedragsdeskundigen) is de kans groot dat zij in aanmerking komen voor een dienstverband bij één van de andere GI’s, voor de ondersteunende diensten is deze kans minder groot. Om de hele transitie goed te laten verlopen wordt met Intervence een overbruggingscontract voor in ieder geval het 1e half jaar van 2021 afgesloten. Daarnaast wordt met alle betrokken partijen een Transitieplan opgesteld conform de vereisten die de Inspecties en de Jeugdautoriteit daaraan gesteld hebben.

Nadat dit Transitieplan is goedgekeurd, gaat Intervence de zorg geleidelijk overdragen aan de andere drie GI’s, waarna Intervence ophoudt te bestaan. Er komt een projectorganisatie waar Intervence nadrukkelijk een rol in krijgt, onder begeleiding van onafhankelijke procesbegeleider. De gezinsmanagers van Intervence blijven de gezinnen ondersteunen, totdat ze die kunnen overdragen naar een andere GI. Aldus proberen de Zeeuwse gemeenten een zorgvuldige overdracht te borgen in het belang van de kinderen, gezinnen, medewerkers en alle andere betrokkenen. Voor de overdracht van de casussen op naam van een andere GI zijn nieuwe gerechtelijke beschikkingen nodig en moeten rechtbankzittingen worden georganiseerd. Met de Rechtbank Zeeland West-Brabant worden hierover plannen gemaakt. Wat zijn de kanttekeningen en risico’s? Intervence is zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van scenario 3. Dat betekent dat zij zich kunnen richten op een faillissement (scenario 3a) of een liquidatie (scenario 3b) van de onderneming. De geschatte kosten van een faillissement komen neer op € 2.75 miljoen en die van liquidatie op € 3.27 miljoen. Intervence heeft hier zelf onvoldoende middelen voor. Daarom worden de gemeenten

Blad 3 behorend bij 1272021

gevraagd hierin te ondersteunen. Voor Intervence is het noodzakelijk te weten welke ondersteuning zij van de gemeenten zullen ontvangen om uitvoering te geven aan de keuze. Ter ondersteuning van dit besluit is door de Zeeuwse gemeenten een advies gevraagd bij de landsadvocaat (bijlage). In dit advies wordt met name ingegaan op het risico dat gemeenten lopen bij scenario 3 voor wat betreft de kans dat er sprake is van ‘’overgang van onderneming’’. Hierover stelt de landsadvocaat dat overgang van onderneming een groot risico is bij zowel liquidatie als, in mindere mate, faillissement. De overnemende GI’s zijn geen van allen in staat om in te steken op ‘overgang van onderneming”. Het financiële risico voor partijen is dan te groot (vergelijkbaar met de uitwerking van scenario 2). Wanneer overname van onderneming toch onderdeel van de overname door de andere GI’s wordt, is het risico aanwezig dat het benodigde bedrag hoger uitkomt (tot een maximum van ca € 6 miljoen, gebaseerd op de resultaten van het onderzoek bij scenario 2). De landsadvocaat heeft de Zeeuwse gemeenten geadviseerd voldoende middelen beschikbaar te stellen voor liquidatie van Intervence. Dit scenario heeft de voorkeur omdat gemeenten dan zelf meer zeggenschap hebben over een goede overdracht van casussen en werkzaamheden. Bij faillissement ligt dit bij een curator.

De Jeugdautoriteit en de Inspecties hun zorgen geuit over de gevolgen van het besluit van de Zeeuwse gemeenten (lees Bestuurscommissie). Hierover is ook veel aandacht in de pers geweest. De Jeugdautoriteit en de Inspecties hebben aangegeven dat zij actief betrokken willen worden bij het opstellen van het Transitieplan. Tot het akkoord van de Jeugdautoriteit en de Inspecties op het Transitieplan is afgesproken met de minister van V&J dat er geen onomkeerbare acties worden uitgevoerd. Daarnaast sluiten gemeenten en Intervence een overbruggingscontract voor in ieder geval het 1e half jaar van 2021. Dat betekent dat de huidige situatie zowel voor medewerkers als kinderen hetzelfde blijven. Pas na vaststelling van het Transitieplan kan een start gemaakt worden met overdracht van bestaande maatregelen en nieuwe maatregelen naar de andere 3 GI’s. Deze zijn overigens ook al lange tijd gecontracteerd in Zeeland en hebben gesteld dat zij de maatregelen na de transitieperiode voor bestaande tarieven kunnen uitvoeren. Volgens de huidige financiële doorrekening is een faillissementssituatie iets minder kostbaar voor de gemeenten. De kosten voor de gemeenten in scenario 3a ongeveer 2,75 miljoen, terwijl de kosten in scenario 3b bij liquidatie uitkomen op 3,27 miljoen. Verdeeld over de dertien Zeeuwse gemeenten is het verschil per gemeente tussen faillissement en liquidatie dan echter klein.

Mede op basis van het advies van de landsadvocaat wordt geadviseerd uit te gaan van scenario 3b liquidatie. Wat mag het kosten? Voor de overdracht van zorg in 2021 maken Intervence en de overnemende partijen (Briedis, WSG, Leger des Heils) extra kosten en hiervoor wordt een projectorganisatie opgericht. De kosten bij scenario 3b liquidatie zijn geraamd op € 3.275.000, verdeeld over: - € 1.275.000 voor de overnemende partijen (Briedis, WSG, Leger des Heils) en de projectorganisatie; - € 2.000.000 afbouw Intervence. Intervence heeft zelf onvoldoende financiële middelen om het proces van uitvoering van dit scenario vorm te geven. De organisatie heeft een negatief eigen vermogen en dat maakt de kans op terugvordering van de teveel bevoorschotte bedragen zeer klein. Intervence zal in de afbouwperiode betaald moeten worden via het overbruggingscontract. Er wordt betaald voor de casussen die Intervence nog oppakt, maar ook voor de instandhouding van de organisatie zolang er nog maatregelen onder de verantwoordelijkheid van Intervence vallen. Dit zal periodiek afgebouwd gaan worden wanneer casussen en medewerkers overgaan naar de andere GI’s.

Blad 4 behorend bij 1272021

Voor de bekostiging van de aanvullende middelen zijn er volgende drie mogelijkheden: 1. Lening; het verstrekken van een lening kan leiden tot het benadelen van bestaande crediteuren, waardoor Intervence in de positie kan komen te besluiten tot het direct aanvragen van een faillissement. Dat kan een verhoogd risico geven voor de continuïteit van zorg. 2. Achtergestelde lening; dit is een krediet waarbij de verlener in het geval van faillissement van de lener wordt achtergesteld in zijn positie als schuldeiser: de achtergestelde schuldeiser komt in een faillissement in de volgorde van schuldeisers dus achter de concurrente ('gewone') schuldeisers zoals de werknemers en de banken. Door deze voorwaarden loopt de schuldeiser een hoger risico dat hij een deel van zijn verstrekte krediet niet terugbetaald krijgt. 3. Subsidie; het verstekken van een subsidie zou een langer traject met openstelling voor meerdere partijen betekenen. Tegen deze achtergrond en het risico dat de gemeenten de middelen niet terug kunnen krijgen, heeft de Bestuurscommissie de afweging gemaakt om de transitiekosten voor Intervence te willen financieren via het instrument van een achtergestelde lening. Omdat het belangrijk is dat gemeenten ook in deze fase grip houden op de uitgaven van Intervence zal een vertegenwoordiging namens gemeenten meekijken naar de uitvoering van de plannen.

Dit wordt in het overbruggingscontract geregeld. Bij elkaar opgeteld vraagt de afbouw van Intervence en de overdracht van de casussen in scenario 3b dus een bedrag van € 3.275.000 van de Zeeuwse gemeenten. Voor Vlissingen betreft dit een incidenteel bedrag van € 416.781 (bijlage verdeelsleutel). Omdat bij de programmabegroting 2021 al rekening is gehouden met een instandhoudingsbijdrage van € 229.140 betekent dit voor Vlissingen in 2021 een extra bijdrage van € 416.781 - € 229.140 = € 187.641. Het ter beschikking stellen van de extra middelen is een bevoegdheid van de raad. Op grond hiervan vraagt het college aan de gemeenteraad het extra Vlissingse aandeel van € 187.641 in 2021 beschikbaar te stellen. Artikel 12 Dit voorstel is onder voorbehoud van goedkeuring door de artikel 12 inspecteur en de Provincie Zeeland als toezichthouder. Wat en hoe gaan we communiceren? Uw besluit wordt gecommuniceerd naar de ambtelijk secretaris van de Bestuurscommissie Jeugdhulp. De algemene communicatie verloopt via de gemeente Sluis als coördinerende gemeente. Dit omdat zij ook de voorzitter van de jeugdhulpregio Zeeland leveren, wethouder Jack Werkman. Gezamenlijk is er door de Zeeuwse gemeenten met de betrokken partijen een communicatieplan opgesteld voor zowel cliënten alsook personeel.

Blad 5 behorend bij 1272021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9595386/1