CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB EnergieHub Sint Jooslandsche Polder start procedure (2555227) (8.0)- Bijlage

Informatiebijeenkomst 6 december 2024, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken1.253 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BIJLAGE 1 BEHOREND BIJ HET RAADSBESLUIT D.D. 27 januari 2011 1. Alle ruimtelijk-planologische ontwikkelingen - ongeacht de omvang - binnen het bestaande bebouwde gebied van de Gemeente Vlissingen, zoals dat staat aangegeven op de bij dit besluit behorende tekening, onder de voorwaarde, dat vooraf een stedenbouwkundig-ruimtelijk plan door de gemeenteraad is vastgesteld, waarbinnen die ontwikkelingen passen. 2. Alle andere hierna opgesomde kleinschalige ruimtelijk-planologische ontwikkelingen, waarvoor geen stedenbouwkundig-ruimtelijk plan is vastgesteld en die uitstijgen boven de wettelijke afwijkingsmogelijkheden op grond van of krachtens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): a. het bouwen van ten hoogste 10 woningen, voor zover gelegen binnen het bestaande bebouwde gebied van Gemeente Vlissingen, zoals dat staat aangegeven op de bij dit besluit behorende tekening; b. het bouwen van commerciële en niet-commerciële voorzieningen met een oppervlakte van ten hoogste 1.500 m2, voor zover gelegen binnen het bestaande bebouwde gebied van Gemeente Vlissingen, zoals dat staat aangegeven op de bij dit besluit behorende tekening; c.

het uitbreiden van bestaande woningen en het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij woningen buiten het bestaande bebouwde gebied van Gemeente Vlissingen, zoals dat staat aangegeven op de bij dit besluit behorende tekening; d. het uitbreiden van bestaande commerciële en niet-commerciële voorzieningen met een oppervlakte van ten hoogste 1.500 m2; e. het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van infrastructurele voorzieningen of andere openbare voorzieningen ten algemenen nutte; f. het wijzigen van het gebuik van gronden en bouwwerken, al dan niet in samenhang met daarvoor noodzakelijke bouwactiviteiten; g. het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3. Procedurebeschrijving a. artikel 3.11, lid 1, van de Wabo bepaalt, dat het bevoegd gezag (B&W) de aanvraag om omgevingsvergunning onverwijld zendt aan het bestuursorgaan (de gemeenteraad), dat bevoegd is voor de afgifte van de verklaring van geen bedenkingen; B&W zenden, ter voldoening aan deze verplichting, de aanvraag met de bijbehorende stukken, door tussenkomst van de griffie, aan de gemeenteraad; b.

B&W beslissen over het verlenen van planologische medewerking; besluiten B&W tot het verlenen van planologische medewerking, dan wordt de aanvraag, overeenkomstig de in de Wabo voorgeschreven uitgebreide voorbereidingsprocedure, gedurende zes weken ter inzage gelegd; gedurende deze termijn kunnen belanghebbenden zienswijzen indienen; c. na afloop van de terinzagelegging wordt de aanvraag met alle bijbehorende stukken en de zienswijzen, door tussenkomst van de griffie, aan de leden van de gemeenteraad gezonden; d. de leden van de raad kunnen, binnen een termijn van veertien dagen - uitgezonderd de periode van de zomerschoolvakantie voor het basisonderwijs - na de datum van verzending door de griffie, aangeven de beslissing over de afgifte van de verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad te willen voorleggen; e. de beslissing over de afgifte van de verklaring van geen bedenkingen wordt aan de gemeenteraad voorgelegd, indien, binnen de gestelde termijn, ten minste ¼ deel van het aantal raadsleden de wens daartoe te kennen geeft; f. alle beslissingen over de plannen, genoemd onder 1 en 2, worden aan de commissie ruimte medegedeeld. Binnen twee jaar, dus voor 1 januari 2013 vindt evaluatie plaats en wordt bezien of aanpassing van de regeling gewenst is.

TOELICHTING OP DE BIJLAGE Algemeen Aanvragen om een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) moeten worden getoetst aan het Besluit omgevingsrecht (Bor; dat is een uitvoeringsbesluit op grond van de Wabo) en het vigerende bestemmingsplan. Op dat moment moet in de hierna aangegeven volgorde getoetst worden: - is de aanvraag vergunningsvrij op grond van artikel 2 van het Besluit omgevingsrecht; - is de aanvraag vergunningsvrij op grond van artikel 3 van het Besluit omgevingsrecht; - past de aanvraag binnen het vigerende bestemmingsplan; zo ja, vergunning verlenen. Ontwikkelingen, waarop dit aanwijzingsbesluit doelt, zullen niet onder de artikelen 2 en 3 van het Besluit omgevingsrecht vallen. Ontwikkelingen, die binnen een vigerend bestemmingsplan passen, moeten worden verleend.

Indien een aanvraag niet past binnen het vigerende bestemmingsplan, dan moet de volgende toetsing plaatsvinden: - kan de aanvraag vergund worden met toepassing van een binnenplanse ontheffingsbevoegdheid (dat is een ontheffingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders, die al in een vigerend bestemmingsplan is opgenomen; betreft over het algemeen geringe afwijkingen); - kan de aanvraag vergund worden met toepassing van de buitenplanse bevoegdheid, die geldt op grond van artikel 4 van het Besluit omgevingsrecht (dit is een afwijkingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouder en betreft de zgn. planologische kruimelgevallen, die nauwelijks ruimtelijke impact hebben); Indien geen van deze afwijkingsbevoegdheden tot de mogelijkheden behoort, dan moet bezien worden of, en zo ja, op welke andere wijze, planologische medewerking kan worden verleend. In het geval planologische medewerking aanvaardbaar of gewenst is, voorziet de Wabo in de mogelijkheid de vergunning te verlenen na afgifte van een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) door de gemeenteraad, waarna burgemeester en wethouders de omgevingsvergunning kunnen verlenen. De wet voorziet erin, dat de gemeenteraad categorieën van gevallen aanwijst, waarvoor de afgifte van de verklaring van geen bedenkingen niet noodzakelijk is, wat ertoe leidt dat burgemeester en wethouders het plan mogen afwikkelen.

De lijst in deze bijlage ziet op deze gevallen. 1. In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het primaat van de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid neergelegd bij de gemeenteraad. Daarvoor is een structuurvisie voor de gemeente verplicht gesteld, maar ook kunnen daartoe - meer gedetailleerdere - stedenbouwkundige plannen dienen. Nadat een stedenbouwkundig-ruimtelijk plan is vastgesteld door de gemeenteraad voor een bepaalde gebiedsontwikkeling, kunnen de daarna vereiste omgevingsvergunningen ter uitvoering van het project voor de diverse te vergunnen (bouw)activiteiten door burgemeester en wethouders worden afgehandeld. Daarmee wordt voorkomen, dat de verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van vereiste omgevingsvergunning ook weer door de gemeenteraad moet worden afgegeven, wat veel extra proceduretijd kost, terwijl de gemeenteraad zich al heeft uitgesproken over het plan. Dit geldt alleen voor ontwikkelingen binnen het bestaande bebouwde gebied. Overigens zal ook vaak gekozen worden voor een bestemmingsplan, in dat geval blijft ook de gemeenteraad bevoegd. Voor ontwikkelingen buiten het bestaande bebouwde gebied blijft de gemeenteraad volledig bevoegd. 2. Er dienen zich ook plannen aan, waarvoor het opstellen van een stedenbouwkundig plan niet noodzakelijk is.

De inpassing is het bestaande gebied is dan zo logisch, dat er niet of nauwelijks alternatieven zijn, terwijl ook de ruimtelijke impact daarvan klein is. Voor dit type plannen (genoemd onder a en b), waarvan de realisatie, zowel bezien vanuit de initiatiefnemer als de gemeente, wenselijk is, is het niet bezwaarlijk, dat deze door burgemeester en wethouders kunnen worden afgewikkeld. Daarmee wordt veel proceduretijd gewonnen, wat voor initiatiefnemers, maar ook voor de gemeente van belang is. De praktijk leert, dat veel proceduretijd en bureaucratie de ontwikkeling van dit type kleinschalige plannen, die niettemin in het belang zijn van de ontwikkeling en kwaliteitsverbetering van de stad, niet bevordert.

De lijst voorziet in kleinschalige plannen, die geen grote ruimtelijke ingreep tot gevolg hebben. De onder c t/m g genoemde plannen kunnen ook buiten het bestaande bebouwde gebied door burgemeester en wethouders worden afgewikkeld. De bevoegdheid tot de afwikkeling van dezelfde type bouwplannen binnen het bestaande bebouwde gebied door burgemeester en wethouders is al in het Besluit omgevingsrecht (art. 4) voorzien. 3. De procedure voorziet er in, dat ten minste ¼ van de raad (in de huidige constellatie 7 raadsleden) na afloop van de tervisielegging van de aanvraag, gedurende een termijn van veertien dagen, kunnen aangeven de beslissing aan de raad te houden. Alle beslissingen door B&W over de aangewezen plannen worden meegedeeld aan de commissie ruimte. Voorgesteld wordt na twee jaar, aan de hand van een overzicht van alle plannen, te evalueren, dus voor 1 januari 2013.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14918851/1