Raad - Ontwerpregeling Inkoop Sociaal Domein Zeeland versie jan 2024
Tekst van het document
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING INKOOPORGANISATIE SOCIAAL DOMEIN ZEELAND De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen; overwegende: dat op het gebied van de inkoop van jeugdhulp en beschermd wonen en de subsidiëring van opvang samenwerking tussen de 13 Zeeuwse gemeenten is geboden; dat het Rijk regionale samenwerking en regionaal contracteren verplicht bij jeugdhulp; dat het Rijk beschermd wonen wil doordecentraliseren, waardoor alle gemeenten financieel en inhoudelijk verantwoordelijk worden voor beschermd wonen en de gemeenten hebben uitgesproken de constructie te willen beëindigen waarbij Vlissingen de centrumgemeente is voor beschermd wonen; dat op 23 december 2021 een opdracht is verstrekt door de stuurgroep ‘Integrale Governance Zeeuwse Samenwerking Sociaal Domein’ aan adviesbureau BMC om te komen tot een concreet voorstel van welke mogelijkheden er zijn om de inkoop van jeugdhulp en de inkoop van beschermd wonen (BW), met een opmaat naar de inkoop van maatschappelijke opvang (MO), in Zeeland te organiseren en binnen welke best passende governancestructuur dit vorm kan krijgen; dat BMC in het rapport ‘Samen aan het stuur’ van april 2022 adviseert om een nieuw openbaar lichaam in te richten, dat namens de dertien gemeenten
minimaal de inkoop op het gebied van jeugdhulp, BW, MO en vrouwen-/veilige opvang (VO) verzorgt. En in de toekomst tevens de inkoop van andere onderwerpen binnen het sociaal domein hierin onder te brengen; dat op 5 juli 2022 in het themaoverleg sociaal domein van het Overleg Zeeuwse Overheden (OZO) ambtelijk advies is gevraagd met een afwegingskader voor vier varianten voor de gezamenlijke inkoop van jeugdhulp en BW, te weten: 1.
het oprichten van een nieuwe gemeenschappelijke regeling (GR) voor de inkooptaken op het gebied van jeugdhulp, BW, MO en VO;
2.
het onderbrengen van de inkoop van BW, MO en VO bij GR Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) Zeeland, naast de inkoop van jeugdhulp;
3.
het uitbreiden van GR Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio (SWVO) naar een openbaar lichaam voor dertien gemeenten en hier de inkoop van jeugdhulp, BW, MO en VO onder te brengen;
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
4.
het onderzoeken van een ‘alles-in-één-variant’, waarin meer taken dan enkel inkooptaken worden belegd en/of meer onderdelen van het sociaal domein dan enkel jeugdhulp, BW, MO en VO worden betrokken;
dat op 4 oktober 2022 in het OZO-themaoverleg sociaal domein een ambtelijke uitwerking is gevraagd met als stip op de horizon één nieuwe gemeenschappelijke regeling voor de inkoop binnen het sociaal domein; dat op 27 maart 2023 een opdracht is verstrekt aan adviesbureau Berenschot om de juridische, financiële en overige ter zake doende aspecten van variant 1, 2 en 3 te beschrijven en per variant aan te geven wat de consequenties zijn voor de betrokken organisaties die nu deze taken uitvoeren; dat Berenschot op 6 juli 2023 in het OZO-themaoverleg sociaal domein het rapport ‘Wendbaar en behoedzaam’ heeft gepresenteerd, waarna de portefeuillehouders van de gemeenten Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Tholen, Veere en Vlissingen hun voorkeur hebben uitgesproken voor variant 1 en die van de gemeenten Noord-Beveland, Sluis en Terneuzen voor variant 2; dat wordt geadviseerd wordt om de mogelijkheid te bieden in de toekomst tevens (de inkoop van) andere onderdelen binnen het sociaal domein onder te brengen in deze gemeenschappelijke regeling; dat in augustus en september 2023 alle Zeeuwse colleges opdracht hebben gegeven om variant 1 verder uit te werken met inachtneming van de in het rapport ‘Wendbaar en behoedzaam’ genoemde randvoorwaarden; dat de navolgende gemeenteraden op (datum) een zienswijzen ten aanzien van de concept regeling hebben
kenbaar gemaakt; dat naar aanleiding van deze zienswijzen de volgende wijzigingen in het concept zijn doorgevoerd: -
;
dat de gemeenteraden vervolgens op (datum) de gevraagde toestemming als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen hebben verleend; gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
besluiten: aan te gaan de volgende gemeenschappelijke regeling:
INKOOPORGANISATIE SOCIAAL DOMEIN ZEELAND
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1: Begripsomschrijvingen Deze regeling verstaat onder: a.
de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland: het openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 2;
b.
gemeenten: de bij de regeling aangesloten gemeenten i.c. Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen;
c.
Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland;
d.
de regeling: de gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland;
e.
jeugdhulp: jeugdhulp zoals omschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
f.
beschermd wonen: beschermd wonen zoals omschreven in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, alsmede de producten die regionaal worden ingekocht of gesubsidieerd, zoals nu Intensieve Begeleiding Thuis (IBT) en het geclusterd beschermd wonen;
g.
opvang: opvang zoals omschreven in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, waaronder maatschappelijke opvang en vrouwenopvang, alsmede de producten die regionaal worden gesubsidieerd;
h.
Wgr: de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 2: Openbaar lichaam 1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland gevestigd in de gemeente Goes. 2. Het rechtsgebied van de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten. 3. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 3: Doel/missie Het openbaar lichaam is ingesteld om de gezamenlijke belangen van de deelnemers te behartigen op het gebied van de inkoop van jeugdhulp, beschermd wonen en opvang conform de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
Artikel 4: Bestuursorganen De Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland kent de volgende bestuursorganen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. HOOFDSTUK 2: BELANG, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN Artikel 5: Belang De Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland voert, de in artikel 6 genoemde regelingen uit. Artikel 6: Taken en bevoegdheden 1.
Aan het bestuur van de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland zijn de volgende taken opgedragen en de volgende bevoegdheden overgedragen die bij of krachtens hoofdstuk 2 van de Jeugdwet met betrekking tot jeugdhulp en de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 aan het college zijn opgedragen met betrekking tot beschermd wonen en opvang: a.
het contracteren en subsidiëren van aanbieders van jeugdhulp, uitvoerders van jeugdreclassering en jeugdbeschermingsmaatregelen, aanbieders van beschermd wonen en aanbieders van maatschappelijke en vrouwenopvang, incl. het beëindigen van deze contracten door opzegging of ontbinding en het terugvorderen van deze subsidies;
b.
het voeren van inkoop- en aanbestedingsprocedures voor jeugdhulp en beschermd wonen;
c.
het onderhandelen met aanbieders en uitvoerders van jeugdhulp, beschermd wonen en opvang;
d.
het verzamelen van de benodigde gegevens ten behoeve van monitoring en verantwoording;
e.
het bewaken van de Zeeuws-brede afspraken;
f.
het gevraagd en ongevraagd adviseren aan de gemeenten over zaken betreffende de inkoop en het subsidiëren van jeugdhulp, beschermd wonen en opvang;
g.
het voeren van de financiële administratie;
h.
contractenbeheer;
i.
het zijn van aanspreekpunt voor gemeenten en aanbieders en uitvoerders van jeugdhulp, beschermd wonen en opvang;
j.
het houden van toezicht op mogelijke zorgfraude en/of onrechtmatigheid;
k.
het in geval van dreigende discontinuïteit van cruciale jeugdhulp conform trede 4 van het landelijke draaiboek ‘Continuïteit jeugdhulp’ aanwijzen van leden die deelnemen aan een crisisteam;
l.
het verlenen van mandaat aan de leden van het onder k. genoemde crisisteam om besluiten te nemen met betrekking tot de continuïteit van cruciale jeugdhulp.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
2.
De Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland kan met instemming van het algemeen bestuur ook diensten aan andere gemeenten verlenen als deze in lijn zijn met het doel en de missie van het openbaar lichaam.
Artikel 7: Bezwaar en beroep Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 8: Klachtrecht Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening over de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de behandeling van deze klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman. HOOFDSTUK 3: HET ALGEMEEN BESTUUR Artikel 9: Samenstelling 1. Het algemeen bestuur van de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland be-
staat uit dertien leden. 2. Het college van iedere gemeente wijst een lid (en een plaatsvervangend lid) uit
de leden van het college aan. 3. De colleges van de gemeenten beslissen in beginsel binnen één maand na de
benoeming van de wethouders van elke zittingsperiode over de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur en hun plaatsvervangers. 4. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter en zijn plaatsvervanger
aan. 5. De leden van het algemeen bestuur die tussentijds ontslag nemen, stellen de
voorzitter van het algemeen bestuur evenals het college dat hen heeft aangewezen hiervan op de hoogte. Het ontslag is onherroepelijk. 6. Leden van het algemeen bestuur die ontslag hebben genomen, behouden hun
lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien. 7. De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen, vindt binnen
twee maanden plaats door het college dat het aangaat. Artikel 10: Bevoegdheden van het algemeen bestuur 1. Aan het algemeen bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen. Het algemeen bestuur kan alle bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet. 2. Het algemeen bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. 3. De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar: a. het aanwijzen van een voorzitter en diens plaatsvervanger en de overige leden van het dagelijks bestuur; b. het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen, jaarlijks het algemeen beleidsmatig kader, het meerjarenbeleidsplan en de jaarstukken; c. het vaststellen van een reglement van orde; d. het vaststellen van de financiële verordening en de controleverordening; e. het vaststellen van een verordening tot instelling van een commissie ex artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht en de verordening voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht; f.
het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing van deze gemeenschappelijke regeling;
g. Het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24 en 25 van de Wgr; h. Het vaststellen van het inkoop- en aanbestedingsbeleid. Artikel 11: Werkwijze 1. Het algemeen bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen en brengt dit ter kennis van de deelnemende gemeenten. 2. Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee leden van het algemeen bestuur dit verzoeken (onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen). 3. De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op en tegelijkertijd met de oproep maakt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering openbaar. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in artikel 88, lid 2, Gemeentewet, genoemde stukken waarop geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep ter inzage gelegd. 4.
Uit de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 30 (tot stand komen besluit), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen) en artikel 33 (ambtelijke bijstand leden van het algemeen bestuur).
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
Artikel 12: Besloten vergadering In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het meerjarenbeleidsplan, de begroting, begrotingswijzigingen, de jaarstukken en het liquidatieplan. HOOFDSTUK 4: HET DAGELIJKS BESTUUR Artikel 13: Samenstelling 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit een voorzitter en vier andere leden. Het dagelijks bestuur kent één lid per subregio (Oosterschelderegio, Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen. 2. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur. Zij worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur nadat in overeenstemming met artikel 9 de leden van het algemeen bestuur zijn aangewezen. 3. De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die openvallen, vindt plaats binnen twee maanden na de melding van de opengevallen plaats. Artikel 14: Einde lidmaatschap 1. Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt indien het lid ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur. De leden treden af nadat de afgesproken zittingstermijn is verstreken. 2. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop de zittingsperiode van de gemeenteraad afloopt. Zij blijven hun functie waarnemen tot het moment dat het algemeen bestuur in de nieuwe samenstelling nieuwe leden voor het dagelijks bestuur heeft aangewezen. 3.
Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet. In dit geval is het bepaalde in artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Artikel 15: Werkwijze 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht met opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen. 2. Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
3. Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. 4. Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd. 5. Voor de besluitvorming in het dagelijks bestuur en de verplichting tot geheimhouding zijn de overeenkomstige bepalingen zoals die zijn opgenomen in de Gemeentewet voor het college van toepassing. Artikel 16: Taak De taak van het dagelijks bestuur is: 1. Het uitvoeren van de navolgende taken en bevoegdheden: (….) 2. Voorts is het dagelijks bestuur belast met: a.
het voorbereiden van al wat aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd, voor zover die voorbereiding niet aan anderen is opgedragen;
b.
het uitvoeren van besluiten van het algemeen bestuur;
c.
het beheer van de eigendommen en geldmiddelen van de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland;
d.
het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en het verlies van recht of bezit;
e.
het houden van een voortdurend toezicht op het beheer en de exploitatie van de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland, evenals op al wat de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland aangaat, waaronder de zorg voor de archiefbescheiden;
f.
het benoemen, schorsen en ontslaan van het personeel, incl. de directeur;
g.
het behartigen van de belangen van de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland bij andere overheidslichamen en instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland van belang is.
HOOFDSTUK 5: DE VOORZITTER Artikel 17: Benoeming en taak 1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen. 2. Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. 3. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
4. De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan. 5. De voorzitter vertegenwoordigt de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen gemachtigde. 6. Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente, die partij is in een geding waarbij de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland is betrokken, wordt de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen, lid van het dagelijks bestuur vertegenwoordigd. HOOFDSTUK 6: DE DIRECTEUR Artikel 18: Functie, benoeming en taak 1. De bestuursorganen van de dienst worden bijgestaan door een directeur, aan wie in het dagelijks bestuur een adviserende stem toekomt. De directeur vervult ten behoeve van het algemeen bestuur en ten behoeve van het dagelijks bestuur de functie van ambtelijk secretaris. 2. De directeur en diens waarnemer wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het dagelijks bestuur. 3. De directeur is belast met de dagelijkse leiding van de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland. 4. De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan. 5. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur worden vastgelegd in een statuut. Het statuut wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur. 6.
De directeur is verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur. 7. De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op ondernemingsraden. HOOFDSTUK 7: INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG Artikel 19: Intern 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. 2. Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. 3. Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
4. Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur bezit. In dit geval is het bepaalde in artikel 49 en verder van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. 5. De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur. Artikel 20: Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur en de voorzitter 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden van de deelnemende gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door een of meer raden worden verlangd. Die informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige raden. 3. Belangrijke financiële, beleidsmatige en/of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de samenwerkingsafspraken zendt het algemeen en dagelijks bestuur middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de raden van de deelnemende gemeenten ter informatie. Artikel 21: Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur 1.
Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan het college door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van de raad aangegeven wijze. 2. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door het college waarbinnen dit lid functioneert, worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van de raad bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
HOOFDSTUK 8: HET PERSONEEL Artikel 23: Personeel 1. Bij de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland is personeel werkzaam. 2. Het dagelijks bestuur geeft invulling aan de discretionaire bevoegdheden die in de CAO-SGO zijn voorzien. HOOFDSTUK 9: FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 25: Begrotingsprocedure
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting van de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland voor het komende kalenderjaar, evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), aan de raden van de gemeenten. Het bepaalde in art. 190, eerste lid, van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). 2. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twaalf weken na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. 3. Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. 4. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. 5. Een begrotingswijziging wordt alleen opgesteld indien de bijdragen van de deelnemers naar boven worden bijgesteld of indien de bijdragen van de deelnemers niet in het onderhavige jaar, maar in het volgende jaar en/of volgende jaren naar boven worden bijgesteld. Artikel 26: Bijdragen van de gemeenten 1.
In de begroting staat welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van de Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland. De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot op de vijftiende dag van maand een/twaalfde deel van de bedoelde bijdrage. 2. De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de gemeenschappelijke regeling over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen. 3. Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet. Artikel 27: Vorming van reserve 1.
De regeling vormt een reserve ten laste van de gemeentelijke bijdragen aan de uitvoeringskosten conform de richtlijn die jaarlijks door het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten wordt vastgesteld.
2.
Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van het eerste lid voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op gemeentelijke verzoeken hierover past het dagelijks bestuur de afspraken tussen de gemeenten over de te vormen reserve toe.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
Artikel 28: Jaarstukken 1. Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast het rapport van de met de controles belaste accountant. 2. De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden. 3. Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming. 4. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt deze vast uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 5. De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli. 6.
Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.
HOOFDSTUK 10: HET ARCHIEF EN INFORMATIEVEILIGHEID Artikel 29: Archief 1. Het dagelijks bestuur stelt, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet, regels vast over de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam. Deze regeling wordt toegestuurd aan Gedeputeerde Staten. 2. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde regeling. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
Artikel 30: Informatieveiligheid 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft. 2. Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de gemeenten moeten voldoen.
HOOFDSTUK 11: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING Artikel 31: Toetreding 1. Het bestuur van de gemeente die wenst toe te treden, richt het verzoek hiertoe aan het algemeen bestuur. 2. Het algemeen bestuur stuurt het verzoek als bedoeld in lid 1 na ontvangst door aan de besturen van de deelnemende gemeenten onder overlegging van zijn advies over de toetreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden. 3. Toetreding vindt plaats indien de deelnemende gemeenten daarmee instemmen. Artikel 32: Uittreding 1. Als een gemeente wil uittreden uit de regeling stuurt het college, na verkregen toestemming van de raad, een besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen. 2. Het algemeen bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan. 3. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 4.
De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van drie jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit en de uittredende gemeente een andere opzegtermijn overeenkomen. Artikel 33: Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 van de Wgr gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast.
Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 van de Wgr en vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen. Artikel 34: Te vergoeden kosten bij uittreding 1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 9, tweede lid. 2.
Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het algemeen bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 33, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 33, achtste lid, anders is vastgelegd. 5. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 32, vierde lid. 7.
Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 33, derde lid, en relatie tot de verwachtte uittreedsom daartoe aanleiding geeft, kan het algemeen bestuur in overleg met de uittredende deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. 8. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. Artikel 35: Verplichtingen uittreder 1. De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
Artikel 36: Wijziging 1. De regeling wordt gewijzigd, indien de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de deelnemers. 3. Voorstellen uitgaande van het bestuur worden toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten, die acht weken na ontvangst na ontvangst van het ontwerp van de regeling hun zienswijze over de ontwerpregeling naar voren brengen. 4. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel. Artikel 37: Geschillen 1. Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wgr de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie. 2. De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt. 3.
De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen en brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. 4. Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil wordt bij het verzoek om een beslissing van Gedeputeerde Staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd. Artikel 38: Ontbinding en liquidatie 1.
De regeling kan worden ontbonden, op voorstel van het algemeen bestuur, gelezen artikel 9 van de Wgr, bij een daartoe strekkend besluit van de raden en de colleges van tenminste twee derde van de deelnemende gemeenten.
2.
Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling , als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden van de deelnemende gemeenten.
3.
Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten en de financiele gevolgen van de ontbinding de regeling.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
4.
Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel.
5.
Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.
6.
Het besluit tot ontbinding of tot wijziging van deze regeling wordt direct gezonden aan de gemeenten.
7.
De organen van de gemeenschappelijke regeling blijven ook na het tijdstip van ontbinding in functie, totdat de vereffening is voltooid.
8.
Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van ‘in liquidatie’, zodat het opschrift komt te luiden: “Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland i.l.”
HOOFDSTUK 13: SLOTBEPALINGEN Artikel 39: Overgangsbepaling Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam blijven hun functies vervullen tot de zittingsperiode van de gemeenteraden is beëindigd en in hun opvolging is voorzien. Artikel 40: Inwerkingtreding 1.
Het college van de gemeente Goes zorgt namens alle deelnemende gemeenten voor bekendmaking in haar gemeenteblad.
2.
De Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland start de werkzaamheden op ………………
Artikel 41: Slotbepaling 1.
De begroting wordt voor de eerste keer vastgesteld voor de periode die begint op de dag waarop de regeling in werking treedt tot het einde van het kalenderjaar, dan wel, wanneer het algemeen bestuur dit bepaalt, tot het einde van het volgende kalenderjaar.
2.
De eerste jaarstukken hebben betrekking op de periode waarvoor de eerste begroting geldt.
3.
In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet beslist het algemeen bestuur.
Artikel 42: Evaluatie De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd, is eveneens onderdeel van de evaluatie.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024
Artikel 43: Titel De regeling kan worden aangehaald als “De gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland”.
Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente d.d., , secretaris , burgemeester.
Concept gemeenschappelijke regeling Inkooporganisatie Sociaal Domein Zeeland – versie 1.0 – januari 2024