Q&A vragen 3.2 compleet
Tekst van het document
MEMO GRIFFIE AAN
: Raadsleden, collegeleden
DATUM: 20 april 2023
VAN
: Griffie
Betreft
: Vragen en antwoorden adviesraad (Q&A)
Beste raad- en collegeleden, Voor de commissie Ruimte van 20-04-2023 zijn ten aanzien van het raadsvoorstel 3.2 bestuurlijke reactie op het artikel 12 rapport de volgende vragen gesteld. De antwoorden staan in de 2e kolom. Fractie CDA
Behandeld door wethouder
Onderwerp: 3.2 - Bestuurlijke reactie op het artikel 12 rapport Vraag 1. Pag 2 eerste alinea wordt gesproken over het voordelig meerjarig perspectief van de begroting 2023 (november 2022). Wat is de huidige stand van zaken?
Antwoord Bij de kadernota 2024 zullen we u een geactualiseerd meerjarig financieel perspectief presenteren. Hierbij voor u het laatste perspectief zoals gepresenteerd bij de programmabegroting 2023 – 2026 (x € 1.000). 2023 2024 2025 2026 2023
2024
2025
2026
Begrotingssaldo
-7.020
-627
3.980
-2.262
Waarvan sociaal domein
-7.035
-3.420
659
-873
Waarvan klassiek domein
15
2.793
3.321
-1.389
Het saldo klassiek domein is voor 2023 sluitend en geeft meerjarig een positief beeld uitgaande van reparatie van het ‘ravijnjaar' 2026 door aanvullende rijksmiddelen. Het beeld van het sociaal domein is voor 2023 nog negatief maar zien we de komende jaren verbeteren ook weer uitgaande van aanvullende rijksmiddelen in 2026. Het verbeterende meerjarig perspectief is vooral het gevolg van de extra middelen uit het gemeentefonds en het effect van de doorgevoerde bezuinigingen op het sociaal domein. 2. Zelfde alinea: Wat zijn de criteria voor het onderzoek naar het opheffen van artikel 12 status en aan welke voorwaarden wordt gedacht?
Gemeente: Voor ons als gemeente zijn in ieder geval belangrijke criteria/voorwaarden voor de exit uit de artikel 12-status enerzijds een meerjarig sluitend financieel beeld en het reeds beschikken, of het binnen afzienbare tijd gaan beschikken, over voldoende incidentele weerstandscapaciteit (vooral bestaande uit een positieve algemene reserve). Hiernaast zal een exit team verder inventariseren of er nog andere criteria/voorwaarden van belang zijn. Inspecteur: De inspecteur geeft hierover in zijn rapport aan: Het uiteindelijke doel is een afronding van het artikel 12onderzoek uiterlijk in begrotingsjaar 2024. Daarbij zijn er op hoofdlijnen twee mogelijkheden:
1) De tekorten sociaal domein en werk & inkomen en de te saneren negatieve algemene reserve als gevolg van de grondexploitaties zijn naar een dusdanige omvang gedaald dat Vlissingen via een eigen passende bijdrage en via een eenmalige aanvullende uitkering uit het gemeentefonds weer geheel op eigen benen kan staan. Daarbij wordt niet alleen het artikel 12-onderzoek afgerond, maar wordt ook de artikel 12-status opgeheven. 2) De te saneren negatieve algemene reserve als gevolg van de grondexploitaties heeft nog een dusdanige omvang dat besloten moet worden de sanering conform het inspectierapport 2017-2018 uit te smeren over een aantal jaren, uiterlijk tot en met 2029. Hierbij moet Vlissingen over die periode een passende eigen bijdrage leveren aan de sanering en daarnaast ontvangt Vlissingen jaarlijks een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds. Het artikel 12-onderzoek wordt dan afgerond, waarbij er eventueel nog een actualisatieonderzoek volgt in 2028. De artikel 12-status blijft echter gehandhaafd zolang Vlissingen een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds ontvangt. 3. Hoogte taakstelling: “niet realistisch en daarmee voor ons niet haalbaar”. Dit lijkt hetzelfde. Of wordt hiermee bedoelt dat de taakstelling dan op een ander beleidsterrein gevonden zou moeten worden?
Hiermee bedoelen we niet dat de taakstelling op andere beleidsterreinen gevonden zou moeten worden. We bedoelen wel dat we de hoogte van de opgelegde taakstelling niet (meer) realistisch vinden en daardoor ook niet (meer) haalbaar. De redenen hiervoor staan toegelicht in de voorgaande alinea zoals de verandering in het economisch getij, het reeds sluitend meerjarig financieel perspectief en het draagvlak bij betrokkenen.
4. Pag 3: 1e alinea: genoemd 2 voorwaarden: structureel sluitende meerjarenbegroting en toereikend weerstandvermogen. Waarom wordt hier niet redelijk OZB-tarief. En met redelijk bedoelt CDA 100% van landelijk gemiddelde. 5. 2e alinea: Door verschuiving van vrij besteedbare overige reserves naar de algemene reserve wordt beschikbare weerstandscapaciteit toch niet groter (omdat vrij besteedbare reserves al onderdeel zijn van weerstandscapaciteit)? Wat wordt hier bedoeld?
De OZB-opbrengsten maken onderdeel uit van het meerjarig financieel perspectief en zijn in de begroting gebaseerd op het huidige tarief van 140 % van het landelijk gemiddelde.
6. Investeringsfonds Sociaal Domein? Is de raad hier al eerder over geïnformeerd? Wanneer en hoe?
Met de inspecteur is gesproken over het gegeven dat we als gemeente, na afloop van de artikel 12-status veilig moeten stellen dat de maatregelen die genomen zijn en de verbeteringen die zijn doorgevoerd in het sociaal domein ook consolideren en daarmee duurzaam effect hebben. Dat vraagt in de komende jaren om een aantal aanvullende projecten en investeringen. De inspecteur heeft aangegeven in principe open te staan voor dit idee en heeft ons gevraagd om een voorstel te
Het belangrijkste onderdeel van de weerstandscapaciteit is het vrij besteedbare eigen vermogen. Alleen de algemene reserve wordt tot het vrij besteedbaar eigen vermogen gerekend. De bestemmingsreserves zijn door uw raad gevormd voor een specifiek doel en worden daarom niet gerekend tot het vrij besteedbare eigen vermogen en dus ook niet tot de weerstandscapaciteit. Mogelijk kunnen delen van bestemmingsreserves ‘vrij vallen’ ten gunste van de algemene reserve waardoor de beschikbare weerstandscapaciteit stijgt. Dit vergt uiteraard wel telkens een raadsbesluit.
maken voor dit investeringsfonds, zowel waar het gaat om de gewenste activiteiten als de mogelijke kosten en dekking daarvan. Dat voorstel zal in de komende maanden worden opgesteld. Gezien het prille stadium waarin dit proces verkeert is het idee al wel in een presentatie bij de raad voorbijgekomen maar zeker nog niet in uitgewerkte zin.
Fractie PSR
Behandeld door wethouder
Onderwerp: 3.2 - Bestuurlijke reactie op het artikel 12 rapport Vraag - In uw reactie schrijft u dat in 2023 een actualisatie-onderzoek plaatsvindt vooral gericht op de grondexploitaties en de clusters van het gemeentefonds op het vlak van het klassiek domein. Vooruitlopend op de resultaten van dit onderzoek wordt er een vroegtijdige beëindiging van het artikel 12 traject gesuggereerd. Welke argumenten zijn er om niet eerst de resultaten van het actualisatie-onderzoek af te wachten? Idem t.a.v. een meerjarig inzicht in de grondexploitaties.
Antwoord In de beschikking van de fondsbeheerders van 19 december 2019 is al aangekondigd dat het actualisatieonderzoek in 2023 zou gaan plaatsvinden. De timing van dit onderzoek staat dus los van de positieve ontwikkeling van de meerjarige begrotingscijfers. De positieve ontwikkeling van de cijfers vormt de aanleiding voor het onderzoek naar een eventuele vroegtijdige beëindiging van de artikel 12-status.
- Beëindiging van het artikel 12 traject houdt in dat er een positieve algemene reserve moet zijn op het moment van beëindiging. Hoe groot moet deze algemene reserve zijn en hoe zorgt u hiervoor indien het artikel 12 traject eerder dan oorspronkelijk gepland beëindigd wordt?
We streven minimaal naar een ‘voldoende’ beschikbare weerstandscapaciteit welke vooral gevormd moeten gaan worden door een positieve algemene reserve. De benodigde weerstandscapaciteit bepalen we op basis van de uitkomsten van de risicoanalyse met kwantificering van de risico’s die we als gemeente lopen (kans x impact). Het streven naar ‘voldoende’ weerstandscapaciteit betekent dat we streven naar een minimale norm van 1 voor de verhouding beschikbare en benodigde weerstandscapaciteit (er is dan een buffer beschikbaar voor afdekking van alle risico’s). Als het artikel 12traject in 2024 zou eindigen dan kunnen we dit alleen realiseren door inzet van vrij besteedbare (delen van) overige reserves en door een eenmalige aanvullende uitkering uit het gemeentefonds. Dit mede omdat de eenmalige aanvullende uitkering wettelijk niet mag leiden tot een algemene reserve die hoger is dan 2 % van de som van de jaarlijkse omvang van de algemene uitkering uit het gemeentefonds en de OZB-capaciteit (= slechts ruim € 3 miljoen).
- Welke vrij besteedbare overige reserves bedoelt u in de eerste alinea op blad 3? Graag toelichting.
De bestemmingsreserves zijn door uw raad telkens gevormd voor een specifiek doel. In het kader van de onderwerpen van het actualisatieonderzoek zal de inspecteur in samenwerking met ons een analyse uitvoeren van het doel van de bestemmingsreserves en van de noodzaak van de beschikbare middelen voor dat doel. Dit zou voor bepaalde bestemmingsreserves kunnen leiden tot een voorstel aan uw raad de bestemmingsreserve (deels) vrij te laten vallen ten gunste van de algemene reserve (denk bijvoorbeeld aan de reserve bomruimingen).
- U schrijft dat u in overleg met de gemeenteraad en de inspecteur denkt aan de inrichting van een investeringsfonds Sociaal Domein waarbij dekking nog onderwerp van gesprek zal zijn. Binnen welke budgetten denkt u deze dekking te vinden? Denkt u hierbij zowel aan budgetten sociaal domein als ook klassiek domein? Graag toelichting.
Voor de dekking van het investeringsfonds kan gekeken worden naar meerdere opties. Zo zouden we middelen kunnen reserveren uit een eventueel positief jaarresultaat, of we zouden kunnen kijken naar de reserves die de gemeente beschikbaar heeft. Hoe dan ook zal de inspecteur een voorstel voor de inzet van deze middelen afwegen tegen de ambitie om de artikel 12-status af te ronden, waarbij de reserves ook meegenomen worden in het vaststellen van de financiële positie van de gemeente, om te bepalen of de gemeente voldoende financieel stabiel is om afronding van de artikel 12-status mogelijk te maken.