McDonald's Vlissingen Bijlagen ruimtelijke onderbouwing Bijlage 12 Quickscan natuurwetgeving 2451908
Tekst van het document
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
1
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
Opdrachtgever: Gemeente Vlissingen Datum: 25 april 2023 Uitgevoerd en opgesteld door: Adviesbureau Wieland Liniestraat 13 4561 ZS Hulst 0612352169
© Niets uit deze rapportage mag gekopieerd worden zonder schriftelijke toestemming van de auteur.
2
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
INHOUD 1
Inleiding ......................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doel onderzoek ................................................................................ 4 1.2 Kader ..................................................................................................................... 4 1.3 Afbakening plangebied en werkwijze ..................................................................... 8 1.4 Opzet beoordeling.................................................................................................10 2 Beschrijving huidige situatie en voorgenomen activiteiten.............................................11 3 Soortenbescherming.....................................................................................................13 3.1 Zoogdieren............................................................................................................13 3.2 Vogels ...................................................................................................................14 3.2.1 Broedvogels ......................................................................................................14 3.2.2 Watervogels ......................................................................................................15 3.3 Reptielen en Amfibieën
.........................................................................................15 3.4 Vissen ...................................................................................................................16 3.5 Ongewervelden .....................................................................................................16 3.6 Vaatplanten...........................................................................................................17 4 Toetsing Natura 2000 (Vogelrichtlijn / Habitatrichtlijn) en Natuurbeschermingswet en Natuurnetwerk Zeeland (NNZ)..............................................................................................18 5 Conclusies en aanbevelingen mbt de uitvoering ...........................................................19
Bijlage 1 Bijlage 2
Kaart Natuurbeheerplan, Natura 2000 Informatie Wet natuurbescherming Zeeland
3
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel onderzoek
Gepland is om op een bestaand braakliggend bedrijventerrein ontwikkelingen uit te voeren. Het plangebied bestaat uit braakliggend terrein. Een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk om te bepalen of hierbij beschermde natuurwaarden een nadelig effect ondervinden. Deze rapportage bevat de resultaten van een voorstudie van beschikbare kennis op het gebied van beschermde natuurwaarden. Op basis van de gevonden resultaten kan op voorhand bepaald worden of significante effecten op de huidige (beschermde) natuurwaarden al dan niet uit te sluiten zijn en wat eventueel nog nader onderzocht dient te worden. In deze beoordeling worden dan ook de volgende vragen, voor zover mogelijk, beantwoord: • • • • •
1.2
Tot welke (mogelijke) effecten leidt de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Wat is de reikwijdte van de mogelijke effecten? Hoe beïnvloeden de effecten de jaarrond beschermde soorten en de kwalificerende natuurwaarden, gelet op de instandhoudingsdoelen? Zijn mogelijke negatieve effecten significant? Al of niet in combinatie met andere projecten in de omgeving? Op welke wijze kunnen negatieve effecten voorkomen of gemitigeerd worden?
Kader
Soortbescherming De soortbescherming is per 01/01/2017 ook opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield.
Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord. Beschermde planten mogen niet opzettelijk van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb) staan vernoemd in onderstaand kader.
4
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb)
Bron: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Ministerie van Economische Zaken
De werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft de beschermde soorten overal in Nederland bescherming. In o.a. artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbescherming worden de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden weergegeven. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing- of vrijstelling (zoals werken met een goedgekeurde gedragscode) hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het plangebied. Beschermde soorten – met (Provinciale) vrijstelling: Voor deze soorten geldt een vrijstelling van een of meerdere verbodsbepalingen (zoals bijvoorbeeld het vangen van dieren en/of het vernielen van vaste verblijfsplaatsen. Voor deze soorten is derhalve in veel gevallen geen ontheffing nodig. Wel geldt ten aanzien van deze soorten de zorgplicht, die eveneens van de Wet natuurbescherming uitgaat. Soorten die vallen onder de vrijstelling betreft over het algemeen (en dus per Provincie verschillend) onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals algemene muizen- en spitsmuizen, de woelrat, de egel, ree en vos, algemene amfibiesoorten, waaronder de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.
Overige ‘nationaal beschermde’ soorten: Voor deze soorten geldt voor ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer een mogelijkheid voor ontheffing, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de
5
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
gunstige staat van instandhouding van de soort’. Voor deze soorten is derhalve een ontheffing nodig of kan gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Soorten die vallen onder dit nationale beschermingsregime vallen betreft onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals das, boommarter, algemene amfibieën en reptielen alpenwatersalamander, hazelworm, flora als schubvaren en bokkenorchis en vissoorten waaronder de grote modderkruiper. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Habitatrichtlijnsoorten: Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Tot dit beschermingsregime horen o.a. alle vleermuissoorten, de bever, otter, noordse woelmuis, verschillende amfibiesoorten waaronder rugstreeppad en kamsalamander. Vogelrichtlijnsoorten: Alle vogels zijn in Nederland gelijk beschermd.
Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling ook geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk.
Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om
6
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien. Gebiedenbescherming Natura 2000 De Europese Vogelrichtlijn (1979) regelt de bescherming van leefgebieden van Europees bedreigde en kwetsbare vogelsoorten. Met de Europese Habitatrichtlijn (1992) worden Europese (half-) natuurlijke habitats en bedreigde en kwetsbare dier- (andere dan vogels) en plantensoorten beschermd. De Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszones (SBZ’s) in het kader van de EU Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Deze gebieden samen vormen het omvangrijke Europese netwerk Natura 2000. Het hoofddoel van Natura 2000 is het stoppen van de achteruitgang en de waarborging van de biodiversiteit in Europa. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Wet natuurbescherming (Wnb) overgenomen. Vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn belangrijke bepalingen overgenomen. Eén van die bepalingen is het afwegingskader, incl. compenserende maatregelen, zoals dat in artikel 6 van de Habitatrichtlijn staat. Het afwegingskader geeft aan op welke wijze besluitvorming plaats moet vinden voor plannen en projecten met mogelijke gevolgen voor beschermde natuurgebieden.
Binnen Nederland zijn er, in de periode 1986-2005, 79 belangrijke vogelgebieden als speciale beschermingszone (SBZ) van de Vogelrichtlijn aangewezen. In het kader van de Habitatrichtlijn zijn in 2003 141 gebieden aangemeld bij de Europese Commissie. Ongeveer 87% van het oppervlak van deze Habitatrichtlijngebieden heeft overlap met de gebieden die als Vogelrichtlijngebied zijn aangewezen. In Aanwijzingsbesluiten wordt door de minister van EZ de bescherming van de Natura 2000-gebieden juridisch vastgelegd. Centraal in de Aanwijzingsbesluiten staan de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden, natuurlijke Habitats en populaties van in het wild levende plant- en diersoorten, waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Het toetsingskader van de Wet natuurbescherming kent de volgende procedurevarianten: 1. Er is zeker geen kans op effecten: geen vergunningplicht; 2. Er een kans op effecten, maar zeker niet significant: vergunningaanvraag via een verstoringstoets/ verslechteringstoets; 3. Er is een kans op significante effecten: vergunningaanvraag via Passende Beoordeling (alternatieventoets + dwingende redenen van groot openbaar belang). Het referentiekader voor de toetsing wordt gevormd door de instandhoudingsdoelen voor de habitats en soorten waarvoor het Natura 2000gebied is aangewezen.
Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Zeeland, vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Zeeuwse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende
7
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
agrarisch gebied. Het maakt onderdeel uit van het Nederlandse netwerk. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.
1.3
Afbakening plangebied en werkwijze
Het plangebied is weergegeven in figuur 1. Het plangebied is het gebied waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden (blauw aangegeven).
8
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
Figuur 1. Plangebied.
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied.
Het plangebied is bezocht op 4 maart 2023. Daarnaast zijn lokale verspreidingsatlassen geraadpleegd, zijn gegevens opgevraagd en zijn websites geraadpleegd.
9
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
1.4
Opzet beoordeling
De opzet van deze beoordeling is als volgt. In hoofdstuk 2 is een korte beschrijving gegeven van het studiegebied, het plangebied en de voorgenomen activiteit. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de te verwachten en de aangetroffen natuurwaarden in het gebied. Deze gegevens zijn vervolgens geïnterpreteerd en beoordeeld in relatie tot de voorgenomen activiteit.
10
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
2 Beschrijving huidige situatie en voorgenomen activiteiten In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de huidige situatie. Het plangebied waar deze quickscan op van toepassing is gelegen ten oosten van Vlissingen en ten zuiden van Oost Souburg. Het betreft een braakliggend terrein. Een deel van terrein heeft een zanderige ondergrond. Het terrein wordt omzoomd door beplanting aan de westzijde, de A58 en bedrijventerrein. Aan de buitenranden van het plangebied liggen enkele sloten, of wadi’s. De werkzaamheden bestaan uit het aanleggen van infrastructuur (wegen) en het realiseren van bedrijfsgebouwen. Foto 1. Plangebied.
11
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
Foto 2. Plangebied.
Foto 3. Sporen konijn.
12
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
3
Soortenbescherming
Hieronder worden soorten vernoemd die in de omgeving van het plangebied voorkomen. Vervolgens wordt uitgewerkt of deze soorten ook in het plangebied voorkomen en of er eventueel nadelige effecten te verwachten zijn.
3.1
Zoogdieren
Huisspitsmuis, Bosmuis, Rosse woelmuis, Egel. Beschermde soorten: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Wezel, Hermelijn, Bunzing, Steenmarter, Haas, Konijn. Voorkomen / functie van het plangebied: Bron: Bekker 2009, Zoogdieren in Zeeland, NDFF 30 maart 2023. Het terrein bestaat uit grazige vegetatie en zanderig terrein. Voor vleermuizen is het terrein niet geschikt. Er zijn geen verblijfplaatsen vanwege het ontbreken van bebouwing en beplanting. Het plangebied is ook niet geschikt als foerageergebied of vliegroute. Aan de westzijde is een beplantingstrook, zie figuur 3. Indien hier bij toekomstige ontwikkelingen geen verlichting op gericht is, is er geen negatief effect te verwachten. Vanwege het ontbreken van dekking (ruigte/beplanting) is het plangebied niet geschikt voor marterachtigen. Het terrein is vanwege de geringe oppervlakte en een hoge mate van verstoring door fietsers en wandelaars niet geschikt als leefgebied voor de haas. Het terrein is wel geschikt als leefgebied voor het konijn. Er zijn keutels aangetroffen. Uit te voeren maatregelen: Ontwikkelen bedrijventerrein. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Nog niet bekend. Mitigerende maatregelen / Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Nog niet bekend.
Conclusie: Het plangebied is niet geschikt als leefgebied voor marters vanwege het ontbreken van dekking. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor het konijn. Een nader onderzoek dient uit te wijzen of deze voorkomen en wat de functie is. Het plangebied is niet geschikt als verblijfplaats, foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Het gebied grenzend aan het plangebied is wel geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Dit betreft een groensingel. Indien hier geen verlichting komt, zijn er geen negatieve effecten te verwachten.
13
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
Figuur 3. Beplantingsstrook (rood op kaart).
3.2
Vogels
3.2.1 Broedvogels De volgende broedvogels zijn in de omgeving van het plangebied vastgesteld: Houtduif, Holenduif, Merel, Zanglijster, Koolmees, Pimpelmees, Kauw, Ekster, Spreeuw, Zwarte Kraai, Grote bonte Specht, Groene Specht, Boomkruiper, Turkse Tortel, Veldleeuwerik, Graspieper, Gele kwikstaart, Zwarte roodstaart, Koolmees, Pimpelmees, Staartmees, Kleine karekiet, Meerkoet, Waterhoen, Wilde eend, Groenling, Vink, Ringmus, Kneu, Putter, Staartmees, Grasmus, Spotvogel, Gaai, Scholekster, Patrijs, Kleine plevier. Vetgedrukte soorten zijn soorten waarvan het leefgebied jaarrond beschermd is. Cursief zijn soorten die zijn opgenomen in categorie 5.
Voorkomen / functie van het plangebied: Bron: veldinspectie, vogelatlas van Nederland, NDFF versie 30 maart 2023. Grondgebonden soorten kunnen broeden in het gebied. Andere soorten broeden in de nabijgelegen sloot, of beplantingsstrook. Uit te voeren maatregelen: Ontwikkelen bedrijventerrein. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing indien werkzaamheden uitgevoerd worden buiten het broedseizoen. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen. Indien er werkzaamheden zijn in
14
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
het broedseizoen dan wordt vooraf een controle uitgevoerd door een ecologisch deskundige. Conclusie: Soorten waarvan het leefgebied jaarrond beschermd is komen niet voor in het plangebied. Grondbroeders zijn te verwachten in het plangebied. Verstoringen kunnen voorkomen worden door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. Indien er werkzaamheden zijn in het broedseizoen dan wordt vooraf een controle uitgevoerd door een ecologisch deskundige.
3.2.2 Watervogels Er komen geen watervogels voor in het plangebied. Er is geen water aanwezig.
Trekvogels en watervogels Voorkomen / functie van het plangebied: (Ministerie van Verkeer en Waterstaat e.a., Deltavogelatlas, atlas van vogelconcentraties en vliegbewegingen in het Deltagebied, digitale versie 30 maart 2023 .; SOVON Vogelonderzoek Nederland & Ganzenwerkgroep Zeeland.2019; Het terrein is niet geschikt vanwege het ontbreken van water en natte graslanden. Uit te voeren maatregelen: Ontwikkelen bedrijventerrein. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet te verwachten Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: Geen nadelig effect te verwachten. Het plangebied is ongeschikt voor watervogels. De afstand tot belangrijke watervogel gebieden is voldoende groot.
3.3
Reptielen en Amfibieën
Amfibieën die kunnen voorkomen in de ruimere omgeving van het plangebied zijn: Algemene beschermde soorten: Bruine kikker, Groene kikker, Kleine watersalamander, Gewone pad. Rugstreeppad Muurhagedis
Voorkomen en functie van het plangebied: Bron: website www.ravon.nl, NDFF datum 30 maart 2023. De genoemde soorten komen voor in de omgeving van het plangebied. Aan de rand van het plangebied liggen enkele sloten. Mogelijk dat deze gebruikt worden als voortplantingslocatie door de rugstreeppad. Het is niet bekend of deze daadwerkelijk voorkomt. Indien deze soort in de directe omgeving voorkomt is het plangebied geschikt als landbiotoop en overwinterbiotoop. Reptielen komen in de ruime omgeving (> 1 kilometer) voor. Dit betreft de muurhagedis. De
15
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
soort is vanwege het ontbreken van geschikt biotoop niet te verwachten in het plangebied. . Uit te voeren maatregelen: Ontwikkelen bedrijventerrein. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Nog niet bekend. Een nader onderzoek dient uit te wijzen of de rugstreeppad aanwezig is. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Nog niet bekend. Een nader onderzoek dient uit te wijzen of de rugstreeppad aanwezig is. Conclusie: Aan de rand van het plangebied liggen enkele sloten. Mogelijk dat deze gebruikt worden als voortplantingslocatie door de rugstreeppad. Het is niet bekend of deze daadwerkelijk voorkomt. Indien deze soort in de directe omgeving voorkomt is het plangebied geschikt als landbiotoop en overwinterbiotoop.
3.4
Vissen
In het plangebied komen geen vissen voor. Het biotoop is niet geschikt. Voorkomen en functie van het plangebied: (Website Ravon versie 30 maart 2023. (Nie, Hendrik W. de, Atlas van de Nederlandse zoetwatervissen, Doetinchem, febr. 1996).Waterschap Scheldestromen. In het plangebied is geen water. Uit te voeren maatregelen: Ontwikkelen bedrijventerrein. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Het leefgebied wordt niet aangetast. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: Geen negatieve effecten te verwachten. Het plangebied is ongeschikt voor vissen.
3.5
Ongewervelden
Voorkomen en functie van het plangebied: Vlinder- en Libellenwerkgroep 2003; Geene et. al. 2007; Wagenaar 2007, NDFF 30 maart 2023. Het plangebied is geschikt voor de teunisbloempijlstaart. Deze soort gebruikt als waardplant teunisbloemen, wederik en wilgenroosjes. Deze planten komen voor in het plangebied. Andere dagvlinders, nachtvlinders, libellen, sprinkhanen en overige ongewervelden die beschermd worden door de Wet natuurbescherming komen niet voor in de directe omgeving van het plangebied, of het plangebied bestaat niet uit geschikt habitat. Ook zijn ook geen populaties van beschermde soorten gelegen binnen 1 kilometer afstand.
16
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
Uit te voeren maatregelen: Ontwikkelen bedrijventerrein. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Nog niet bekend. Een nader onderzoek dient uit te wijzen of de teunisbloempijlstaart aanwezig is. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Een nader onderzoek dient uit te wijzen of de teunisbloempijlstaart aanwezig is. Conclusie: het plantgebied is geschikt biotoop voor de teunisbloempijlstaart. Of deze soort in het plangebied aanwezig is zal nader onderzocht moeten worden.
3.6
Vaatplanten
In de omgeving van het plangebied komen de bokkenorchis en het glad biggenkruid voor.. Voorkomen en functie van het plangebied: Flora Zeelandica en veldbezoek. NDFF versie 30 maart 2023 Het plangebied bestaat uit wegberm en schraal zand. In de omgeving komen 2 beschermde soorten voor: bokkenorchis en glad biggenkruid. Het biotoop is in principe geschikt voor deze soorten. Het is niet bekend of deze soorten daadwerkelijk in het plangebied voorkomen. Uit te voeren maatregelen Ontwikkelen bedrijventerrein. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Een nader onderzoek dient uit te wijzen of de bokkenorchis, of het glad biggenkruid in het plangebied aanwezig zijn. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Een nader onderzoek dient uit te wijzen of de bokkenorchis, of het glad biggenkruid in het plangebied aanwezig zijn. Conclusie: Het plangebied is geschikt biotoop voor de bokkenorchis en het glad biggenkruid. Of deze soorten aanwezig zijn dient nader onderzocht te worden.
17
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
4 Toetsing Natura 2000 (Vogelrichtlijn / Habitatrichtlijn) en Natuurbeschermingswet en Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) Natura 2000/Natuurbeschermingswet Het plangebied is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000 gebied, zie bijlage 1. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebiede is Westerschelde en Saeftinghe. Dit is gelegen op meer dan 0,5 kilometer afstand. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 gebieden is groot genoeg om geen negatieve effecten van trilling, geluid of optische verstoring voor deze soorten te veroorzaken. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden worden niet aangetast.
Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) Het plangebied is niet begrensd in het kader van de Natuurnetwerk Zeeland (NNZ, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), zie bijlage 1. Op circa 2 kilometer afstand ligt het natuurgebied Rammekes. De werkzaamheden in het plangebied zijn kleinschalig van aard en op ruime afstand gelegen. Ze tasten de natuurkwaliteiten van het betreffende gebied niet aan. Er wordt geen beplanting gekapt. Het onderdeel houtopstanden in de Wet natuurbescherming is niet van toepassing. Conclusie: Er is geen negatief effect te verwachten op een Natura 2000 gebied. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op gebieden die zijn aangewezen in het kader van het NNZ. De gebieden zijn op voldoende afstand gelegen en de maatregelen zijn kleinschalig van aard.
18
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
5
Conclusies en aanbevelingen mbt de uitvoering
Het is gepland om een braakliggend bedrijventerrein te ontwikkelen. Het terrein bestaat uit grazige vegetatie en zandig terrein. In of nabij het plangebied komen beschermde soorten voor. Het dient nader onderzocht te worden of deze soorten daadwerkelijk voorkomen en wat de functie is. Het betreft de volgende soorten: • Konijn • Rugstreeppad • Teunisbloempijlstaart • Bokkenorchis • Glad biggenkruid Aan de westzijde is een beplantingstrook. Bij eventuele ontwikkelingen dient voorkomen te worden dat hier verlichting op komt ivm foerageergebieden van vleermuizen. In het plangebied zijn broedvogels te verwachten. Verstoren van broedvogels kan voorkomen worden door werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode. Indien er in de broedperiode gewerkt wordt dan dient er onderzocht er door een ecologisch deskundige te worden onderzocht of er op dat moment broedvogels aanwezig zijn. Het terrein is niet geschikt voor andere beschermde soorten. Het biotoop is ongeschikt door de geïsoleerde ligging, of het ontbreken van essentiële onderdelen van een biotoop.
Er is geen negatief effect te verwachten op een Natura 2000 gebied. Er is ook geen negatief effect te verwachten op de natuurkwaliteiten van terreinen die zijn aangemerkt in het kader van het natuurnetwerk Zeeland. Het plangebied is op voldoende afstand gelegen van deze gebieden en de werkzaamheden zijn kleinschalig van aard.
19
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
Bijlage 1 Natuurnetwerk Zeeland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur), rood is plangebied.
20
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
Natura 2000 (rood is plangebied).
21
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
Bijlage 2 Informatie Wet natuurbescherming Zeeland
22
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
23
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
24
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
25
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
26
Quickscan natuurwetgeving project ontwikkelen bedrijventerrein Vlissingen
27