Inkomend - SCP - Sociale en Culturele Ontwikkelingen 2023
Tekst van het document
Hierbij is het nodig om het sociaal domein breed op te vatten, en ook verbindingen te leggen met andere delen van het sociaal domein waar mensen met een hulpvraag mee te maken hebben, zoals armoedebeleid, (passend) onderwijsbeleid en (wijken)beleid op gebied van leefbaarheid en inburgeringsbeleid. Naast herbezinnen is het nodig om bij te sturen: door binnen de bestaande kaders problemen integraal aan te pakken en er daarmee voor te zorgen dat burgers beter ondersteund worden. • Maak ontkokerd werken op landelijk en lokaal niveau beter mogelijk, door ook in de fase van beleidsvorming tussen verschillende departementen en gemeentelijke afdelingen samen te werken.
19
o
o
o
4
Het kabinet zou bijvoorbeeld een hoofdlijnenbrief sociaal domein kunnen uitbrengen, in plaats van per apart onderdeel. In zo’n brief kan een gedeelde beleidsvisie naar voren komen over de vraag hoe mensen het best ondersteund kunnen worden wanneer zij te maken hebben met problemen die op verschillende beleidsterreinen betrekking hebben. Op lokaal niveau kan de samenwerking tussen aanbieders worden gestimuleerd door bijvoorbeeld aan te sturen op gedeelde verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, afspraken te maken over regie, goede communicatie en uitwisseling van gegevens tussen organisaties te faciliteren. Stel hier ook de middelen voor ter beschikking en voorkom de ongewenste financiële prikkel om voorrang te geven aan eenvoudige boven complexe hulpvragen.
Een evenwichtige maatschappelijke verdeling bij verduurzaming
De opgave Duurzame ontwikkeling gaat over de mate waarin de Nederlandse samenleving ook in de toekomst houdbaar is. Het gaat dus niet alleen in het voorzien in de behoeften van de huidige generatie, maar ook om dat te doen zonder de mogelijkheden in gevaar te brengen van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien. De gevolgen van de overschrijding van ecologische grenzen worden steeds duidelijker merkbaar: klimaatverandering, verlies van biodiversiteit, uitputting van grondstoffen en vervuiling van lucht, water en bodem. Deze gevolgen vormen een bedreiging voor de huidige en toekomstige kwaliteit van leven. In de hoop het tij te keren, wordt gestreefd naar een klimaat-neutrale samenleving met een duurzame energievoorziening en een circulaire economie in 2050. Ook behoud en herstel van biodiversiteit (CBD 2020) en het voorkomen van vervuiling van lucht, water en bodem vragen urgent aandacht. Het binnen enkele decennia realiseren van de verduurzamingsdoelen is een complexe maatschappelijke opgave die veel vraagt van overheden, bedrijfsleven, maatschappelijk middenveld én burgers. De uitdaging is richting te geven aan transities op een manier die bijdraagt aan de kwaliteit van leven en de kwaliteit van de samenleving in het heden en in de toekomst.
Verduurzaming vergt immers keuzes met gevolgen voor het welbevinden en de welvaart van burgers op individueel niveau en voor welvaarts-, verdelings- inclusie- en rechtvaardigheidsvraagstukken op maatschappelijk niveau. Hoe pakt de balans van lusten en lasten voor individuele burgers en voor groepen burgers uit? Wie kan meedoen en meeprofiteren, en wie niet? Brengt het mensen samen of drijft het mensen uiteen? Hoe grijpen deze ontwikkelingen in op de bereidheid van burgers om in de transitie mee te bewegen? De uitdaging is om burgers te betrekken, rekening houdend met wat zij kunnen en willen, op een manier die niemand achterlaat. In deze eerste editie van het SCO staan de sociaal-maatschappelijke aspecten van de transitie naar een klimaatneutrale samenleving centraal. Beleidscontext Internationale afspraken zijn sterk bepalend voor het nationale beleid. Beleidsontwikkeling vraagt keuzes omtrent de verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid, bedrijfsleven en burgers en rond de inzet van generiek beleid en maatwerk. De realisatie van een klimaatneutrale samenleving in 2050 vraagt verduurzaming van productie en consumptie en raakt het dagelijks leven van burgers (wonen, mobiliteit, energie, voeding, ruimtelijke kwaliteit, werk en onderwijs).
Burgers krijgen de komende jaren te maken met verschillende beleidsontwikkelingen, waaronder beleid gericht op de verduurzaming van woningen en mobiliteit, lokale opwekking van duurzame energie, de arbeidsmarkt en het vergroten van burgerbetrokkenheid bij beleid. Vanuit de overtuiging dat de 20
overheid andere actoren nodig heeft, kiest de overheid voor een sturingsbenadering waar doelen in samenwerking met andere actoren worden gerealiseerd. Het kabinet erkent dat, terwijl ook van burgers actieve betrokkenheid wordt gevraagd, beleid nu vaak nog onvoldoende rekening houdt met hun drijfveren, motivaties en handelingsmogelijkheden. Het kabinet signaleert dat dit beter moet, ook gezien de versnellingsambities voor klimaat- en energietransitie. De laatste jaren is er ook steeds meer aandacht voor het betrekken van burgers bij de ontwikkeling van beleid (Blijleven en Kooiker 2022). Illustratief daarvoor is de hernieuwde aandacht voor de inzet van burgerfora (De Koning et al. 2023). Beleid houdt vaak nog onvoldoende rekening met de verschillen in hulpbronnen die mensen tot hun beschikking hebben (economische, sociale, culturele en persoonlijke). Zonder aandacht voor die verschillen kan beleid er onbedoeld toe leiden dat mensen in een sterkere positie gemakkelijker meekomen en er verder op vooruitgaan, terwijl mensen in een minder sterke positie overvraagd worden, niet mee kunnen komen en er verder op achteruitgaan (een zogenoemd Mattheuseffect). Dat kan grote gevolgen hebben voor het leven van mensen, voor de samenleving als geheel en uiteindelijk ook voor de haalbaarheid van de ambitieuze beleidsdoelen.
Daarom is belangrijk in de ontwikkeling van beleid aan de voorkant de gevolgen te doordenken vanuit een hulpbronnenbenadering. Dit kan bijdragen aan het benutten van kansen waarbij voorlopers (bv. mensen actief in woningverduurzaming of energiecoöperaties) andere groepen in de samenleving kunnen adviseren en inspireren. Burgers die moeilijk kunnen meekomen in de transitie doordat ze onvoldoende beschikken over hulpbronnen, zullen op passende wijze ondersteund moeten worden, zodat de transitie ook hun kwaliteit van leven positief beïnvloedt. De laatste jaren is veel geïnvesteerd in het beter betrekken van gedragskennis in beleid. Dat is in zichzelf een goede ontwikkeling. Maar daarbij mag het burgerperspectief niet platgeslagen worden tot gedragsverandering en draagvlak, wat we nu nog vaak zien. Het risico is dat de aandacht dan te eenzijdig gevestigd is op het individuele gedrag van burgers. Zo kunnen risico’s voor ernstige negatieve gevolgen voor groepen in de samenleving over het hoofd gezien worden en kansen voor veranderingen die bijdragen aan de bredere kwaliteit van leven worden gemist. Er is een beweging nodig van ‘hoe burgers meekrijgen’ (denken vanuit beleid) naar ‘hoe met én voor burgers werken’ (denken vanuit het burgerperspectief).
In het politieke narratief over de noodzaak van verduurzaming worden burgers momenteel vaak gewezen op omstandigheden die overheden zouden dwingen om beperkende maatregelen te nemen. Uitspraken van rechters, afspraken binnen de Europese Unie, de stijgende energieprijzen en andere ontwikkelingen zouden deze maatregelen nodig maken. Een weinig gebruikt alternatief is de focus op kansen en vooruitgang. Bijvoorbeeld door het koppelen van de beleidsopgave aan een visie met heldere maatschappelijke doelen die bijdragen aan de kwaliteit van leven en samenleving op de langere termijn. Pogingen om brede maatschappelijke dialogen over wenselijke toekomstscenario’s op gang te brengen zien we nu al in nieuwe vormen van network governance, zoals in het Nationaal Klimaat Platform, of initiatieven als de denktank Nederland 2040: een toekomstbeeld (een initiatief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Argumentenfabriek). Het risico bestaat echter dat vooral ingewijde ambtenaren, professionals en experts aan zulke dialogen deelnemen, terwijl de meest direct betrokken stakeholdersgroepen in de samenleving hier vaak niet bij zijn aangehaakt. Hierdoor wordt de stem van verschillende groepen burgers mogelijk nog onvoldoende gehoord. Er moet daarom meer aandacht uitgaan naar wat er onder burgers leeft en de diversiteit die dat met zich meebrengt.
Dit kan helpen om over de grenzen van domeinen heen toekomstbestendige 21
scenario’s uit te werken waar iedereen van meeprofiteert en aan bij kan en wil dragen. Daarbij is ook aandacht nodig voor wat er al in de samenleving gebeurt en hoe die kracht beter benut kan worden. Er is soms een reflex in beleidsontwikkeling om dat wat er in de samenleving gebeurt plat te slaan tot een middel om bepaalde beleidsdoelen te behalen. Dat is problematisch, omdat er voor de overheid veel aan gelegen is om als partner mee te kunnen werken en denken met wat er al in de samenleving gebeurt. Wat zien we bij burgers? Burgers plaatsen klimaat en milieu al jaren in de top 5 van grootste problemen in Nederland. Sinds 2016 groeit dit probleembesef sterk en vanaf 2019 zien we meer verdeeldheid en politisering rond klimaat (Dekker en Den Ridder 2020). Er zijn mensen die bezorgd zijn over klimaatverandering en over langzaam ingrijpen door de politiek, en er zijn mensen die bezorgd zijn over de (in hun ogen overdreven) klimaatmaatregelen (De Kluizenaar en Flore 2021; Miltenburg et al. 2022; Den Ridder et al. 2022). We zien ook grote verschillen in de gedragsnormen die burgers hanteren. Zo zijn er bijvoorbeeld sterke verschillen naar opleiding in de mate waarin mensen zich storen aan anderen die zich niet duurzaam (of juist erg duurzaam) gedragen. Ook zijn er verschillen in duurzaam gedrag naar opleiding.
Zo consumeren mensen met een hbo- of wo-opleiding bijvoorbeeld vaker maatschappelijk bewust dan anderen (Schyns 2016). Dit betekent overigens niet dat zij over het geheel genomen een minder grote milieu-impact hebben. De hoogste inkomens veroorzaken gemiddeld de meeste broeikasgasuitstoot (Ecorys 2022). Als een groene leefstijl meer de norm wordt en een deel van de mensen niet kan of wil meedoen, kan dit leiden tot moraliserend gedrag, frictie en tegenstellingen in de samenleving. De verschillen naar opleiding in het zich storen aan nietduurzaam (of duurzaam) gedrag duiden al in die richting. Grote verschillen naar opleiding zien we ook waar het gaat om overheidsbemoeienis met de leefstijl van burgers. Hoewel de meeste burgers vinden dat de overheid hen ‘duwtjes in goede richting’ mag geven, daalt die steun zichtbaar naarmate de overheid zich meer dwingend bemoeit met de levensstijl van burgers. De transities zo inrichten dat groene keuzes aantrekkelijk, betaalbaar en laagdrempelig toegankelijk worden, ook voor lagere inkomens, kan helpen voorkomen dat bestaande scheidslijnen in de samenleving groter worden. Door grote verschillen in het kunnen meedoen van burgers in de duurzaamheidstransities (door verschillen in hulpbronnen) vergroot klimaatbeleid onbedoeld sociale en economische scheidslijnen.
Het is van belang daar steeds nadrukkelijk aandacht voor te hebben in de ontwikkeling van nieuw beleid. Zo zien we bijvoorbeeld dat bepaalde groepen (bv. minder vermogenden, alleenstaanden, ouderen) achterblijven in woningverduurzaming, terwijl zij juist gebaat zouden zijn bij bijvoorbeeld beter geïsoleerde woningen. Bij oplopende energiekosten komen deze groepen in de knel, terwijl zij zich hier niet of beperkt tegen kunnen wapenen. In de keuze voor beleidsinstrumenten zullen overheden dus ook oog moeten hebben voor het voorkomen van mechanismen die leiden tot grotere sociale en economische ongelijkheid. Die aandacht en dat bewustzijn is hard nodig, zodat reparatie achteraf (bv. via armoede- of compensatiebeleid) niet nodig is. Wanneer hier onvoldoende aandacht voor is, ontstaan problemen die niet met het generieke armoedebeleid kunnen worden opgelost. Omgekeerd biedt meer aandacht hiervoor de mogelijkheid om in te zetten op synergie en het benutten van kansen om de weerbaarheid van burgers en de samenleving te versterken. Zo ligt bijvoorbeeld in versnelde aanpak van slecht geïsoleerde woningen van bewoners met verhoogd risico op energiearmoede ook een kans verscholen om de positie van deze groepen te versterken door hun 22
weerbaarheid te vergroten tegen toekomstige prijsfluctuaties. Burgers kijken naar de overheid om ervoor te zorgen dat maatschappelijke belangen leidend zijn bij de energietransitie, om die te bewaken en zo nodig in te grijpen (De Kluizenaar et al. 2022; Wagemans en Peters (nog te verschijnen)). Als burgers het voor het zeggen zouden hebben, dan zouden zij primair de landelijke overheid verantwoordelijkheid willen geven voor het verduurzamen van het Nederlandse energiegebruik in het algemeen en lokale energieprojecten in het bijzonder. De belangrijkste redenen hiervoor zijn dat de overheid kan zorgen voor de benodigde financiële investering, voor een eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten en dat iedereen mee kan doen. Slechts een klein deel van de burgers vindt dat burgers hiervoor meer verantwoordelijkheid zouden moeten nemen. Burgers zijn kritisch over brede toepassing van het model van verantwoordelijkheidsverdeling ‘burger aan zet’ in het opzetten van lokale energieprojecten. Het is in de ogen van veel burgers een complexe verantwoordelijkheid, die niet zonder meer bij burgers kan worden neergelegd. Zij uiten zorgen dat verschillen tussen burgers in beschikbare kennis en vaardigheden, sociaal netwerk en middelen, lokale context en mogelijkheden ervoor zullen zorgen dat het recht van de sterkste geldt en leiden tot een toename van ongelijkheid.
Er kan ook niet altijd van worden uitgegaan dat er in het leven van burgers met een stapeling van veel verantwoordelijkheden tijd en ruimte is voor extra taken (De Kluizenaar et al. 2022). Gevoelens van een oneerlijke verdeling van lusten en lasten kunnen de acceptatie van voor burgers pijnlijke maatregelen ondermijnen. Veel burgers hebben bijvoorbeeld het gevoel dat grote bedrijven nog te weinig verantwoordelijkheid nemen, terwijl die in hun ogen juist het grootste verschil kunnen maken. Ook hebben zij het gevoel dat de lusten en lasten van klimaataanpak oneerlijk zijn verdeeld tussen burgers en bedrijven (Den Ridder en Dekker 2019; De Kluizenaar en Flore 2021). De aanvaarding van een ambitieus klimaatbeleid is voorwaardelijk, laat ook een brede burgerraadpleging uit 2021 zien. Zo is voor burgers de zichtbaarheid dat andere maatregelen maximaal zijn toegepast en de grote vervuilende sectoren streng worden aangepakt een belangrijke voorwaarde voor aanvaarding van maatregelen die hun persoonlijke levenssfeer direct raken. Andere voorwaarden voor aanvaarding van burgers zijn het beschermen van lage inkomens, het voorkomen van een toenemende kloof tussen arm en rijk en een positieve baten-kostenverhouding voor burgers (Mouter et al. 2021). Het zichtbaar worden van de inspanning van andere actoren kan bijdragen aan de bereidheid van burgers om ook hun bijdrage te leveren.
Aanbevelingen • Er is een beweging nodig van ‘hoe burgers meekrijgen’ (denken vanuit beleid) naar ‘hoe met én voor burgers’ (denken vanuit burgers) en voor de samenleving (brede welvaart). Het vergroten van burgerbetrokkenheid en het toekennen van een centrale plek aan brede welvaart in het afwegingskader kunnen daaraan bijdragen. • Koppel de beleidsopgave aan een visie op wat we als samenleving willen nastreven. Dit biedt een alternatief voor het huidige narratief, dat vaak wijst op externe omstandigheden die overheden zouden dwingen om beperkende maatregelen te nemen (uitspraken van de rechter, afspraken binnen de EU, enz.). • Houd in beleidsontwikkeling rekening met verschillen in hulpbronnen (economisch, cultureel, sociaal en persoonskapitaal) die mensen tot hun beschikking hebben. Zorg ervoor dat groene keuzes aantrekkelijk, betaalbaar en laagdrempelig toegankelijk worden, zodat er voor verschillende groepen in de samenleving voldoende handelingsperspectief is.
23
•
•
5
Ga na hoe voorlopers gefaciliteerd kunnen worden om andere groepen in de samenleving te adviseren en inspireren. Ga ook na hoe burgers die niet goed kunnen meekomen in de transitie op passende wijze kunnen worden ondersteund. Werk vanuit realistische verwachtingen van burgers, om te voorkomen dat burgers worden overvraagd. Doordenk de sociaal-maatschappelijke impact van beleidskeuzes voor groepen burgers die verschillen in hulpbronnen. Ga daarbij na of er, en zo ja welke, alternatieve maatregelen denkbaar zijn en weeg daarin mee in hoeverre deze bijdragen aan het versterken van de positie van burgers en de kwaliteit van de samenleving.
Vertrouwen (kunnen) hebben in democratie en overheid
De opgave Een voortdurende opgave in een democratische rechtsstaat zoals de onze, is om te zorgen dat er voldoende steun is voor de democratie en haar instituties. Een legitiem bestuur draagt bij aan een stabiel en effectief bestuur, en daarmee aan de kwaliteit van de samenleving, waarin mensen problemen aangepakt, doelen verwezenlijkt en rechten beschermd zien. Zorgen over politiek en democratie zijn van alle tijden. Dat is niet verwonderlijk; de democratie is een breed gedragen ideaal, maar in de praktijk van alledag zijn er voortdurend spanningen, bijvoorbeeld tussen luisteren naar burgers en het nemen van moeilijke beslissingen voor de langere termijn, of tussen het zoeken naar consensus en het waarderen van tegengestelde belangen en opvattingen. De wijze waarop politiek en bestuur met dergelijke dilemma’s omgaan, beïnvloedt hun legitimiteit. En hoe ze dat doen, is relevant en urgent, gegeven de maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat in de komende decennia. Dit valt deels in kaart te brengen met objectieve indicatoren. Daarbij kan gedacht worden aan indicatoren voor good governance, zoals de mate van corruptie en de inrichting van het openbaar bestuur. Alle goede intenties en goed gedrag ten spijt, legitimiteit staat of valt met de toekenning ervan door burgers (Van Noije 2019).
Daarvoor is het van belang dat de verwachtingen en percepties die burgers hebben van het functioneren van democratie en politieke instituties voldoende in overeenstemming blijven. Beleidscontext De overheid verkeert in een lastig parket. De maatschappelijke opgaven op het gebied van participatie, in het sociaal domein, op het gebied van samenleven en rondom verduurzaming zijn sterk verweven met de aanpak van complexe en sterk betwiste dossiers. Bijvoorbeeld op gebied van stikstof, asiel, de hersteloperatie in Groningen en voor gedupeerden van de toeslagenaffaire. Deze dossiers vragen om oplossingen in een context waarin het vertrouwen in de overheid laag is en waarin een flink deel van de bevolking die overheid eerder ziet als onderdeel van het probleem dan als onderdeel van de oplossing. Om de afstand tot haar burgers te verkleinen en het vertrouwen te vergroten, dient de overheid meer aan de verwachtingen van de burgers te voldoen. Onze beleidsinventarisatie laat zien dat het huidige kabinet zich grofweg richt op drie strategieën om de democratische rechtsstaat te verbeteren.
Ten eerste zet het in op rechtvaardigere wetgeving en beleidsuitvoering, bijvoorbeeld door middel van departementale eenheden die het eerder moeten signaleren als burgers door wetgeving in de knel komen, en wetgeving die de politiek en financiële onafhankelijkheid van de rechtspraak beter kan garanderen. Ten tweede streeft het kabinet naar sterkere tegenmacht, bijvoorbeeld door middel van een terugzendrecht voor de Eerste Kamer,
24
invoering van constitutionele toetsing en de gewijzigde Wet gemeentelijke regelingen (Wgr) op lokaal niveau. Ten derde werkt het kabinet aan grotere betrokkenheid van burgers op de politiekbestuurlijke besluitvorming, bijvoorbeeld door middel van het wetsvoorstel ‘Met een stem meer keus’ en verkenning van de mogelijkheden van burgerfora. Het is in het algemeen veelbelovend dat het kabinet zich richt op structurele verbeteringen van de democratie en rechtsstaat om daarmee het vertrouwen terug te verdienen, en het vertrouwen niet tot direct doel van beleid maakt. Want in een gezonde democratie horen mensen kritisch te zijn en mogen ze ontevreden zijn. Uit de plannen klinkt het besef dat vertrouwen moet volgen uit een overheid die te vertrouwen is, en dat een toename in vertrouwen geen zelfstandig beleidsdoel moet zijn, zoals het SCP al eerder benadrukte (Den Ridder et al. 2021; Van Gool et al. 2022). Een goed functionerende democratische rechtsstaat is een noodzakelijke, maar onvoldoende voorwaarde voor vertrouwen. Omdat de maatregelen van het kabinet vooralsnog overwegend intern- en systeemgericht zijn en zich grotendeels aan het zicht van burgers onttrekken, moeten hiervan geen snelle wonderen voor het vertrouwen in de politiek en overheid worden verwacht.
Op de korte termijn worden percepties en vertrouwen sterker beïnvloed door de manier waarop instituties in de praktijk werken én door het gedrag van politici. Nóg een dossier waarin de overheid haar zorgplicht voor burgers verzaakt, nóg een vergeten herinnering van een bewindspersoon: dat heeft meer negatieve invloed op het vertrouwen dan welk beleidsvoornemen dan ook. Wat zien we bij burgers? De tevredenheid met de democratie en het vertrouwen in de politiek zijn in 2022 laag vergeleken met de afgelopen twee decennia. De waargenomen opstelling van politici rond de kabinetsformatie en in de afhandeling van verschillende crises doet burgers twijfelen aan het vermogen, en soms ook aan de wil van de politiek om problemen op te lossen. Vooral praktisch opgeleiden en kiezers van cultureel-conservatieve partijen hebben weinig vertrouwen en zijn negatief over politiek en bestuur, maar niet alleen zij. De huidige vertrouwensdip is inmiddels hardnekkig. We vinden in ons onderzoek echter geen aanwijzingen dat het lage vertrouwen op dit moment al wijst op een fundamenteler probleem met de legitimiteit van de democratische rechtsstaat. De overgrote meerderheid trekt de waarde van wetten niet in twijfel: zij vindt dat mensen zich daar onder alle omstandigheden aan moeten houden.
Het is echter wel van belang de legitimiteit in de gaten te houden, zeker wanneer het vertrouwensprobleem voortduurt of verdiept. Mensen waren in 2022 overwegend negatief of neutraal in hun percepties van de responsiviteit van politici, de procedurele rechtvaardigheid van overheidshandelen en de door het bestuur geleverde resultaten. Het meest negatief (zelfs in meerderheid negatief) zijn ze over het probleemoplossend vermogen van de overheid; het minst negatief (zelfs in meerderheid positief) over verworvenheden als de gelijke toegang tot zorg en onderwijs. Opvallend zijn ook de negatieve percepties van integriteit. De overgrote meerderheid denkt dat Nederlandse ambtenaren zich soms of vaak laten omkopen, en dat ze soms of vaak aan vriendjespolitiek doen. Van alle onderzochte oordelen over overheidsfunctioneren hangen er drie het sterkst samen met politiek vertrouwen. Deze belangrijkste pijnpunten zijn: 1 Percepties van effectiviteit 25
2 3
Percepties van inclusieve belangenafweging Percepties van de mate waarin politici de wensen van burgers kennen en eraan tegemoetkomen
Hoewel van formeel beleid alleen, zoals gezegd, slechts beperkte directe effecten op vertrouwen verwacht kan worden, bieden deze pijnpunten wel een startpunt om de randvoorwaarden voor vertrouwen op orde te brengen. Aanbevelingen De aanpak van deze drie aandachtspunten kan in drie richtingen worden gezocht. • Er moet prioriteit gegeven worden aan het vergroten van het probleemoplossend vermogen van beleid. Dat is geen sinecure, maar beleid dient verschil te maken voor de samenleving op een manier die voelbaarder is in het alledaagse leven van burgers. Deze ervaringen bepalen de ervaren effectiviteit van beleid en bestuur onder burgers op uiteenlopende beleidsterreinen. Daar ligt een belangrijke, maar ook veelomvattende opdracht voor politici en de overheid. Zo kan meer evaluatie van de kwaliteit van beleidsuitvoering vanuit burgerperspectief bijdragen aan verbetercycli van beleid en bestuur. • De invloed van burgers op de politieke besluitvorming moet minder ongelijk worden. Het gevoel dat besluiten niet worden genomen op basis van een inclusieve belangenafweging moet ten eerste worden aangepakt door een daadwerkelijk evenredige vertegenwoordiging, het principe waarop ons democratische systeem gestoeld is (zie ook Remkes et al. 2018).
De belangen en standpunten van groepen met een lager institutioneel vertrouwen, vooral praktisch opgeleiden en mensen met een economisch links en cultureel rechts profiel, dienen sterker te worden meegewogen in de politieke besluit- en beleidsvorming. Ook moet de positie van de Tweede Kamer ten opzichte van het kabinet worden versterkt om de evenredige belangenafweging te kunnen afdwingen. • De besluit- en beleidsvorming vraagt om meer transparantie. Ook als er sprake is van een inclusieve belangenafweging, onder andere via bovengenoemde gelijkere representatie, zal dat niet automatisch door burgers worden ervaren. Een transparante verantwoording van de dilemma’s en afwegingen die worden gemaakt, helpt tegen het gevoel dat de belangen van sommige groepen in de samenleving als vanzelf zwaarder meetellen in de besluitvorming dan die van anderen. De nieuwe Wet open overheid (Woo) en het actieplan ‘Open op Orde’ kunnen daaraan bijdragen. Daarbij mag het primaire doel om verantwoording af te leggen over belangenafweging en besluitvorming niet ondersneeuwen door burgers – zonder betekenisvolle begeleiding – te overvoeren met informatie. Hier en daar zal de overheid burgers wellicht wegwijs moeten maken in het veld van beschikbare informatiebronnen en stromen. Maar bovenal moeten politici zelf proactief naar buiten treden om hun keuzes toe te lichten.
• De ervaren responsiviteit van politici en bestuurders is eveneens gebaat bij een sterkere en gelijke invloed van burgers op besluitvorming. Naast de huidige initiatieven om burgers meer te betrekken, kan het bindend correctief referendum zoals voorgesteld door de Staatscommissie parlementair stelsel in 2018, worden overwogen als middel om het probleem van onevenredige vertegenwoordiging aan te pakken. Afhankelijk van het doel – een sterker burgerperspectief in het beleid of het vergroten van evenredige invloed – zal soms een burgerforum het aangewezen instrument zijn, soms een referendum, soms combinaties van instrumenten (De Koning et al. 2023). Voor al deze instrumenten geldt dat ze goed moeten zijn ingebed in het bestaande representatieve systeem, omdat anders weinig 26
•
wordt gedaan met de uitkomsten (Commissie-Brenninkmeijer 2021) en dat de politieke onvrede ook kan versterken. Er is meer inzicht nodig in de oorzaken van de opvallend negatieve percepties van ambtelijke integriteit. Ondanks de zwakkere samenhang met politiek vertrouwen, zijn deze voldoende zorgwekkend om met prioriteit aan te pakken. Voordat een oplossing benoemd kan worden, moet echter duidelijk worden welk signaal mensen hiermee afgeven. Moeten we hun antwoorden begrijpen als een bekrachtiging van hun frustraties over een onderpresterende overheid? In dat geval zal beleid dat er beter in slaagt belangen open en eerlijk te wegen en problemen op te lossen, dit gevoel wellicht deels al kunnen ondervangen. Het kan ook een beeld zijn dat wordt gevormd door mediaberichtgeving over incidenten die soms al zijn opgespoord en aangepakt. Of signaleren mensen hiermee ervaren misstanden die breder voorkomen in de samenleving, en moet het probleem wel degelijk bij feitelijke integriteit worden gezocht? Er is meer kennis nodig over de situaties waaraan mensen denken. Dat gaan wij in vervolgonderzoek oppakken.
De uitgelichte aandachtspunten voor politiek en beleid komen voort uit teleurgestelde verwachtingen van burgers. Waar soms relativerend gesteld kan worden dat verwachtingen onrealistisch zijn en oordelen te kritisch, heeft de landelijke overheid inmiddels ook zelf moeten erkennen dat het vertrouwen te lijden heeft van een werkelijk tekortschietend politiek en bestuurlijk bedrijf en dat er werk aan de winkel is.
27
Literatuur AEF (2020). Stelsel in Groei. Onderzoek naar financiële tekorten in de jeugdzorg. Utrecht: Andersson Elffers Felix. Bakker, E. de, L. Thijssen en W. Portegijs (nog te verschijnen). Samenleving in beweging. Diversiteit en sociale cohesie nader beschouwd. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Beugelsdijk, S., J. de Hart, P. van Houwelingen en M. Versantvoort (red.) (2019). Denkend aan Nederland. Sociaal en Cultureel Rapport. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Blijleven, W. en S. Kooiker (2022). Overdragen, overdragen, delen en herstellen, Overheidsvisies op de verdeling van verantwoordelijkheden sinds 2011. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Brakel, M. van den, W. Portegijs en B. Hermans (2020). Emancipatiemonitor 2020: Economische positie vrouw tot 2020 verder verbeterd. Geraadpleegd 6 maart 2023 via digitaal.scp.nl/emancipatiemonitor2020/economischepositie-vrouw-tot-2020-verder-verbeterd. Campen, C. van, F. Vonk en T. van Tilburg (2018) Kwetsbaar en eenzaam? Risico’s en bescherming in de ouder wordende bevolking. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. CBD (2020). Global Biodiversity Outlook 5 – Summary for Policy Makers. Montreal: Convention on Biological Diversity – Secretariat of the Convention on Biological Diversity. Geraadpleegd via www.cbd.int/GBO5. Commissie-Brenninkmeijer (2021). Betrokken bij klimaat: burgerfora aanbevolen.
Den Haag: Adviescommissie Burgerbetrokkenheid bij klimaat. Geraadpleegd via www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2021/03/21/adviesrapport-betrokken-bij-klimaat. Dekker, P. (red.) (2022). Politieke polarisatie in Nederland. Utrecht: Wereldvenster. Dekker, P. en J. den Ridder (2020). Burgerperspectieven 2020|1. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Echtelt, P. van, K. Sadiraj, S. Hoff, S. Muns, K. Karpinska, D. Das, M. Versantvoort, m.m.v. L. Putman (2019). Eindevaluatie van de Participatiewet. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Ecorys (2022). Onderzoek Nederlandse inkomens en CO2 voetafdruk. Inzichten uit bestaande data bronnen. Rotterdam: Ecorys. Gool, M. van, M. Versantvoort, L. van Noije, D. Verbeek-Oudijk, A. van den Broek en C. van Campen (2022). Reflectie op het coalitieakkoord 2021-2025 vanuit het burgerperspectief. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Jongen, E., S. Muns, C. Thijs, H.-W. de Boer, J. Dagevos, R. Dillingh, J. Ebregt, W. Huijink, K. Karpinska, J. Klaver, J. Schaper, T. de Wilde en A. Zulkarnain (2020). Kansrijk integratiebeleid. Den Haag: Centraal Planbureau en Sociaal en Cultureel Planbureau. Kluizenaar, Y. de en P. Flore (2021). Klimaataanpak: toekomstbepalende keuzes voor onze samenleving. De energietransitie vanuit burgerperspectief. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Kluizenaar, Y. de, A. Steenbekkers, K.
Muiderman, A. Mangnus en W. Blijleven (2022). Burgers, overheid of bedrijven: wie is aan zet? Burgervisies en beleidsvisies op verantwoordelijkheidsverdeling bij lokale energieopwekking. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Koning, F. de, J. den Ridder, W. Blijleven en S. Peters (2023). SCP-reflectie op het organiseren van burgerfora: Vier aandachtspunten vanuit het burgerperspectief (kennisnotitie). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Miltenburg, E., B. Geurkink, S. Tunderman, D. Beekers en J. den Ridder (2022). Burgerperspectieven 2022|2. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Mouter, N., L. van Beek, A.R. de Ruijter, J.I. Hernandez, S. Schouten, L. van Noord en S. Spruit (2021). Brede steun voor ambitieus klimaatbeleid als aan vier voorwaarden is voldaan. Delft: TU Delft. Noije, L. van (2019). Overheidslegitimiteit in SCP-onderzoek. Een conceptuele verkenning (working paper). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Portegijs, W. (2022). Eens deeltijd, altijd deeltijd. Waarom vrouwen in deeltijd blijven werken als ze ‘uit’ de kleine kinderen zijn. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Remkes, J.W., C.C. van Baalen, E.E. Janse de Jonge, J. Kohnstamm, R.A. Koole, E.F. Lagerwerf-Vergunst, T.W.G. van der Meer en A.C. Quik-Schuijt (2018). Lage drempels, hoge dijken: Democratie en rechtsstaat in balans.
Eindrapport van de staatscommissie parlementair stelsel. Amsterdam: Boom. Ridder, J. den, L. van Noije, E. Miltenburg en J. Schaper (2021). Democratie en institutioneel vertrouwen. Signalement 16 april 2021. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
28
Ridder, J. den, E. Miltenburg, S. Kunst, L. van ’t Hul en A. van den Broek (2022). Burgerperspectieven 2022|1. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Ridder, J. den, L. van ’t Hul en A. van den Broek (nog te verschijnen). Burgerperspectieven – 2023|1. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. RIVM (2022). Kwartaalonderzoek jongeren. Geraadpleegd 13 februari 2023 via www.rivm.nl/gezondheidsonderzoek-covid-19/kwartaalonderzoek-jongeren. Roeters, A. (2018). Alle ballen in de lucht. Tijdsbesteding in Nederland en de samenhang met kwaliteit van leven. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Roeters, A., P. van Echtelt, C. Vrooman, J. Vlasblom en M. Olsthoorn (2021). De veranderende wereld van werk: Een verkenning van de kwaliteit van werk in de toekomst. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. RVS (2020). Gezondheidsverschillen voorbij. Complexe ongelijkheid is een zaak van ons allemaal. Den Haag: Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. Savage, M., F. Devine, N. Cunningham, M. Taylor, Y. Li, J. Hjellbrekke, B. Le Roux, S. Friedman en A. Miles (2013). A New Model of Social Class? Findings from the BBC’s Great British Class Survey Experiment. In: Sociology, jg. 47, p. 219-250. Savage, M., N. Cunningham, F. Devine, S. Friedman, D. Laurison, L. McKenzie, A. Miles, H. Snee en P. Wakeling (2015). Social class in the 21th century. Londen: Penguin Random House. SCP (2021).
Koersen op de samenleving. Maatschappelijke opgaven en kansrijke oplossingen door de bril van burgers bezien. Geraadpleegd via digitaal.scp.nl/pdf/16-04-2021/koersen-op-de-samenleving.pdf. SCP/RVS (2021). Briefadvies Sociaal en Cultureel Planbureau en Raad voor Volksgezondheid & Samenleving. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau en Raad voor de Volksgezondheid & Samenleving. SCP/PBL/CPB (2021). Briefadvies planbureaus voor herstelbeleid. Een doorstart van de samenleving. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, Planbureau voor de Leefomgeving en Centraal Planbureau. Schyns, P. (2016). Kiezen bij de kassa. Een verkenning van maatschappelijk bewust consumeren in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Swart, L. en S. van der Laan (2022). Nemen werkgevers mensen met een arbeidsbeperking in dienst?. In: Arbeidsmarkt in kaart: Werkgevers – editie 3. Geraadpleegd 6 maart 2023 via digitaal.scp.nl/arbeidsmarktin-kaart-werkgevers-editie-3/nemen-werkgevers-mensen-met-een-arbeidsbeperking-in-dienst. Turkenburg, M., R. Maslowski, M. den Draak en J. Langeveld (nog te verschijnen). Perspectieven op waardevol samenleven: een verkenning. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Vogels, R., M. Turkenburg en L. Herweijer (2021). Samen of gescheiden naar school. De betekenis van sociale scheiding en ontmoeting in het voortgezet onderwijs.
Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Vrooman, C., M. Gijsberts en J. Boelhouwer (2014), Verschil in Nederland. Sociaal en Cultureel Rapport 2014. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Vrooman, C., J. Boelhouwer, J. Iedema en A. van der Torre (2023). Eigentijdse ongelijkheid. De postindustriële klassenstructuur op basis van vier typen kapitaal. Verschil in Nederland 2023. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Wagemans, F. en S. Peters (nog te verschijnen). Burgers over de verdeling van verantwoordelijkheden bij grote maatschappelijke opgaven (werktitel). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
29