CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Inkomend - Provincie Zeeland - Zeeuws Gebiedsprogramma 2023 - Deel 2 structurerende keuzes

Informatiebijeenkomst 14 juli 2023, gemeente VlissingenBij agendapunt: Stukken10.198 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

27

Om tot dit beeld te kunnen komen is een praktische benadering gevolgd, waarbij de mate waarin ontwikkeling van zoetwaterbellen verwacht kan worden, afhankelijk is gesteld van de afstand uit de kust, maaiveld hoogteligging en dikte van de deklaag. Kansenkaarten Aan de hand van de gegevens uit de basiskaarten zijn kansenkaarten geproduceerd voor het landelijk gebied, het stedelijk gebied en voor het thema wateroverlast. 1) Landelijk gebied [invulling 'ontwikkelrichting van de landbouw'] De kansenkaart voor het landelijk gebied schetst een beeld van de locaties waar welk grondgebruik op grond van de natuurlijke omstandigheden het meeste perspectief biedt. Gelet op het overwegend landbouwkundige gebruik van het landelijk gebied zijn de landbouwkundige mogelijkheden als uitgangspunt genomen.

De veelheid aan landbouwkundige teelten is daarbij, op basis van vergelijkbare eisen aan bodem en water, beperkt tot de volgende vijf clusters: - intensieve teelten - fruitteelt - akkerbouw - weidebouw - mariene teelten Verder is gebruik gemaakt van de volgende basiskaarten: - Bodemkaart - Kwelkaart - Infiltratiekaart - Natuurgebieden - Bebouwd gebied Voor de indeling naar landbouwkundige geschiktheid is in eerste instantie uitgegaan van het bodemtype, waarbij steeds een drietal hydrologische randvoorwaarden is onderscheiden: Basis: met goede hydrologische randvoorwaarden Kwel: met zoute kwel tot in wortelzone Zoet: met voldoende zoet grondwater voor beregening Op basis van expert judgement is een waardering gegeven aan de mogelijkheden die een bepaalde combinatie van bodemtype en hydrologische omstandigheden de onderscheiden teelten biedt. Vervolgens is voor de ruimtelijke toedeling van de teelten de volgende prioriteitsvolgorde bepaald aan de hand van kapitaalsintensiteit van de gewassen: Intensief - Fruit - Akker - Weide - Marien Uiteindelijk is een overall-beoordeling gegeven, waarin de ruimtelijke toewijzing van de teelten stapsgewijs is vastgelegd en gevisualiseerd op de kansenkaart. 2) Stedelijk gebied Van oudsher werden steden en dorpen gebouwd op van nature geschikte locaties: relatief hooggelegen met een zandige ondergrond.

In de afgelopen decennia zijn deze logische criteria hoe langer hoe meer uit het oog verloren. In principe hoeft dat geen probleem te zijn zolang er maar rekening gehouden wordt met de randvoorwaarden die een bepaalde locatiekeuze met zich meebrengt. Dit laatste is met name op hydrologisch gebied nogal eens vergeten. Bouwen op laaggelegen locaties, waarbij ook nog eens sloten gedempt worden, is vragen om moeilijkheden (en die bleven dan ook niet uit). Om aan te geven in welke richting stedelijke uitbreiding uit (geo)hydrologisch oogpunt het best gezocht kan worden, is door combinatie van drie criteria een

28

kansenkaart gemaakt die een indicatie voor de mate van geschiktheid voor stedelijke uitbreiding geeft. De gebruikte criteria zijn: - Infiltratiemogelijkheden: De mogelijkheden voor infiltratie worden beoordeeld op drie factoren, te weten: dikte van de deklaag, indicatie kwelintensiteit en ontwikkelingsmogelijkheden voor zoetwatervoorraden. - Zettingsgevoeligheid: De gevoeligheid is beoordeeld op een combinatie van de factoren dikte kleiige deklaag, dikte hollandveen en bodemopbouw. - Waterhuishouding: Locaties waar sprake is van een verhoogd risico op wateroverlast zijn aangegeven op basis van kwelintensiteit, relatieve hoogteligging en bodemopbouw. De kansenkaart stedelijk gebied dient als handvat voor met name gemeentes bij stedelijke uitbreidingsplannen. Hoe lager de mate van geschiktheid van een uitbreidingslocatie op de kansenkaart ingeschat wordt, hoe hoger de kosten zullen worden om de betreffende locatie bouwrijp te maken. In de voorbereidende fase zullen voor de minder geschikte locaties uitgebreidere studies uitgevoerd moeten worden naar de wijze waarop de hydrologische en bodemkundige randvoorwaarden in de uitbreidingsplannen ingepast kunnen worden. 3) Beperking wateroverlast: [invulling 'waar en hoe water vasthouden'] De afgelopen jaren zijn we verschillende malen geconfronteerd met neerslaghoeveelheden die niet door de huidige systemen verwerkt konden worden.

Dit heeft geleid tot een grote maatschappelijke druk om te werken aan maatregelen ter beperking/voorkoming van wateroverlastsituaties. Gebiedsgerichte oplossingen kunnen gezocht worden in vergroting van de afvoercapaciteit (gemalen en waterlopen), vergroting van de berging in het systeem of een bewuster gebruik van het bestaande stelsel. In het kader van de waterkansenkaart worden deze laatste twee opties verder uitgewerkt. De risico's op wateroverlast kunnen beperkt worden door: - Het water uit relatief hooggelegen gebiedsdelen vertraagd af te voeren door compartimentering binnen het afwateringsstelsel, - Gecontroleerde overstromingsgebieden te realiseren in relatief laaggelegen gebiedsdelen die kapitaalsextensief zijn en - De afvoer uit grotere aaneengesloten natuurgebieden tijdelijk op te houden. De zoeklocaties voor beide eerstgenoemde gebieden zijn weergegeven op een kansenkaart die per afwateringsgebied een beeld geeft van de relatieve hoogteligging. De beste mogelijkheden voor berging en retentie zijn te vinden in resp. de 10%-laagst en 10%-hoogstgelegen delen. Vanwege de beperkte mogelijkheden met kleine geïsoleerd liggende laagtes en hoogtes, wordt tevens de ligging van de 25%-laagst en 25%-hoogstgelegen delen aangegeven. Voor de grotere aaneengesloten gebieden kunnen de mogelijkheden voor berging of retentie vervolgens nader onderzocht worden.

De gevolgen van wateroverlastsituaties kunnen zoveel mogelijk beperkt worden door ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen in relatief lage gebieden te voorkomen.

29

Bijlage 4. Afspraken vanuit de KasZ Overstromingen: Laag 0:  We stellen uitgangspunten op voor aangepast bouwen en ontwikkelen in buitendijkse gebieden en leggen deze vast  We hanteren het afwegingskader en formuleren handelingsperspectieven voor buitendijkse ontwikkelingen en bestaande functies Laag 1:  We werken aan integrale planontwikkeling dijkversterkingstrajecten t.b.v. brede waterkerende landschappen o Onderzoek naar mogelijkheden voor innovatie, meervoudig ruimtegebruik van de primaire waterkeringen en gebiedsgericht maatwerk, zodat randvoorwaarden algemeen geaccepteerd worden als aanvulling op de waterveiligheidsfilosofie  Aanvullende reserveringszones o.b.v.

inzicht versterkingsopgaven worden aangewezen en vastgelegd  We lobbyen richting het Rijk voor integrale benadering en planontwikkeling dijkversterking Laag 2:  We wijzen gebieden aan waar de ontwikkeling van kwetsbare functies wordt voorkomen of waar aangepast bouwen of inrichtingsmaatregelen noodzakelijk zijn  Bij regulier beheer, onderhoud en renovatiemaatregelen van voorzieningen in overstromingsgevoelige gebieden treffen we maatregelen Laag 3:  We versterken de communicatie en het bewustzijn rondom crisisbeheersing op basis van een handelingsperspectief  We starten een Zeeuws breed onderzoek en de uitvoering van een wegenstelsel ten behoeve van crisisbeheersing  We verkennen het benutten van (nieuwe) objecten voor opvang bij crisisbeheersing Vitale infrastructuur:  Bij nieuwe vitale en kwetsbare functies krijgt klimaatadaptatie een nadrukkelijke rol in het besluitvormingsproces  We brengen de klimaatopgave specifieker in beeld: o Uitvoeren stresstest bij bestaande V&K functies met betrokken partners o We maken de bestaande situaties bij nutsbedrijven inzichtelijk  We koppelen klimaatadaptatie aan de beheer- en onderhoudscycli van bestaande V&K functies  Gezamenlijk stellen we een uitvoeringsprogramma voor V&K functies op en we werken gezamenlijk aan de uitvoering ervan Natuur:  We zetten een plus op het versneld afronden van het provinciale Natuurnetwerk  We

herstellen en richten een robuust bodem- watersysteem in door het opstarten van een integrale gebiedsgerichte aanpak  We optimaliseren inrichting en beheer van bestaande en nieuwe natuurgebieden  We bouwen meer kennis en inzicht op over klimatologische effecten op soorten en leefgebieden

Een natuurinclusieve benadering wordt voor overheid en private partijen een vast onderdeel bij (plan)ontwikkeling en beheer

30

   

We versterken natuur buiten het provinciale natuurnetwerk en we verbinden noodzakelijke bestaande natuurgebieden binnen Zeeland We realiseren overgangszones rondom bestaande en nieuwe natuur We stimuleren agrarische functionele (agro)biodiversiteit We behouden buitendijkse natuur en ontwikkelen alternatieven

Landbouw:  We richten watersystemen robuust in door het opstarten van een integrale gebiedsgerichte aanpak op basis van de uitkomsten van het Zeeuws Deltaplan Zoet water  We concretiseren en operationaliseren het ten minste behouden en waar mogelijk vergroten van zoet waterbellen  In gebieden waar specifieke vormen van bedrijfsvoering of teelten niet ondersteund kunnen worden is een transitie naar een andere innovatieve bedrijfsvoering of andere functie onvermijdelijk  We blijven inzetten op het maatregelenpakket Kaderrichtlijn Water  We zetten een kennisplatform op voor bodemkwaliteit en volhoudbare landbouw  We zetten in op het verbeteren van de bodemstructuur t.b.v.

het opvangen van weersextremen  We verankeren klimaatadaptatie en (eco-)systeemdiensten in agrarisch stimulerings- en studiebeleid  We verkennen de mogelijkheden voor een klimaatadaptieve aanpak van de Zeeuwse grondbank Bebouwd gebied:  We zetten de beleidslijn Stedelijke Wateropgave voort binnen de SAZ+  We zetten een onderzoeksprogramma op om meer inzicht te krijgen in de risico’s van hitte en droogte in relatie tot stedelijk groen en zettingen in het stedelijk gebied  In regioverband brengen we binnen deze eerste beleidscyclus de klimaatopgave in het stedelijk gebied in beeld  We ontwikkelen ‘altijd goed’ maatregelen en zetten deze in, wanneer de volledige klimaatopgave in een gebied nog niet in beeld is gebracht.  We voeren alle ingrepen in het bebouwd gebied klimaatbestendig uit en geven invullen aan de bestaande klimaatopgave  We haken bij het oplossen van de klimaatopgave zoveel mogelijk aan bij natuurlijke momenten.

Vanuit de eigen bevoegdheden wordt afgewogen waar eerder ingegrepen wordt  We ontwikkelen samen een Zeeuws ‘Afwegingskader Klimaatadaptatie’ voor alle nieuwe ontwikkelingen, inclusief herstructurering, groot onderhoud en renovatie  We doen een klimaatcheck bij kleine onderhoudsmaatregelen  We gaan bij maatregelen voor klimaatadaptatie altijd na of er meekoppelkansen zijn vanuit andere opgaven  We gaan door met particulieren bewust te maken en te stimuleren maatregelen op eigen terrein te nemen. Op Zeeuws niveau vindt hierover afstemming plaats  We gaan in regioverband in gesprek met de woningbouwcorporaties om afspraken te maken over het invullen van de klimaatopgave  We blijven het vergroenen van schoolpleinen ondersteunen Recreatie:  We maken een overzicht van maatregelen die bijdragen aan een klimaatadaptieve inrichting en bedrijfsvoering  We helpen ondernemers in te spelen op het nieuwe klimaat: 31

We starten pilotprojecten voor het klimaatadaptief inrichten van de buitenruimte We brengen de opgave in beeld en vertalen dit naar de wensen en eisen van de recreatieve sector o We stellen een programma op voor kennisdeling en –ontwikkeling voor klimaatadaptief handelen o We verbreden het aanjaagprogramma met het onderdeel klimaatadaptatie We waarborgen de kwaliteit van zwem- en drinkwater We onderzoeken hoe maatregelen die bijdragen aan het verminderen van de gevolgen van extreem weer bij evenementen kunnen worden opgenomen in het gemeentelijk beleid waarop vergunningen worden verleend. We koppelen de campagne ‘Het klimaat verandert, Zeeland verandert mee’ aan bewustwording binnen de toeristische sector We stellen een gezamenlijk fonds op om recreatieve zandsuppleties mogelijk te maken, aanvullend op zandsuppletie in het belang van waterveiligheid o o

 

 

Algemeen:  De komende 6 jaar zijn communicatie en het creëren van draagvlak een belangrijk speerpunt binnen de KasZ. Provincie, waterschap en gemeenten dragen gezamenlijk actief dezelfde boodschap uit  We (Provincie, waterschap en gemeenten) continueren de goede regionale samenwerking op het gebied van communicatie en klimaatadaptatie  In 2021 werken we de gezamenlijke communicatiestrategie verder uit. De strategie is zowel intern (eigen organisaties) als extern (inwoners, bedrijven, instellingen en organisaties) gericht  We stellen een gezamenlijke uitvoeringsagenda vast en stellen de benodigde middelen beschikbaar  We evalueren het uitvoeringsagenda jaarlijks en stellen deze bij waar dat nodig is  We evalueren de strategie elke 6 jaar

32

COLOFON Uitgave: Provincie Zeeland Vormgeving: Provincie Zeeland Fotografie: Provincie Zeeland Contact: provincie@zeeland.nl Bezoekadres: Provinciehuis, Abdij 6 4331BK Middelburg

www.zeeland.nl / G provinciezeeland / U provzeeland

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13004929/1