Inkomend - Ministerie BiZa - Voortgang Actieagenda Sterk Bestuur bijlage 2 jaarverslag projectgroep lokale rekenkamers 2023
Tekst van het document
Projectgroep Lokale Rekenkamers Opbrengsten 2023 Vooruitblik 2024 Maart 2024
Inhoudsopgave Voorwoord 1 1.
Inleiding
2
1.1 1.2 1.3 1.4
De opdracht van de projectgroep Status, werkwijze en leden van de projectgroep Begeleidingscommissie en leden Bezochte gemeenten
2 3 3 4
2.
Adviesgesprekken in 2023
5
2.1 2.2
Gespreksonderwerpen nader verkend Waardering van de adviesgesprekken met de projectgroep
5 7
3.
Adviezen van de projectgroep in relatie tot de inspiratiekaders.
8
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Inleiding Inspiratiekader 1. De professionele relatie tussen raad en rekenkamer Inspiratiekader 2: het toekennen van een passend budget voor de rekenkamer. Inspiratiekader 3: structurele en incidentele samenwerking tussen rekenkamers Organisatiemodellen voor de rekenkamer
8 8 10 11 12
4.
Vooruitblik 2024
15
Bijlage A
0
Lijst van bezochte gemeenten
16
Voorwoord 2023 was een overgangsjaar voor de gemeentelijke rekenkamers; gemeenten konden dit jaar gebruiken om te voldoen aan De Wet versterking decentrale rekenkamers, die in per 1 januari van dat jaar van kracht was. Dat betekende dat de lokale rekenkamer in de bestuurlijke spotlights stond; in ongeveer 300 gemeenten moest er in meer of mindere mate aan de rekenkamer gesleuteld worden om aan bovengenoemde wet te voldoen. De projectgroep heeft hieraan een bijdrage geleverd door met vertegenwoordigers van 27 van deze gemeenten een adviesgesprek te voeren. In dit verslag treft u de belangrijkste bevindingen uit deze gesprekken aan. We kunnen constateren dat gemeenten serieus aan de slag zijn (gegaan) met hun rekenkamer om aan de wettelijke eisen te voldoen. De juridische push voor een sluitend stelsel van onafhankelijke rekenkamers die de gemeenteraden moeten ondersteunen lijkt hiermee geslaagd. In de praktijk van onze adviesgesprekken blijkt dat een aantal gemeenteraden nog zoekend is over de meerwaarde van en de verhouding tot de (nieuwe) rekenkamer. Raden zitten niet te wachten op vuistdikke rekenkamerrapporten over beleid van vorig jaar, maar op duiding van vaak complexe materie en een handelingsperspectief om de controlerende en kaderstellende rol waar te maken.
Daarom biedt de lokale rekenkamer pas meerwaarde voor de gemeenteraad als: • onderzoek goed aansluit op de raadsagenda; • het onderzoek van goede kwaliteit is; • aanbevelingen relevant zijn. Het is daarom van belang dat de (leden van de) rekenkamer in algemene zin beschikken over voldoende kennis van de gemeentelijke praktijk en zich verdiepen in de politiek/bestuurlijke opgaven van hun eigen gemeente. Hiervoor is, met behoud van onafhankelijkheid, een goede samenwerking met alle raadsfracties onontbeerlijk. Niet alleen de rekenkamer moet investeren in de raad, omgekeerd moet de raad ook investeren in de rekenkamer. De ‘proof of the pudding is in the eating’. We zullen de komende jaren in de praktijk moeten zien of de Wet versterking decentrale rekenkamers tot het gewenste resultaat gaat leiden. Het ministerie van BZK heeft besloten dat de projectgroep ook in 2024 het werk kan voortzetten. Wij hopen met onze adviesgesprekken een bijdrage te kunnen leveren aan het antwoord op deze vraag.
Raymond Vlecken, Voorzitter van de projectgroep en burgemeester van Weert
pagina 1/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
1.
Inleiding
1.1
De opdracht van de projectgroep
Voor u ligt het jaarverslag 2023 van de BZK projectgroep lokale rekenkamers. De projectgroep rapporteert jaarlijks aan het ministerie van BZK over de voortgang van het project. De projectgroep is op 13 oktober 2021 van start gegaan. Deze rapportage betreft de uitgevoerde activiteiten in 2023, alsmede de daaruit afgeleide inzichten. In 2021 is de projectgroep de volgende opdracht meegegeven: 1. Het voeren van gesprekken met gemeenten, volgens een methodiek waarin de relatie rekenkamer – raad centraal staat en er ruimte is voor een gesprek over het bredere controleinstrumentarium van de raad. Gesprekken worden gevoerd op verzoek van de gemeenten zelf of kunnen geïnitieerd worden door de projectgroep zelf. 2. Het beheren en doorontwikkelen van de inspiratiekaders van de eerdere werkgroep lokale rekenkamers. In de aanstellingsbrief van de leden van de projectgroep is een en ander als volgt uitgewerkt: • •
•
De projectgroep lokale rekenkamers is een belangrijk onderdeel van het beleid van de minister van BZK ter versterking van de lokale rekenkamers; De projectgroep bestaat uit een voorzitter en 8 leden, drie burgemeesters, drie griffiers en drie rekenkamerleden en zal in drie regionale subgroepen (Noord, Midden en Zuid) aan de slag gaan; De projectgroep kan gemeenten uitnodigen voor een gesprek en gemeenten kunnen zich ook bij de projectgroep aanmelden indien een gesprek gewenst is.
De projectgroep heeft aansluitend benadrukt zichzelf niet als een visitatiecommissie te beschouwen, maar als een intercollegiale groep die gesprekken voert die het karakter hebben van intervisie. Zowel in 2021 als in 2022 zijn vervolgens met verschillende gemeenten gesprekken gevoerd met raadsleden, collegeleden, vertegenwoordigers van de ambtelijke organisatie en leden van de (eventueel) aanwezige rekenkamer over de inrichting of versterking van de rekenkamerfunctie. Ook in 2023 hebben dergelijke gesprekken plaatsgevonden. Per 1 januari 2023 is de Wet versterking decentrale rekenkamers in werking getreden. In de wet is de verplichting voor gemeenten bevestigd om over een actieve rekenkamer te beschikken. Ingevolge de wet kunnen raadsleden niet langer meer deel uitmaken van het bestuur van de rekenkamer. De wet kent een overgangstermijn van één jaar. Vanwege deze wet nam de urgentie toe in gemeenten zonder een actieve rekenkamer om alsnog goede invulling te geven aan de rekenkamerfunctie. Daarnaast dienden gemeenten waar raadsleden actief zijn in de rekenkamer zich te beraden over een andere vormgeving van de rekenkamer. In 2023 heeft de Nederlandse Vereniging van Rekenkamers en Rekenkamercommissies (NVRR) met ondersteuning van BZK transitieteams ingericht, om rekenkamers te helpen te voldoen aan de wettelijke verplichtingen.
Deze transitieteams concentreren zich op gemeenten waar de rekenkamerfunctie onvoldoende functioneert. Vanwege de betrokkenheid van de NVRR ligt het initiatief om gebruik te maken van een transitieteam veelal bij de rekenkamer in kwestie. pagina 2/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
Dit is een wezenlijk verschil met de positionering en inbreng van de projectgroep. De projectgroep is een vertegenwoordiger van de wetgever. Bij een bezoek aan een gemeente is de projectgroep niet gebonden (formeel of informeel) aan één van de lokale spelers (raad, rekenkamer, griffie, college van B&W). Bovendien richt de projectgroep zich tevens op gemeenten waar nog geen sprake is van een (actieve) rekenkamer. In opvolging van adviezen van de projectgroep kan de projectgroep doorverwijzen naar de transitieteams van de NVRR.
1.2
Status, werkwijze en leden van de projectgroep
De in het najaar van 2021 ingestelde projectgroep heeft in 2023 enkele personele wijzigingen ondergaan. De heer J.P. Gebben (burgemeester van Dronten) en mevrouw M. van den Berg (lid van de rekenkamercommissie van Leiden-Leiderdorp) zijn teruggetreden uit de projectgroep. In overleg met het ministerie van BZK is besloten om niet direct nieuwe leden te benoemen. Nu de projectgroep in 2024 de werkzaamheden voortzet, is het wel gewenst om de open gevallen posities in te vullen. Met name een burgemeester met een bestuurlijk netwerk in noord Nederland zal een versterking zijn voor de projectgroep. Daarmee bestaat eind 2023 de projectgroep uit de volgende leden: • • • • • • •
De heer R.J.H. Vlecken, burgemeester van Weert (voorzitter); Mevrouw dr. P.T.A.M. Kalfs, burgemeester van Lingewaard; De heer G.J. Fokkema, griffier van Smallingerland; De heer W.C.M. Voeten, griffier van Etten-Leur; Mevrouw drs. M.G.J. Veeger, griffier van Lisse; Mevrouw K. van den Berg, onder andere voorzitter van de rekenkamer van Deventer; Mevrouw E.M.L. Fogl, onder andere lid van de rekenkamercommissie van de Waddeneilanden.
De projectgroep wordt ondersteund door PBLQ, een adviesbureau dat onder andere gespecialiseerd is in rekenkameronderzoek. Het secretariaat van de projectgroep en de projectleiding worden verzorgd door senior-adviseurs P. van Enk en P. Castenmiller.
1.3
Begeleidingscommissie en leden
Het ministerie heeft voor dit project een begeleidingscommissie ingericht. Deze commissie adviseert de projectgroep over de werkwijze en rapportages en speelt een belangrijke rol bij de communicatie van de projectgroep naar de belangrijkste externe stakeholders; raadsleden, burgemeesters en griffiers. De begeleidingscommissie bestaat uit de volgende leden: • • • • • • •
pagina 3/16
Mevrouw A. Lelieveld, ministerie van BZK; De heer R. de Groot, namens het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB); Mevrouw H. den Oudsten namens de Vereniging van Griffiers (VvG); De heer H. Bouwmans namens de Vereniging van Raadsleden; De heer E. Arnts namens de Unie van Waterschappen (UvW); Mevrouw A. Dijke namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG); Mevrouw L. van Aelst namens de Nederlandse Vereniging van Rekenkamers en Rekenkamercommissies (NVRR)
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
Via de interviews en berichten op de websites van de NVRR, het NGB, de VvG en de VNG is de projectgroep verscheidene keren onder de aandacht gebracht van de stakeholders. De rapportages van de projectgroep worden door het ministerie van BZK gepubliceerd op www.kennisopenbaarbestuur.nl1
1.4
Bezochte gemeenten
Mede vanwege de inwerkingtreding van de Wet Versterking Decentrale Rekenkamers hebben in 2023 relatief veel gemeenten een beroep gedaan op de projectgroep. Dit betrof zowel gemeenten waar geen sprake is van een (actieve) rekenkamer als gemeenten waar in 2023 nog raadsleden deel uitmaakten van het bestuur van de rekenkamer. Ook werden gemeenten bezocht die hun rekenkamer verder wilden professionaliseren en daarvoor graag gebruik maakten van de kennis van de projectgroep. De projectgroep heeft zowel met gemeenten apart gesproken als geregeld ook op regionale bijeenkomsten waar vertegenwoordigers van verschillende gemeenten bij aanwezig waren. In totaal heeft in 2023 de projectgroep gesproken met vertegenwoordigers van 27 gemeenten. De kleinste gemeente die de projectgroep heeft gesproken was Schiermonnikoog (982 inwoners) en de grootste was Amstelveen (94.495 inwoners). Tweeëntwintig van de bezochte gemeenten telden minder dan 30.000 inwoners. Onder de bezochte gemeenten waren er slechts drie met meer dan 50.000 inwoners. De projectgroep heeft geen gesprekken gevoerd in gemeenten met meer dan 100.000 inwoners. De projectgroep heeft in het eerste kwartaal van 2024 gesproken met de gemeentelijke contactpersonen van de bezochte gemeenten (in de meeste gevallen griffiers) en gevraagd naar het functioneren van de rekenkamer en de waardering van het adviesgesprek met de projectgroep.
In alle bezochte gemeenten is men na het gesprek met de projectgroep (verder) gegaan met de inrichting/versterking van de rekenkamer. Men geeft aan dat de adviezen van de projectgroep hierbij behulpzaam waren en voor een belangrijk deel zijn opgevolgd. Op de vraag of en met welk rapportcijfer de men een adviesgesprek met de projectgroep zou aanbevelen aan een collegagemeente, antwoordden de contactpersonen allen positief. Het laagste rapportcijfer was een 8, het hoogste een 9.
1
Deze website wordt op binnenkort vervangen door een website met een nieuwe URL.
pagina 4/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
2.
Adviesgesprekken in 2023
2.1
Gespreksonderwerpen nader verkend
De inwerkingtreding van de Wet Versterking decentrale rekenkamers leidde ertoe dat gemeenten in 2023 meer urgentie hebben ervaren om een actieve rekenkamer in te richten. Ook ontstond in verschillende gemeenten de noodzaak om na te denken over een nieuwe vormgeving van de rekenkamer, omdat raadsleden geen deel meer mogen uitmaken van de rekenkamer. In alle adviesgesprekken heeft de projectgroep deze wettelijke veranderingen in een presentatie uiteen gezet. De projectgroep constateerde dat in alle bezochte gemeenten de besluitvorming in voorbereiding was om de rekenkamer conform de Wet decentrale rekenkamers in te richten. In 2023 heeft de projectgroep gesproken met een aantal gemeenten zonder actieve rekenkamer. In sommige van deze gemeenten was eerder wel een rekenkamer, maar om diverse redenen was daar een einde aan gekomen. Zo waren er gemeenten die eerder met andere gemeenten in de rekenkamer hadden samengewerkt. Deze samenwerking was ooit weer beëindigd, meestal omdat de samenwerking volgens betrokkenen geen meerwaarde had. Vanwege het gebrek aan ervaren meerwaarde werd vervolgens weinig de behoefte gevoeld om zelfstandig een nieuwe rekenkamer in te richten. In andere gemeenten was men met de rekenkamer gestopt vanwege ontevredenheid over de opbrengsten.
Op papier bleef de rekenkamer bestaan, maar het budget was dusdanig verlaagd dat er geen onderzoeken meer verricht konden worden. Ook kwam voor dat vacante rekenkamerfuncties niet meer opgevuld werden en er (bijna) lege rekenkamers overbleven. Deze negatieve ervaringen leiden bij raadsleden tot twijfel over de meerwaarde van een rekenkamer en weerstand om ermee aan de slag te gaan. Verschillende raadsleden met wie is gesproken, verwachten dat de investeringen die zij moeten doen in de rekenkamer niet zullen opwegen tegen de baten. In deze gemeenten ging het gesprek vervolgens vaak over de kwestie wat een ‘redelijk budget’ is voor een rekenkamer en wat dat betekent voor het aantal te ondernemen onderzoeken. Vanzelfsprekend is ook gesproken over de mogelijkheden om de rekenkamer een goede bijdrage te laten leveren aan de kwaliteit van het bestuur. In verschillende kleinere gemeenten zijn in de gevoerde gesprekken nadrukkelijk vraagtekens gesteld bij de meerwaarde van de rekenkamer. Nu is de wet helder, in elke gemeente dient er sprake te zijn van een rekenkamer. Desalniettemin zijn er nog steeds (overwegend kleine) gemeenten die geen actieve rekenkamer kennen. Als argumenten wordt wel genoemd dat de situatie in deze gemeente dusdanig overzichtelijk is dat verdiepende onderzoeken nauwelijks toegevoegde waarde hebben.
Ook wordt erop gewezen dat zelfs een bescheiden budget voor een rekenkamer in deze gemeenten toch een relatief groot deel zal uitmaken van de totale gemeentelijke begroting. De projectgroep is zich ervan bewust dat het instellen van een actieve rekenkamer met een ‘voldoende’ budget voor kleinere gemeenten een relatief forse investering is. Toch acht de projectgroep dit onvermijdelijk. De projectgroep heeft bovendien in overweging gegeven dat het vermeend overzichtelijke karakter van de gemeente ook kan leiden tot een zekere mate van vooringenomenheid, waarbij complexe problemen over het hoofd worden gezien. Een rekenkamer kan een goede rol spelen om die wel onder de aandacht van het gemeentebestuur te brengen.
pagina 5/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
Verschillende kleinere gemeenten die wij spraken (bijvoorbeeld de Waddeneilanden) werken goed samen met de buurgemeente(n), om zo de opgave overzichtelijk te houden. In gemeenten met rekenkamers waarin raadsleden actief waren, bestond vaak onwil en onbegrip over de door de wetgever opgelegde verplichting dat raadsleden moesten terugtreden uit de rekenkamer. De aanwezigheid van raadsleden in de rekenkamer werd juist als positief ervaren, vooral om aansluiting te hebben bij de informatiebehoefte en agenda van de raad. In het vervolg van de gesprekken kwamen dan geregeld de mogelijkheden aan de orde om ook vanaf 2024 de betrokkenheid van raadsleden bij de rekenkamer te bestendigen. Een mogelijkheid daarvoor is de instelling van een klankbordgroep vanuit de raad. In vrijwel alle gesprekken zijn de verschillende modellen voor de inrichting van de rekenkamer besproken. Dit ging allereerst over de afweging tussen het collegemodel en het directeursmodel. In sommige gemeenten wordt het directeursmodel als efficiënte oplossing gezien. In dit model is één persoon verantwoordelijk voor het functioneren van de rekenkamer. De gemeente verleent in dit model een opdracht aan een commercieel onderzoeks- of adviesbureau, die een directeur voorstelt. De directeur wordt vervolgens benoemd door de raad en is budgetverantwoordelijk. Hij legt jaarlijks verantwoording af aan de gemeenteraad.
Omdat het lid/ de leden van de rekenkamer voor een periode van zes jaar benoemd moeten worden, wordt bij deze opdrachten geregeld het drempelbedrag (€ 221.000,=) voor Europese aanbestedingen overschreden. Dit betekent dat de rekenkamer Europees aanbesteed moet worden. Gemeenten die voor het directeursmodel kiezen verwachten dat in deze constructie een zekere mate van professionaliteit is gegarandeerd, terwijl vanuit de gemeente zelf nauwelijks ondersteuning wordt verlangd. Een nadeel is echter dat in deze constructie de gemeente in kwestie zich afhankelijk maakt van slechts één persoon (en één commerciële aanbieder). In het geval van een commerciële invulling door een extern bureau bestaat het risico dat deze aanbieder voor de uit te voeren onderzoeken kiest voor onderwerpen waar ze al ervaring mee hebben, en in dat verband de eerdere aanpak ‘kopiëren’. De mogelijkheid bestaat dan dat de onderzoeken of de invulling daarvan minder aansluiten bij de informatiebehoefte van de gemeente in kwestie. De projectgroep heeft ook regelmatig gesproken over de voor- en nadelen van regionale samenwerking in de rekenkamerfunctie. Daarbij is aangegeven dat regionale samenwerking tot schaal- en efficiencyvoordelen kan leiden. Er zijn immers regelmatig onderwerpen die voor meer dan één gemeente relevant zijn.
Een gezamenlijk onderzoek is dan niet alleen efficiënt, de mogelijkheid ontstaat ook dat door spiegeling van de bevindingen in de verschillende gemeenten, de bevindingen aan diepgang winnen. De keerzijde is echter dat dit ten koste kan gaan van de ‘couleur locale’; het gezamenlijke onderzoek kan de raad te weinig handvatten op leveren om de controlerende taak beter uit te kunnen voeren of is, in het slechtste geval, niet relevant. Vooral voor kleinere gemeenteraden in een samenwerkingsverband bestaat het risico dat zij onvoldoende bediend worden. Als eenmaal het besluit voor een regionale rekenkamer genomen is, zijn ook hier weer twee verschillende modellen mogelijk. Er kan gekozen worden voor een Gemeenschappelijke Regeling of een Personele Unie. In het eerste geval is de samenwerking met meer juridische waarborgen omkleed en worden de rekenkamerleden in de GR benoemd. Bij een Personele Unie worden dezelfde leden van de rekenkamer op hetzelfde moment in de verschillende samenwerkende gemeenten benoemd.
pagina 6/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
Ongeacht de keuze voor de invulling van de rekenkamer, moet die bemensd worden. De vraag hoe elke gemeente aan de juiste mensen voor de rekenkamer komt, was eveneens een gespreksonderwerp. Hierbij ging het over de rol van de rekenkamer (zelf onderzoek doen of uitbesteden), functieprofielen en de methode van werving. Vooral bij de kleinere gemeenten waren er twijfels of er wel voldoende ‘goede mensen’ te vinden zouden zijn, omdat nu meer gemeenten tegelijk rekenkamerleden zoeken en de functie, met een benoemingsperiode van zes jaar, zwaarder is geworden. In veel gemeenten bleek er nog onduidelijkheid bestaan over de waarde en de consequenties van de onafhankelijkheid van de rekenkamer. Zeker in gemeenten waar voorheen raadsleden actief waren in de rekenkamer, werd wat onwennig naar de onafhankelijkheid van de rekenkamer gekeken. In meer dan één gemeente is de vraag gesteld of de raad, bij ontevredenheid over het functioneren van de rekenkamer, de leden kan ontslaan.
2.2
Waardering van de adviesgesprekken met de projectgroep
In het eerste kwartaal van 2024 hebben wij de contactpersonen (meestal griffiers) van de gemeenten die wij bezocht hebben telefonisch benaderd met de volgende vragen: 1. Hoe gaat het met de rekenkamer sinds het bezoek van de projectgroep? 2. Voldeed het adviesgesprek aan de verwachtingen? (Waren de adviezen nuttig en zijn ze opgevolgd?) 3. Zou u de projectgroep aanbevelen aan een collega? Zo ja, met welk rapportcijfer? 4. Is een vervolgbezoek wenselijk? De meeste gemeenten geven aan dat het goed gaat met de rekenkamer. Dit houdt in dat er voldoende budget is, dat voorzitter en leden van de rekenkamer zijn benoemd en dat onderzoeken worden uitgevoerd. In verschillende gemeenten heeft de regionale rekenkamer verder vorm gekregen. Hierbij is voornamelijk gekozen voor een samenwerking in de vorm van een personele unie. Eén contactpersoon geeft aan dat getwijfeld wordt aan een personele unie of Gemeenschappelijke Regeling. Een andere contactpersoon geeft aan dat de gemeente ‘terug bij af’ is met de rekenkamer; de rekenkamerleden waren benoemd en het budget was geregeld, maar de voorzitter bleek onbetrouwbaar en was inmiddels ontslagen door de raad. Alle griffiers geven aan dat het adviesgesprek aan de verwachtingen heeft voldaan. Het gesprek heeft in veel gevallen als katalysator voor een vernieuwde rekenkamer gediend.
Zo zijn budgetten verhoogd, zijn nieuwe leden benoemd en wordt er op een andere manier samengewerkt tussen raad en rekenkamer. Ook wordt genoemd dat het gesprek als ‘startpunt’ voor de nieuwe rekenkamer wordt gezien. Het enthousiasme van de leden van de projectgroep, de open setting en het feit dat alle stakeholders bij het gesprek aanwezig waren, worden vaak genoemd. De griffiers geven allen een rapportcijfer tussen de 8 en 9. Zij zouden de projectgroep zeker aanbevelen aan een collega-griffier. De meeste griffiers geven aan dat er op korte termijn geen behoefte is aan een vervolggesprek. Zij zijn van mening dat het nu eerst aan de rekenkamer is om aan de slag te gaan en hun (eerste) rapporten aan de raad moeten presenteren. Vier griffiers geven aan dat er wel een behoefte is aan een vervolggesprek met de projectgroep. Dit gesprek zou bij voorkeur in de tweede helft van 2024 moeten plaatsvinden.
pagina 7/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
3.
Adviezen van de projectgroep in relatie tot de inspiratiekaders.
3.1
Inleiding
In de gesprekken die de projectgroep voert, geven wij advies over de inrichting en positionering van de rekenkamers. Deze adviezen zijn deels gebaseerd op de Inspiratiekaders effectieve invulling lokale rekenkamer. Deze inspiratiekaders, die opgesteld zijn door Berenschot in november 2020 luiden als volgt: De inspiratiekaders bevatten informatie en tools over: 1. Het versterken van de professionele relatie tussen raad en rekenkamer. 2. Hoe voer je het goede gesprek tussen raad en rekenkamer over het toekennen van een passend budget voor de rekenkamer. 3. Welke mogelijkheden zijn er om structurele en incidentele samenwerking tussen rekenkamers te organiseren en hoe kunnen herindelingsgemeenten hun rekenkamer tijdens de herindeling blijven benutten Aan de huidige projectgroep is de opdracht meegegeven deze inspiratiekaders verder te ontwikkelen. Met gebruikmaking van de inzichten uit de gesprekken geeft de projectgroep in deze paragraaf daar een eerste invulling aan. Hierbij geldt eerst de nuance dat de projectgroep met geen enkele gemeente heeft gesproken die betrokken is bij een herindeling. Het lage aantal herindelingen is hier mogelijk de oorzaak voor. Ook doet de projectgroep een toevoeging op de inspiratiekaders, namelijk het ‘model’ dat ten grondslag ligt aan de rekenkamer.
Hierbij maken we een onderscheid tussen het directeursen het collegemodel en de Gemeenschappelijke Regeling en de Personele Unie.
3.2
Inspiratiekader 1. De professionele relatie tussen raad en rekenkamer
Over dit inspiratiekader stelt de werkgroep in 2020: Over de professionele relatie tussen raad en rekenkamer Een professionele relatie tussen raad en rekenkamer is cruciaal voor het functioneren van de rekenkamer en het gebruik van de rekenkameronderzoeken door de raad. Zo’n professionele relatie ontstaat niet vanzelf: deze moeten partijen opbouwen én onderhouden. Dit inspiratiekader wil daarbij helpen. Hierin is bovendien aandacht voor de relatie met college en ambtelijke organisatie, vanuit hun betrokkenheid bij de rekenkamer. De huidige projectgroep onderschrijft het belang van die professionele relatie. Tevens benadrukt de projectgroep het belang om met enige regelmaat het gesprek tussen raad, ambtelijke organisatie, college van B&W en de rekenkamer te voeren over die relatie. In de door de projectgroep afgelegde bezoeken is naar voren gekomen dat dit in de huidige praktijk (te) weinig gebeurt. De projectgroep heeft geconstateerd dat er vaak wisselende beelden bestaan over de (meer)waarde van de rekenkamer en de wijze waarop die gerealiseerd kan worden. Zeker nu in geen van de rekenkamers meer raadsleden actief zijn, is het van belang om een vast overleg tussen raad en rekenkamer in te pagina 8/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
stellen. Er zijn verschillende mogelijkheden om invulling te geven aan zo’n overleg. In sommige gemeenten kent de rekenkamer een klankbordgroep van raadsleden. In andere gemeenten vindt er een jaarlijks overleg met (een delegatie van) de raad plaats. In weer andere gemeenten neemt de rekenkamer met enige regelmaat deel aan de bijeenkomsten van de auditcommissie. De projectgroep geeft bewust geen advies over de concrete inrichting van de relatie tussen rekenkamer en raad. In gemeenten bestaan wat dit betreft verschillende gewoonten. Zo zijn er gemeenten die al goede ervaringen hebben met een klankbordgroep van raadsleden voor de rekenkamer. In andere gemeenten is het gebruikelijk dat de rekenkamer met enige regelmaat overlegt met de auditcommissie. In weer andere gemeenten vindt één keer per jaar een sessie met de voltallige raad plaats. Al die vormen kunnen (meer dan) voldoende zijn. Veel belangrijker dan de vorm is de inhoud van het te voeren gesprek tussen rekenkamer en raad. Het overleg dient in ieder geval te gaan over de afstemming van de onderzoeksagenda van de rekenkamer met de informatiebehoefte van de raad. Bij welke thema’s en dossiers heeft de raad behoefte aan verkennend of evaluerend onderzoek. Wat kunnen dan de relevante onderzoeksvragen zijn.
Minstens zo belangrijk als de afstemming van de inhoudelijke onderwerpen is het ook nuttig om aandacht te vragen voor het moment waarop de resultaten beschikbaar moeten zijn. In deze gesprekken kan ook teruggekeken worden op eerdere onderzoeken. Het bespreken van de ervaringen en opbrengsten kan bijdragen aan meer op maat gesneden toekomstige onderzoeken. De projectgroep adviseert dat er tenminste één keer per jaar een gesprek plaatsvindt tussen de rekenkamer enerzijds en het college van B&W en ambtelijke organisatie anderzijds. Door colleges en de organisaties wordt de rekenkamer soms wel beschouwd als een instantie die de organisatie, soms onnodig, belast. Soms verloopt de medewerking aan onderzoeken daardoor moeizaam. Het is nuttig om dergelijke wrijving bespreekbaar te maken en om afspraken te maken hoe ook de organisatie kan profiteren (leren) van de onderzoeken van de rekenkamer. In enkele gemeenten waarmee de projectgroep sprak, was sprake van een vertrouwensbreuk tussen de gemeenteraad en de (voorzitter van de) rekenkamer. In andere gemeenten vroeg men zich af hoe men afscheid van een rekenkamer kon nemen als bleek dat een goede relatie tussen raad en rekenkamer er niet meer in zou zitten. Net als de benoeming, dient ook het ontslag volgens de juiste procedures te geschieden.
De wet biedt mogelijkheden om, in geval van een verstoorde relatie, tussentijds afscheid te nemen van leden van de rekenkamer. Deze mogelijkheden zijn als volgt gespecificeerd: Uit de Gemeentewet Uit Artikel 81c: 6. Een lid van de rekenkamer wordt door de raad ontslagen: a. op eigen verzoek; b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap; c. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft; d. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld; e. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen
pagina 9/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
De essentie zit wat dit betreft in lid e. Als de raad in meerderheid van mening is dat een lid van de rekenkamer ‘ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen’, kan die door de raad worden ontslagen.2 Overigens voorziet de wet ook in de mogelijkheid om rekenkamerleden te ontslaan als deze in strijd handelen met algemeen geldende integriteitsregels, zoals vastgelegd in Artikel 15 van de Gemeentewet.
3.3
Inspiratiekader 2: het toekennen van een passend budget voor de rekenkamer.
De werkgroep die tot 2019 actief was, heeft destijds geadviseerd over het toekennen van een passend budget voor de rekenkamer. Deze werkgroep noemde de volgende aandachtspunten bij het bepalen van een budget voor de rekenkamer: Aandachtspunten en overwegingen van de werkgroep voor een passend budget voor de rekenkamer 1. De (wettelijke verplichte) rekenkamer is er ter ondersteuning van de raad bij het uitoefenen van zijn kaderstellende en controlerende taken. Door de raad te versterken in zijn controlerende rol draagt de rekenkamer bij aan kwaliteit van de lokale democratie en het vertrouwen van de burger in het bestuur. Met behulp van rekenkameronderzoek kan er verantwoording worden afgelegd aan de burger. Dit vereist in elk geval een minimale en stabiele aanwezigheid van de rekenkamer in de raad, met relevante onderzoeksactiviteiten van goede kwaliteit. 2. Het gaat dus niet alleen om een minimale maar ook om een stabiele aanwezigheid van de rekenkamer in de raad. We geven de gemeenteraden in overweging om het rekenkamerbudget voor een langere periode vast te stellen. 3. De bijdrage van de rekenkamer aan het versterken van de lokale democratie komt tot uiting in de functie van de rekenkamer van ‘het beter leren controleren’ door de raad.
Die lerende functie kunnen uitoefenen, stelt de vraag naar een minimaal vereiste aanwezigheid van de rekenkamer in de raad met relevante onderzoeksresultaten nog indringender. 4. De raad doet er daarbij goed aan om het benodigde rekenkamerbudget (de kosten) af te zetten tegen de aanzienlijke opbrengsten van de rekenkameractiviteiten in inzicht in effectiviteit, efficiënte en rechtmatigheid van het bestuur, en de integriteit en transparantie van het bestuur. De kosten om deze baten te realiseren, zijn relatief beperkt. Echter, een te krap budget beperkt de rekenkamer in zijn taakuitoefening. 5. “Het goede gesprek” over een passend budget – binnen de raad en tussen raad en rekenkamer – zou onderdeel moeten zijn van de bredere aandacht voor de professionele relatie tussen raad en rekenkamer.
De essentie van bovenstaande vijf overwegingen is dat een rekenkamer gedurende een langere periode in staat moet worden gesteld om meer dan één keer per jaar betekenisvolle en kwalitatief verantwoorde onderzoeken te doen. De huidige projectgroep onderschrijft nadrukkelijk het uitgangspunt dat er in elke gemeente sprake moet zijn van een zichtbare aanwezigheid van de rekenkamer die in staat is om elk jaar relevante onderzoeksactiviteiten van een goede kwaliteit te ontplooien. In lijn daarmee benadrukt de projectgroep dat de gemeenteraad zelf, mede in overleg met de rekenkamer, het voor die gemeente geschikte ambitieniveau van de rekenkamerfunctie vast te stellen. Aandachtspunten daarbij zijn het aantal gewenste onderzoeken en de diepgang daarvan. Heeft de gemeente er behoefte aan dat sommige onderwerpen goed worden uitgediept, of is er wellicht meer behoefte aan korte inventarisaties (quickscans)? Hoeveel onderzoeken zijn op jaarbasis gewenst en relevant? 2
Dat roept natuurlijk wel de vraag op wat ‘ernstig nadeel’ is. Uiteindelijk is dat aan de gemeenteraad zelf ter beoordeling.
pagina 10/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
Het spreekt voor zich dat als dat ambitieniveau is bepaald, er tevens aandacht dient te zijn voor een bij dat ambitieniveau passend budget.3 Dit sluit aan bij de vijfde overweging van de toenmalige projectgroep, namelijk dat ‘het goede gesprek over een passend budget – binnen de raad en tussen raad en rekenkamer – onderdeel moet zijn van de bredere aandacht voor de professionele relatie tussen raad en rekenkamer’. Daarmee is het belang van dit inspiratiekader bevestigd.
3.4
Inspiratiekader 3: structurele en incidentele samenwerking tussen rekenkamers
In veel van de door de projectgroep gevoerde adviesgesprekken is er aandacht geweest voor structurele regionale samenwerking. Dit is een direct gevolg van de Wet versterking decentrale rekenkamers. Als kleine en middelgrote gemeenten hun rekenkamer willen versterken en meer budget beschikbaar moeten stellen, ligt het immers voor de hand om op te schalen naar regionaal niveau. In de inspiratiekaders worden als motieven voor structurele samenwerking worden genoemd: a. Efficiency: het delen van kosten; b. Continuïteit: het delen van capaciteit; c. Effectiviteit: het delen van deskundigheid; d. Leren: het delen van kennis. Als belangrijke succesfactor wordt aangegeven dat sleutelfiguren het onderling vertrouwen keer op keer dienen te bekrachtigen, Voor het samengaan van afzonderlijke rekenkamers in een nieuwe gezamenlijke rekenkamer wordt als motief genoemd: “Een window of opportunity om een kwalitatief goed functionerende rekenkamer op te richten. De belangrijkste succesfactor is dat de gemeenteraden daartoe de urgentie moeten ervaren.” Na 2021 is door de projectgroep met grote regelmaat gesproken met gemeenten die deelnemen aan een gezamenlijke rekenkamer of dergelijke samenwerking overwogen. Ook zijn er ervaringen opgehaald van rekenkamers van gemeenten die (incidenteel of enkele keren) hebben samengewerkt met andere gemeenten.
Wat dit laatste betreft; er zijn inderdaad thema’s die in verschillende gemeenten tegelijkertijd spelen. Daarvoor kan het nuttig zijn om deze thema’s ook gezamenlijk te onderzoeken. Terecht stelt het inspiratiekader dat sleutelfiguren bij de rekenkamers zelf, en zo mogelijk ook in de betrokken raden, het belang van samenwerking in een onderzoek onderschrijven. Herhaaldelijk heeft de projectgroep de ervaring genoteerd dat één of meer van die spelers het gezamenlijk belang niet (h)erkende. Daarmee werd de investering in de samenwerking al gauw als overbodig ervaren en de opbrengsten als weinig relevant. Daarbij komt dat in de samenwerking allerlei logistieke knelpunten worden ervaren, zoals een verschillende vergaderintensiteit van de betrokken rekenkamers, waardoor besluitvorming en onderlinge afstemming lastig plaatsvinden. De verschillende rekenkamers kennen vaak ook een verschillende invulling van de relatie met het college van B&W en de ambtelijke organisatie, waardoor de kwaliteit van de te verstrekken informatie tussen gemeenten kan verschillen. Samenwerking kent daarmee de nodige aandachtspunten. Tegelijkertijd zijn er wel degelijk ervaringen waarbij het gezamenlijk belang werd (h)erkend en waar de opbrengsten
3
De eerdere werkgroep constateerde dat bij aanvang veel rekenkamers het toenmalig advies van de VNG hebben gevolgd om gemiddeld € 1,- per inwoners als budget voor de rekenkamer beschikbaar te stellen. Gezien inflatie zou vandaag aan de dag dan een budget van zo’n € 1,30 relevant zijn. Deze rekenmethode is echter onvoldoende genuanceerd, iets dat de toenmalige werkgroep ook al heeft benadrukt. Als louter uitgegaan zou worden van een bedrag van zo’n € 1,30 per inwoner, is dat in kleinere gemeenten onvoldoende om jaarlijks relevant onderzoek uit te voeren.
pagina 11/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
van het gezamenlijke onderzoek van betere kwaliteit werden beoordeeld dan wanneer elke rekenkamer afzonderlijk het thema zou hebben onderzocht. Wat structurele samenwerking betreft is daarmee het advies van de projectgroep dat dit zeker meerwaarde kan hebben, maar dat bij aanvang duidelijk moet zijn dat het belang van samenwerking in onderzoek naar een specifiek thema door alle betrokken gemeenten (specifiek rekenkamer en raad) moet worden onderschreven. Verder dient er steeds aandacht te zijn voor de te verwachten logistieke uitdagingen. Er is door de projectgroep ook herhaaldelijk gesproken met vertegenwoordigers van gemeenten waar sprake was van één rekenkamer voor verschillende gemeenten. In paragraaf 2.1 is al opgemerkt dat de ervaringen daarmee niet altijd positief zijn. Vaak wordt wel gesteld dat de keuze voor gezamenlijke onderwerpen ietwat geforceerd lijkt, waarbij sommige onderwerpen als weinig relevant voor enkele van de gemeenten worden ervaren. Hierdoor kunnen al gauw discussies ontstaan over de individuele bijdragen aan het gezamenlijk budget van de rekenkamer en wat daarvan de opbrengsten zijn. Maar buiten kijf staat dat samenwerking kan bijdragen aan een meer professionele rekenkamer met een dusdanig budget dat hiervoor geregeld betekenisvolle onderzoeken voor de deelnemende gemeenten kunnen worden gedaan.
3.5
Organisatiemodellen voor de rekenkamer
Niet opgenomen in de inspiratiekaders van de werkgroep, maar wel een regelmatig terugkerend gespreksonderwerp voor de projectgroep was de organisatievorm van de rekenkamer. De belangrijkste oorzaak hiervoor is wellicht gelegen in het feit dat de wettelijke benoemingstermijn van de rekenkamer nu zes jaar bedraagt. Hierdoor gaat het, ook bij kleinere gemeenten, om aanzienlijke opdrachten die worden verstrekt. Voor rekenkamers die voor één gemeenteraad werken zijn twee modellen te onderscheiden: het college- en het directeursmodel. Samenwerkende gemeenten kunnen ook uit twee modellen kiezen om hun rekenkamer vorm te geven: de Gemeenschappelijke Regeling (GR) en de Personele Unie. De VNG heeft een modelverordening opgesteld voor rekenkamers voor één gemeente, maar (nog) geen verordening voor een Gemeenschappelijke regeling. Wat de inrichting van een rekenkamer betreft kan een keuze worden gemaakt tussen het collegemodel of het directeursmodel. In een collegemodel bestaat het bestuur van de rekenkamer uit meer dan één lid. Deze leden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het functioneren van de rekenkamer. Bij een directeursmodel bestaat het bestuur van de rekenkamer slechts uit één lid. 4 In enkele grotere gemeenten zoals Amsterdam en Rotterdam 5 en tevens bij de Randstedelijke Rekenkamer wordt dit lid ondersteund door een staf.
Dit lid is daarmee ook leidinggevende van deze staf, vandaar dat gesproken wordt over een directeursmodel. In kleinere gemeenten wordt ook wel gekozen voor het directeursmodel. In die situaties ontbreekt meestal wel een eigen staf. De voorzitter/directeur is dan ofwel een persoon die zelf ook invulling geeft aan de onderzoeken. Regelmatig komt voor dat de voorzitter/directeur verbonden is aan een commercieel bureau. De ondersteuning wordt dan vanuit dat bureau verzorgd.
4
In deze gevallen wordt er wel geregeld voor gekozen om een plaatsvervanger aan te wijzen, mocht dit ene lid langere tijd niet in staat zijn leiding te geven aan de rekenkamer. 5 De voorzitter/directeur van zowel Amsterdam als Rotterdam is dat tevens voor enkele omliggende gemeenten. pagina 12/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
De wet biedt de ruimte voor een eenhoofdige invulling van het bestuur van de rekenkamer. Dat betreft ook de situatie waarbij deze voorzitter verbonden is aan een commercieel bureau. In de gevoerde gesprekken zijn herhaaldelijk de voor- en nadelen van beide modellen aan de orde geweest. In een collegemodel bestaat de mogelijkheid om de voor de aansturing van een rekenkamer relevante kwaliteiten te spreiden over verschillende personen. In een directeursmodel dient deze ene persoon alle expertise in zich te verenigen. Overleg binnen een meerkoppig bestuur voorkomt wellicht ook een eenzijdige benadering van de onderzoeken en de uitkomsten. Als voordeel van een directeursmodel wordt wel gezien dat dit een vrij efficiënte invulling is van de rekenkamerfunctie. Binnen het bestuur hoeft niet overlegd te worden. De persoon die wordt aangesteld als directeur van een rekenkamer wordt meestal via een inkoopprocedure geworven waarbij verschillende kandidaten hun professionele achtergrond, ervaring en de voorgenomen invulling van de rekenkamerfunctie moeten etaleren. Omdat de rekenkamer voor een periode van zes jaar benoemd moet worden, wordt bij deze opdrachten het drempelbedrag (€ 221.000,=) voor Europese aanbestedingen overschreden. Dit betekent dat de rekenkamer Europees aanbesteed moet worden.
Het selectiecomité van zo’n gemeente heeft daardoor wat te kiezen en kan veel belang hechten aan de voorgestelde professionaliteit. Het gegeven dat de uitvoering van onderzoeken vervolgens belegd wordt bij een commercieel bureau (waar de voorzitter/directeur aan verbonden is), biedt eveneens een zekere garantie dat de onderzoeken op een verantwoorde wijze worden uitgevoerd. Ook is de continuïteit tot op zekere hoogte geborgd. Mocht de voorzitter/directeur om welke reden dan ook langere tijd niet in staat zijn om sturing te geven aan de rekenkamer, kan die (tijdelijk) vervangen worden door een collega. Tegelijkertijd ziet de projectgroep ook wel risico’s aan de commerciële directeursfunctie. Voor een commerciële directeur zijn de financiële opbrengsten van de te ondernemen onderzoeken meer van belang dan wanneer het zou gaan om een collegemodel. 6 Daarnaast kan het voorkomen dat een directeur geneigd is om te kiezen voor onderzoeken waar zijn uitvoerend bureau ervaring mee heeft. De vraag of die onderwerpen van belang zijn voor de gemeente kan dan naar de achtergrond verdwijnen. Als gekozen wordt voor onderwerpen waar het uitvoerend bureau van de directeur minder ervaring mee heeft, kan het gebeuren dat de uitvoering toch door dat bureau plaatsvindt, terwijl er betere alternatieven mogelijk waren.
Hoewel de projectgroep heeft waargenomen dat veel bureaus die invulling geven aan de directeursfunctie daar consciëntieus mee omgaan, heeft naar mening van de projectgroep deze invulling om principiële redenen niet de voorkeur. Dat betreft vooral de onvermijdelijke vermenging tussen de commerciële belangen van het uitvoerend bureau en de informatiebehoefte van de gemeenteraad. In het geval van structurele samenwerking tussen gemeenten in de rekenkamerfunctie dient deze samenwerking op de een of andere wijze een formele basis te krijgen. Daarvoor zijn de volgende twee varianten het meest gebruikelijk: -
6
De eerste is om de samenwerking vast te leggen in een gemeenschappelijke regeling. In die regeling worden dan de samenstelling van de rekenkamer vastgelegd, de bijdrage van elke deelnemende gemeente en de opbrengsten. Desgewenst kunnen ook afspraken worden vastgelegd over de wisselwerking tussen de rekenkamer en elke deelnemende gemeente.
In zeker opzicht roept dit ook vragen op over de integriteit van deze constructie.
pagina 13/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
-
Een tweede mogelijkheid is dat elke aan de samenwerking deelnemende gemeente zelf de rekenkamer instelt, maar dat in elk van die gemeenten de rekenkamer een identieke personele samenstelling kent. Dit wordt wel aangeduid als een personele unie. De bestuursleden van de verschillende rekenkamers kunnen in één vergadering beslissingen nemen voor elke deelnemende gemeente. Die beslissingen kunnen onder meer betrekking hebben op onderzoeken die in twee of meer van de deelnemende gemeenten tegelijkertijd worden uitgevoerd.
De projectgroep heeft geen voorkeur voor ofwel het regelen van de samenwerking door middel van een gemeenschappelijke regeling of voor een personele unie. Hooguit zou kunnen worden gesteld dat een personele unie wellicht meer ruimte biedt voor flexibiliteit, en daarmee voor gemeentespecifieke keuzen.
pagina 14/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
4.
Vooruitblik 2024
De projectgroep gaat, op verzoek van het ministerie van BZK, tenminste nog een jaar door met de ondersteuning van gemeenten bij de inrichting en positionering van hun rekenkamer. Dit betekent dat wij ook in 2024 weer met zo’n 25 gemeenten adviesgesprekken willen voeren. Wij richten ons in dit jaar op drie groepen van gemeenten: Gemeenten waar de rekenkamer niet of onvoldoende functioneert. Dit zijn gemeenten waar het onvoldoende budget is gereserveerd, de rekenkamerleden nog niet voor een periode van 6 jaar zijn benoemd en/of het afgelopen jaar één of geen rekenkamerrapport is gepubliceerd. Wij verwachten dat het onderzoek van het ministerie van BZK naar de ondersteuning van de gemeenteraden een overzicht van deze gemeenten biedt. Wij benaderen de griffies van deze gemeenten met het verzoek om een afspraak met de projectgroep. De tweede groep gemeenten heeft een rekenkamer die over voldoende budget beschikt, maar in de praktijk zijn er verbeteringen mogelijk. Deze gemeenten benaderen de projectgroep zelf met een verzoek om een adviesgesprek. De derde groep gemeenten komt uit het netwerk van de projectgroep (en mogelijk de begeleidingscommissie). Dit kunnen ook gemeenten zijn die de projectgroep al eerder (in 2021) bezocht en voor een herhaalgesprek in aanmerking komen.
Hiernaast willen wij, in samenhang met de instrumenten die de koepelorganisaties vertegenwoordigd in de begeleidingscommissie een verdieping en actualisatie op de inspiratiekaders opstellen. Over de vorm en inhoud hiervan werken wij in Q3 van 2024 een voorstel uit dat wij ter goedkeuring voorleggen aan het ministerie van BZK. Om 25 adviesgesprekken te kunnen voeren, is het belangrijk dat de projectgroep digitaal goed vindbaar is. Wij gaan er van uit dat, net als vorig jaar ons jaarverslag gepubliceerd wordt op de relevante pagina’s van de Rijksoverheid. Ook bieden wij ons verslag aan de koepels aan die vertegenwoordigd zijn in de begeleidingscommissie met het verzoek om publicatie. Ten slotte zullen wij twee – vier blogs schrijven ter publicatie op websites die bezocht worden door onze verschillende doelgroepen.
pagina 15/16
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023
Bijlage A
Lijst van bezochte gemeenten
Hieronder treft u een overzicht van de gemeenten die de projectgroep heeft gesproken.
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27
pagina 16/16
Naam gemeente Ameland Amstelveen Beek Beekdaelen Buren Culemborg Drechterland Enkhuizen Hillegom Hollands Kroon Lisse Maasdriel Meerssen Montfoort Mook en Middelaar Schiermonnikoog Someren Stede Broec Stein Terschelling Texel Valkenburg ad Geul Veenendaal Vlieland Voerendaal West Maas en Waal West-Betuwe
Aantal inwoners (2023) 3.840 94.418 16.132 35.966 27.725 29.729 20.385 18.885 22.435 49.431 23.390 26.020 18.600 13.929 8.043 982 20.061 22.138 24.772 4.928 13.979 16.423 68.525 1.291 12.405 20.065 52.720
Projectgroep lokale rekenkamers Jaarverslag 2023