Eigen agenderingsrecht- memo HHHWMO Buurtteams Overheids BV
Tekst van het document
Memo agenderingsrecht POV/FvD – HHH/WMO/Buurtteams/Overheids BV De POV-fractie heeft het Vlissingse WMO-beleid het afgelopen jaar meerdere keren de kwalificatie ‘desastreus’ gegeven, niet zonder reden. Niet vanwege de ongetwijfeld goede intenties die achter dit beleid zitten maar omdat wij vreesden voor de negatieve gevolgen die wij voorzagen van dit beleid. En deze gevolgen worden helaas met de week zichtbaarder. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen dat wij de enigen zijn die vrijwel wekelijks noodkreten per mail of reguliere post ontvangen, bijvoorbeeld over de steeds gebrekkiger huishoudelijke hulp in onze gemeente. Met name onze senioren zijn het kind van de rekening. Het is om die reden dat wij gemeend hebben dit onderwerp opnieuw te agenderen en onder de aandacht te brengen van de voltallige raad, wat ons betreft is de grens inmiddels bereikt. Ter voorbereiding op de commissievergadering van 13 oktober hebben de fracties van de POV en de FvD deze toelichtende memo opgesteld. Want het gaat niet goed. Onze senioren, van redelijk gezond tot meervoudig gehandicapt en volledig afhankelijk, krijgen niet de hulp die zij nodig hebben en verdienen. Mevrouw A. bijvoorbeeld had tot een half jaar geleden tot volle tevredenheid vijf uur de broodnodige huishoudelijke hulp per week. Vandaag de dag, dus na de desastreuze aanbesteding, is dit teruggelopen tot 1,5 uur per week.
Let wel, zonder herindicatie, en volledig op initiatief van de aanbieders omdat zij op grote schaal geen personeel voorhanden hebben. Cliënten moeten zich tevreden stellen met een ‘schoon en leefbaar’ huis, wat dat dan ook mag zijn. Een van onze bronnen, een zorgmedewerker, omschrijft deze kwalificatie zelfs als onmogelijk omdat niets zo variabel en aan eigen perceptie gebonden is als ‘schoon en leefbaar’. Met de genoemde 1,5 uur als voorbeeld laten we veel van onze hulpbehoevende senioren aan hun lot over. Bovendien is het in deze extreem korte tijdspanne in veel gevallen een praktische onmogelijkheid daadwerkelijk adequate en benodigde hulp te bieden, bijvoorbeeld als er sprake is van medische factoren. Denk hierbij aan incontinentie, lekkende wonden, bibberen tijdens het eten, visuele beperkingen, verwardheid. Ook andere factoren spelen een rol; zijn er huisdieren, wel/geen mantelzorg, wel/geen contact met (eventuele) familie, de staat van het huis, veel/weinig dierbare spullen van de cliënt, wel/niet zelf koken, alleenstaand of echtpaar? Het voorbeeld van mevrouw A. staat niet op zich, inmiddels hebben wij vele tientallen schrijnende gevallen in ons dossier. De gemeente heeft de regie volledig uit handen gegeven aan een tweetal aanbieders die wel incasseren maar pertinent NIET de gewenste en juiste zorg (kunnen) bieden.
Medewerkers van de aanbieders verbazen zich over het feit dat tegenwoordig een uit de lucht gegrepen indicatie überhaupt kan worden gesteld. Kennelijk vinden er geen huisbezoeken plaats om de thuissituatie of medische situatie te beoordelen. Een van onze bronnen kon in het verleden aan de bel trekken bij de aanbieder(s) als deze niet uitkwam met de beschikbare uren maar die mogelijkheid is simpelweg weggesnoeid. Zoals gezegd is de gemeente de regie doelbewust volledig kwijt, ondanks haar zorgplicht. Hier is maar één conclusie mogelijk en dat is dat niet de indicatie maar de beschikbare financiën bepalen hoeveel en welke hulp mensen krijgen. Anders gesteld, de aanbieders die de zak met geld hebben bepalen hoeveel zorg cliënten nodig hebben en krijgen. Dit wordt bevestigd door een schriftelijke reactie van een zorgverlener die namens de gemeente de WMO uitvoert en huishoudelijke hulp verstrekt. Het uitgangspunt is niet langer de zorgvraag maar het beschikbare budget. Daarbij maakt de zorgverlener tegenwoordig uit hoeveel en welke zorg, in uren, deze voor het beschikbare budget uitvoert. Uit interne communicatie van een zorgaanbieder naar het uitvoerend personeel blijkt dat als er meer cliënten bijkomen dit niet betekent dat er meer uren beschikbaar komen maar dat de zorg simpelweg over meer cliënten wordt verdeeld.
Dit is absoluut en pertinent een fout uitgangspunt! Zo is dit nooit bedoeld, zo is het nooit gecommuniceerd en zo kan en mag de zorg niet benaderd worden.
Om deze redenen is het van belang voor deze Raad om de lumpsum financiering met het budgetplafond te kunnen monitoren. Worden de beoogde doelstellingen überhaupt behaald? Welke voor- en nadelen zijn er met dit financieringsmodel? Welke alternatieven zijn er? Immers, er zijn teveel signalen dat er tegenwoordig niet meer dezelfde zorg wordt geboden, toch een van de voorwaarden van de aanbesteding en met als resultante tientallen schrijnende voorbeelden en gevallen. En als men de zorgvraag nu al niet aankan, hoe gaat dat dan worden binnen de nieuwe aanpak van de buurtteams in een zogenaamde overheids BV? Is het dan ineens wel mogelijk? In de buurtteams worden taken en activiteiten gecombineerd die tot januari 2023 nog door verschillende organisaties in het voorliggend veld worden uitgevoerd. Hierin is Vlissingen uniek, aldus de hyper-positieve presentatie van 7 juni. Echter, andere gemeenten zijn al eerder met een dergelijke constructie begonnen maar zijn daar al weer snel van afgestapt omdat de praktijk te weerbarstig bleek te zijn. Kortom, het werkt niet. Daarover in de presentatie uiteraard geen woord. Nu al bereiken ons in deze setting signalen dat de praktijk bepaald niet vlekkeloos verloopt. Deze signalen komen niet alleen van senioren maar ook van gezinnen met kinderen.
En de gevolgen van het spaak lopen van behandeling onder de jeugd, dat is algemeen bekend, kan desastreuze gevolgen hebben! De herinrichting, ongetwijfeld ingezet met goede intenties, is om binnen een buurtteam laagdrempelige en toegankelijke ondersteuning te bieden door zowel professionals als vrijwillers. Het gaat hierbij om diverse soorten ondersteuningsvragen van en voor onze inwoners op verschillende gebieden zoals onder andere zorg, wonen, welzijn, inkomen, opvoeding en geldproblemen. In theorie klinkt dit als een goede weg naar een integrale aanpak die ten goede zou moeten komen aan de (mentale) gezondheid van onze inwoners. Vroegsignalering is daarbij essentieel. Het is kennelijk een nieuwe aanpak en een nieuwe manier van werken. Echter, de combinatie met de implementatie van deze nieuwe aanpak en het tegelijkertijd stopzetten van subsidies van het voorliggend veld die door verschillende organisaties worden uitgevoerd kent een groot risico met alle gevolgen van dien. Voor een nieuwe aanpak zijn in de praktijk altijd veel investeringen nodig, zowel in mankracht als in geld. Dit, terwijl er kennelijk door de artikel-12-status juist miljoenen moeten worden bezuinigd in het sociaal domein.
Een lange aanloop bij deze aanpak is niet alleen wenselijk maar tevens essentieel, zodat er voldoende tijd is om te experimenteren, te oefenen en ervaringen op te doen met de verschillende pilots. In onze gemeente is reeds een buurtteam actief. Het uiteindelijke doel is om op 1 januari 2023 drie buurtteams operationeel te hebben. Het is ons helaas onbekend wat de status en ervaringen van het eerste buurtteam zijn, daar kunnen wij slechts naar gissen. Een vereiste voor een goede voorbereiding en start van deze voor Vlissingen nieuwe aanpak is een uitgewerkt beleid met betrekking tot de huidige diverse uitvoeringsprogramma’s die aansluiten op de verschillende domeinen. Om onze kaderstellende en controlerende taken als Raad te kunnen uitvoeren is het van belang om meer inzicht in prestaties en besteding van middelen te delen met bruikbare en goed meetbare indicatoren. Uiteraard afgezet tegen de geformuleerde doelstellingen en de daarvoor ingezette middelen. Zoals inmiddels bekend is het college voornemens een Overheids BV op te richten waarin de buurtteams gaan werken. Vanuit deze Overheids BV worden de buurtteams aangestuurd om vervolgens bij inwoners van Vlissingen aan te sturen op eigen kracht en te streven naar zelfredzaamheid. Door de buurtteams wordt vooral ingezet op het voorkomen van ondersteuningsvragen.
Op zich logisch als hier preventie wordt bedoeld maar wat als je werkelijk hulp nodig hebt? Bij de doelstellingen van de buurtteams wordt aangegeven dat de instroom van individuele maatwerkvoorzieningen zoveel mogelijk moet worden voorkomen, uitgesteld of minder ingezet. Dit kan toch in de praktijk niet betekenen dat de buurtteams noodzakelijke hulp gaan weerhouden van cliënten? Of in noodzakelijke hulp gaan snijden? Wij zijn van mening dat daar waar
het het gaat om ouderen, zieken en gehandicapten, daar waar het gaat om mensen bij wie eigen kracht en zelfredzaamheid ontbreekt of in zeer beperkte mate aanwezig is, je nimmer gaat snijden in noodzakelijk hulp. Wat wij zien is dat door de desastreuze gevolgen van de aanbesteding veel hulpbehoevenden niet meer de noodzakelijke hulp en ondersteuning krijgen die ze nodig hebben: er is flink bezuinigd op de uren en veel hulpbehoevenden verkeren in grote problemen en alsof dit nog niet erg genoeg is komt daar door de werkwijze van de buurtteams kennelijk nog een tweede bezuinigingsronde bovenop. En dit alles onder het mom van, zoals is aangegeven in het businessplan Buurtbedrijf, ‘dat men denkt en werkt vanuit een structuur die gebaseerd is op het principe Positieve Gezondheid’. Een fraaie en aardig klinkende volzin. Maar hoe positief is deze bezuinigingsmaatregel in de praktijk als mensen niet meer de noodzakelijke zorg krijgen? Zoals aangegeven is dat nu al het geval als praktisch gevolg van de aanbesteding. Wij hebben grote zorgen dat dit in de nabije toekomst alleen nog maar zal en kan toenemen. Uiteraard zouden wij graag zien dat het college voor wat betreft de verdere ontwikkelingen op de rem gaat trappen gezien alle problemen die veel hulpbehoevenden nu al hebben doordat ze te weinig huishoudelijke hulp krijgen. Echter, het college trapt helaas juist op het gaspedaal.
Wij vrezen dat dit, onder het mom van ‘positieve gezondheid’, ten koste zal gaan van iedereen die hulp nodig heeft. Tenslotte, in de uitgangspunten van de werkwijze van het Buurtbedrijf lezen we dat de sociaal werkers maximaal gebruik maken van de ‘eigen kracht’ van de inwoners en het sociale netwerk. Als het eigen netwerk te weinig mogelijkheden biedt wordt er gezocht naar mogelijkheden in het georganiseerde informele netwerk. Het motto is: vrijwillige inzet waar mogelijk, professionele ondersteuning waar nodig. De vraag is dan wie dat gaat bepalen? Wie gaat bepalen wat, waar en voor wie nodig is? Wie heeft de regie, wie gaat dat beoordelen? Wie gaat dat toetsen? En wie is er verantwoordelijk ?