College - artikel 12 - Memo reserve sociaal domein
Tekst van het document
Memo: Inzet reserve sociaal domein I Inleidend Doel van het voorliggend memo is een onderbouwing te leveren voor de noodzakelijke investeringen en bestaande risico’s binnen het sociaal domein, voor zover niet gedekt binnen de begroting. Vanwege het ontbreken van een Algemene Reserve van voldoende omvang moet daarom een beroep gedaan worden op de reserve sociaal domein. We zien in paragraaf 2.2. van de begroting dat Vlissingen vanuit het gemeentefonds fors minder ontvangt voor het sociaal domein ten opzichte van de uitgaven die we hebben. Hierdoor sluit het totale saldo voor het sociaal domein met een tekort van € 8,3 miljoen, oplopend naar € 12,8 miljoen in 2028. Opbouw van het tekort sociaal domein (bedragen x € 1.000) Taakvelden sociaal domein (excl. taakveld 7.1 volksgezondheid). Overhead Gemeentefonds (septembercirculaire 2024) Totaal tekorten op sociaal domein en werk & inkomen
2025 2026 2027 2028 -135.679 -136.179 -137.370 -142.115 -6.672 -6.327 -6.634 -6.802 134.081 131.281 133.665 136.083 -8.270
-11.225
-10.339
-12.834
Binnen het saldo van het Sociaal domein hebben we mede van rijkswege daarenboven forse nog te realiseren taakstellingen, oplopend tot structureel € 8,6 miljoen in 2028 en verder. Het risico dat een deel van deze taakstellingen later of gedeeltelijk niet gerealiseerd wordt is reëel. Dit risico kan een aantal jaren incidentele nadelen opleveren waarvoor een toereikende buffer nodig is om deze op te kunnen vangen. De optelsom van een groot saldotekort en een forse taakstelling in de begroting vormt een structurele bedreiging voor de ambitie om te komen tot een (financieel) stabiel sociaal domein. In de komende jaren wordt gewerkt aan oplossingen voor zover die intern stuurbaar zijn, denk aan het Plan van Aanpak Sociaal Domein. Voor de belangrijkste exogene actor – Rijksbeleid – staan anderen aan het stuur. II De reserve sociaal domein. Het college beziet de mogelijkheid van een exit art. 12. Impliciet aan elke begroting zijn financiële risico’s te definiëren. Zo maakt ook de realisatie van de taakstelling sociaal domein deel uit van de begroting. Deze taakstelling is opgebouwd uit meerdere elementen: 1. De taakstelling zoals opgenomen in het Inspectierapport art. 12 als het totaal van de te nemen maatregelen bij Jeugd, W&I en WMO, in het kader van de onder art. 12 opgelegde bezuinigingen; 2.
De aanvullende besparingsopgave die het Rijk heeft opgelegd in het kader van de hervormingsagenda Jeugd; 3. Investeringen die gedaan moeten worden om de beoogde besparingen ook daadwerkelijk te realiseren, onder meer in het kader van de hervormingsagenda jeugd en het armoedefonds ; 4. Aanvullende besparingen, om te komen tot volume reductie bij Jeugd; 5. Aanvullende bijdragen ter realisatie van de beoogde besparingen in de vorm van het saldo WMO en de structureel toegezegde Rijksbijdrage van €1.6 miljoen vanuit het vervallen coalitieakkoord Jeugd. Voor de gemeente Vlissingen is het van belang om de investeringen en risico’s niet alleen goed in beeld te hebben, maar deze ook in het licht van een duurzame uitstroom uit de art. 12 status, te voorzien van voldoende dekking. De reserve sociaal domein – na uitname van € 5 miljoen conform de beschikking van de fondsbeheerder over 2021-2022, pakweg € 19 miljoen - speelt daarbij een cruciale rol. De investeringen en risico’s waar het om gaat voor mogelijke d1ekking door de reserve sociaal domein zijn te splitsen in een drietal thema’s; Investeringen en risico’s te dekken met de reserve sociaal domein (x € 1.000) Ad a) Noodzakelijke investeringen Ad b) Risico realisatie taakstelling Ad c) Overige risico's (exclusief taakstellingen) Totaal
Totaal: 6.564+ PM 12.611 5.425 24.600
Ad a) Noodzakelijke investeringen 1.
Voor de realisatie van de ambities in het kader van het Investeringsfonds is met een doorlooptijd van 4 jaar – 2025–2028 – een investering nodig van € 3.694 miljoen. In de dekking van deze investering is in de begroting voorzien, echter gezien de onzekerheden omtrent de realisatie van de taakstelling kan de (financiële) afweging worden gemaakt om ook deze investeringen te dekken uit de reserve Sociaal Domein. Wij adviseren deze afweging te maken bij de 1e berap 2025.
2.
Voorts is er ook sprake van noodzakelijke veranderingen in de uitvoering van het sociaal domein binnen de gemeentelijke organisatie zelf. In de begroting 2025-2028 zijn daartoe de benodigde investeringen voor 2025 en 2026 opgenomen van tweemaal € 1,4 miljoen voor de kosten uitvoering Plan van aanpak sociaal domein. Deze kosten zijn ten laste van de reserve sociaal domein begroot.
3.
De gemeente staat daarenboven na een tiental jaren art. 12 status op een achterstand waar het gaat om het niveau van de voorzieningen in zowel het Klassiek als het Sociaal Domein. Het inlopen van deze achterstand om te komen op het niveau van een – in termen van artikel12 – gemeente die maximaal kan voorzien in wat een gemiddelde gemeente kan, vraagt om aanvullende investeringen, zoals het ophogen van de inkomensgrens. Om de groeiende zorglasten bij de WMO in control te houden, zullen we sowieso stapsgewijs moeten investeren in het terugdringen van de zorgvraag door het versterken van de maatschappelijke context waarbinnen die zorgvraag ontstaat. Dat betekent aanvullend investeren in terugdringen van armoede, versterken van sociale inclusie en sociale cohesie, oftewel bestaanszekerheid en maatschappelijke en arbeidsmatige participatie. Naast het investeringsfonds, dat bedoeld is om de resultaten van de afgelopen jaren te consolideren en verder uit te bouwen, biedt de reserve sociaal domein perspectief om in de toekomst aanvullende impulsen te geven om de sociale problematiek en daarmee het totale lastenniveau te verlagen. Dit mede in het licht van het feit dat Vlissingen te maken heeft met zogenaamde grote-steden problematiek en in de afgelopen tien jaar een achterstand heeft opgelopen in de voorzieningen als gevolg van de art. 12 status.
Deze aanvullende ambities worden nu uitgewerkt in het Beleidsplan Sociaal Domein 2025-2028.
4.
Ingevolge de wens van de raad om nader onderzoek te doen naar de effecten van het beleid WMO is een raadsonderzoek van start gegaan waarvoor een budget is geoormerkt van 70.000, te dekken uit de reserve sociaal domein.
a) Noodzakelijke investeringen (x € 1.000) 1. Investeringslast Investeringsfonds 2. Plan van aanpak sociaal domein 3. Investeringslast terugdringen zorgvraag WMO 4. Raadsonderzoek WMO
2025 2.625 1.400 PM 70
2026 549 1.400 PM
2027 520 0 PM
2028 0 0 PM
Totaal 3.694 2.800 PM 70
Totaal:
4.095
1.949
520
0
6.564+ PM
Ad b) Risico Realisatie taakstelling. Deze opgave loopt over de jaren 2025 - 2030 op tot een jaarlijks te realiseren bedrag van € 8.562 miljoen. De scope van het financieel risico hierbij overstijgt de mogelijkheid die de gemeente heeft om dit risico af te dekken vanuit de Algemene Reserve, zowel voor als na een exit art. 12. Hoewel de realisatie van de taakstelling een opgave is die we onszelf in de begroting opleggen, mede bepaald door rijksbeleid, is duidelijk dat de omstandigheden – ook exogeen – van dien aard zijn dat er een reëel risico bestaat dat de ‘winsten’ die we boeken in de realisatie van de taakstelling letterlijk weggestreept moeten worden tegen additionele kostenstijgingen. Daarnaast hebben we te maken met een aantal opgaven die voor realisatie sterk of zelfs volledig afhankelijk zijn van nog te implementeren Rijksbeleid. Een risicovol voorbeeld daarvan is de uitvoering van de Hervormingagenda. (Zie ook par. III exogene factoren.)
We schatten dit risico procentueel aflopend in omdat we de komende jaren bij kunnen en zullen moeten sturen in ons meerjarig financieel perspectief om het eventueel later of niet realiseren van delen van de taakstellingen op te vangen. b) Risico realisatie taakstelling (x € 1.000) 2025 2026 Totaal nog te realiseren taakstellingen * 2.660 5.535 Inschatting procentueel risico realisatie 0,6 0,5 Totaal inschatting risico: 1.596 2.768 * Volgens paragraaf Taakstellingen begroting 2025 - 2028.
2027 7.776 0,4 3.110
2028 8.562 0,3 2.569
2029 8.562 0,2 1.712
2030 Totaal: 8.562 0,1 856 12.611
Ad c) Overige risico’s 1. Risicoparagraaf. In termen van goed rentmeesterschap moeten we ook een aantal zekerheden inbouwen als dekking voor de reguliere risico’s die we lopen in het sociaal domein en zoals we die hebben opgenomen in de Risicoparagraaf van de begroting. 2. BUIG. Jaarlijks wordt opnieuw de bijdrage vastgesteld die we ontvangen in het kader van de bijstandsverstrekking. Deze bijdrage – de BUIG – zou naar verwachting voor 2025 stijgen met €500.000. Echter bleek in oktober de verdeling van de middelen om vooralsnog onbekende redenen voor een aantal gemeenten voor het komende jaar bijzonder positief of juist negatief uit te pakken. Voor Vlissingen betekent 2025 een tegenvaller van € 1,7 miljoen, vooralsnog zonder uitzicht op een verbetering daarna en in de wetenschap dat de landelijke cijfers een stijging van het aantal bijstandsgerechtigden voorspellen. De Raad is hiervan middels een Raadsinformatiebrief van 30 oktober jongstleden op de hoogte gebracht.1 Het risico rond de BUIG is niet begrepen in de risicoparagraaf begroting 2025 en zal in de toekomst nog aanvullend opgenomen moeten worden. Conform de gebruikelijke systematiek in de risicoparagraaf voor structurele risico’s hanteren we een risico inschatting van 50% voor dit momenteel bestaande risico/nadeel, voor een periode van twee jaar. c) Overige risico's (na kans x impact en x € 1.000) 1.
Jeugd: Volume jeugdhulp en bijbehorende kosten nemen niet af. * 1. W & I: Begroting sociale werkvoorziening (werkleerbedrijf) wordt niet gerealiseerd. * 1. W & I: Transitie scenario wet sociale werkvoorziening (WSW). * 1. W & I: Prikkelwerking rijksbijdrage uitkeringen is ontoereikend. * 2. Bijdrage BUIG Totaal overige risico's * Volgens begroting 2025 paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing.
Bedrag: 1.800 1.000 700 225 1.700 5.425
III Exogene factoren Zoals hierboven aangegeven heeft de gemeente zeker niet alle risico’s in eigen hand, in die zin dat een aantal exogene actoren van negatieve invloed kan zijn op de resultaten van onze inspanningen. 1.
De beoogde besparingen in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd hebben een specifiek risico. De Jeugdautoriteit heeft in oktober 2024 haar rapport gepubliceerd waarin aangegeven wordt dat de Hervormingsagenda nergens gerealiseerd is over 2024 en dat ook 2025 geen positief beeld biedt. Conclusie: aanbieders en gemeenten houden elkaar in een houdgreep, het Rijk moet een oplossing bieden. Daarmee staan de ambities voor de Hervormingsagenda Jeugd vanaf dag 1 onder druk. Het is niet mogelijk om de ambities uit de begroting te halen omdat ze immers als een verplichting zijn opgelegd.
Aan het ministerie van SZW is door Orionis Walcheren gevraagd deze verschuiving te verklaren. Hierop is nog geen antwoord ontvangen. Gezien de korte termijn waarop een bezwaar moet worden ingediend, gaan wij alvast (pro forma) bezwaar aantekenen. Ondertussen kan dan de analyse plaatsvinden naar de onderliggende redenen van de daling van het budget, om zodoende ons bezwaar tegen dit besluit nader te motiveren. (RIB, 30-10-2024.) 1
2.
3.
De VNG heeft eind oktober aangegeven uit het Zorgakkoord te zullen stappen vanwege het ontbreken van bereidheid bij het Rijk om voldoende financiële compensatie te geven voor de kosten die gemeenten in dat verband moeten maken. Los van de inhoudelijke argumentatie biedt dit een weinig optimistisch beeld voor de vraag of gemeenten en Rijk elkaar op korte termijn zullen vinden in voor beide zijden bevredigende afspraken over de financiering van de zorginfrastructuur. Zij het Jeugd, WMO of W&I. In de afgelopen jaren zijn steeds meer Nederlanders onder de armoedegrens beland. Inmiddels is de relatie tussen armoede en zorgvraag in empirische zin meer dan voldoende onderbouwd. Dit legt een extra druk op de beschikbare middelen in het sociaal domein (zie ook hierboven Ad. a).
IV Conclusie. De cijfers in het voorliggend memo maken voldoende duidelijk dat de reserve sociaal domein – die zoals aangegeven op dit moment zo’n € 19 miljoen omvat – niet groot genoeg is om het totaal aan investeringen en risico’s van circa € 25 miljoen af te dekken. Indien we dit gegeven plaatsen in het licht van een exit, waarbij zeker in deze begrotingsperiode nog sprake zal zijn van een zeer bescheiden weerstandsvermogen, wordt het belang van de reserve sociaal domein in het kader van een duurzame exit des te groter.